Makelaars zijn gebaat bij onmenselijke relaties

Twee weken geleden zegde ik de huur op van ons huis. Eerst telefonisch, in een gesprek met de eigenaar. Daarna, op zijn verzoek, nog een keertje via een kort e-mailtje. Vorige week kreeg ik het verzoek om het nogmaals te doen via een brief. Onzin natuurlijk, maar ik heb het wel gedaan. Want mensen worden nou eenmaal gedreven door het in stand houden van relaties, niet door het maximaliseren van nut.

We gaan verhuizen. Over een maand of twee, drie. Naar een huis dat we hebben gekocht, zoals ik eerder schreef. Het wordt flink verbouwd dus we kunnen er pas per 1 juli in.

Ik vertelde de eigenaar dat telefonisch. Die vroeg me om het nog even kort op de mail te zetten want ‘dat gaat het verhuurbureau ons natuurlijk vragen’. De eigenaars verhuren hun huis namelijk via een makelaar. Na mijn mail mailde de eigenaresse me vorige week of ik dus nogmaals de huur schriftelijk wilde opzeggen.

‘Wij adviseren een verhuurder altijd om van een huurder te verlangen dat deze de huurovereenkomst officieel en schriftelijk per brief opzeggen.’

In de berichtgeschiedenis stond een e-mail van het verhuurbureau die verklaarde waarom ze dat deed.

Wij adviseren een verhuurder altijd om van een huurder te verlangen dat deze de huurovereenkomst officieel en schriftelijk per brief opzeggen. Een en ander volgens onder meer artikel 3.1 van de huurovereenkomst […]. Een kopie van de brief stuurt de huurder i de meeste gevallen eveneens naar onze postbus, zoals gevraagd in 3.1. Verhuurders sturen ons zo wie zo een kopie als pdf. Aan de hand van de ontvangen opzegging controleren wij altijd of de juiste opzegtermijn etc. is gehanteerd. Ook starten wij dan de verdere communicatie m.b.t. de eindinspectie op.

Een paar dingen gingen hier mis – los van de grappige combinatie van formeel taalgebruik en schrijffouten.

Ten eerste hadden wij onze huurovereenkomst al schriftelijk opgezegd. Ik heb het even opgezocht en vond dat een e-mail rechtsgeldig en net zo hard als een papieren document is zolang er niet wordt ontkend dat hij is ontvangen of dat de inhoud echt is. Op mijn eerste opzeggingse-mail had ik een bevestiging gekregen van de verhuurder. Dus van ontkenning van ontvangst of de echtheid van de inhoud was geen sprake.

Dat er tussen begin april en 1 juli meer dan een maand zit kan iedereen uit het hoofd uitrekenen.

Juridisch was er dus geen reden voor deze dubbele bevestiging van opzegging. Maar dat boeit me eigenlijk nog het minst.

Het tweede en veel belangrijkere dat hier fout ging is dat onze relatie met de verhuurders gedevalueerd werd. Die relatie is namelijk erg goed. Door te ‘verlangen’ dat wij de huurovereenkomst ‘officieel en schriftelijk per brief’ opzeggen vermaakte het verhuurbureau onze relatie tot een van huurder-verhuurder. Terwijl we elkaar al jaren bij de voornaam noemen.

En, fout nummer 3, waar onze onderlinge relatie werd gedevalueerd, promoveerde het verhuurbureau onterecht zijn eigen rol juist. Want wat had dat nog te doen?

De opzegtermijn controleren? Die is een maand. Dat wisten wij en de eigenaars vast ook. En dat er tussen begin april en 1 juli meer dan een maand zit kan iedereen uit het hoofd uitrekenen.

Loos papierwerk, devaluatie van onze relatie met de eigenaars en zelfpromotie van de makelaar.

Of is de eindinspectie dan echt een makelaarsding? Neen. Want gisteren is de eigenaresse zelf met mijn vriendin door het huis gegaan en hebben ze vastgesteld wat er aan het huis verbeterd moet worden. Niet om die ‘schade’ in te houden van onze borgsom, maar om een en ander te laten verbouwen voor de volgende huurders.

Tenslotte, en daarmee is ook meteen het laatste wat je van een verhuurbureau zou kúnnen verwachten om zeep: wij hebben zelf de volgende huurders aangedragen. Die liepen gisteren mee door het huis met de eigenaresse en mijn vriendin. En die gaan zelf de verbouwing doen.

Kortom, loos papierwerk, devaluatie van onze relatie met de eigenaars en onterechte zelfpromotie van de makelaar. Drie onnodige gevolgen van één mailtje. Maar er zat nog een staartje aan dit verhaal dat me misschien nog wel het meest aan het hart gaat.

Wat hierboven staat heb ik in (veel) minder woorden ook aan de eigenaars gezegd. Ik schreef dat we een briefje op zouden stellen maar dat het me wel tegenstond. Hierop reageerden zij dat ze me gelijk gaven. Én dat ze het heel fijn vonden dat we onze huur per brief zouden opzeggen.

Mensen worden veel meer gedreven door het in stand houden van een relatie dan door het maximaliseren van nut.

De reden die ze daarvoor gaven was eigenlijk vooral dat ze de relatie met het bureau in stand wilden houden. Met nut of logica had het weinig te maken.

En daarin zit wat mij betreft de les van deze ervaring: mensen worden veel meer gedreven door het in stand houden van een relatie dan door het maximaliseren van nut.

En laat dat ook helder zijn: ik ben ook een mens. Ook ik ben overstag gegaan. Onder loos protest – en de melding dat ik hoopte dat hij zijn procedures zou aanpassen voor de volgende huurder die opzegt – heb ik een brief opgesteld, ondertekend, ingescand en als pdf verstuurd naar de makelaar. Ook ik wilde niet mijn relatie met de verhuurders op het spel zetten om een punt te maken.

Toch hoop ik dat we allemaal scherper zijn op die kleine kansen om de núttige menselijke relatie weer bovenaan te zetten. Er is altijd wel iets wat je minder of niet kunt doen om daarvoor te zorgen.

Want juist door op de korte termijn te kiezen voor het behouden van een relatief onbelangrijke relatie kunnen we op de langere termijn echt waardevolle relaties devalueren.


Meer? Dan heb ik nog de rest van dit blog, een boek, een Facebookpagina en een site.


 

Advertisements

Economen kennen geen win-winsituatie, mensen wel

We hebben een huis gekocht. Van een dame van 87. Voor een prijs die lager lag dan wat zij haar man op zijn sterfbed had beloofd. En dat voelt goed.

Vorig jaar hadden we ons oog laten vallen op het huis in het bos. Een bungalow uit de jaren zeventig waar sinds de verbouwing van 1986 niks meer aan gedaan was. En waar het echtpaar dat er eigenaar van was al meer dan vijf jaar niet meer was geweest. Te oud. En sinds een jaar was de mannelijke helft er niet meer.

Insiders hadden ons verteld dat we het voor een redelijke prijs zouden kunnen kopen. Op die manier zouden we een flink bedrag overhouden om het huis te verbouwen naar de maatstaven van de eenentwintigste eeuw.

Desalniettemin wilden we een poging wagen. We besloten mevrouw Vis een brief te schrijven.

Ons eerste bod was daarom tachtigduizend onder de vraagprijs. Het tegenbod van de eigenaresse kwam snel: dertigduizend boven het onze. Binnen twee slagen waren we dus al een eind gezakt. Maar dat was ons niet genoeg. Als je flink wilt verbouwen, is elke paar duizend euro immers meegenomen.

Haar makelaar vertelde ons dat de eigenaresse, mevrouw Vis, al meerdere potentiële kopers zich stuk had laten bijten op het bedrag waar ze nu, met haar tegenbod, mee was gekomen. Ze wilde nooit lager zakken. Dit was blijkbaar een heilige grens waar ze niet onder wilde. ‘Het is een nogal principieel type, weet je,’ zei de makelaar, ‘niet de gemakkelijkste.’

Desalniettemin wilden we een poging wagen. We besloten mevrouw Vis een brief te schrijven.

We vertelden dat we in haar huis de mogelijkheid zagen om een grote wens in vervulling te laten gaan.

We begonnen: ‘Graag willen wij u persoonlijk uitleggen waarom wij uw bungalow zo graag willen kopen. En waarom we daar het bod van [zoveel] euro op hebben gedaan.’

We legden uit dat we waren gaan houden van het bos waar de bungalow in ligt toen we twee en een half jaar geleden in datzelfde bos in een huurhuis woonden. We vertelden dat we in haar huis de mogelijkheid zagen om een grote wens in vervulling te laten gaan. Dat we ons heel goed konden voorstellen hoe onze dochter daar kan opgroeien in een heerlijke omgeving; en hoe wij daar zelf ook kunnen genieten van het bos en de grote tuin.

Bovendien zagen we de potentie van het huis, schreven we: ‘In de basis een solide huis waar u, naar het zich laat aanzien, iets heel eigens van heeft gemaakt destijds. Maar het is ook zo dat er het een en ander moet gebeuren om het huis weer geschikt te maken voor bewoning.’ We legden uit dat op alle vlakken achterstallig onderhoud was. En dat we daarvoor een flink budget nodig hadden. En dat dat de achtergrond van ons bod was.

We sloten af: ‘We snappen dat u anders naar uw huis kijkt dan wij. Maar wij hopen ook dat u begrip heeft voor onze situatie en inschatting en dat u ons tegemoet wilt komen. Wij zijn in ieder geval bereid ons eerste bod te verhogen met 10.000 euro.’

We verstuurden de brief naar de makelaar. En wachtten.

We vielen even stil. Schaamrood kwam op onze kaken.

Anderhalve week later kregen we reactie. In een lange brief liet mevrouw Vis ons weten dat ze de onze erg had gewaardeerd. En dat ze haar vorige bod wilde handhaven.

Ze vertelde ook waarom. Ze had haar man beloofd niet minder dan dat bedrag voor het huis te krijgen. Ooit hadden ze het huis namelijk gekocht als zomerhuis. In de winters wilden ze in Californië wonen, waar hun zoon had gestudeerd en werk had gevonden.

Niet lang na dat besluit werd hij echter ziek. Een jaar later overleed hij.

Het huis in Nederland stond dus voor hun overleden zoon. En, omdat ze hadden ervaren hoe belangrijk het was om bij je zieke kind te zijn, hadden ze zich voorgenomen de inkomsten van de verkoop van het huis aan het Ronald McDonald Kinderfonds te doneren. En die donatie moest de hoogte van haar laatste bod hebben.

We vielen even stil. Schaamrood kwam op onze kaken.

Mevrouw Vis ging tóch over haar magische grens.

Een paar dagen later hadden we onze gedachten weer op een rijtje. We besloten de laatste wens van meneer Vis te respecteren. En om er een win-winsituatie van te proberen te maken: wij aanvaardden haar bod maar wilden het huis pas in eigendom krijgen als het geheel verbouwd was.

Daarmee zouden we dubbele woonlasten vermijden en dat zou duizenden euro’s schelen. En mevrouw Vis zou er geen last van hebben want ze woonde er toch niet meer en de hypotheek was afbetaald.

We zetten ons voorstel in een brief, verstuurden die en wachtten weer.

Weer een week later. Weer een reactie. Dit keer via een telefoontje van de makelaar. Mevrouw Vis ging niet akkoord met ons voorstel. Ze verlaagde haar prijs wel met tienduizend euro. Daarmee ging mevrouw Vis over haar magische grens.

Waarom maken mensen geen contact van mens tot mens in situaties waarin ze afhankelijk zijn van onbekenden?

Een paar weken later stond de makelaar bij ons voor de deur. Hij had het koopcontract onder zijn arm. En een knuffelbeertje. Hij was bij mevrouw Vis geweest om haar het contract te laten tekenen. Bij het afscheid had ze hem het beertje gegeven. Of hij het aan onze dochter wilde geven.

Hoe kan het toch dat anderen stuk waren gelopen op de magische grens van mevrouw Vis en wij niet? En waarom geeft iemand die getypeerd wordt als principieel en niet de gemakkelijkste een beertje als bezegeling van de onderhandeling?

Mijn simpele, wellicht voor de hand liggende verklaring: we hadden contact gemaakt, van mens tot mens.

Maar als het zo simpel is, waarom zijn anderen dan toch stuk gelopen? Waarom hebben zij niet contact gemaakt van mens tot mens? En waarom doen mensen dat in allerlei andere onderhandelingssituatie dat niet? Of überhaupt in situaties waarin ze afhankelijk zijn van onbekenden?

Laat je brein, economen en je trots een poepie ruiken.

Mijn (misschien niet zo simpele, voor de hand liggende) verklaringen: (1) omdat mensen onbekenden niet zien als mensen (ons brein kán ze daadwerkelijk niet zo zien), (2) omdat de meeste mensen ervan overtuigd zijn dat je onbekenden niet moet vertrouwen als je afhankelijk van ze bent (economen hebben ons geleerd dat mensen berekenend en op eigen belang gericht door het leven gaan) en (3) omdat mensen te trots zijn om zich afhankelijk op te stellen (de meeste sociale zoogdieren zijn belast met iets wat biologen gelijkheidszin noemen, dat zegt dat anderen niet zomaar hoger in rang mogen staan).

Ik stel voor dat je je brein, economen en je trots een poepie laat ruiken: maak contact van mens tot mens in situaties waarin je afhankelijk bent van iemand. Of je die ander nu kent of niet. De win-winsituatie ligt dan veel meer voor de hand dan je nu zult denken.


Want more? Check dit blog, m’n boek, m’n Facebookpagina of m’n site. Of stel me gewoon een vraag.


 

Aannemers zijn niet te vertrouwen en hun klanten ook niet, aldus klanten en hun aannemers

‘Still have no data to make first factuur. Without payment we will not start work. Sorry it’s very important for me to have payments in time. Regards.’ Dat was het WhatsApp-bericht dat ik vorige week dinsdag kreeg van onze aannemer, ‘Jazek’. Op de dag dat hij zou beginnen met de verbouwing.

De dag ervoor hadden hij en ik nog door ons net aangekochte huis gelopen. We hadden het samen geïnspecteerd. Ik en een stuk of acht familieleden en vrienden hadden het in vier dagen helemaal kaal gestript, van plafond tot en met vloer. Hij was erg onder de indruk van ons harde en grondige werk. Hij kon de volgende dag meteen beginnen, zei hij.

Jazek nam op. Ik viel met de deur in huis: ‘What are you doing?!’

We hadden die dag afgesproken dat ik hem onze adresgegevens zou doorgeven zodat hij een eerste factuur kon sturen. Hij moest immers materiaal aanschaffen voor de verbouwing. Bovendien had hij een keer een slechte ervaring gehad met een klant die hem twee keer aan het werk had gezet zonder te betalen. Sindsdien vroeg hij altijd een aanbetaling.

Hij had ook gezegd dat het prima was als we donderdag het geld zouden overmaken. Zijn bericht kwam dus als een donderslag bij heldere hemel.

Meteen nadat ik z’n appje had gelezen, stuurde ik hem onze adresgegevens en vroeg: ‘But you have started today, right?’ Zonder het antwoord af te wachten besloot ik hem ook te bellen.

Terwijl ik de ruimte uit liep waar ik op dat moment een meeting had, verzuchtte ik tegen een van de aanwezigen: ‘Dag één van de verbouwing en de aannemer wil niet beginnen als hij geen geld krijgt.’ ‘Aannemers…’ antwoordde de ander, ‘allemaal hetzelfde.’

Jazek nam op. Ik viel met de deur in huis: ‘What are you doing?!’ Zonder op een antwoord te wachten herinnerde ik hem eraan dat hij had gezegd dat donderdag vroeg genoeg was om te betalen. Ik legde uit dat ik echt wel van plan was over de brug te komen maar dat ik stomweg vergeten was onze adresgegevens door te geven.

Het zat weer goed tussen ons. Maar toch: what the fuck?!

‘Then maybe I forgot to send my guys to your house,’ was zijn waarschijnlijk grappig bedoelde reactie. Dat hielp niet echt. Ik zette er een tandje bij: ‘This is about trust, Jazek. You apparently don’t trust me to pay you.’ Dat vond Jazek niet, zei hij. Maar ik merkte dat hij begon te begrijpen welke boodschap hij over had gebracht met zijn berichtje.

Zijn toon werd milder. Hij benadrukte dat hij de klus graag wilde. En hij beloofde de spullen vandaag nog naar de bouw te brengen en zijn jongens zo snel mogelijk aan het werk te zetten.

Een minuut of vijf later hingen we op. Nog natrillend ging ik verder met het overleg.

Maar na een uurtje was mijn adrenalinepeil voldoende gezakt. Ik appte hem: ‘Thanks for the conversation. I think it’s good that it happened. As soon as I receive the bill, I will pay it.’ Zijn antwoord kwam nog geen minuut later: duim omhoog.

Het zat weer goed tussen ons. En ik merk een week later dat het inderdaad goed is voor onze relatie dat dit gebeurd is.

Maar toch: what the fuck?! 

‘Boter bij de vis!’ had zijn vrouw misschien wel in het Pools geroepen.

Waarom spreekt iemand de ene dag in goed vertrouwen iets met me af en blaast hij het de volgende dag helemaal op? Waarom stuurt Jazek een dreigend bericht waarmee hij impliciet terugkomt op onze eerder gemaakte afspraak?

Ik denk dat het antwoord op die vraag niks met mij te maken heeft. Ik denk dat Jazek ergens tussen die maandagmiddag en die dinsdagmiddag bezoek heeft gekregen van wat demonen. Demonen van eerdere klanten die hem oneerlijk behandeld hadden, die zijn vertrouwen hadden beschaamd.

En misschien had de demon wel de vorm van zijn vrouw die hem aanpraatte dat hij mij niet zomaar moest vertrouwen. Wie weet had ze tijdens het avondeten in het Pools ‘Boter bij de vis!’ geroepen.

Hoe dan ook, doordat ik hem niet de beloofde gegevens gaf speelde ik precies in de kaart van de stemmen in zijn hoofd. Stemmen die uit een verleden komen waar ik part noch deel aan heb gehad.

Vertrouwen komt te voet en gaat te paard, zeggen ze. Vertrouwen ís een paard, zeg ik.

Vervelend is dat, dat we met mensen te doen hebben die geen onbeschreven blad zijn. Irritant dat mensen door schade en schande ‘wijs’ worden. Dat goed bedoelende passanten door die ‘wijsheid’ worden ingeschat en daarmee per definitie met een achterstand beginnen.

Irritant ook dat ik een mens ben. Want ik merk dat ik Jazek ook niet honderd procent vertrouw. Ik voel de achterdocht in mijn achterhoofd sluipen als ik in zijn begroting een aantal uren zie staan dat me wat hoog ingeschat lijkt. Of als ik zie dat de kosten die hij voor materiaal rekent niet lijken te kloppen met wat ik er online over vind.

En ook al heb ik rationele gronden om vragen te hebben over dat soort cijfers, ik heb nog geen redenen om Jazek te wantrouwen. Tot nu toe is-ie altijd eerlijk en open geweest en bereid om foutjes te herstellen. Mijn wantrouwen komt van wat ik geleerd heb over mensen die dingen voor geld doen in het algemeen en aannemers in het bijzonder. Van mensen die zeggen: ‘Aannemers… allemaal hetzelfde.’

Vertrouwen komt te voet en gaat te paard, zeggen ze. Vertrouwen ís een paard, zeg ik. Een paard is een vluchtdier. In hun beschadigde evolutionaire verleden hebben paarden geleerd dat harde geluiden en plotse bewegingen voortekens van ellende zijn. Dus gaan ze eerst rennen voordat ze kijken waar die harde knal vandaan kwam.

Vertrouwen is een beschadigd en daarom schichtig diertje.

E-mails die nét de verkeerde toon aanslaan, verkopers die nét iets te aardig zijn, mensen die nét iets te dicht op je komen te staan in de rij – aanleidingen voor ons beschadigde vertrouwen om te zeggen: ‘Zie je wel!’ en weg te galopperen.

Vertrouwen is een beschadigd en daarom schichtig diertje. Dat vergeet ik te vaak. Ik sta er te weinig bij stil dat anderen en ikzelf geen onbeschreven bladeren zijn, geen onschuldige kinderen in het paradijs.

Ik moet mezelf daarom continu scherp houden. Ik moet me eraan te herinneren dat ik andermans vertrouwen moet verdienen, elke dag weer. En ik moet eraan denken dat ik heb besloten mensen te vertrouwen totdat het tegendeel bewezen is.

Dat gaat niet vanzelf. Dat vraagt aandacht. Elke dag weer.


Wil je je medemens meer vertrouwen of wil je zelf nóg meer te vertrouwen zijn? Check dit blog, m’n boek, m’n Facebookpagina of m’n site. Of stel me gewoon een vraag.


 

Intercoms maken nare stresskippen van lieve receptionistes

‘Receptie, goedemorgen!’ ‘Goedemorgen! Olav de Maat hier!’ riep ik terug door intercom. ‘U bent te vroeg, want u heeft een plek van kwart voor tien tot elf uur.’ Het was half tien. ‘Het spijt me, maar ik had de pech dat ik geen files had,’ probeerde ik het ijs te breken. Het hielp niet: ‘En hoe weet ik dat u om elf uur weer weggaat?’ kwam er uit het paaltje naast de slagboom.

‘Nou, dat voelt welkom!’ zei ik terug met een lach. ‘Ik heb een afspraak tot elf uur en daarna ben ik meteen weer weg.’ ‘Ja, dat zeggen ze allemaal en dan blijven ze de hele dag staan,’ was de volgende opmerking van de receptioniste. ‘Hoe weet u dat ik dat ook doe? U kent me niet,’ antwoordde ik. ‘Weet u wat? Als ik mijn auto heb geparkeerd kom ik naar u toe en dan kom ik u een hand geven en dat doe ik ook om elf uur, als ik het pand weer verlaat. Dan kunt u zien dat ik te vertrouwen ben.’

De paal bleef even stil. Ik dacht dat ik verloren had. De slagboom ging open.

‘Een niet onvriendelijk maar verhit bebrild hoofd keek me aan. In de vijftig, twee puberkinderen, gokte ik.

Toen ik mijn auto had geparkeerd bleef ik even zitten. Ik maakte een notitie in mijn telefoon over dit voorval, zoals ik vaker doe als ik voer voor mijn blog heb. ‘Ongelooflijk!’ mompelde ik terwijl ik de lift naar de receptie in stapte.

Achter de receptie zat de mevrouw van het pratende paaltje. Een niet onvriendelijk maar verhit bebrild hoofd keek me aan. In de vijftig, twee puberkinderen, gokte ik.

Ze stak haar hand uit. ‘Sorry, hoor,’ zei ze. ‘Het was echt niet mijn bedoeling om zo lelijk te doen. Vanaf acht uur vanochtend al gaat dit zo. Auto na auto wil binnen. En ik wil niet zo lelijk doen maar het gebeurt gewoon!’

We praatten nog even door over het reserveringssysteem (een papieren uitdraai, toegetakeld met strepen van markeerstiften en pen) en de ruimte die er toch nog was in de parkeerplaats (nog vijftien plekken, ondanks wat haar reserveringsvelletje zei). We zeiden elkaar gedag met een glimlach. En om vijf over elf nog een keer – ik was net iets te laat, ik geef het toe.

‘Voor haar was ik auto-nummer-zoveel-met-een-lulverhaal.

‘Wat een schat!’ dacht ik toen ik de lift naar de parkeerkelder in stapte.

Het maakt een enorm verschil of je iemand kunt zien of niet en of je iemand kent of niet. De combi niet-zien-niet-kennen is een killer combo. Anonimiteit maakt onverantwoordelijk. Ze maakt van mensen lompe horken en soms zelfs moorddadige monsters. Dat weten we allang.

Maar dit voorval wees me heel charmant op de alledaagse vormen die anonimiteit aanneemt. Die mevrouw had mij ontmenselijkt voordat ik mijn mond kon open trekken. Voor haar was ik auto-nummer-zoveel-met-een-lulverhaal. En ik had haar ingebeeld als weer-zo’n-bureaucratische-dichtgetikte-stresskip.

Ze bleek een lieve, onzekere stresskip te zijn, die heel goed beseft wat ze doet. Een schat die mij er weer aan herinnert dat achter elk praatpaaltje, callcentertelefoontje en mailtje-op-hoge-poten een echt mens zit met goede bedoelingen en een páár verbeterpunten.


Meer belangrijke inzichten? Check de rest van m’n blog, m’n boek, m’n Facebookpagina of m’n site. Of stel me gewoon een vraag.


 

Waarom mensen niet van managers houden

Stijf hield ze haar lippen op elkaar terwijl ze me uitdagend aankeek. Ik probeerde het ding in haar mond te krijgen door hem ervoor te houden en zachtjes te duwen. Geen effect. Ik vroeg haar heel lief om mee te werken. Geen sjoege. Ik zei met iets meer volume en strengheid: ‘Kom op nou! Niet zo flauw.’ Geen reactie.

Gefrustreerd liep ik weg. Terwijl ik in de andere kamer mijn frustratie eraf probeerde te lopen, hoorde ik Loulou in de badkamer vrolijk met haar moeder verder keuvelen. Alsof er niks aan de hand was.

Tandenpoetsen, van niemand in ons gezin de favoriete bezigheid. De elektrische borstel was even een noviteit en daarom leuk voor onze driejarige dochter. Maar al snel bleek dat poetsen met stroom eigenlijk vervelender is en langer duurt dan met het klassieke ding.

‘Het is niet veel anders dan hoe medewerkers met hun managers omgaan en vice versa.

En nu kiest Loulou eens in de zo veel keer een tandenpoetsmoment uit om te protesteren tegen de ouderlijke macht.

Het is niet veel anders dan hoe medewerkers met hun managers omgaan en vice versa. Eens in de zo veel tijd laten de eersten aan de laatsten zien dat ze het niet oké vinden wat de laatsten met de eersten voorhebben. Ze gaan in discussie over voorgenomen veranderingen, ze sturen boze e-mails of ze doen gewoon alsof de neus bloedt en reageren niet op welk verzoek dan ook. En ondertussen keuvelen ze vrolijk verder bij de koffieautomaat, alsof er niks aan de hand is.

Ik ben niet de vader die zijn kind tot dingen dwingt. Ik forceer geen tandenborstels in monden en ik wrik geen kaken van elkaar. Daar voel ik me niet goed bij. Bovendien geloof ik dat het pedagogisch en didactisch niet erg verantwoord is.

En ik denk dat ook veel managers niet de manager willen zijn die hun medewerkers tot dingen dwingt.

‘Als je geen machtsmiddelen in wilt zetten of ruzie wilt, lijk je machteloos.

Maar als je geen machtsmiddelen in wilt zetten of ruzie wilt, lijk je machteloos. Je kunt proberen je mensen te veranderen door het uit te leggen, voor te doen en zachtjes te duwen. Je kunt heel lief vragen om mee te werken. Je kunt het met iets meer volume en strengheid zeggen. Maar als je mensen niet willen, krijg je waarschijnlijk regelmatig geen positieve reactie.

Je zult iets moeten bieden wat die ander wil. Of eigenlijk moet ik zeggen: wat die ander nodig heeft. In het geval van mijn dochter gaat het om iets simpels. Ze wil niet per se niet tandenpoetsen, ze heeft behoefte aan aandacht en een beetje hulp.

Zodra zij het idee heeft dat ik iets erdoorheen wil pushen, krijg ik gedoe. Zodra ik letterlijk en figuurlijk bij haar blijf in alle rust, krijg ik bijna alles gedaan. En als ik dan ook nog help bij de moeilijke stukjes door liedjes te zingen, grapjes te maken, aanwijzingen te geven, dan hebben we helemaal een bal.

‘Welk gezin is ooit beter geworden van functieprofielen, prestatieafspraken, beoordelingsgesprekken, jaarplannen en budgetrondes, laat staan ontslagrondes?

Het klinkt zo obvious en misschien te gemakkelijk om de lijn te trekken tussen ouderschap en leiderschap. Dat is niet erg. Want het ís obvious en gemakkelijk. Stop met mensen op het werk te behandelen als andere wezens dan de wezens die je ook thuis hebt rondlopen. Je kinderen, je partner, je broers en zussen, je vrienden, het zijn allemaal mensen, net als je collega’s en je medewerkers – en vergeet je eigen leidinggevende niet.

Uit talloos onderzoek blijkt dat arbeidsvoorwaarden veel minder belangrijk gevonden worden dan managers denken. Vooral blijken mensen behoefte te hebben aan aandacht en een beetje sociale ondersteuning van hun leidinggevende.

En mensen hebben een hekel aan andere mensen die controle over ze willen hebben. Gelijkheidszin noemen ze dat in de biologie.

‘Mensen hebben behoefte aan aandacht en een beetje sociale ondersteuning.

Stop dus niet alleen met collega’s en medewerkers niet als mensen te behandelen, stop ook met het managen van ze. Want welk gezin is ooit beter geworden van functieprofielen, prestatieafspraken, beoordelingsgesprekken, jaarplannen en budgetrondes, laat staan ontslagrondes?

(En als je nu denkt: nouhou, misschien moet ik die dingen júíst (weer) s gaan invoeren thuis… forget it. Want, net als managementmaatregelen op het werk, helpen managementmaatregelen thuis alleen op de korte termijn en oppervlakkig. Op de lange termijn hollen ze de onderlinge relaties en collectieve potentie uit.)


Wil je meer tips voor een gelukkig privé- en werkend leven? Lees dan m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn! Of stuur me gewoon een bericht.


 

Niet de overspannen werknemer noch zijn baas, maar de verzuimspecialist is het probleem

Deze week is de week van de werkstress. Voor de gelegenheid deed Arbo Unie een onderzoek. Het Financieele Dagblad kopt erover: ‘Niet de overspannen werknemer, maar zijn baas is het probleem.’ Het onderzoek, het artikel en de mensen die erin geciteerd worden maken een hardnekkige misvatting alleen maar hardnekkiger: dat iemand ergens de schuld van moet krijgen.

40 procent van de leidinggevenden denkt dat hun werknemers nauwelijks stress ervaren en 58 procent dat werkstress voortkomt uit een te zwaar takenpakket. Bestuurder Willem van Rhenen van Arbo Unie maakt in het FD-artikel duidelijk dat de leidinggevenden het fout hebben: ‘Uit eerdere onderzoeken blijkt dat werkstress wijdverbreid is en dat niet het takenpakket, maar het gebrek aan autonomie daarvan de hoofdreden is. Ook speelt gebrek aan steun van leidinggevenden, of overmatige hiërarchie een belangrijke rol. Zaken waar hoger management directe invloed op heeft.’ En verzuimspecialist Titus Kramer doet er een schepje bovenop: ‘Het is een reflex om te focussen op degene die zich ziek meldt, maar eigenlijk zouden we ons moeten richten op het baasje. Die is vaak de veroorzaker.’

‘Vooral meneer Kramer strijkt mij tegen de haren in. En dat is niet alleen vanwege het denigrerende “baasje”.

Vooral meneer Kramer strijkt mij tegen de haren in. En dat is niet alleen vanwege het denigrerende ‘baasje’. Het is ook en vooral omdat hij ons aanzet ons op iemand te ‘richten’ die de ‘veroorzaker’ is. Daarmee is hij niet anders dan de leidinggevenden die de bal in veruit de meeste gevallen leggen bij de medewerker zelf omdat die een te zwaar takenpakket zou hebben.

Het werkstressonderzoek en de reacties van meneren Van Rhenen en Kramer storen me. Ze staan voor iets wat ik te vaak tegenkom: mensen geven elkaar de schuld. Bij falen of schandalen moeten er koppen rollen.

In de psychologie heb je iets wat bekend staat als de fundamentele attributiefout (FAF). Die komt erop neer dat mensen slecht gedrag van anderen bij voorkeur toeschrijven aan hun persoonlijkheid. Als er iets fout gaat, ligt het aan de persoon. En de beste manier om de fout op te lossen, is dan om de persoon aan te pakken.

De tegenvechters van de FAF pleiten vooral voor aandacht voor omgevingsfactoren. Titus en Willem zóúden kunnen zeggen dat zij dat soort tegenvechters zijn. Zij zien leidinggevenden immers als belangrijkste factor in de omgeving van de gestreste medewerker. Maar ook Titus en Willem trappen in de fundamentele attributieval.

‘Als een plant groter groeit in de zon dan in de schaduw, wie geef je dan de schuld? De zon of de plant?

Ook zij leggen namelijk de schuld bij een bepaalde groep mensen op basis van een eigenschap waarvan zij aannemen dat die mensen die hebben. Maar dat is onzin. Het is sowieso in de meeste gevallen onzin om het over schuld te hebben.

Als een plant groter groeit in de zon dan in de schaduw, wie geef je dan de schuld? De zon of de plant? En als een medewerker last krijgt van werkstress als zijn baasje hem onvoldoende autonomie geeft, wie geef je dán de schuld? Het baasje of de medewerker?

Praten over schuld in situaties waar er sprake is van interactie is tijdverspilling. Want dat is wat er speelt bij werkstress, en in alle situaties waarin mensen met elkaar te maken hebben: interactie. Het heeft veel meer zin om dan te kijken hoe de interactie in elkaar zit: wat in het gedrag van de een zorgt voor een ongewenste reactie bij de ander en andersom?

En daarvoor heb je… wait for it… interactie nodig. Dus medewerker en leidinggevende, zoek elkaar op. Ga in gesprek. Pluis het uit. Daar word je allebei wijzer van. En stop met vingers wijzen naar stresskippen en baasjes, want daar is – met uitzondering van misschien een onderzoeker, verzuimspecialist of journalist – niemand mee geholpen.


Wil je echt weten wie de schuld heeft van alles wat er mis is in onze maatschappij? Lees dan m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn!


 

Veel consultants doen nutteloos werk – en dat weten ze zelf allang

In Arnhem maken ze er in de gemeenteraad een zooitje van. Raadsleden en wethouders beledigen elkaar, gebruiken grove taal, intimideren en schofferen. Een enkeling bedient zich zelfs van de middelvinger.

Hoogleraar Bestuurskunde Paul Frissen deed er onderzoek naar en concludeerde onder andere dat er in de stad een cultuur is van doelen die de middelen heiligen, van altijd gelijk hebben, van voldongen feiten en van straatvechten. Het advies van de onderzoekers: ‘Wie de samenleving normen voorhoudt, moet zichzelf daaraan houden.’

‘Dachten ze nu echt dat een patroon dat zich jaren heeft ontwikkeld zou veranderen door een rapport?

De gemeenteraad wil dat het college van burgemeester en wethouders vandaag in het openbaar reageert op het rapport van Frissen. Tot nu toe heeft het college alleen per brief laten weten het rapport met de gemeenteraad in een-op-eengesprekken te willen bespreken. De raad vond die reactie teleurstellend en ook Frissen is verbaasd over de brief van het college.

Ik ben op mijn beurt teleurgesteld en verbaasd over de reacties van de raad en de hoogleraar. Wat hadden ze dan gedacht? Dachten ze echt dat een patroon dat zich jaren heeft ontwikkeld zou veranderen door een extern rapport? Ja, want in het rapport is te lezen: ‘Om deze patronen te doorbreken moeten deze bevindingen vooral als een spiegel voor reflectie worden benut.’

Dankzij de psychologie kennen we de confirmation bias al bijna zestig jaar – en dankzij de Griekse historicus  Thucydides al sinds 400 voor Christus. Het is de neiging om informatie te zoeken, te interpreteren, voor te stellen en te herinneren op een manier die iemands bestaande overtuigingen bevestigt.

‘De hoogleraar wist al dat zijn rapport geen enkele zin gaat hebben.

Maar dankzij diezelfde confirmatieneiging denken veel onderzoekers, consultants en managers dat hun rationele methodes werken. Ze zijn ervan overtuigd dat het nuttig is om mensen te vertéllen wat ze fout doen en hoe ze het beter kunnen doen, ondanks wetenschappelijke studies en waarschijnlijk hun jarenlange eigen ervaring die het tegendeel bewijzen. De informatie uit die studies en ervaring hebben ze gezocht, geïnterpreteerd, voorgesteld en herinnerd op een manier die hun bestaande overtuigingen bevestigt.

Want als zij die informatie serieus zouden nemen, zouden zij de nagel aan hun eigen professionele doodskist zijn. En zo houden hele beroepsgroepen zichzelf in stand.

‘Weten en ernaar handelen zijn twee verschillende dingen.

In een NOS-bijdrage zegt Frissen over het college: ‘Je hoeft niet te erkennen dat je iets fout hebt gedaan, maar je zou kunnen zeggen: voor zover u zich beschadigd voelt door het gedrag dat we hebben vertoond, bieden we onze verontschuldigingen aan.’ ‘De hoogleraar heeft er een hard hoofd in dat het zover gaat komen vanavond,’ voegt de journalist van dienst toe.

De hoogleraar wéét dus eigenlijk al dat zijn rapport waarschijnlijk geen enkele zin gaat hebben. Maar weten en ernaar handelen zijn twee verschillende dingen. Maar als hij dat zou erkennen, zou hij zichzelf tegenspreken. Want om patronen te doorbreken hoeven bevindingen enkel als een spiegel voor reflectie te worden benut, is zijn devies.

Benut daarom de bevindingen in dit artikel als een spiegel om je eigen patronen te doorbreken. Dan zal je in de toekomst wel twee keer uitkijken voordat je iemand van loze raad voorziet.


Meer loze raad? M’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn staat er vol mee!