Mensen nemen het liefst geen verantwoordelijkheid

Mede verantwoordelijk zijn is niet verantwoordelijk zijn. Als het onduidelijk is wie iets zou moeten doen, gebeurt er vaak niets. Het probleem is alleen, in elke situatie waar meer dan één persoon aanwezig is is niemand honderd procent verantwoordelijk. Gevolg, er gebeurt te weinig en we wachten te veel op elkaar.

‘Pardon,’ zei ik en deed de tweede deur open van een koeling bij de groenteafdeling van de Albert Heijn. De dame naast me, die de eerste deur open had gedaan, reageerde amper tot niet op mijn verontschuldiging.

Ik vond snel wat ik zocht, sneller dan mijn winkelgenoot. Om de tweede deur bij het dichtdoen niet tegen haar aan te gooien liet ik hem open. Al snel vond de dame ook wat ze zocht en ze sloot de deur. Haar deur. De mijne liet ze open.

Een klein voorbeeld. Maar erin verscholen liggen heel veel andere voorbeelden.

Het komt zo vaak voor dat je je af kunt vragen of het nou typisch menselijk is of typisch Nederlands.

Het bordje waarvan je broertje of zusje had gegeten en waarover je moeder vraagt of je het naar de keuken wil brengen – ‘Ik heb het toch niet vies gemaakt?!’ De verpakking die iemand voor je vlak naast de prullenbak gooit – je voelt wel de neiging er iets van te zeggen maar niet de aandrang om het zelf op te rapen. De collega die niet doet wat was afgesproken – ‘Zijn leidinggevende zou hem eens moeten aanspreken!’ Of de medewerker die iets niet doet wat hij wel zou kúnnen doen – ‘Dat is toch niet míjn verantwoordelijkheid?’

Het komt zo vaak voor dat je je af kunt vragen of het nou typisch menselijk is of typisch Nederlands. Is het onze natuur of onze cultuur?

Maar misschien voel je nu allereerst de neiging om op te komen voor de vrouw van de koelingdeur. Misschien vind je dat ik mijn eigen deur had moeten dicht maken. Ik had hem toch ook open gemaakt?

Maar zit er niet altijd ambiguïteit in de voorbeelden hierboven en in al die andere voorbeelden die je zelf kunt bedenken? Van welke situatie waar meer dan één persoon aanwezig is kun je zeggen dat één van hen honderd procent verantwoordelijk is?

Wat maakt dan dat het voor ons zo moeilijk is om dan toch maar honderd procent verantwoordelijkheid te némen als de ander dat niet doet?

Niemand maakt zich continu zorgen om al het leed in de wereld en zelfs niet om alle mensen in hun directe omgeving. Dat is gewoon te veel.

Het antwoord is dat het zowel onze natuur als onze cultuur is.

Allereerst is het typisch menselijk om je zo beperkt mogelijk verantwoordelijk te voelen. Mensen die zich mentaal en fysiek druk maakten om alles en iedereen in de gemeenschap hebben het in de evolutie niet gered. Die verspilden hun energie. Choose your battles is niet voor niks een spreekwoord.

(Nu zijn er vast mensen aan wie je meteen moet denken van wie je vindt dat die zich druk maken om alles en iedereen. Maar ik durf te wedden dat dat reuze meevalt als je naar de feiten kijkt. Niemand maakt zich continu zorgen om al het leed in de wereld en zelfs niet om alle mensen in hun directe omgeving. Dat is gewoon te veel.)

We willen niet meegetrokken worden in de slipstream van andermans gêne.

Het is óók typisch Nederlands om ons op deze manier en in deze mate te onttrekken aan medeverantwoordelijkheid. Beter gezegd, het is typisch westers. Er zijn culturen, en vooral de Aziatische staan daarom bekend, waarin het veel normaler is om je te bekommeren om de mensen om je heen, om je druk te maken over de vraag of iedereen wel doet wat-ie zou moeten doen en om iets te doen wat een ander nalaat.

Wij zijn opgegroeid met de gedachte dat het individu verantwoordelijk is voor zijn daden, voor zijn successen en zijn miskleunen. Dan kunnen we er maar beter voor zorgen dat we niet te veel betrokken zijn bij de ander. We zouden zomaar meegetrokken kunnen worden in zijn slipstream van gêne.

Voor de duidelijkheid, deze typisch westerse mentaliteit kon alleen maar ontstaan omdat we als dier hier dus voor geprogrammeerd waren. In onze cultuur is de volumeknop alleen wat hoger gezet dan in andere.

Niemand van ons wordt ooit een fulltime weldoener.

Weer terug naar de koeling. Was deze westerse vrouw bezig met de vraag of ik iets deed waar zij sociaal gezien last van zou ondervinden? Nee, niet bewust, nee. Maar haar aangeboren talent en aangeleerde gewoonte zich te onttrekken aan wat anderen doen leidden er wel toe dat ze automatisch niet met mijn deel van de wereld bezig was.

Het slechte nieuws is: niemand van ons wordt ooit een fulltime weldoener. (Maar goed, je kunt je afvragen voor wie het goed nieuws zou zijn als dat wel in het verschiet lag. Doodmoe zouden we ervan worden, de weldoener én de welgedanen. De evolutie heeft het niet voor niets uitgesloten.)

Het goede nieuws is: we kunnen wel léren om ons parttime te bekommeren om de vage gebieden van medeverantwoordelijkheid. De Chinezen hebben het bewezen.

Zoek elke dag tenminste één ding wat je kunt oppakken wat een ander ook had kunnen doen.

Maar hoe dan? vraag je je nu wellicht af. Welaan, klein beginnen, zou ik zeggen. Begin bij een koeling van de Appie. Of sta sowieso even stil voor je een winkel in loopt en neem je dan voor op de anderen in de winkel te letten. Kijk wat je kunt doen. Doe hetzelfde thuis of op je werk.

Zoek elke dag tenminste één ding wat je kunt oppakken wat een ander ook had kunnen doen. Alleen al het zoeken zal je anders doen kijken en daarom anders doen handelen.

En vergeet je kinderen niet, als je die hebt. Geef hun soortgelijke opdrachtjes: het bordje van hun broertje of zusje naar de keuken brengen, een (niet te vies) papiertje van straat in de prullenbak gooien, een onbekende voor laten gaan de winkel in, speelgoed weggeven, en vooral zelf laten nadenken wat ze vandaag voor een ander kunnen doen.

En maak daar een leuk spelletje van. Daag ze uit. Beloon ze. Doe mee.

Uiteindelijk heb ik de koeling maar dicht gedaan. Dat was mijn kleine oefening voor die dag. Mijn volgende oefening wordt om geen mening te hebben over de mevrouw die de deur open liet…


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een bedrijf, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Advertisements

Feedback geven is nutteloos als er geen vertrouwen is

‘Mensen spreken elkaar hier niet aan.’ ‘Ik heb hem er al vaak feedback over gegeven maar hij verandert gewoon niet.’ ‘We praten te veel óver elkaar en niet mét elkaar.’ Dit soort uitspraken hoor ik vaak. De oplossing voor veel problemen lijkt elkaar aanspreken. Maar daar los je meestal niks mee op. 

Onze hond Cisco loopt aan het eind van zijn rondje altijd voorop, als een paard dat de stal ruikt. Hij staat dan vaak bij het hek, dat ons huis van het bos scheidt, te wachten tot ik het open doe.

Laatst kwam er een groepje wandelaars voorbij, net voordat ik bij het hek was aangekomen waar ons hondje braaf stond te wachten. Ik zag dat een man die in de achterhoede liep het klokhuis van zijn appel naar Cisco gooide.

Cisco houdt van appels, dus je zóú dit kunnen opvatten als een vriendelijke daad. Maar Cisco braakt appels doorgaans later weer uit. Zijn maag verdraagt ze niet. Bovendien vind ik het ongepast om je eigen GFT-afval – of wat dan ook – te gooien naar andermans hond.

Daarom riep ik: ‘Zou u dat niet willen doen?!’

‘Mijn hond moet ervan kotsen,’ verklaarde ik mijzelf nader. ‘Ik ook,’ reageerde de man, ‘daarom gooi ik ’m weg.’

De voorste leden van de wandelgroep waren mij inmiddels dicht genaderd. Ze hadden niet gezien wat hun groepsgenoot had gedaan en keken me geschrokken aan. Ze keken alsof ze rekening hielden met de mogelijkheid dat ze met een gek te maken hadden.

Ik liep langs hen en kwam bij de appelgooier aan. ‘Mijn hond moet ervan kotsen,’ verklaarde ik mijzelf nader. ‘Ik ook,’ reageerde de man, ‘daarom gooi ik ’m weg.’ Het klonk als een grap maar hij lachte er niet bij. Ook bij de andere vijf leden van de wandelstoet bleef het gezicht strak terwijl iedereen doormarcheerde.

Op branieachtige spitsvondigheid en algehele onverschilligheid had ik niet gerekend. Vertwijfeld liep ik ook maar door en riep ten besluit (en een beetje kinderachtig): ‘Fijne dag verder!’

Een reactie bleef uit. Niemand draaide zich naar me om. Nog wat verbluft ging ik met Cisco, die de appelresten allang naar binnen had gewerkt, het hek door.

Sowieso laten mensen zich niet snel op hun fouten wijzen maar als een onbekende dat doet wordt de kans om je aangesproken te voelen helemaal klein.

Als iemand die je niet kent je aanspreekt op je gedrag zorgt dat in de regel niet voor een erkenning van je fout. Mensen zijn namelijk vooral geneigd om informatie te accepteren die hun – vaak te positieve – zelfbeeld bevestigt.

Sowieso laten mensen zich niet snel op hun fouten wijzen maar als een onbekende dat doet wordt de kans om je aangesproken te voelen helemaal klein.

Om fouten toe te geven moet er namelijk sprake zijn van een gevoel van veiligheid, dat niemand aan de haal gaat met je zwakte. Onbekenden zijn per definitie niet veilig volgens het primitieve deel van je hersenen. Het beste wat je dan kunt doen is het gevaar afweren op de manier waarvan je hebt geleerd dat die effectief is.

Voor de appelgooier leek dat een snedige opmerking te zijn. Hiermee weerde hij niet alleen onwelgevallige informatie af, hij liet er ook nog mee aan z’n vrienden zien dat-ie mij de baas was.

Wat dacht die man wel? Een beetje mijn hond zum kotzen voeren en dan ook nog bijdehand gaan lopen doen?

Bij de groep gebeurde eigenlijk hetzelfde als bij hun appelgooiende vriend: ze werden geconfronteerd met een onbekende die onverklaarbaar gedrag vertoonde. Een per definitie onveilige onbekende die zomaar begint te roepen, wie deinst daar niet even voor terug?

En toch voelde ik me onheus bejegend. Wat dacht die man wel? Een beetje mijn hond zum kotzen voeren en dan ook nog bijdehand gaan lopen doen? En die laffe groep vrienden? Niet eens een sorry-hij-bedoelt-het-niet-zo-hoor of dan tenminste een verontschuldigende glimlach?

Maar ík had beter moeten weten. Ik had kunnen bedenken dat het kansloos was om hier op deze manier iets van te zeggen, dat ik niet op applaus, omhelzingen of het-spijt-me-bloemen had kunnen rekenen.

Want als je iemand aanspreekt om moreel besef te implanteren, werkt dat alleen maar als die persoon zich veilig bij je voelt. Er moet vertrouwen zijn.

Als je er de tijd of het geduld niet voor hebt, laat het zitten.

Helaas gebeurt dat te weinig.

Managers lijken te denken dat hun medewerkers ‘het eindelijk snappen’ als ze hen aanspreken, terwijl zij verder geen oprechte interesse in hen tonen. Agenten verwachten dat burgers zich opeens verantwoordelijk gaan gedragen als ze hen bekeuren, terwijl de politie onvoldoende doet aan criminaliteit waar diezelfde burger zich al jaren aan stoort. (‘Ga toch boeven vangen!’) En automobilisten denken dat ze hun morele verontwaardiging effectief overbrengen door te toeteren naar een medeweggebruiker die niet oplet, terwijl bijna iedereen in het verkeer anoniem is.

Stap niet in dezelfde valkuil. Maak eerst een connectie met de ander, zorg ervoor dat hij doorheeft dat je het beste met hem voorhebt en maak pas dan je punt. En als je daar de tijd of het geduld niet voor hebt, laat het zitten. Dan vind je het vast niet belangrijk genoeg.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een bedrijf, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Nederlanders klagen bozig en lafhartig – en da’s oké, vinden Nederlanders

Dreetje Hazes schalde ‘wie kan mij vertellen wat ik gisteren heb gedaan’ door onze achtertuin. De stem van de jonge volkszanger kwam me tegemoet toen ik de tuin in liep om mijn vader te helpen de achtergevel van ons nieuwe huis in de grondverf te zetten.

‘Hallo! Kan die radio wat zachter?! Het is door het hele bos te horen!’

Het kwam van het silhouet van een man dat te zien was door de rieten schutting van onze achtertuin. ‘Natuurlijk!’ riep ik terug. ‘Sorry! Mijn vader is al wat ouder. Hij hoort niet meer zo goed,’ zei ik er nog snel met een lachje achteraan. Het silhouet verdween zonder verder iets te zeggen uit het zicht.

De radio hadden we tussen de huisraad van de vorige bewoners gevonden. Terwijl ik de ramen aan de zijkant aan het verven was had ik al gehoord dat mijn vader het oude Philips-ding, waar hij alleen 100% NL op had kunnen vinden, nogal hard had gezet.

Als je er wél over nadenkt is dit eigenlijk gewoon raar gedrag.

Het silhouet had gelijk, dus. Maar was het niet een beetje te kortaf geweest?

Als je er niet over nadenkt, is dit een gangbaar ritueel: radio staat hard, buurman is boos, buurman roept. Maar als je er wél over nadenkt is dit eigenlijk gewoon raar gedrag.

We wonen nog maar drie weken in dit huis. Met onze achterburen hadden we nog niet kennisgemaakt. Dit was dus onze eerste ontmoeting met een van hen.

Een bruusk ‘hallo!’ was het eerste woord dat hij koos om die ontmoeting in te luiden. Een kort retorisch verzoek was zijn tweede zin en een insinuerende overdrijving zijn derde. En als slot koos hij ervoor om zonder meer weg te lopen. Nogal onbeschoft.

Ik denk dat er meerdere dingen speelden die ervoor zorgden dat het silhouet zich zo gedroeg.

Dit is hoe we het doen. In onze cultuur praat je nou eenmaal kort en to-the-point met onbekenden.

Allereerst denk ik dat mijn achterbuurman zich al een tijdje op had zitten vreten. Hij moet hebben zitten luisteren en op een gegeven moment gedacht hebben: nu is het klaar, het is door het hele bos te horen! Dat dat fysiek onmogelijk was, maakte niet uit. In zijn hoofd was het inmiddels zo. Hierdoor had hij vol adrenaline gezeten toen hij bij de schutting aan was gekomen.

Daarnaast moet er angst in het spel zijn geweest. De man zal nooit toegeven dat hij bang was geweest en hij had vast niet staan trillen als een rietje. Maar íéts van angst speelde zeker een rol.

We hadden elkaar immers nog nooit ontmoet. De belangrijkste info die hij over ons had was dat we heel hard 100% NL luisteren. Wist hij veel wat voor toeren een paar onbekende oer-Hollandse herriemakers zouden uithalen als hij ze zou aanspreken?

En als je bang bent voor iemand, kun je maar beter niet te dichtbij komen.

Tot slot, en wat mij betreft het erg(erlijk)ste: dit is hoe we het doen. In onze cultuur praat je nou eenmaal kort en to-the-point met onbekenden.

Het is schijnbaar oké als je bozig en lafhartig je ongenoegen uit.

Of het nou de kijk-uit-je-doppen is naar de voetganger die het fietspad oversteekt, de ssssjt naar de pratende tieners in de stiltecoupé of de claxon naar iemand die in de weg staat met zijn auto: het gaat allemaal met zo min mogelijk woorden en contact.

Ook aan dit gebruik liggen de frustratie en angst ten grondslag die mijn silhouetbuurman moet hebben gevoeld. Het punt is, de uiting van die frustratie en angst is geaccepteerd. Het is schijnbaar oké als je bozig en lafhartig klaagt. Niemand zegt daar immers wat van. Dát maakt er iets aan doen zoveel moeilijker.

En daarom wil ik juist iedereen oproepen om iets te doen wat ingaat tegen deze gewoonte: als iemand iets doet wat je niet zint, maak er een ontmoeting van.

Bel aan bij die nieuwe buurman met die schallende radio en stel je voor en maak een praatje. Stop voor die voetganger, kijk hem aan en zeg met een glimlach: ‘Ga je gang! En de volgende keer oppassen, hè?’ Loop naar die herriemakers in de stiltecoupé toe, en gebruik woorden met klinkers erin. Stap uit je auto en vraag of je kan helpen met het uitladen van de auto die midden op de weg staat.

En als iemand bozig en lafhartig zijn ongenoegen uit, maak dan ook daar een ontmoeting van.

Ik bel in ieder geval vanavond aan bij de onbekende silhouetbuurman. Dan stel ik me voor en maak ik een praatje. Dat begint met: ‘We hebben elkaar zaterdag al ontmoet, toen u vroeg of de radio zachter kon…’


Olav de Maat is schrijver, sociaalgedragscoach en organisatieadviseur (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Leidinggevenden zorgen voor onveilige werksituaties, dankzij compromitment

Er zit een wetmatigheid in hoe mensen omgaan met het falen van anderen: het compromitmenteffect. En dit effect bepaalt sterk hoe we vooruitkomen (of niet) in ons werk.

In ons werk worden we vaak beoordeeld op en beloond voor gedrag. Dit gaat ervan uit dat leidinggevenden voldoende in staat zijn om het gedrag van hun medewerkers op waarde te schatten. Bovendien weten veel leidinggevenden tegenwoordig dat mensen vrijheid nodig hebben en leren van fouten. Dus is zelfstandigheid het devies en het motto: fouten maken mag.

Maar de beoordeling van fouten wordt bepaald door de mate van compromitment: de mate waarin iemand zich gecommitteerd heeft aan een ander, gecombineerd met de mate waarin iemand gecompromitteerd wordt door die ander. Als er van beide veel sprake is, dan zit je in een awkward situatie aan elkaar vast. Maar als er laag commitment is, kan een gecompromitteerd iemand de ander zomaar laten vallen als een baksteen.

De vrijheid in ons moderne werk maakt beoordelen en belonen daarom vaak onbetrouwbaar en psychologisch onveilig. Vandaar dat medewerkers en leidinggevenden elkaar juist méér moeten opzoeken naarmate ze mínder met elkaar te maken hebben.

Medewerkers en leidinggevenden moeten elkaar meer opzoeken naarmate ze minder met elkaar te maken hebben.

Ik mocht ter viering van het dertigjarig bestaan van een bedrijf een groep van ongeveer negentig mensen iets vertellen naar aanleiding van mijn boek. Dat doe ik vaker. Deze keer ging ik echter faliekant de mist in. Het was pijnlijk. En het was leerzaam te zien hoe verschillende mensen daar verschillend mee omgingen.

Ik had bedacht dat ik mijn optreden zou beginnen met een experiment. Vier vrijwilligers zouden op het podium met behulp van een online pollprogramma vragen beantwoorden.

Dat kwam er alleen amper van.

De internetverbinding was langzaam. En een van de vrijwilligers kwam met haar telefoon niet op de juiste pagina. Als gevolg daarvan stonden we met z’n vijven wat te prutsen en te mompelen terwijl negentig mensen eerst geïntrigeerd toen geamuseerd en toen onrustig werden. En sommigen raakten tenslotte geïrriteerd.

Degenen die ik het meest geïrriteerd zag worden waren de twee organisatoren van het event. Op de voorste rij spraken ze met elkaar met handen voor de mond en steelse blikken mijn kant op.

Zonder me aan te kijken klopte hij me afwezig op de schouder en liep naar de borrellocatie.

Na een half uur – waarin ik het met humor gered heb, zoals iemand later zei – plofte ik neer op de stoel naast een van de twee organisatoren, ‘Frits’. Frits keek me niet aan en zei niets. Hij bleef met zijn rug van me afgewend zitten terwijl hij naar zijn collega luisterde die het woord van me over had genomen. (Die laatste begon overigens zijn verhaal met de woorden: ‘Gaaf, gaaf…’ waarmee hij leek te doelen op mijn optreden.)

Toen het plenaire gedeelte afgelopen was en het tijd was op te staan, wist Frits een ‘dankjewel’ te mompelen. Zonder me aan te kijken klopte hij me afwezig op de schouder en liep naar de borrellocatie.

Op de borrel sprak ik ook de tweede organisator, ‘Philip’ – die van ‘gaaf, gaaf…’ Hij leek een stuk minder moeite te hebben met mij. Hij bedankte me voor mijn bijdrage en zei lachend dat hij eerst dacht dat mijn blunder bij de act hoorde. ‘Klote,’ zei Philip, ‘maar dat kan nou eenmaal gebeuren.’

Thuis aangekomen vertelde ik het verhaal van mijn optreden. Mijn vriendin zei dat ze voor me baalde maar ervan overtuigd was dat ik het goed had gedaan. Ze had het verhaal eerder van me gehoord en ze zei te weten dat het echt een mooie boodschap was. Ze twijfelde niet aan mijn kunnen.

Compromitment is de mate waarin iemand zich gecommitteerd heeft aan een ander, gecombineerd met de mate waarin iemand gecompromitteerd wordt door die ander.

Drie mensen, drie reacties. Natuurlijk is het verschil in reactie voor een deel te verklaren door het verschil in persoonlijkheid: Frits leek me al een wat stiller type, Philip is in mijn ogen de wat meer positief ingestelde man en mijn vriendin Kim heeft altijd een pleister op de wonde klaar.

Maar persoonlijkheid is maar een déél van de verklaring. Compromitment is een even zo belangrijk of misschien wel het belangrijkste deel.

Compromitment is de mate waarin iemand zich gecommitteerd heeft aan een ander, gecombineerd met de mate waarin iemand gecompromitteerd wordt door die ander.

Hoe meer gecommitteerd, hoe meer ondersteunend. Neem Kim. Haar ken ik al zeventien jaar en ze helpt me altijd met mijn presentaties. Dat zij me blijft steunen mag geen wonder heten.

Interessanter is het verschil tussen Frits en Philip.

Ik was de dronken neef die op het familiefeestje op tafel klimt.

Ik kende Frits en Philip allebei niet vóór dit avontuur. De kennismaking en de intake voor het praatje had ik eind maart met hen beiden gedaan. Tot half juni, tijdens de verdere voorbereidingen, had ik alleen contact gehad met Philip. Met hem was er daardoor een soort gelegenheidsverbond ontstaan. We gingen dit samen regelen. Toen het uiteindelijk op het moment suprême fout ging, was dat commitment niet meteen verdwenen.

Met Frits had ik echter amper een relatie. Was voor Philip mijn optreden vermoedelijk in eerste instantie een gezamenlijke onderneming die fout ging, voor Frits was ik vooral een gênante vertoning op zíjn feestje.

Want dat was het compromitterende deel: met mijn mislukte experiment creëerde ik een ongemakkelijke situatie voor Frits en Philip. Ik was de dronken neef die op tafel klimt op het familiefeestje waar je net je vriend(innet)je voor het eerst mee naartoe neemt.

Voor beiden was het awkward. Maar voor Frits was ik een vaag bekende achterneef, terwijl Philip als het ware daags daarvoor nog met neef Olav de kroeg in was geweest.

Het vreemde aan compromitment: je zou verwachten dat mensen zich meer schamen voor iemand met wie ze nauwer verbonden zijn. Je schaamt je immers meer voor je moeder die gek staat de dansen op je zestiende verjaardag dan voor een wildvreemde die dat doet. Maar de grap is dat je hersenen je schaamte corrigeren voor de mate waarin je je verbonden hébt – vs. de mate waarin je verbonden bént.

Het is een kwestie van commitment.

Is het commitment laag, dan laat iemand de ander voor het minste of geringste vallen als een baksteen.

Speaking of dronken op tafels staan: op een hockeyfeestje waar ik ooit, lang geleden, was klom een jolige en dronken hockeyer op een statafel. Zijn ploeggenoten moedigden hem juichend en springend aan. Tot hij zijn sport- én onderbroek uittrok.

Wat hij (hopelijk) niet wist was dat hij in z’n broek gepoept had. Zijn vrienden wisten het tot op dat moment ook niet. Toen ze de over zijn billen geveegde diarreesporen zagen verstomde hun gejuich, verstilde hun springen en keerden ze zich van hem af.

De gêne en het risico om gecompromitteerd te worden waren te groot. En het commitment met hun teamgenoot was, na een bier of twintig, niet groot genoeg meer.

En dus is het compromitmenteffect: de mate waarin iemand zich afkeert van een ander is afhankelijk van de mate waarin iemand gecommitteerd is aan en de mate waarin hij gecompromitteerd wordt door die ander.

Is iemand meer gecommitteerd dan is er een grotere mate van ‘compromise’ nodig voordat hij zich afkeert van de ander die faalt. Is het commitment laag, dan laat iemand de ander voor het minste of geringste vallen als een baksteen.

De kans op compromitment is grillig en wordt steeds groter. Dit zorgt soort voor onveilige werksituaties. En een paradox.

En het is precies die afhankelijkheid van de mate van compromitment die beoordelingen van en beloningen voor ons werk onbetrouwbaar maakt.

Want wat als je als medewerker zelfstandig werkt? Dan is je leidinggevende weinig betrokken bij wat je doet, dus in de regel minder gecommitteerd. En wat als je dan ook nog iets doet waardoor je leidinggevende zich geneert? Dan voelt hij of zij zich gecompromitteerd.

Maar wat de een oké vindt, vindt de ander gênant. Dacht jij bijvoorbeeld dat je best mag zeggen tegen een klant dat jullie een deadline niet gaan halen? Het kan best zijn dat je baas dat he-le-maal geen goed idee vindt. Of vind jij het oké om tijdens een vergadering je meerdere tegen te spreken? Wie weet is dat iets waar zijn tenen net iets te lang voor zijn.

Medewerkers en leidinggevenden moeten elkaar meer opzoeken naarmate ze minder met elkaar te maken hebben.

De kans op compromitment is dus onvoorspelbaar door persoonlijke verschillen. Daar komt bij dat steeds meer mensen in zelfstandige functies werken. Dat is nou eenmaal de trend: medewerkers verdienen vrijheid, is de gedachte.

Dus de kans op compromitment wás al grillig en wordt óók nog eens steeds groter door de neiging naar vrijheid. Dit zorgt soort voor onveilige werksituaties. En een paradox.

De paradox is namelijk dat medewerkers en leidinggevenden elkaar meer moeten opzoeken naarmate ze minder met elkaar te maken hebben. Op die manier blijft het commitment hoog en weet je van elkaar wat de ander oké vindt en wat gênant.

Want iemand zelfstandig laten werken is één ding, iemand laten vallen iets heel anders.


Olav de Maat is schrijver en consultant (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Emailing can be a stupid idea, and you need someone else to point that out

This blog post is about something as mundane as writing an email. Actually, it is about writing an email. Since, because it is so mundane, it’s sometimes almost impossible to not email. Therefore, every opportunity is a good one to put the spotlight on that fact.

The other day, I received an email from someone I shall call ‘Bob’. It didn’t have a particularly pleasant tone. It bugged me. And I immediately sat down to write a reply.

Bob’s message was a reply to an email I had sent earlier. In his response, Bob pointed out the mistakes he thought I had made in my message. He did so in statements that seemed to try to underline my apparent inattention. And, of course, Bob had cc’d his entire project team in his email.

Naturally, I didn’t think I made any mistakes. And, like I said, the tone didn’t please me either. Besides, it matched his behavior in a meeting I had had with him earlier.

Bob got under my skin.

“Call him,” was all she said.

After half an hour of writing, reading, rewriting and rereading my reply email, my girlfriend called. It was about an unrelated event, but at the end I asked her: “What do you think I should do?” I explained the situation with Bob.

“Call him,” was all she said.

I paused. Thought about it. And said: “You’re absolutely right!”

So, I called Bob. He answered. We talked. It was a perfectly friendly talk. In a calm manner I could ask for Bob’s intentions and explain mine. I hung up relieved.

I had to think of the ‘end scene’ of the 1971 Stanford Prison Experiment, led by social psychologist Philip Zimbardo. In the experiment, twenty students were assigned the role of either guard or prisoner. After six days of mental torment, Zimbardo ended the experiment prematurely.

We need others to point out how abnormal our behavior sometimes is

It took Zimbardo’s girlfriend, who came by to visit on day six, to point out to him how badly the guards were behaving and how miserable the inmates were. Zimbardo was too much involved to see this himself. But it felt like waking from a dream, he said.

This may be an extreme parallel, but the two events are parallel. We get sucked into things that seem normal so easily. And we need others to point out how abnormal they actually are and wake up.

And once we wake up and see the abnormality of things, it’s not that hard to do things normally.

We get sucked into emailing others about sensitive stuff, when picking up the phone or walking over to that other person’s desk is so much more effective and relieving. But most of the times we can’t get out of the tunnel we’re sucked into.

At least, we can’t get out by ourselves.

So, next time you’re about to hit “send” on the top of that overheated email, tell about your plan to someone you trust. It’ll probably turn out to be a cockamamie plan.


Olav de Maat is author and consultant. He has a book, a Facebook page, a website, a daughter, a dog and a girlfriend.


 

What to do when friends don’t pay up

Last Thursday, the finale took place of two and a half years of fuss about a twelve-thousand-euro loan. At least, I hope so. Because it seems that the end was already in sight two and a half years ago.

Share your opinion on how I handled this with the poll at the bottom of this post. 

Meanwhile, it’s been twenty months. I still don’t have my money back.

At the beginning of September 2016, ‘Oz’, an acquaintance who was up to his neck in a huge construction project, asked if my girlfriend and I knew someone who could temporarily help him out. With twelve thousand euros he would get the biggest creditors off his back. And he expected he needed three months to get things sorted out with the bank for a multimillion-euro deal for the project. So the loan would be repaid before the end of the year.

At that moment, I could do without such an amount for a few months. And I supported Oz’s initiative. Moreover, I trusted him. So I told him he could count on me.

At the insistence of Oz, we had a contract drawn up. Among other things, it stated: ‘Repayment of the loan is made by full repayment, the first and only term of which expires on 31 December 2016.’

Meanwhile, it’s been twenty months. I still don’t have my money back. And since we are renovating a house we just bought, we now need it ourselves.

Since January 2017, we’ve tried to reach Oz regularly. Sometimes, after months of insisting, we got a result. At moments like these, he would tell us that the money would shortly come. Then, this wouldn’t happen. So, after some time, we tried to reach him again in vain. After which he would let us know very briefly that everything would almost be finished. And then he would disappear from the radar, again.

We thought that we would take a different approach. We were going to turn to the people around him.

It was March the last time I spoke to him.

Since his promises turned out to be empty again and again, and especially because we could not elicit a response via email, WhatsApp and telephone, a week ago, we thought we would take a different approach. We were going to turn to the people around him.

First, my girlfriend called his company. He turned out not to be there at that moment. So she asked for his business partner. She was there. She had an appointment with Oz that day, she said. My girlfriend asked her to ask him to call us. She also explained why she wanted to reach him. His business partner promised to tell him.

After a few days Oz still had not contacted us. In the end, we decided to approach his girlfriend.

He was mad. At us.

I called her and got her voicemail. I left a message with explanations and apologies. Assuming that she would be surprised by this news, I also emailed her with our predicament. That way, she could read it, in case she couldn’t believe her ears.

My girlfriend sent a last, desperate WhatsApp in which she almost begged Oz for contact. This time, we got a reaction. Oz wrote that he had understood that we had approached his business partner and girlfriend. That was all he wrote. No excuses. No promises.

He did put six dots between the name of his business partner and that of his girlfriend.

He was mad. At us.

My girlfriend decided to call him. She actually got him on the phone right away. After she had briefly tried to make it clear to him that she was baffled by his response, he took over the conversation. How could I involve his girlfriend in this? Approaching his business partner was one thing. But his romantic partner? That really went too far, he said.

After my girlfriend hung up, she asked me for the number of my business account and the amount that Oz owed me by now. He had said he would transfer it as soon as he had that information. (BTW: it’s been two business days since then, and the money still isn’t in my account.)

He doesn’t have to face his own lack of decency. He is not wrong. I am the bad guy here, if you ask him.

I felt a bit ashamed when Oz turned out to be angry with me. Had I indeed gone too far?

We had decided to approach the people who see him the most and who have the most influence on him, because, time and time again, he turned out not to be approachable or influenced by us.

What’s more, if I had not told her about the situation, his girlfriend had gone and asked him if he wanted to call a certain Olav de Maat. That would elicit the same response as always: nothing.

And we wanted to elicit something. Because, it wasn’t even the fact he wouldn’t pay up, it was the fact he would categorically ignore us for months at a time that had bothered us most.

Moreover, on principle and out of respect for the friendship with him, we did not want to make this a legal issue. Of course we could have sent formal letters and threatened him with bailiffs. But that’s not in our nature. We wanted to avoid stuff like that for as long as possible.

If a human sees a chance to keep his self-image clean, he must be strong-willed not to grab it.

What I hate the most about this whole episode is that Oz is angry with me. In his eyes I am the a-hole who has his girlfriend involved in this. And with that, he does not have to face his own lack of decency. He is not wrong. I am the bad guy here, if you ask him.

And why would he not think so? He’s only human. And if a human sees a chance to keep his self-image clean, he must be strong-willed not to grab it. Especially when it comes to something that simply has no good reason. For what good reason is there to go mute when someone who loaned you a considerable sum is trying to reach you with all his might?

But maybe now I’m also polishing my self-image. Who knows.

Eventually we sent Oz a final WhatsApp before we went to bed Thursday night: “The only thing we wanted with the loan to you was to make the world a little better and let the good guys win. We think it’s a real (really real) pity that we have now given each other the feeling that the other person is the bad guy and the world has not gotten better for it.”


I’m curious: what do you think of this? Am I also suffering from self-deception in this case? Give your opinion in the poll below.

Starbucks is giving their staff a racial-bias training, and that’s a waste of money

On April 12, two men were arrested at a Philadelphia Starbucks. They were waiting for a business meeting. All they had to do to get arrested was not order anything.

A Starbucks employee called 911 to report their ‘crime’. Surveillance video and 911 records show there were two minutes between the men arriving and the call being made.

It so happened the two men, Rashon Nelson and Donte Robinson, are black.

While they were sitting in a police cell, waiting for what would happen next, the video a Starbucks customer shot from the arrest went viral. Outcries about racism, profiling and discrimination followed, as did a protest at the local Starbucks restaurant and a national boycott. Almost every national news and talk show in America featured the incident.

And, as a loyal Stephen Colbert fan, that’s how I know of it.

The incident shows an issue that goes beyond the narrow-minded world of racism – into the even narrower-minded world of biology.

I guess the attention and outcries are justified. However, that’s not why this news item caught my attention – besides, I’m not the person to say much about the outcries, being a white man from the Netherlands.

It caught my attention because it also shows an issue that goes beyond the narrow-minded world of racism – into the even narrower-minded world of biology.

The incident shows that people rather just follow and use the rules than talk to each other.

The Starbucks location where the arrests occurred has a policy that restrooms are for paying customers only. Rashon Nelson had asked if he could use the restroom, but, since he wasn’t paying for anything, the manager had told him he couldn’t. That was about all the customer-manager interaction there was between the two.

Then the Starbucks employee called 911. She said, “There are two gentlemen at my cafe that are refusing to make a purchase or leave.” The operator said in return, “Alright, police will be over as soon as possible.” “Thank you.” That was all. No questions, no doubts, just a procedural transaction of words.

People choose rules and procedures over human-to-human contact so that they don’t have to be part of a – possibly – difficult situation.

Same goes for dispatch and the police that followed up on the call. (Although not quite the same: they made it worse. In the communications between police and dispatch that were also released, someone says “we have a disturbance at the Starbucks” and refers to “a group of males inside causing a disturbance.” As a result, additional officers were sent. The Starbucks employee never called it a disturbance, though.)

And when the police arrived at Starbucks, there was no real conversation between the two men and the cops that came to take them away. The only thing you can make out in the video is one of the police officers saying that Nelson and Robinson shouldn’t get into a fight – when they never even got close to picking one – just before they put the handcuffs on them.

Starbucks’ executive chairman Howard Schultz announced it will close all its 8,000 stores to give its employees a racial-bias awareness training. I guess that never hurts.

But mostly I think it won’t help either. Worst case, Starbucks employees will walk out of the training even more aware of the fact that people are of different races, instead of seeing people as just that: people.

Like I said, this incident is just another example of how people choose rules and procedures over human-to-human contact so that they don’t have to be part of a – possibly – difficult situation.

Rules and procedures can serve as a refuge, which can turn into a lonely foxhole from which we shoot at innocent bystanders.

I am not an American, and I am white. That said, this, to me, is not about where you live or what race you are. I am seeing these types of ‘interactions’ all the time in my own, flat, European country too.

For one, people get stopped or arrested here quicker also when they aren’t pure white. Unfortunately, racial profiling is something that happens everywhere. But, like I said, this is not about race or ethnicity alone.

It is also about people that call the police for disturbance if their neighbors are partying too loud, without having asked their neighbors themselves to lower the volume. It’s about a manager asking HR to handle a conversation with a difficult employee. It’s about employees walking away from negotiations and going on strike, just because they have a right to.

And it’s about the man who got the police called on him just last week because he was shaking his can of chocolate milk. The person who had called the police thought he had been masturbating. True story.

People are scared of people they don’t know. That’s a biological fact. Somewhere within our primal brain, bells go off when we come in contact with an unknown specimen of our own species.

The bells even sound when we meet someone from another group than our own, even if we know that someone. And they ring even louder when we encounter others of a group that have a bad reputation. Rules and procedures can then serve as a refuge, a silencer to our xenofobic bells.

But the problem is, that refuge can turn into a lonely foxhole from which we shoot at innocent bystanders.

Because, when we stop engaging with the people we come in contact with, we don’t learn how normal and just-like-us they are.

Starbucks will close all its 8,000 stores for a racial-bias awareness training. That’s a lot of money going to be wasted.

Psychologist Robert Zajonc coined the term mere exposure effect. It’s the mechanism in our brains that causes us to feel better about things simply by being exposed to them. He explained the usefulness of this by stating that, as an animal, we must react cautiously to new things. By repeatedly being exposed to something or someone, we learn whether the thing or person is safe or unsafe. The more we are exposed to something or someone, the safer we think it, or he or she is.

That’s why we must expose ourselves deliberately to the people that we know the least or, better yet, we’ve heard bad stories about. Get a conversation started. See what they’re like.

Starbucks will close all its 8,000 stores for a racial-bias awareness training. That’s a lot of money going to be wasted. It would be so much better if Starbucks – and almost every other company for that matter – would train its employees to just have real talks with their customers – or coworkers for that matter.

For, if employees would expose themselves to customers – and coworkers – more, a lot of good stuff might happen.

And if employers are not going to give the right training, I say we all go sit at a Starbucks nearby and wait for someone we don’t know. Who knows who we can get exposed to.

And if that won’t happen, maybe we’re gonna be lucky anyway, and get arrested for refusing to make a purchase or leave and go viral on YouTube too.


Olav de Maat is author and consultant. He has a book, a Facebook page and a website (and a daughter, a dog and a girlfriend).