Waarom mensen niet van managers houden

Stijf hield ze haar lippen op elkaar terwijl ze me uitdagend aankeek. Ik probeerde het ding in haar mond te krijgen door hem ervoor te houden en zachtjes te duwen. Geen effect. Ik vroeg haar heel lief om mee te werken. Geen sjoege. Ik zei met iets meer volume en strengheid: ‘Kom op nou! Niet zo flauw.’ Geen reactie.

Gefrustreerd liep ik weg. Terwijl ik in de andere kamer mijn frustratie eraf probeerde te lopen, hoorde ik Loulou in de badkamer vrolijk met haar moeder verder keuvelen. Alsof er niks aan de hand was.

Tandenpoetsen, van niemand in ons gezin de favoriete bezigheid. De elektrische borstel was even een noviteit en daarom leuk voor onze driejarige dochter. Maar al snel bleek dat poetsen met stroom eigenlijk vervelender is en langer duurt dan met het klassieke ding.

‘Het is niet veel anders dan hoe medewerkers met hun managers omgaan en vice versa.

En nu kiest Loulou eens in de zo veel keer een tandenpoetsmoment uit om te protesteren tegen de ouderlijke macht.

Het is niet veel anders dan hoe medewerkers met hun managers omgaan en vice versa. Eens in de zo veel tijd laten de eersten aan de laatsten zien dat ze het niet oké vinden wat de laatsten met de eersten voorhebben. Ze gaan in discussie over voorgenomen veranderingen, ze sturen boze e-mails of ze doen gewoon alsof de neus bloedt en reageren niet op welk verzoek dan ook. En ondertussen keuvelen ze vrolijk verder bij de koffieautomaat, alsof er niks aan de hand is.

Ik ben niet de vader die zijn kind tot dingen dwingt. Ik forceer geen tandenborstels in monden en ik wrik geen kaken van elkaar. Daar voel ik me niet goed bij. Bovendien geloof ik dat het pedagogisch en didactisch niet erg verantwoord is.

En ik denk dat ook veel managers niet de manager willen zijn die hun medewerkers tot dingen dwingt.

‘Als je geen machtsmiddelen in wilt zetten of ruzie wilt, lijk je machteloos.

Maar als je geen machtsmiddelen in wilt zetten of ruzie wilt, lijk je machteloos. Je kunt proberen je mensen te veranderen door het uit te leggen, voor te doen en zachtjes te duwen. Je kunt heel lief vragen om mee te werken. Je kunt het met iets meer volume en strengheid zeggen. Maar als je mensen niet willen, krijg je waarschijnlijk regelmatig geen positieve reactie.

Je zult iets moeten bieden wat die ander wil. Of eigenlijk moet ik zeggen: wat die ander nodig heeft. In het geval van mijn dochter gaat het om iets simpels. Ze wil niet per se niet tandenpoetsen, ze heeft behoefte aan aandacht en een beetje hulp.

Zodra zij het idee heeft dat ik iets erdoorheen wil pushen, krijg ik gedoe. Zodra ik letterlijk en figuurlijk bij haar blijf in alle rust, krijg ik bijna alles gedaan. En als ik dan ook nog help bij de moeilijke stukjes door liedjes te zingen, grapjes te maken, aanwijzingen te geven, dan hebben we helemaal een bal.

‘Welk gezin is ooit beter geworden van functieprofielen, prestatieafspraken, beoordelingsgesprekken, jaarplannen en budgetrondes, laat staan ontslagrondes?

Het klinkt zo obvious en misschien te gemakkelijk om de lijn te trekken tussen ouderschap en leiderschap. Dat is niet erg. Want het ís obvious en gemakkelijk. Stop met mensen op het werk te behandelen als andere wezens dan de wezens die je ook thuis hebt rondlopen. Je kinderen, je partner, je broers en zussen, je vrienden, het zijn allemaal mensen, net als je collega’s en je medewerkers – en vergeet je eigen leidinggevende niet.

Uit talloos onderzoek blijkt dat arbeidsvoorwaarden veel minder belangrijk gevonden worden dan managers denken. Vooral blijken mensen behoefte te hebben aan aandacht en een beetje sociale ondersteuning van hun leidinggevende.

En mensen hebben een hekel aan andere mensen die controle over ze willen hebben. Gelijkheidszin noemen ze dat in de biologie.

‘Mensen hebben behoefte aan aandacht en een beetje sociale ondersteuning.

Stop dus niet alleen met collega’s en medewerkers niet als mensen te behandelen, stop ook met het managen van ze. Want welk gezin is ooit beter geworden van functieprofielen, prestatieafspraken, beoordelingsgesprekken, jaarplannen en budgetrondes, laat staan ontslagrondes?

(En als je nu denkt: nouhou, misschien moet ik die dingen júíst (weer) s gaan invoeren thuis… forget it. Want, net als managementmaatregelen op het werk, helpen managementmaatregelen thuis alleen op de korte termijn en oppervlakkig. Op de lange termijn hollen ze de onderlinge relaties en collectieve potentie uit.)


Wil je meer tips voor een gelukkig privé- en werkend leven? Lees dan m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn! Of stuur me gewoon een bericht.


 

Advertisements

Niet de overspannen werknemer noch zijn baas, maar de verzuimspecialist is het probleem

Deze week is de week van de werkstress. Voor de gelegenheid deed Arbo Unie een onderzoek. Het Financieele Dagblad kopt erover: ‘Niet de overspannen werknemer, maar zijn baas is het probleem.’ Het onderzoek, het artikel en de mensen die erin geciteerd worden maken een hardnekkige misvatting alleen maar hardnekkiger: dat iemand ergens de schuld van moet krijgen.

40 procent van de leidinggevenden denkt dat hun werknemers nauwelijks stress ervaren en 58 procent dat werkstress voortkomt uit een te zwaar takenpakket. Bestuurder Willem van Rhenen van Arbo Unie maakt in het FD-artikel duidelijk dat de leidinggevenden het fout hebben: ‘Uit eerdere onderzoeken blijkt dat werkstress wijdverbreid is en dat niet het takenpakket, maar het gebrek aan autonomie daarvan de hoofdreden is. Ook speelt gebrek aan steun van leidinggevenden, of overmatige hiërarchie een belangrijke rol. Zaken waar hoger management directe invloed op heeft.’ En verzuimspecialist Titus Kramer doet er een schepje bovenop: ‘Het is een reflex om te focussen op degene die zich ziek meldt, maar eigenlijk zouden we ons moeten richten op het baasje. Die is vaak de veroorzaker.’

‘Vooral meneer Kramer strijkt mij tegen de haren in. En dat is niet alleen vanwege het denigrerende “baasje”.

Vooral meneer Kramer strijkt mij tegen de haren in. En dat is niet alleen vanwege het denigrerende ‘baasje’. Het is ook en vooral omdat hij ons aanzet ons op iemand te ‘richten’ die de ‘veroorzaker’ is. Daarmee is hij niet anders dan de leidinggevenden die de bal in veruit de meeste gevallen leggen bij de medewerker zelf omdat die een te zwaar takenpakket zou hebben.

Het werkstressonderzoek en de reacties van meneren Van Rhenen en Kramer storen me. Ze staan voor iets wat ik te vaak tegenkom: mensen geven elkaar de schuld. Bij falen of schandalen moeten er koppen rollen.

In de psychologie heb je iets wat bekend staat als de fundamentele attributiefout (FAF). Die komt erop neer dat mensen slecht gedrag van anderen bij voorkeur toeschrijven aan hun persoonlijkheid. Als er iets fout gaat, ligt het aan de persoon. En de beste manier om de fout op te lossen, is dan om de persoon aan te pakken.

De tegenvechters van de FAF pleiten vooral voor aandacht voor omgevingsfactoren. Titus en Willem zóúden kunnen zeggen dat zij dat soort tegenvechters zijn. Zij zien leidinggevenden immers als belangrijkste factor in de omgeving van de gestreste medewerker. Maar ook Titus en Willem trappen in de fundamentele attributieval.

‘Als een plant groter groeit in de zon dan in de schaduw, wie geef je dan de schuld? De zon of de plant?

Ook zij leggen namelijk de schuld bij een bepaalde groep mensen op basis van een eigenschap waarvan zij aannemen dat die mensen die hebben. Maar dat is onzin. Het is sowieso in de meeste gevallen onzin om het over schuld te hebben.

Als een plant groter groeit in de zon dan in de schaduw, wie geef je dan de schuld? De zon of de plant? En als een medewerker last krijgt van werkstress als zijn baasje hem onvoldoende autonomie geeft, wie geef je dán de schuld? Het baasje of de medewerker?

Praten over schuld in situaties waar er sprake is van interactie is tijdverspilling. Want dat is wat er speelt bij werkstress, en in alle situaties waarin mensen met elkaar te maken hebben: interactie. Het heeft veel meer zin om dan te kijken hoe de interactie in elkaar zit: wat in het gedrag van de een zorgt voor een ongewenste reactie bij de ander en andersom?

En daarvoor heb je… wait for it… interactie nodig. Dus medewerker en leidinggevende, zoek elkaar op. Ga in gesprek. Pluis het uit. Daar word je allebei wijzer van. En stop met vingers wijzen naar stresskippen en baasjes, want daar is – met uitzondering van misschien een onderzoeker, verzuimspecialist of journalist – niemand mee geholpen.


Wil je echt weten wie de schuld heeft van alles wat er mis is in onze maatschappij? Lees dan m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn!


 

Veel consultants doen nutteloos werk – en dat weten ze zelf allang

In Arnhem maken ze er in de gemeenteraad een zooitje van. Raadsleden en wethouders beledigen elkaar, gebruiken grove taal, intimideren en schofferen. Een enkeling bedient zich zelfs van de middelvinger.

Hoogleraar Bestuurskunde Paul Frissen deed er onderzoek naar en concludeerde onder andere dat er in de stad een cultuur is van doelen die de middelen heiligen, van altijd gelijk hebben, van voldongen feiten en van straatvechten. Het advies van de onderzoekers: ‘Wie de samenleving normen voorhoudt, moet zichzelf daaraan houden.’

‘Dachten ze nu echt dat een patroon dat zich jaren heeft ontwikkeld zou veranderen door een rapport?

De gemeenteraad wil dat het college van burgemeester en wethouders vandaag in het openbaar reageert op het rapport van Frissen. Tot nu toe heeft het college alleen per brief laten weten het rapport met de gemeenteraad in een-op-eengesprekken te willen bespreken. De raad vond die reactie teleurstellend en ook Frissen is verbaasd over de brief van het college.

Ik ben op mijn beurt teleurgesteld en verbaasd over de reacties van de raad en de hoogleraar. Wat hadden ze dan gedacht? Dachten ze echt dat een patroon dat zich jaren heeft ontwikkeld zou veranderen door een extern rapport? Ja, want in het rapport is te lezen: ‘Om deze patronen te doorbreken moeten deze bevindingen vooral als een spiegel voor reflectie worden benut.’

Dankzij de psychologie kennen we de confirmation bias al bijna zestig jaar – en dankzij de Griekse historicus  Thucydides al sinds 400 voor Christus. Het is de neiging om informatie te zoeken, te interpreteren, voor te stellen en te herinneren op een manier die iemands bestaande overtuigingen bevestigt.

‘De hoogleraar wist al dat zijn rapport geen enkele zin gaat hebben.

Maar dankzij diezelfde confirmatieneiging denken veel onderzoekers, consultants en managers dat hun rationele methodes werken. Ze zijn ervan overtuigd dat het nuttig is om mensen te vertéllen wat ze fout doen en hoe ze het beter kunnen doen, ondanks wetenschappelijke studies en waarschijnlijk hun jarenlange eigen ervaring die het tegendeel bewijzen. De informatie uit die studies en ervaring hebben ze gezocht, geïnterpreteerd, voorgesteld en herinnerd op een manier die hun bestaande overtuigingen bevestigt.

Want als zij die informatie serieus zouden nemen, zouden zij de nagel aan hun eigen professionele doodskist zijn. En zo houden hele beroepsgroepen zichzelf in stand.

‘Weten en ernaar handelen zijn twee verschillende dingen.

In een NOS-bijdrage zegt Frissen over het college: ‘Je hoeft niet te erkennen dat je iets fout hebt gedaan, maar je zou kunnen zeggen: voor zover u zich beschadigd voelt door het gedrag dat we hebben vertoond, bieden we onze verontschuldigingen aan.’ ‘De hoogleraar heeft er een hard hoofd in dat het zover gaat komen vanavond,’ voegt de journalist van dienst toe.

De hoogleraar wéét dus eigenlijk al dat zijn rapport waarschijnlijk geen enkele zin gaat hebben. Maar weten en ernaar handelen zijn twee verschillende dingen. Maar als hij dat zou erkennen, zou hij zichzelf tegenspreken. Want om patronen te doorbreken hoeven bevindingen enkel als een spiegel voor reflectie te worden benut, is zijn devies.

Benut daarom de bevindingen in dit artikel als een spiegel om je eigen patronen te doorbreken. Dan zal je in de toekomst wel twee keer uitkijken voordat je iemand van loze raad voorziet.


Meer loze raad? M’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn staat er vol mee!


 

Waarom je een ander niet moet laten uitpraten

Te vaak laten we de ander uitpraten. Omwille van beleefdheid en harmonie. Zeggen we. Maar stiekem zit er een veel minder beschaafde reden achter: luiheid. Alleen kost uit laten praten uiteindelijk vaak meer energie. Dus doe jezelf en de ander een plezier en zeg er wat van.

‘Heb je een nieuwe gadget?’ vroeg ‘Dirk’ die mijn kamer was komen binnenlopen. Hij wees naar het zwarte doosje dat aan mijn laptop was gekoppeld met een USB-kabeltje. ‘Nee, hoor,’ zei ik, ‘ik heb ’m al een tijd. Ik zou dit ding juist veel vaker moeten gebruiken.’ Het ‘ding’ was een externe harde schijf die ik (te weinig dus) gebruik om een reservekopie te maken van mijn pc.

Dirk was dichterbij gekomen. Ik legde hem uit hoe ik zo’n reservekopie maakte. Zo wees ik hem waar je moet zijn bij Systeemvoorkeuren en op het teken van Time Machine in de menubalk. Hij leek geïnteresseerd. Hij schoof zelfs de muiscursor even aan de kant om het icoontje met het klokje beter te kunnen zien.

‘Menig managementteam klaagt over de nutteloosheid van hun wekelijkse overleggen.

Nadat ik een minuut of wat uitleg had gegeven, zei hij: ‘Ja, ik heb zelf zo’n groot ding,’ hij onderbrak zichzelf om met zijn handen een wijde, draaiende beweging te maken. Uit zijn mond kwam een zoemend geluid. ‘En daarmee sla ik eens in de zoveel tijd alles op.’ ‘O, je weet dus waar ik het over heb?’ vroeg ik hem. ‘Ja. Ik wist alleen niet dat ze die dingen met één terabyte,’ hij wees op mijn externe harde schijf, ‘al zo klein maakten.’ ‘Dus al die uitleg van mij over het maken van reservekopieën was eigenlijk voor niks?’ zei ik lachend. ‘Inderdaad.’ ‘Waarom zei je dan niks?’ ‘Ik dacht: ik haal er wel uit wat nuttig is.’ Met een glimlach liep Dirk mijn kamer uit.

Ik verveel mensen regelmatig met een wedervraag als: ‘Hoe bedoel je?’ ‘Wat wil je precies weten?’ of ‘Waarom vraag je dat?’ Deze keer deed ik het een keer niet. Daar kreeg ik meteen spijt van.

Dit gesprek kostte een minuutje, maar hoe vaak zitten mensen niet een hele vergadering naar elkaar te luisteren, al meehummend en geïnteresseerd knikkend, terwijl dat wat ze horen helemaal niet interessant voor ze is, laat staan relevant? Ik ken menig managementteam waarvan de leden klagen over de nutteloosheid van hun wekelijkse overleggen of over de vaak vreemde ideeën die hun baas dan oppert. Maar zeggen ze dat ooit tíjdens zo’n overleg? Zegt iemand dan: ‘Eh, sorry, maar wat ik éígenlijk wil weten is…’? Nope.

‘Ik denk dat de belangrijkste reden luiheid is, aangeboren luiheid.

Waarom niet? Omdat we hebben geleerd dat iemand onderbreken in iets wat-ie graag vertelt onbeleefd is? Of zijn we bang dat we een onprettige discussie krijgen omdat de ander zijn punt niet kan maken? Behouden we eigenlijk liever de harmonie?

Maar hoe beleefd is het om interesse te veinzen? Hoeveel respect toon je iemand als je je echte gevoel over wat hij of zij zegt niet uit?

Ik denk dat de belangrijkste reden niks te maken heeft met beleefdheid of angst. Ik denk dat de belangrijkste reden luiheid is, aangeboren luiheid.

Geen enkel dier verspilt graag energie. En dat is logisch. Als je wilt overleven, kun je beter zo min mogelijk brandstof verbruiken. Want die zou je wel eens nodig kunnen hebben om te vluchten of te vechten of in tijden dat je geen voedsel kunt vinden.

Iemand onderbreken en leiden naar je eigenlijke interesse of vraag kost energie. Waarom je energie verspillen aan het gedoe dat ontstaat van zeggen wat je echt vindt? Je kunt tijdens een vergadering beter je e-mail checken of in gedachten verzonken zijn. Scheelt je later weer tijd.

‘Allemaal excuses om een minder geciviliseerd deel van onze dierlijke aard te maskeren.

En Dirk had vanuit evolutionair oogpunt ook gelijk: waarom zou hij de moeite nemen om mij vragen te stellen als hij erop kon vertrouwen dat ik toch wel ergens in mijn verhaal van een minuutje de info zou geven die hij zocht? Hij haalde er wel uit wat nuttig was.

Een fijne bijkomstigheid van dit alles is dat we beleefd overkomen en ogenschijnlijk de harmonie bewaren. Maar dat zijn slechts excuses om een minder geciviliseerd deel van onze dierlijke aard te maskeren. We zijn liever lui dan moe.

Dat is allemaal prima. We zijn nou eenmaal allemaal slechts mensen. Maar als je jezelf meer moeite wilt besparen in de toekomst, doe dan een kleine investering in het heden. Denk even na over je vraag voordat je er eentje stelt die nét niet is wat je bedoelde, want mensen gaan met je foute vraag aan de haal (een wedervraag stellen kost die ander immers ook weer energie). Wees eerlijk tegen je partner over dat bezoekje aan je schoonouders. Voor je het weet, zie je ze elke week.

En stop – in naam van alle lieve dingen – met nutteloze vergaderingen. Heb de moed om je collega’s te vertellen dat je er niks aan hebt. Dat scheelt iedereen, naast een hoop tijd, veel frustratie en stress. En dát zijn pas de echte energievreters.

Epiloog
Grappig: ik zocht na het schrijven van deze post voor een training de Covey-matrix – je weet wel, urgentie vs. belang. ‘Meetings’ stond op verschillende resultaten van Google Images in kwadrant 3 (urgent-niet belangrijk). In een andere versie stond bij dat kwadrant: ‘Avoid. Illusion + deception. Minimize investment.’ Kortom, we weten het dus allang maar zijn echt te lui om er iets mee te doen.


Want more? Check m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.


 

Denk als Schrödinger en ruim die poep op

Loulou wilde even zitten. Naar het water kijken, was het idee. ‘Maar daar ligt poep, Lou,’ zei ik. ‘We worden vies als we daar gaan zitten.’ Mijn dochter keek naar de hard geworden hondendrollen en zei: ‘Dan gaan we hier zitten,’ en ze wees naar een plekje een paar meter ernaast. ‘Dan worden we niet vies.’

Daar kon ik niet tegenop. Dus ik zette de buggy op de rem, ging in het gras naast de vijver een paar meter van de uitwerpselen zitten en zei hond Cisco dat-ie naast me moest komen liggen. Loulou was inmiddels aan m’n andere kant gaan zitten, verkreukelde bloemetjes in de hand. Samen keken we naar de fontein in het midden van de vijver en bespraken we de mogelijkheden om erop te gaan staan.

Toen het tijd was geworden om verder te gaan, keek Loulou weer naar de hondenpoep. ‘Die moeten we opruimen,’ verkondigde ze.  ‘Eh… ja, dat is wel zo netjes,’ reageerde ik.

‘Blijkbaar had mijn interne etischegeschillencommissie deze vraag nog nooit behandeld.

Met een kleine tegenzin trok ik de inmiddels aan het gras gekoekte drollen met een poepzakje van het gras. Maar al snel voelde ik naast de weerstand ook een scheutje trots. Ik was te spreken over mijn goede daad en vooral over de goede mores van mijn drie jaar oude dochter. Fier rechtop lopend vervolgde ik onze weg.

Een halve vijver verder lag er weer niet-opgeruimde ontlasting in het gras. Ik, die voorop liep, liet het links liggen. Mijn kleine meid wees mij echter snel op de slordigheid: ‘Iemand heeft weer hondenpoep niet opgeruimd.’ ‘Da’s ook niet netjes,’ antwoordde ik. ‘Die moeten wij ook opruimen.’ ‘Eh… ja, ook dat is wel zo netjes,’ was het enige wat ik weer uit kon brengen.

Ik pakte een poepzakje uit de dichtstbijzijnde Belloo-vuilnisbak en raapte de andermanshondendrollen weer op. Onder toeziend oog van Loulou.

Beide keren dat Loulou me op onze opruimplicht wees, merkte ik een twijfel. Waarom zou ik de poep van een andere hond dan de mijne opruimen? En waarom zou ik de poep van een andere hond dan de mijne níét opruimen? Blijkbaar had mijn interne etischegeschillencommissie deze vraag nog nooit behandeld.

‘Er is geen goede reden om andermanshondenpoep niet op te ruimen.

Inmiddels dus wel. En de commissie is eruit: er is geen goede reden om andermanshondenpoep niet op te ruimen. Loulou had gelijk. Met haar drie jaar was ze verder dan ik. Of, beter gezegd, met haar drie jaar heeft ze nog niet geleerd waar ik in mijn bijna veertig jaar mee doordrenkt ben: het begrip individuele verantwoordelijkheid. En dat zat een helder begrip van de situatie dwars.

Van jongs af aan worden wij in onze samenleving erop gewezen dat je verantwoordelijk bent voor je eigen handelen. Als jíj iets stoms doet, is het jouw schuld. Als jíj iets geweldigs doet, is het jouw verdienste. En dus zijn het jouw blaren respectievelijk jouw lauweren waar je op mag zitten. Daar zit weinig grijs tussen. De optie dat we iets doen omdat de situatie ernaar is gaat wel door ons hoofd maar is altijd ondergeschikt aan de als-je-vriendje-van-het-dak-springt-doe-jij-dat-dan-ook-regel. Het idee dat we altijd een keus hebben zit diep in onze cultuur gebakken.

Dus als iemand de kak van zijn hond niet opruimt, is daar eigenlijk geen excuus voor. Bovendien: het is de kak van zíjn hond, dus het opruimen ervan is zíjn verantwoordelijkheid. Wij zijn gekke henkie niet.

‘Zonder dat Loulou ooit van Schrödingers kat, laat staan zijn poep, had gehoord, had ze het al feilloos door.

Maar wat nou als de hondeneigenaar in kwestie helemaal niet door had gehad dat zijn hond had gepoept? Wat als hij niet wist dat het opgeruimd moest worden? Wat als het ging om een rolstoeler die niemand in de buurt had gevonden om hem te helpen met het verwijderen van de drollen? En zo zijn er nog veel meer redenen te bedenken waarom de poep was blijven liggen.

Het punt is dat we niet weten wat de reden was. En dat maakt het Schrödingers poep: zolang we niet getuige waren van de situatie waarin de poep niet werd opgeruimd, kan de reden voor het niet-opruimen zowel ethisch juist als ethisch onjuist zijn. Daarmee werd de reden irrelevant, want niet achterhaalbaar. Wij werden enkel geconfronteerd met de uitkomst ervan en hadden enkel daarmee te dealen.

Zonder dat Loulou ooit van Schrödingers kat, laat staan zijn poep, had gehoord, had ze al feilloos door dat we enkel met de uitkomst te dealen hadden. Er lag poep bij de vijver. En dat was niet oké. Wij waren in een positie om het op te ruimen. Dus moesten we dat doen. Poep bij de vijver ruim je op.

Later, onderweg naar huis, kwamen we tot twee keer toe containers tegen die bij het legen waren omgevallen. ‘Die moeten we overeind zetten,’ was Loulou’s simpele wijsheid in beide gevallen. Zonder al te veel nadenken en met de energie van een kind zette ik de kliko’s weer rechtop, met het vaste voornemen het goede te blijven doen, ook zonder Loulou in de buurt.


Na Schrödingers poep ook benieuwd naar de Vriendelijke Vijf en de Wet van De Maat? Check m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn!


 

Sociaaleconomische welvaart zorgt niet per se voor sociaal welzijn

Drie kinderen springen wat ongemakkelijk op een trampoline. Twee andere kinderen staan ernaast en roepen naar hun vader en moeder dat zij oooook willen. Drie mensen steken tegelijkertijd op verschillende plekken op het terras weifelend hun hand omhoog om contact te krijgen met de serveerster – tevergeefs. Een jongetje wordt door z’n moeder terechtgewezen omdat hij in de stellage van de schommel was geklommen. De serveerster rekent snel af met één stel terwijl ze tegen het andere zegt dat ze er meteen aankomt. Een meisje huilt omdat ze zand in haar ogen heeft gekregen. Een ander meisje roept dat ze nóg hoger wil met de schommel. Dezelfde serveerster – er is er maar één – rent naar binnen met een verhit hoofd en haar handen vol lege glazen om de volgende bestelling door te geven en een andere op te halen. Twee kinderen rennen tussen de stoelen door achter elkaar aan. Een jongetje huilt omdat hij geen ijsje krijgt. Twee stellen lopen tegelijkertijd op dezelfde twee vrijkomende plekken af en proberen awkward en met zo min mogelijk woorden te bepalen wie op de plekken mag gaan zitten. Een hond hijgt zenuwachtig. Een andere trekt blaffend aan de lijn van zijn baas.

‘Het voelt misschien als ongewoon hectisch en ongemakkelijk maar dat is het niet.

Lunchtijd op een terras van een hut in de Oostenrijkse bergen in de zomer. Een alledaags tafereel. Als je het zo achter elkaar zet, voelt het misschien als een ongewoon hectisch en ongemakkelijk gebeuren. Maar dat is het niet. Het is gewoon voor dit terras rond lunchtijd in de zomer in deze Oostenrijkse bergen. En ook niet veel anders dan een terras rond lunchtijd aan een Spaanse costa, een kinderspeelparadijs in het weekend of een strand in Nederland tijdens een warme dag.

Het boeiende is dat, ondanks de hectiek van al die tientallen mensen die bovenop elkaar zitten en elkaar nog nooit eerder hebben gezien, er niks fout gaat. Dat líjkt gewoon maar ís bijzonder, al realiseren we ons dat niet vaak.

Een bekende gedragsbioloog schreef mij ooit via de mail: ‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving, zelfs al zijn we niet zo aardig als u graag zou zien. Er zijn talloze dieren die alleen maar vijandig tegen vreemden kunnen zijn. Dus [ik zou] benadrukken hoe goed we het doen gezien de omstandigheden, in plaats van hoe slecht.’

‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving.

De mens is een groepsdier, geëvolueerd om van zijn eigen, bekende mensen te houden en andere, onbekende mensen (in het beste geval) te wantrouwen. Als je dit beseft, kun je zelfs genieten van die door en om elkaar heen hannesende mensen. Het lukt ons toch maar om te genieten van een hapje en een drankje terwijl we direct en indirect met allerlei vreemden moeten dealen. Goed, het geeft ons – al dan niet ongemerkt – stress. (Uit onderzoek van diezelfde gedragsbioloog blijkt dat met anderen in een beperkte ruimte zitten leidt tot een verhoogd niveau van het stresshormoon cortisol.) Maar we doen het. Zonder bang in een hoekje weg te kruipen of elkaar de hersens in te slaan.

De vraag die dan opkomt is: gaan we naar zo’n plek ondanks of dankzij al die onbekenden? Zoeken we zo’n terras op omdat daar het voedsel, het drinken en de speeltuin zijn? Of zijn die versnaperingen een excuus om ergens te zijn waar anderen zijn?

Veel mensen zouden desgevraagd hebben gezegd dat ze ook voor ontspanning naar het terras waren gekomen. Ik wás daar op dat terras van die hut in de Oostenrijkse bergen. Mijn vriendin en ik hadden stevig gewandeld, ik met dochter in een rugzak op m’n rug. We waren toe aan eten en rust. En daarom kozen we deze plek.

‘Als je het puur biologisch bekijkt, slaat zo’n verklaring nergens op.

Maar we waren net neergeploft op een ligstoel toen onze dochter al naar de trampoline rende (zij wilde oooook). En ik was een van die drie mensen die zijn hand omhoog stak omdat-ie tevergeefs contact zocht met de serveerster. Kwamen we hier inderdaad voor onze rust, net als al die andere tientallen mensen?

Als je het puur biologisch bekijkt, slaat zo’n verklaring nergens op: het dier de mens is graag bij zijn eigen mensen en ontwijkt onbekenden. Eten en drinken konden we prima zelf regelen. Ontspannen hadden we ook ergens in een verlaten bergweide kunnen doen. En een zandbak, trampoline en schommel stonden ook bij ons vakantiehuis.

Dit is dan ook niet biologisch maar cultureel te verklaren. Het is een teken van welvaart als je op een terrasje met mooi uitzicht lekker kunt eten en drinken. Vroeger hoorde het bij bergwandelen als je je eigen bammetjes meenam met een homp kaas. Die kon je dan op een rotspunt weghappen. Net als dat ik vroeger op het strand van m’n ouders lauwe frisdrank en slappe voorgesmeerde boterhammen uit de koelbox kreeg.

‘Met de almaar groeiende middenklasse is de terrassenwelvaart tegenwoordig voor bijna iedereen bereikbaar.

Met de almaar groeiende middenklasse is de terrassenwelvaart tegenwoordig voor bijna iedereen bereikbaar en ben je dus een nerd of stumper als je voor je eigen natje en droogje zorgt. Nu hoor je er alleen nog bij als je die bij een berghut of strandtent haalt. En als je je kinderen dan even ‘lekker’ daar laat spelen.

We doen onszelf geweld aan (lees: geven onszelf onnodig hoge cortisolshots) door te doen wat we nou eenmaal doen. En niet alleen op terrassen, in speelparadijzen en op stranden. Denk maar aan de IKEA op Tweede Paasdag – tussen onbekenden je nieuwe bed uitproberen, je kind ophalen bij de ballenbak en in lange rijen staan bij de kassa. Aan winkelen op zaterdag – in de winkelstraat in de weg gelopen worden door vreemde mensen. Of aan tussen negen en vijf werken – in de file of de trein staan tussen allemaal mensen die je niet kent.

Laten we dus maar benadrukken hoe goed we het doen gezien de omstandigheden die we voor onszelf creëren.


Meer verklaringen voor hectische en ongemakkelijke situaties? Check m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn!

Erken je vijanden. Dat zal ze leren!

Mensen hebben snel allerlei oordelen over onbekenden. Zeker als die anderen hen in de weg zitten, zijn die oordelen niet mals. Dat leidt tot allerlei onnodige vijandigheden. Maar je kunt daar iets aan doen. Als je mensen van wie je een negatief oordeel verwacht simpelweg laat zien dat je ze ziet staan, verdwijnt vijandigheid als sneeuw voor de zon.

‘Hallo!’ zei ik met het vriendelijkste gezicht dat ik tijdens het hardlopen kon trekken. De jongen en het meisje van het stel dat me tegemoet fietste hielden hun gezicht in de plooi. Geen boe of bah, laat staan hallo. Wel gingen ze nét ver genoeg aan de kant zodat we elkaar konden passeren op het smalle fietspad in het bos.

Zoiets was me een paar dagen eerder ook al overkomen. Een man had zijn auto met aanhanger half op de stoep gezet om een lading daklood in te kunnen laden die in een voortuin lag. Omdat er hierdoor nog maar een kleine doorgang was tussen de aanhangwagen en het tuinhek konden mijn dochter Loulou en ik niet over de stoep met de buggy. We gingen over de straat eromheen.

Toen we aan de andere kant weer de stoep op reden, vroeg Loulou: ‘Waarom doet die meneer dat?’ ‘Omdat hij anders zo ver moet lopen met die zware spullen,’ zei ik. De man had net weer een armvol lood in zijn wagen gegooid en had blijkbaar gehoord dat wij het over hem hadden gehad, want hij vroeg: ‘Wat zeg je?’ Terwijl hij dit zei liep hij op ons af op een manier die zei dat hij uit was op een confrontatie. Hij leek eigenlijk te zeggen: ‘Had je wat te zeiken?!’

‘Hij leek eigenlijk te zeggen: “Had je wat te zeiken?!”

Met een glimlach zei ik: ‘M’n dochter wilde weten waarom u uw auto op de stoep had gezet en ik legde uit dat u anders zo ver moet lopen met dat zware spul.’ ‘O…’ zei hij, ‘ja, dat is verdomd zwaar, dat lood…’ Hij scheen te ontspannen, in eerste instantie tegen zijn zin, alsof hij teleurgesteld was dat ik níét iets over hem te zeiken had. Daarna begon hij een enthousiast verhaal over daklood. Uiteindelijk moest ik ons verontschuldigen met het feit dat Loulou toe was aan haar avondeten. Anders hadden we er een halfuur gestaan.

Wat is de overeenkomst tussen deze twee voorvallen, vraag je je af? Nou, in beide gevallen leken vreemden geen zin te hebben in een vriendelijke ontmoeting. In het eerste geval konden de fietsers er nog onderuit, gewoon door door te fietsen. Maar in het tweede geval moest de man wel toegeven dat hij geen reden had gehad om vijandig te zijn. Ik had hem immers gelijk gegeven, al voordat hij mij vroeg wat ik tegen mijn dochter zei.

We doen vaak aannames over de mensen die we tegenkomen in het openbare leven en vaak zijn die negatief. Welke hufter heeft zijn auto zo asociaal geparkeerd? Waarom dringt die eikel voor? Waarom loopt die sukkel mij in de weg? Maar wat nou als we het mis hebben? Wat nou als de meeste mensen de meeste dingen doen met de beste intenties?

‘We praten ons eigen handelen recht door te wijzen op onze intenties en veroordelen een ander op basis van zijn handelen.

Uit allerlei onderzoek blijkt dat we last hebben van actor-observer asymmetry. Die houdt in dat degene die iets doet een heel andere lezing heeft van dat wat hij doet dan degene die hem observeert. Een vorm daarvan is dat we ons eigen handelen recht praten door te wijzen op onze intenties (‘Maar ik bedoelde het toch goed!?’) en een ander veroordelen op basis van zijn handelen (‘Als je zoiets doet, dan móét je wel een hufter zijn!’). De oordelen die we over anderen hebben zijn bovendien ook nog eens vaak minder mooi dan die over onszelf.

De fietsers en de oudijzerboer hadden vast ook last van deze actor-observatorasymmetrie. Zij zagen iemand iets doen wat in hun ogen irritant en misschien zelfs tégen hen gericht was. Vervelend om dan te merken dat die ander geen kwaad in de zin had. Dat betekent immers dat ze ongelijk hadden gehad in hun inschatting van de ander. En daar houden mensen niet van. Want achter die asymmetrie zit een diepgewortelde neiging om het eigen zelfbeeld zo positief mogelijk te houden. Ongelijk hebben is een irritante verstoring daarvan.

Plus, over onbekenden die ons links laten liggen is het gemakkelijk oordelen. Maar als zo iemand ons erkent, ontstaat er kortsluiting in ons hoofd. Iemand die ons ziet staan móét wel oog hebben voor kwaliteit, denken we. Dan móét ons eerste negatieve oordeel wel onjuist zijn. Maar hoe kan dat? Wij zitten er toch nooit naast met onze mensenkennis? Bovendien gaan we voor we het weten in op die ander. En, tja, als wij iemand erkennen, dan móét die persoon ook wel oké zijn.

‘Dring je niet-bedreigend aan vijandige mensen op.

Ik mag hier graag mee spelen. Zo geef ik in workshops graag vriendelijk doch expliciet de aandacht aan iemand die iets mompelt wat niet constructief lijkt; zeker als ik geen bekende ben voor de aanwezigen. Het helpt dan extra als ik de naam van de mompelaar er duidelijk bij zeg.

‘Wat zeg je, Gerard?’ Glimlach. ‘Sorry, ik kon niet goed verstaan wat je zei,’ waarop Gerard opeens geconfronteerd is met iemand die aandacht vraagt voor datgene waarvan hij dacht dat niemand het wilde horen op een manier die niet afkoerst op de botsing die hij verwachtte, waarop hij misschien stiekem hoopte. En hij is mij blijkbaar opgevallen, want ik hoorde hem én ik heb onthouden hou hij heet. En dat is voor mensen met een oordeel over een onbekende rete-irritant.

Zoek dus actief, expliciet en vriendelijk de mensen op van wie je een negatief oordeel verwacht. Dring je niet-bedreigend aan ze op. Maak een praatje. Zeg hun naam. Zeg hallo. Dan moeten ze wel toegeven dat je oké bent, ook al zullen ze dat nooit toegeven.


Wil je meer tips over hoe je medemens werkt? Lees Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.