Zeg er ’s wat van! Waarom iemand uit laten praten helemaal niet zo beleefd is.

Te vaak laten we de ander uitpraten. Omwille van beleefdheid en harmonie. Zeggen we. Maar stiekem zit er een veel minder beschaafde reden achter: luiheid. Alleen kost uit laten praten uiteindelijk vaak meer energie. Dus doe jezelf en de ander een plezier en zeg er wat van.

‘Heb je een nieuwe gadget?’ vroeg ‘Dirk’ die mijn kamer was komen binnenlopen. Hij wees naar het zwarte doosje dat aan mijn laptop was gekoppeld met een USB-kabeltje. ‘Nee, hoor,’ zei ik, ‘ik heb ‘m al een tijd. Ik zou dit ding juist veel vaker moeten gebruiken.’ Het ‘ding’ was een externe harde schijf die ik (te weinig dus) gebruik om een reservekopie te maken van mijn pc.

Dirk was dichterbij gekomen. Ik legde hem uit hoe ik zo’n reservekopie maakte. Zo wees ik hem waar je moet zijn bij Systeemvoorkeuren en op het teken van Time Machine in de menubalk. Hij leek geïnteresseerd. Hij schoof zelfs de muiscursor even aan de kant om het icoontje met het klokje beter te kunnen zien.

‘Menig managementteam klaagt over de nutteloosheid van hun wekelijkse overleggen.

Nadat ik een minuut of wat uitleg had gegeven, zei hij: ‘Ja, ik heb zelf zo’n groot ding,’ hij onderbrak zichzelf om met zijn handen een wijde, draaiende beweging te maken. Uit zijn mond kwam een zoemend geluid. ‘En daarmee sla ik eens in de zoveel tijd alles op.’ ‘O, je weet dus waar ik het over heb?’ vroeg ik hem. ‘Ja. Ik wist alleen niet dat ze die dingen met één terabyte,’ hij wees op mijn externe harde schijf, ‘al zo klein maakten.’ ‘Dus al die uitleg van mij over het maken van reservekopieën was eigenlijk voor niks?’ zei ik lachend. ‘Inderdaad.’ ‘Waarom zei je dan niks?’ ‘Ik dacht: ik haal er wel uit wat nuttig is.’ Met een glimlach liep Dirk mijn kamer uit.

Ik verveel mensen regelmatig met een wedervraag als: ‘Hoe bedoel je?’ ‘Wat wil je precies weten?’ of ‘Waarom vraag je dat?’ Deze keer deed ik het een keer niet. Daar kreeg ik meteen spijt van.

Dit gesprek kostte een minuutje, maar hoe vaak zitten mensen niet een hele vergadering naar elkaar te luisteren, al meehummend en geïnteresseerd knikkend, terwijl dat wat ze horen helemaal niet interessant voor ze is, laat staan relevant? Ik ken menig managementteam waarvan de leden klagen over de nutteloosheid van hun wekelijkse overleggen of over de vaak vreemde ideeën die hun baas dan oppert. Maar zeggen ze dat ooit tíjdens zo’n overleg? Zegt iemand dan: ‘Eh, sorry, maar wat ik éígenlijk wil weten is…’? Nope.

‘Ik denk dat de belangrijkste reden luiheid is, aangeboren luiheid.

Waarom niet? Omdat we hebben geleerd dat iemand onderbreken in iets wat-ie graag vertelt onbeleefd is? Of zijn we bang dat we een onprettige discussie krijgen omdat de ander zijn punt niet kan maken? Behouden we eigenlijk liever de harmonie?

Maar hoe beleefd is het om interesse te veinzen? Hoe veel respect toon je iemand als je  je echte gevoel over wat hij of zegt niet uit?

Ik denk daarom dat de belangrijkste reden niks te maken heeft met beleefdheid of angst. Ik denk dat de belangrijkste reden luiheid is, aangeboren luiheid.

Geen enkel dier verspilt graag energie. En dat is logisch. Als je wilt overleven, kun je beter zo min mogelijk brandstof verbruiken. Want die zou je wel eens nodig kunnen hebben om te vluchten of te vechten of in tijden dat je geen voedsel kunt vinden.

Iemand onderbreken en leiden naar je eigenlijke interesse of vraag kost energie. Waarom je energie verspillen aan het gedoe dat ontstaat van zeggen wat je echt vindt? Je kunt tijdens een vergadering beter je e-mail checken of in gedachten verzonken zijn. Scheelt je later weer tijd.

‘Allemaal excuses om een minder geciviliseerd deel van onze dierlijke aard te maskeren.

En Dirk had vanuit evolutionair oogpunt ook gelijk: waarom zou hij de moeite nemen om mij vragen te stellen als hij erop kon vertrouwen dat ik toch wel ergens in mijn verhaal van een minuutje de info zou geven die hij zocht? Hij haalde er wel uit wat nuttig was.

Een fijne bijkomstigheid van dit alles is dat we beleefd overkomen en ogenschijnlijk de harmonie bewaren. Maar dat zijn slechts excuses om een minder geciviliseerd deel van onze dierlijke aard te maskeren. We zijn liever lui dan moe.

Dat is allemaal prima. We zijn nou eenmaal allemaal slechts mensen. Maar als je jezelf meer moeite wilt besparen in de toekomst, doe dan een kleine investering in het heden. Denk even na over je vraag voordat je er eentje stelt die nét niet is wat je bedoelde, want mensen gaan met je foute vraag aan de haal (een wedervraag stellen kost die ander immers ook weer energie). Wees eerlijk tegen je partner over dat bezoekje aan je schoonouders. Voor je het weet, zie je ze elke week.

En stop – in naam van alle lieve dingen – met nutteloze vergaderingen. Heb de moed om je collega’s te vertellen dat je er niks aan hebt. Dat scheelt iedereen, naast een hoop tijd, veel frustratie en stress. En dát zijn pas de echte energievreters.

Epiloog
Grappig: ik zocht na het schrijven van deze post voor een training de Covey-matrix – je weet wel, urgentie vs. belang. ‘Meetings’ stond op verschillende resultaten van Google Images in kwadrant 3 (urgent-niet belangrijk). In een andere versie stond bij dat kwadrant: ‘Avoid. Illusion + deception. Minimize investment.’ Kortom, we weten het dus allang maar zijn echt te lui (en laf) om er iets mee te doen.


Want more? Check m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.


 

Advertisements

Denk als Schrödinger en ruim die poep op

Loulou wilde even zitten. Naar het water kijken, was het idee. ‘Maar daar ligt poep, Lou,’ zei ik. ‘We worden vies als we daar gaan zitten.’ Mijn dochter keek naar de hard geworden hondendrollen en zei: ‘Dan gaan we hier zitten,’ en ze wees naar een plekje een paar meter ernaast. ‘Dan worden we niet vies.’

Daar kon ik niet tegenop. Dus ik zette de buggy op de rem, ging in het gras naast de vijver een paar meter van de uitwerpselen zitten en zei hond Cisco dat-ie naast me moest komen liggen. Loulou was inmiddels aan m’n andere kant gaan zitten, verkreukelde bloemetjes in de hand. Samen keken we naar de fontein in het midden van de vijver en bespraken we de mogelijkheden om erop te gaan staan.

Toen het tijd was geworden om verder te gaan, keek Loulou weer naar de hondenpoep. ‘Die moeten we opruimen,’ verkondigde ze.  ‘Eh… ja, dat is wel zo netjes,’ reageerde ik.

‘Blijkbaar had mijn interne etischegeschillencommissie deze vraag nog nooit behandeld.

Met een kleine tegenzin trok ik de inmiddels aan het gras gekoekte drollen met een poepzakje van het gras. Maar al snel voelde ik naast de weerstand ook een scheutje trots. Ik was te spreken over mijn goede daad en vooral over de goede mores van mijn drie jaar oude dochter. Fier rechtop lopend vervolgde ik onze weg.

Een halve vijver verder lag er weer niet-opgeruimde ontlasting in het gras. Ik, die voorop liep, liet het links liggen. Mijn kleine meid wees mij echter snel op de slordigheid: ‘Iemand heeft weer hondenpoep niet opgeruimd.’ ‘Da’s ook niet netjes,’ antwoordde ik. ‘Die moeten wij ook opruimen.’ ‘Eh… ja, ook dat is wel zo netjes,’ was het enige wat ik weer uit kon brengen.

Ik pakte een poepzakje uit de dichtstbijzijnde Belloo-vuilnisbak en raapte de andermanshondendrollen weer op. Onder toeziend oog van Loulou.

Beide keren dat Loulou me op onze opruimplicht wees, merkte ik een twijfel. Waarom zou ik de poep van een andere hond dan de mijne opruimen? En waarom zou ik de poep van een andere hond dan de mijne níét opruimen? Blijkbaar had mijn interne etischegeschillencommissie deze vraag nog nooit behandeld.

‘Er is geen goede reden om andermanshondenpoep niet op te ruimen.

Inmiddels dus wel. En de commissie is eruit: er is geen goede reden om andermanshondenpoep niet op te ruimen. Loulou had gelijk. Met haar drie jaar was ze verder dan ik. Of, beter gezegd, met haar drie jaar heeft ze nog niet geleerd waar ik in mijn bijna veertig jaar mee doordrenkt ben: het begrip individuele verantwoordelijkheid. En dat zat een helder begrip van de situatie dwars.

Van jongs af aan worden wij in onze samenleving erop gewezen dat je verantwoordelijk bent voor je eigen handelen. Als jíj iets stoms doet, is het jouw schuld. Als jíj iets geweldigs doet, is het jouw verdienste. En dus zijn het jouw blaren respectievelijk jouw lauweren waar je op mag zitten. Daar zit weinig grijs tussen. De optie dat we iets doen omdat de situatie ernaar is gaat wel door ons hoofd maar is altijd ondergeschikt aan de als-je-vriendje-van-het-dak-springt-doe-jij-dat-dan-ook-regel. Het idee dat we altijd een keus hebben zit diep in onze cultuur gebakken.

Dus als iemand de kak van zijn hond niet opruimt, is daar eigenlijk geen excuus voor. Bovendien: het is de kak van zíjn hond, dus het opruimen ervan is zíjn verantwoordelijkheid. Wij zijn gekke henkie niet.

‘Zonder dat Loulou ooit van Schrödingers kat, laat staan zijn poep, had gehoord, had ze het al feilloos door.

Maar wat nou als de hondeneigenaar in kwestie helemaal niet door had gehad dat zijn hond had gepoept? Wat als hij niet wist dat het opgeruimd moest worden? Wat als het ging om een rolstoeler die niemand in de buurt had gevonden om hem te helpen met het verwijderen van de drollen? En zo zijn er nog veel meer redenen te bedenken waarom de poep was blijven liggen.

Het punt is dat we niet weten wat de reden was. En dat maakt het Schrödingers poep: zolang we niet getuige waren van de situatie waarin de poep niet werd opgeruimd, kan de reden voor het niet-opruimen zowel ethisch juist als ethisch onjuist zijn. Daarmee werd de reden irrelevant, want niet achterhaalbaar. Wij werden enkel geconfronteerd met de uitkomst ervan en hadden enkel daarmee te dealen.

Zonder dat Loulou ooit van Schrödingers kat, laat staan zijn poep, had gehoord, had ze al feilloos door dat we enkel met de uitkomst te dealen hadden. Er lag poep bij de vijver. En dat was niet oké. Wij waren in een positie om het op te ruimen. Dus moesten we dat doen. Poep bij de vijver ruim je op.

Later, onderweg naar huis, kwamen we tot twee keer toe containers tegen die bij het legen waren omgevallen. ‘Die moeten we overeind zetten,’ was Loulou’s simpele wijsheid in beide gevallen. Zonder al te veel nadenken en met de energie van een kind zette ik de kliko’s weer rechtop, met het vaste voornemen het goede te blijven doen, ook zonder Loulou in de buurt.


Na Schrödingers poep ook benieuwd naar de Vriendelijke Vijf en de Wet van De Maat? Check m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn!


 

Sociaaleconomische welvaart zorgt niet per se voor sociaal welzijn

Drie kinderen springen wat ongemakkelijk op een trampoline. Twee andere kinderen staan ernaast en roepen naar hun vader en moeder dat zij oooook willen. Drie mensen steken tegelijkertijd op verschillende plekken op het terras weifelend hun hand omhoog om contact te krijgen met de serveerster – tevergeefs. Een jongetje wordt door z’n moeder terechtgewezen omdat hij in de stellage van de schommel was geklommen. De serveerster rekent snel af met één stel terwijl ze tegen het andere zegt dat ze er meteen aankomt. Een meisje huilt omdat ze zand in haar ogen heeft gekregen. Een ander meisje roept dat ze nóg hoger wil met de schommel. Dezelfde serveerster – er is er maar één – rent naar binnen met een verhit hoofd en haar handen vol lege glazen om de volgende bestelling door te geven en een andere op te halen. Twee kinderen rennen tussen de stoelen door achter elkaar aan. Een jongetje huilt omdat hij geen ijsje krijgt. Twee stellen lopen tegelijkertijd op dezelfde twee vrijkomende plekken af en proberen awkward en met zo min mogelijk woorden te bepalen wie op de plekken mag gaan zitten. Een hond hijgt zenuwachtig. Een andere trekt blaffend aan de lijn van zijn baas.

‘Het voelt misschien als ongewoon hectisch en ongemakkelijk maar dat is het niet.

Lunchtijd op een terras van een hut in de Oostenrijkse bergen in de zomer. Een alledaags tafereel. Als je het zo achter elkaar zet, voelt het misschien als een ongewoon hectisch en ongemakkelijk gebeuren. Maar dat is het niet. Het is gewoon voor dit terras rond lunchtijd in de zomer in deze Oostenrijkse bergen. En ook niet veel anders dan een terras rond lunchtijd aan een Spaanse costa, een kinderspeelparadijs in het weekend of een strand in Nederland tijdens een warme dag.

Het boeiende is dat, ondanks de hectiek van al die tientallen mensen die bovenop elkaar zitten en elkaar nog nooit eerder hebben gezien, er niks fout gaat. Dat líjkt gewoon maar ís bijzonder, al realiseren we ons dat niet vaak.

Een bekende gedragsbioloog schreef mij ooit via de mail: ‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving, zelfs al zijn we niet zo aardig als u graag zou zien. Er zijn talloze dieren die alleen maar vijandig tegen vreemden kunnen zijn. Dus [ik zou] benadrukken hoe goed we het doen gezien de omstandigheden, in plaats van hoe slecht.’

‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving.

De mens is een groepsdier, geëvolueerd om van zijn eigen, bekende mensen te houden en andere, onbekende mensen (in het beste geval) te wantrouwen. Als je dit beseft, kun je zelfs genieten van die door en om elkaar heen hannesende mensen. Het lukt ons toch maar om te genieten van een hapje en een drankje terwijl we direct en indirect met allerlei vreemden moeten dealen. Goed, het geeft ons – al dan niet ongemerkt – stress. (Uit onderzoek van diezelfde gedragsbioloog blijkt dat met anderen in een beperkte ruimte zitten leidt tot een verhoogd niveau van het stresshormoon cortisol.) Maar we doen het. Zonder bang in een hoekje weg te kruipen of elkaar de hersens in te slaan.

De vraag die dan opkomt is: gaan we naar zo’n plek ondanks of dankzij al die onbekenden? Zoeken we zo’n terras op omdat daar het voedsel, het drinken en de speeltuin zijn? Of zijn die versnaperingen een excuus om ergens te zijn waar anderen zijn?

Veel mensen zouden desgevraagd hebben gezegd dat ze ook voor ontspanning naar het terras waren gekomen. Ik wás daar op dat terras van die hut in de Oostenrijkse bergen. Mijn vriendin en ik hadden stevig gewandeld, ik met dochter in een rugzak op m’n rug. We waren toe aan eten en rust. En daarom kozen we deze plek.

‘Als je het puur biologisch bekijkt, slaat zo’n verklaring nergens op.

Maar we waren net neergeploft op een ligstoel toen onze dochter al naar de trampoline rende (zij wilde oooook). En ik was een van die drie mensen die zijn hand omhoog stak omdat-ie tevergeefs contact zocht met de serveerster. Kwamen we hier inderdaad voor onze rust, net als al die andere tientallen mensen?

Als je het puur biologisch bekijkt, slaat zo’n verklaring nergens op: het dier de mens is graag bij zijn eigen mensen en ontwijkt onbekenden. Eten en drinken konden we prima zelf regelen. Ontspannen hadden we ook ergens in een verlaten bergweide kunnen doen. En een zandbak, trampoline en schommel stonden ook bij ons vakantiehuis.

Dit is dan ook niet biologisch maar cultureel te verklaren. Het is een teken van welvaart als je op een terrasje met mooi uitzicht lekker kunt eten en drinken. Vroeger hoorde het bij bergwandelen als je je eigen bammetjes meenam met een homp kaas. Die kon je dan op een rotspunt weghappen. Net als dat ik vroeger op het strand van m’n ouders lauwe frisdrank en slappe voorgesmeerde boterhammen uit de koelbox kreeg.

‘Met de almaar groeiende middenklasse is de terrassenwelvaart tegenwoordig voor bijna iedereen bereikbaar.

Met de almaar groeiende middenklasse is de terrassenwelvaart tegenwoordig voor bijna iedereen bereikbaar en ben je dus een nerd of stumper als je voor je eigen natje en droogje zorgt. Nu hoor je er alleen nog bij als je die bij een berghut of strandtent haalt. En als je je kinderen dan even ‘lekker’ daar laat spelen.

We doen onszelf geweld aan (lees: geven onszelf onnodig hoge cortisolshots) door te doen wat we nou eenmaal doen. En niet alleen op terrassen, in speelparadijzen en op stranden. Denk maar aan de IKEA op Tweede Paasdag – tussen onbekenden je nieuwe bed uitproberen, je kind ophalen bij de ballenbak en in lange rijen staan bij de kassa. Aan winkelen op zaterdag – in de winkelstraat in de weg gelopen worden door vreemde mensen. Of aan tussen negen en vijf werken – in de file of de trein staan tussen allemaal mensen die je niet kent.

Laten we dus maar benadrukken hoe goed we het doen gezien de omstandigheden die we voor onszelf creëren.


Meer verklaringen voor hectische en ongemakkelijke situaties? Check m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn!

Erken je vijanden. Dat zal ze leren!

Mensen hebben snel allerlei oordelen over onbekenden. Zeker als die anderen hen in de weg zitten, zijn die oordelen niet mals. Dat leidt tot allerlei onnodige vijandigheden. Maar je kunt daar iets aan doen. Als je mensen van wie je een negatief oordeel verwacht simpelweg laat zien dat je ze ziet staan, verdwijnt vijandigheid als sneeuw voor de zon.

‘Hallo!’ zei ik met het vriendelijkste gezicht dat ik tijdens het hardlopen kon trekken. De jongen en het meisje van het stel dat me tegemoet fietste hielden hun gezicht in de plooi. Geen boe of bah, laat staan hallo. Wel gingen ze nét ver genoeg aan de kant zodat we elkaar konden passeren op het smalle fietspad in het bos.

Zoiets was me een paar dagen eerder ook al overkomen. Een man had zijn auto met aanhanger half op de stoep gezet om een lading daklood in te kunnen laden die in een voortuin lag. Omdat er hierdoor nog maar een kleine doorgang was tussen de aanhangwagen en het tuinhek konden mijn dochter Loulou en ik niet over de stoep met de buggy. We gingen over de straat eromheen.

Toen we aan de andere kant weer de stoep op reden, vroeg Loulou: ‘Waarom doet die meneer dat?’ ‘Omdat hij anders zo ver moet lopen met die zware spullen,’ zei ik. De man had net weer een armvol lood in zijn wagen gegooid en had blijkbaar gehoord dat wij het over hem hadden gehad, want hij vroeg: ‘Wat zeg je?’ Terwijl hij dit zei liep hij op ons af op een manier die zei dat hij uit was op een confrontatie. Hij leek eigenlijk te zeggen: ‘Had je wat te zeiken?!’

‘Hij leek eigenlijk te zeggen: “Had je wat te zeiken?!”

Met een glimlach zei ik: ‘M’n dochter wilde weten waarom u uw auto op de stoep had gezet en ik legde uit dat u anders zo ver moet lopen met dat zware spul.’ ‘O…’ zei hij, ‘ja, dat is verdomd zwaar, dat lood…’ Hij scheen te ontspannen, in eerste instantie tegen zijn zin, alsof hij teleurgesteld was dat ik níét iets over hem te zeiken had. Daarna begon hij een enthousiast verhaal over daklood. Uiteindelijk moest ik ons verontschuldigen met het feit dat Loulou toe was aan haar avondeten. Anders hadden we er een halfuur gestaan.

Wat is de overeenkomst tussen deze twee voorvallen, vraag je je af? Nou, in beide gevallen leken vreemden geen zin te hebben in een vriendelijke ontmoeting. In het eerste geval konden de fietsers er nog onderuit, gewoon door door te fietsen. Maar in het tweede geval moest de man wel toegeven dat hij geen reden had gehad om vijandig te zijn. Ik had hem immers gelijk gegeven, al voordat hij mij vroeg wat ik tegen mijn dochter zei.

We doen vaak aannames over de mensen die we tegenkomen in het openbare leven en vaak zijn die negatief. Welke hufter heeft zijn auto zo asociaal geparkeerd? Waarom dringt die eikel voor? Waarom loopt die sukkel mij in de weg? Maar wat nou als we het mis hebben? Wat nou als de meeste mensen de meeste dingen doen met de beste intenties?

‘We praten ons eigen handelen recht door te wijzen op onze intenties en veroordelen een ander op basis van zijn handelen.

Uit allerlei onderzoek blijkt dat we last hebben van actor-observer asymmetry. Die houdt in dat degene die iets doet een heel andere lezing heeft van dat wat hij doet dan degene die hem observeert. Een vorm daarvan is dat we ons eigen handelen recht praten door te wijzen op onze intenties (‘Maar ik bedoelde het toch goed!?’) en een ander veroordelen op basis van zijn handelen (‘Als je zoiets doet, dan móét je wel een hufter zijn!’). De oordelen die we over anderen hebben zijn bovendien ook nog eens vaak minder mooi dan die over onszelf.

De fietsers en de oudijzerboer hadden vast ook last van deze actor-observatorasymmetrie. Zij zagen iemand iets doen wat in hun ogen irritant en misschien zelfs tégen hen gericht was. Vervelend om dan te merken dat die ander geen kwaad in de zin had. Dat betekent immers dat ze ongelijk hadden gehad in hun inschatting van de ander. En daar houden mensen niet van. Want achter die asymmetrie zit een diepgewortelde neiging om het eigen zelfbeeld zo positief mogelijk te houden. Ongelijk hebben is een irritante verstoring daarvan.

Plus, over onbekenden die ons links laten liggen is het gemakkelijk oordelen. Maar als zo iemand ons erkent, ontstaat er kortsluiting in ons hoofd. Iemand die ons ziet staan móét wel oog hebben voor kwaliteit, denken we. Dan móét ons eerste negatieve oordeel wel onjuist zijn. Maar hoe kan dat? Wij zitten er toch nooit naast met onze mensenkennis? Bovendien gaan we voor we het weten in op die ander. En, tja, als wij iemand erkennen, dan móét die persoon ook wel oké zijn.

‘Dring je niet-bedreigend aan vijandige mensen op.

Ik mag hier graag mee spelen. Zo geef ik in workshops graag vriendelijk doch expliciet de aandacht aan iemand die iets mompelt wat niet constructief lijkt; zeker als ik geen bekende ben voor de aanwezigen. Het helpt dan extra als ik de naam van de mompelaar er duidelijk bij zeg.

‘Wat zeg je, Gerard?’ Glimlach. ‘Sorry, ik kon niet goed verstaan wat je zei,’ waarop Gerard opeens geconfronteerd is met iemand die aandacht vraagt voor datgene waarvan hij dacht dat niemand het wilde horen op een manier die niet afkoerst op de botsing die hij verwachtte, waarop hij misschien stiekem hoopte. En hij is mij blijkbaar opgevallen, want ik hoorde hem én ik heb onthouden hou hij heet. En dat is voor mensen met een oordeel over een onbekende rete-irritant.

Zoek dus actief, expliciet en vriendelijk de mensen op van wie je een negatief oordeel verwacht. Dring je niet-bedreigend aan ze op. Maak een praatje. Zeg hun naam. Zeg hallo. Dan moeten ze wel toegeven dat je oké bent, ook al zullen ze dat nooit toegeven.


Wil je meer tips over hoe je medemens werkt? Lees Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.

 

Aardige NS-conducteurs zijn niet per se attent

Opeens bedacht ik me in de trein op station Amsterdam-Zuid dat ik niet ingecheckt was op Schiphol. Ik liep naar de conducteurs die buiten stonden te praten met een toerist en biechtte mijn stommiteit op. Ik vroeg of ik mijn koffer even bij hen kon laten staan zodat ik harder kon rennen naar de incheckpaal. Ik had namelijk nog minder dan een minuut vóór de trein weer zou vertrekken.

Een van de twee, de oudste, met een snor, zei op vriendelijke vaderlijke toon: ‘Waar moet je heen?’ ‘Baarn,’ zei ik. ‘Laat je koffer maar staan hier. Dan loop ik even met je mee,’ was zijn reactie. Verbaasd en dankbaar door zo veel service van de NS liet ik me meevoeren de roltrap af.

De conducteur was een paar denkstappen verder geweest dan ik. Dit station heeft alleen afgesloten poortjes. Zonder ingecheckt te zijn had ik hier ook niet uit gekund om in te checken. Hij gebruikte zijn conducteurschipkaart om ons beiden door de poortjes te laten. Ik checkte aan de andere kant in en liep op eigen titel weer door de doorgang.

‘Verbaasd en dankbaar door zo veel service van de NS liet ik me meevoeren de roltrap af.

Samen liepen we weer naar boven. Ik bedankte hem hartelijk en ging de trein in. Even later blies zijn jongere collega op het fluitje. Ik kon mijn reis naar huis legaal voortzetten.

Twintig minuten later kwamen we aan op station Weesp, het eindpunt van deze trein. Als dank knikte ik naar de besnorde conducteur door het glas van de eerste klas waar hij een vaste plek had ingenomen en stapte uit om over te stappen op de trein naar Amersfoort. Mijn eerste gedachte was dat die van het tegenover liggende spoor zou vertrekken. Daar stond echter geen trein noch was er een melding die iets in die richting deed vermoeden op de borden te zien.

Ik draaide me weer om en zag dat de bestemming op de trein was veranderd van Weesp naar Amersfoort. Op het bord boven het perron werd dit inmiddels bevestigd: mijn oude trein was mijn nieuwe geworden.

‘Twee mensen deden iets aardigs voor me maar dat leek geen indruk te hebben gemaakt.

Vreemd, dacht ik, dat had die vriendelijke snorremans toch kunnen vertellen? Hij wist dat ik naar Baarn moest. Ik bedacht me ook ineens dat zijn collega twee keer mijn kaartje had gecontroleerd. Schijnbaar was ook die, tot twee keer toe, vergeten dat hij mijn koffer in de gaten had gehouden toen ik met zijn maat mezelf was gaan inchecken.

Twee mensen deden iets aardigs voor me maar dat leek geen indruk op hen te hebben gemaakt. Of, beter gezegd, ík leek geen indruk op hen te hebben gemaakt. Voor hen was ik schijnbaar gewoon één van de vele reizigers die ze op een dag zien. Zelfs als die reiziger iemand is voor wie ze iets doen wat ze voor niemand of dan tenminste bijna niemand anders eerder hebben gedaan. (Wie wel eens mee heeft gemaakt dat een NS-conducteur op zijn of haar koffer heeft gepast terwijl zijn collega met hem of haar meeliep om later in te checken dan officieel toegestaan mag dat nu via de commentaarbox van deze blogpost laten weten.)

Dat die ene collega me bij een routineuze handeling als kaartjes controleren over het hoofd ziet, vind ik vanuit menselijk oogpunt al best stuitend, maar alla. Ik blijf graag naïef maar ik weet ook wel dat ik niet veel hoef te verwachten op dit vlak. Maar dat die ander me niet even wees op een stukje info waarvan hij kon weten dat ik me er gezeul met een koffer mee kon besparen, dat begrijp ik minder goed. Dat hij moeite wilde doen voor reizigers, had hij al bewezen. Dus aan zijn inborst kan het niet hebben gelegen. Of toch wel?

‘Misschien deed-ie het wel om aan zijn jongere collega te laten zien hoe je met de klantjes omgaat. Beetje stoer doen.

Was hij het type man dat mooie sier wil maken met grote gebaren, maar dan alleen als hij er zelf zin in heeft? Iemand die, eenmaal in het pluche van de eerste klas, liever zijn junior lakei het loop- en praatwerk laat oplossen? Een soort van weldoenerige snob? En misschien deed-ie het wel niet voor mij maar om aan zijn jongere collega te laten zien hoe je met de klantjes omgaat. Beetje stoer doen.

Kan. Ik denk het alleen niet. Eerder denk ik dat het iets is wat mij ook wel vaker overkomt: ik zie iemand die overduidelijk hulp nodig heeft maar ik doe niks. Ik ben simpelweg te laat of ik bevries. Als ik mentaal afwezig ben, kan ik dwars door iemand heen kijken. Dan líjkt het alsof ik hem zie maar dan zie ik eigenlijk niks. Soms detecteert het primitieve deel van mijn hersenen allerlei gevaren die komen kijken bij het helpen van anderen. Geen reële gevaren maar dat maakt voor mijn primitieve hersenen niet uit. (Voor meer over mentale afwezigheid bij eerste hulp, ziehier. En over irreële angst bij eerste hulp staat hier meer.)

Stom. Ik was echt verongelijkt over het gebrek aan attentie van deze besnorde conducteur. Maar misschien was-ie er ook gewoon even met zijn gedachten niet bij. En sowieso: wie heeft wel eens meegemaakt dat een NS-conducteur op zijn of haar koffer heeft gepast terwijl zijn collega met hem of haar meeliep om later in te checken dan officieel toegestaan? Ik bedoel maar.

Met iemand begaan zijn is niet professioneel

Drie verhalen. Eén rode draad: de betrokken professionals hebben geleerd niet te betrokken te zijn. Zou het dan een patroon zijn? En, zo ja, hoe doorbreken we dat dan?

‘Saar’, een goede bekende, zit in de bijstand. Al bijna een jaar werkt ze gratis en voor niks mee aan het opbouwen van een stichting die een doel nastreeft waar ze in gelooft. De gemeenteambtenaar die haar begeleidt heeft dat toegestaan. (Toegestaan? vraag je je nu misschien af. Mag dat dan niet? Neen. In ons land mag je geen vrijwilligerswerk doen als je in de bijstand zit.) Dat deed ze omdat Saar uitzicht had op betaald werk voor de stichting. Zo gauw zij opgericht is en cashflow heeft, kan de stichting mensen betalen. En Saar gaat waarschijnlijk een van die mensen zijn. Daarmee is haar vrijwilligerswerk een soort lange sollicitatie met goede vooruitzichten.

Maar vorige week hield het op. De ambtenaar liet weten dat Saar niet meer voor niks mocht werken voor de stichting. De werkcoach was op haar vingers getikt door haar manager. Die kon niet toestaan dat ze nog langer toestond dat een bijstandstrekker vrijwilligerswerk deed.

‘Zeven jaar later waart nog altijd het spook van de Crisis van 2010 rond.’

In de zomer van 2010 werd de hbo-opleiding Media Entertainment Management (MEM) in Haarlem berucht in Nederland. Stuwmeren aan studenten werden via de zogenaamde Theo-route geleid. Volgens out- én insiders was dit traject een oneigenlijke, te gemakkelijke weg naar een MEM-diploma. Zo waren er tentamenbriefjes ondertekend met een datum van voor de tentamendatum en hadden studenten zeven vakken op een dag gehaald. Een grote interne schoonmaak was het gevolg.

Zeven jaar later waart nog altijd het spook van de Crisis van 2010 rond. Op feestjes weet iedereen er wel iets over te vertellen, of ze nou iemand of niemand kennen van de MEM. En binnen veel hogescholen is men sindsdien bang voor niveauverlaging: niemand wil door de Inspectie – en helemaal niet door de pers – op de vingers getikt worden omdat hun diploma’s niks waard zijn.

‘Als ze horen van de bloedwaarden zegt iedereen die er een beetje verstand van heeft: “Wat moet jíj je beroerd voelen.”’

Het ijzergehalte in het bloed van mijn vriendin is extreem laag en haar Hb-waarde is gezakt naar een gevaarlijk punt. Dat leidt ertoe dat ze onder andere duizelig en erg vermoeid is en last heeft van hartkloppingen, oorsuizen en black-outs. Haar huisarts heeft haar daarom doorverwezen naar twee specialisten. Die kunnen haar verder onderzoeken en – en dat is het meeste urgente nu – haar een ijzerinfuus of een bloedtransfusie geven.

Als ze horen van de bloedwaarden zegt iedereen die er een beetje verstand van heeft, inclusief huisarts en specialisten, tegen mijn vriendin: ‘Wat moet jíj je beroerd voelen.’ Bij beide ziekenhuizen waar die specialisten zijn gevestigd kan ze echter pas over zes weken terecht. Om een basisarts te spreken, geen specialist met een afgeronde opleiding. De kans dat mijn vriendin binnen een week een infuus of transfusie krijgt daalt daarmee richting de nul. Dat gaat eerder anderhalve maand duren. En dat terwijl ze zich al weken door elke dag heen sleept.

Met iemand begaan zijn wordt afgestraft in onze maatschappij. Of je nu docent, werkcoach of arts bent. En of het nu terecht is of niet. De boodschap die betrokken professionals te horen krijgen is telkens dezelfde: help niet te veel, laat je niet meeslepen met individuele gevallen, bewaar je professionaliteit, houd afstand. En de straf voor overtreding is zwaar. Dat heeft de MEM laten zien en er zijn genoeg andere gevallen; van de zorg, waar huisartsen vervolgd worden omdat ze wanhopige patiënten helpen bij zelfdoding, tot de financiële sector, waar bankmedewerkers ontslagen worden omdat ze radeloze klanten betaaltermijnen van persoonlijke leningen laten overschrijden.

‘Je hoeft je alleen maar voor te stellen dat het je eigen kind, broer, zus, vader, moeder, opa, oma, man, vrouw, vriend of vriendin is.’

Dit systeem heeft bij scholen een onterechte angst voor een te lage lat ingeboezemd. Daardoor studeren studenten nu om onbenullige formaliteiten juist niet af. Het heeft bij gemeentes een rigiditeit opgeleverd waardoor mensen die juist goede dingen doen voor onze maatschappij uit de bijstand worden gegooid. En het heeft bij artsen een afstand tot hun patiënt veroorzaakt die ertoe leidt dat ze soms niet ver genoeg voor hun patiënten gaan die onnodig lijden.

Het is zaak dat er ruimte komt voor medeleven. Dat klinkt misschien soft en vaag, maar ik kan het praktisch maken: je hoeft je alleen maar voor te stellen dat het je eigen kind, broer, zus, vader, moeder, opa, oma, man, vrouw, vriend of vriendin is. Ik heb meerdere medici in mijn familie en vriendenkring en allemaal zijn ze meteen bereid te helpen bij de situatie met mijn vriendin. Nu het niet lukt via de huisarts, gaan we dat netwerk maar inschakelen. (Noem het onze eigen Theo-route.)

‘Met iemand begaan zijn wordt afgestraft als je een professional bent.’

Het simpele feit dat mijn vriendin een familielid of vriendin is maakt dat mensen in actie komen die in hun verdere professionele leven de afstand bewaren. De nabijheid zorgt voor de wil om meer te doen. Het is gemakkelijker om mee te voelen met iemand die we kennen. En we vertrouwen die persoon meer dan een onbekende. We zullen hem of haar eerder op zijn of haar woord geloven. (‘Hou je het niet langer vol? Dan ga ik nú hulp voor je regelen!’ vs. ‘U zegt dat u het niet langer volhoudt? Dat wil ik eerst zelf vaststellen.’)

Natuurlijk kan niet elke professional voor iedereen continu vol in actie komen. Maar een beetje meer empathie en vertrouwen zouden voor veel betere afwegingen zorgen. Als je dus een klant of patiënt met een hulpvraag voor je neus krijgt (of als je de manager, opleider, inspecteur, verslaggever of collega van iemand bent die ‘te begaan’ is met zijn of haar klanten of patiënten), stel jezelf dan eerst de checkvraag: wat zou ik doen als dit een familielid of vriend was? Kost je tien seconden. Levert heel veel op.


Wil je meer weten over hoe onze moderne samenleving op de verkeerde knoppen van onze sociale inborst drukt? Lees m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.

Een vooroordeel komt te paard en gaat te voet

Biologisch is het heel logisch om snel je oordeel over een ander klaar te hebben. Bovendien heeft het evolutionair nut om dat vooroordeel niet los te laten als blijkt dat we ongelijk hebben. Maar in hoeverre zijn biologie en evolutie nog van toepassing op een snelweg?

De A8 vlak voor de ring rond Amsterdam is over een paar kilometer vier banen breed. Twee daarvan zijn van de ‘originele A8’. De twee andere rijbanen zijn voor het verkeer dat van de A7 erbij komt.

Toen ik gisteren vanaf de A7 de A8 opreed op de linker van de twee rijbanen die vanaf de A7 komen, reed er een stukje voor mij op de rechterbaan van de twee originele A8-banen een auto. Anders gezegd, op de vier banen die de A8 daar inmiddels vormden reed de bestuurder op de tweede van links en ik op de tweede van rechts. De auto reed net iets langzamer dan ik, dus als de man niet naar rechts zou gaan of ik niet naar de meest linker baan, zou ik hem rechts inhalen.

‘Het zei hem blijkbaar niets, want hij bleef gewoon op de baan rijden waar hij voor het eerst mijn leven in was gekomen.’

Dat wilde ik voorkomen en de man bleef op de baan waar-ie was, dus ik ging snel naar de linker baan. En voelde een lichte irritatie opkomen. Waarom ging de man niet gewoon naar rechts, waar langzamer verkeer hoorde? dacht ik. Om te laten zien hoe het hoort, ging ik van de linker baan helemaal terug naar de rechter toen ik de linksrijder had ingehaald.

Het zei hem blijkbaar niets, want hij bleef gewoon op de baan rijden waar hij voor het eerst mijn leven in was gekomen.

Nu zei ik al dat de A8 maar slechts over een paar kilometer vier rijbanen telt. Al snel komt hij namelijk uit op de A10. De twee rechter banen gaan naar de west- en de twee linker banen naar de noordring. Hoe dichter we bij de splitsing kwamen, hoe duidelijker het werd dat de linksrijder naar Ring-Noord wilde. Dat wilde ik ook, overigens. Dus ik verplaatste m’n auto, na een halve kilometer op de meest rechtse rijbaan te hebben gereden, naar de baan waar de man al de hele tijd reed.

‘Ik moest bewust energie stoppen in accepteren dat deze man niet de irritante rij-in-de-weg was waarvoor ik hem had uitgemaakt.’

Ik besefte dat de man iets had gedaan wat ik zelf ook regelmatig doe: niet onnodig van baan wisselen als je weet dat de snelweg zich over niet al te lange tijd splitst. Dat is niet alleen minder gedoe voor jezelf, het geeft ook een veiliger verkeerssituatie. (Denk  bijvoorbeeld aan wat er nu gebeurt op het nieuwe knooppunt Muiderberg, waar de A6 van de A1 splitst. Daar gaan auto’s en vrachtwagens op het laatste moment nog even snel een paar banen naar links of rechts om niet de verkeerde snelweg op te rijden.) De man had dus iets gedaan waar ik eigenlijk wel achter kon staan.

En toch kostte het me moeite om de man van het ‘foute hokje’ naar het ‘goede hokje’ te verplaatsen. Ik moest bewust energie stoppen in accepteren dat deze man niet de irritante rij-in-de-weg was waarvoor ik hem mentaal had uitgemaakt. Een deel van mijn hersenen sputterde zelfs nog even tegen, merkte ik. Het was alsof het, in reactie op mijn mildere gedachten, zei: ‘Ja maar, hij had toch wel éven naar rechts gekund?!’ Een ander deel van mijn hersenen kalmeerde zijn tegensputterende collega en samen lieten ze zich naar de Ring-Noord rijden.

Zo gaat het vaak, volgens mij: op basis van een simpel voorval hebben we een oordeel over een ander en als blijkt dat dat oordeel onterecht was, kost het veel moeite om ervan af te stappen. Dat komt door twee dingen.

‘Ons theorie-instinct is z’n biologische doel ver voorbij geschoten.’

Ten eerste heeft het biologisch nut om snel je oordeel klaar te hebben. Als we te lang moesten onderzoeken en nadenken over wat dat ritselend geluid in de struikjes veroorzaakte, liepen we de kans opgegeten te worden door de tijger die in de bosjes liep. We hebben daarom een ‘theorie-instinct’ ontwikkeld, zoals de Amerikaanse journaliste Kathryn Schulz het noemt. Dat is alleen z’n biologische doel ver voorbij geschoten. Op basis van zelfs maar de kleinste feitjes ontwikkelen we hele theorieën over hoe iemand, iets of de wereld in elkaar zit.

Het tweede ding is dat we ons eigen oordeel overschatten omdat we onszelf overschatten. En dat is weer omdat onszelf geringschatten biologisch ook niet slim zou zijn. Als we namelijk continu aan onszelf twijfelen maakt dat ons minder aantrekkelijk, dus minder geschikt voor voortplanting – mensen vallen nou eenmaal niet snel op iemand die als een onzeker vogeltje door het leven gaat. En het maakt ons minder betrouwbaar, dus een slechtere kandidaat voor samenwerking, waardoor we minder kans hebben op veiligheid en voedsel – we vertrouwen iemand die zich de hele tijd ongemakkelijk achter z’n oren krabt immers niet zomaar. Het heeft zin om je eerste oordeel en jezelf heel serieus te nemen. Maar ook dat instinct is een vuistregel die in lang niet alle gevallen geldt.

Kortom, een belangrijk deel van mijn hersenen snapt niet dat ik geen oordeel moet hebben over een man die iets doet wat ik niet meteen begrijp en al helemaal niet dat het oordeel dat ik heb geveld onterecht zou kunnen zijn. We moeten het onszelf dus niet erg kwalijk nemen als we te snel oordelen en moeilijk afscheid kunnen nemen van onze eerste, onterechte indruk.

Maar we zouden er wel goed aan doen om, verrijkt met deze wetenschap, zonder morren ons foute vooroordeel in te slikken.


Wil je meer inzichten over de combi van onze biologie en onze moderne samenleving? Lees m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.