Met iemand begaan zijn is niet professioneel

Drie verhalen. Eén rode draad: de betrokken professionals hebben geleerd niet te betrokken te zijn. Zou het dan een patroon zijn? En, zo ja, hoe doorbreken we dat dan?

‘Saar’, een goede bekende, zit in de bijstand. Al bijna een jaar werkt ze gratis en voor niks mee aan het opbouwen van een stichting die een doel nastreeft waar ze in gelooft. De gemeenteambtenaar die haar begeleidt heeft dat toegestaan. (Toegestaan? vraag je je nu misschien af. Mag dat dan niet? Neen. In ons land mag je geen vrijwilligerswerk doen als je in de bijstand zit.) Dat deed ze omdat Saar uitzicht had op betaald werk voor de stichting. Zo gauw zij opgericht is en cashflow heeft, kan de stichting mensen betalen. En Saar gaat waarschijnlijk een van die mensen zijn. Daarmee is haar vrijwilligerswerk een soort lange sollicitatie met goede vooruitzichten.

Maar vorige week hield het op. De ambtenaar liet weten dat Saar niet meer voor niks mocht werken voor de stichting. De werkcoach was op haar vingers getikt door haar manager. Die kon niet toestaan dat ze nog langer toestond dat een bijstandstrekker vrijwilligerswerk deed.

‘Zeven jaar later waart nog altijd het spook van de Crisis van 2010 rond.’

In de zomer van 2010 werd de hbo-opleiding Media Entertainment Management (MEM) in Haarlem berucht in Nederland. Stuwmeren aan studenten werden via de zogenaamde Theo-route geleid. Volgens out- én insiders was dit traject een oneigenlijke, te gemakkelijke weg naar een MEM-diploma. Zo waren er tentamenbriefjes ondertekend met een datum van voor de tentamendatum en hadden studenten zeven vakken op een dag gehaald. Een grote interne schoonmaak was het gevolg.

Zeven jaar later waart nog altijd het spook van de Crisis van 2010 rond. Op feestjes weet iedereen er wel iets over te vertellen, of ze nou iemand of niemand kennen van de MEM. En binnen veel hogescholen is men sindsdien bang voor niveauverlaging: niemand wil door de Inspectie – en helemaal niet door de pers – op de vingers getikt worden omdat hun diploma’s niks waard zijn.

‘Als ze horen van de bloedwaarden zegt iedereen die er een beetje verstand van heeft: “Wat moet jíj je beroerd voelen.”’

Het ijzergehalte in het bloed van mijn vriendin is extreem laag en haar Hb-waarde is gezakt naar een gevaarlijk punt. Dat leidt ertoe dat ze onder andere duizelig en erg vermoeid is en last heeft van hartkloppingen, oorsuizen en black-outs. Haar huisarts heeft haar daarom doorverwezen naar twee specialisten. Die kunnen haar verder onderzoeken en – en dat is het meeste urgente nu – haar een ijzerinfuus of een bloedtransfusie geven.

Als ze horen van de bloedwaarden zegt iedereen die er een beetje verstand van heeft, inclusief huisarts en specialisten, tegen mijn vriendin: ‘Wat moet jíj je beroerd voelen.’ Bij beide ziekenhuizen waar die specialisten zijn gevestigd kan ze echter pas over zes weken terecht. Om een basisarts te spreken, geen specialist met een afgeronde opleiding. De kans dat mijn vriendin binnen een week een infuus of transfusie krijgt daalt daarmee richting de nul. Dat gaat eerder anderhalve maand duren. En dat terwijl ze zich al weken door elke dag heen sleept.

Met iemand begaan zijn wordt afgestraft in onze maatschappij. Of je nu docent, werkcoach of arts bent. En of het nu terecht is of niet. De boodschap die betrokken professionals te horen krijgen is telkens dezelfde: help niet te veel, laat je niet meeslepen met individuele gevallen, bewaar je professionaliteit, houd afstand. En de straf voor overtreding is zwaar. Dat heeft de MEM laten zien en er zijn genoeg andere gevallen; van de zorg, waar huisartsen vervolgd worden omdat ze wanhopige patiënten helpen bij zelfdoding, tot de financiële sector, waar bankmedewerkers ontslagen worden omdat ze radeloze klanten betaaltermijnen van persoonlijke leningen laten overschrijden.

‘Je hoeft je alleen maar voor te stellen dat het je eigen kind, broer, zus, vader, moeder, opa, oma, man, vrouw, vriend of vriendin is.’

Dit systeem heeft bij scholen een onterechte angst voor een te lage lat ingeboezemd. Daardoor studeren studenten nu om onbenullige formaliteiten juist niet af. Het heeft bij gemeentes een rigiditeit opgeleverd waardoor mensen die juist goede dingen doen voor onze maatschappij uit de bijstand worden gegooid. En het heeft bij artsen een afstand tot hun patiënt veroorzaakt die ertoe leidt dat ze soms niet ver genoeg voor hun patiënten gaan die onnodig lijden.

Het is zaak dat er ruimte komt voor medeleven. Dat klinkt misschien soft en vaag, maar ik kan het praktisch maken: je hoeft je alleen maar voor te stellen dat het je eigen kind, broer, zus, vader, moeder, opa, oma, man, vrouw, vriend of vriendin is. Ik heb meerdere medici in mijn familie en vriendenkring en allemaal zijn ze meteen bereid te helpen bij de situatie met mijn vriendin. Nu het niet lukt via de huisarts, gaan we dat netwerk maar inschakelen. (Noem het onze eigen Theo-route.)

‘Met iemand begaan zijn wordt afgestraft als je een professional bent.’

Het simpele feit dat mijn vriendin een familielid of vriendin is maakt dat mensen in actie komen die in hun verdere professionele leven de afstand bewaren. De nabijheid zorgt voor de wil om meer te doen. Het is gemakkelijker om mee te voelen met iemand die we kennen. En we vertrouwen die persoon meer dan een onbekende. We zullen hem of haar eerder op zijn of haar woord geloven. (‘Hou je het niet langer vol? Dan ga ik nú hulp voor je regelen!’ vs. ‘U zegt dat u het niet langer volhoudt? Dat wil ik eerst zelf vaststellen.’)

Natuurlijk kan niet elke professional voor iedereen continu vol in actie komen. Maar een beetje meer empathie en vertrouwen zouden voor veel betere afwegingen zorgen. Als je dus een klant of patiënt met een hulpvraag voor je neus krijgt (of als je de manager, opleider, inspecteur, verslaggever of collega van iemand bent die ‘te begaan’ is met zijn of haar klanten of patiënten), stel jezelf dan eerst de checkvraag: wat zou ik doen als dit een familielid of vriend was? Kost je tien seconden. Levert heel veel op.


Wil je meer weten over hoe onze moderne samenleving op de verkeerde knoppen van onze sociale inborst drukt? Lees m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.

Laat je twijfel je trots inhalen

Er is een verschil tussen twijfel en onzekerheid. Iemand die onzeker is, weet niet of hij het kan. Vaak omdat hij te weinig ervaring heeft. Iemand die twijfelt, voelt dat er iets niet klopt. Vaak omdat hij genoeg ervaring heeft. Helaas halen we de twee vaak door elkaar. En dat kan ervoor zorgen dat we onnodig fouten blijven maken.

Ik was de dagvoorzitter van een seminar dat ik zelf had georganiseerd. Ik vond dat ik een inspirerende opening moest doen; eentje die de toon zette, die grappig en scherp was en die, als het even kon, ontroerde. Kortom, ik wilde indruk maken.

Toevallig was ik net De TED-methode aan het lezen van Chris Anderson, dé man achter het ideeën-imperium TED. De bottom-line van het boek is: (1) vertel jóúw verhaal en (2) bereid je megagoed voor. Die bottom-line raakte een zenuw. De vorige keren dat ik het seminar opende was ik niet zo tevreden over mezelf geweest. Ik bedacht me dat dat wel eens kon liggen aan het feit dat ik niet míjn verhaal had verteld maar een verhaal dat bestond uit verhalen van andere mensen of uit wat ik dacht dat anderen wilden horen. En de voorbereiding was oké maar ik was misschien toch te snel tevreden geweest.

‘Dagen , weken, maanden maalde het door mijn hoofd.’

Ik ging aan het werk. Dit jaar moest de opening immers echt de toon zetten en grappig, scherp en ontroerend zijn. Wat was míjn verhaal? Ik mijmerde en soulsearchte me een slag in de rondte. Meerdere onderwerpen kregen een kans en werden uiteindelijk afgeserveerd. Meerdere versies van het verhaal over verschillende onderwerpen stak ik af voor mijn proefpubliek (mijn vriendin) maar de meeste haalden de eindronde niet. Dagen (en nachten), weken, maanden maalde het door mijn hoofd. Onder het douchen, bij het ontbijt, al rijdend naar en van afspraken, voor het slapengaan… als een vlam in een cv-ketel, groot en dan weer klein, maar nooit helemaal uit.

Uiteindelijk had ik twee onderwerpen die goed overkwamen op mijn proefpubliek. Een van de twee zorgde zelfs voor tranen bij mijn testtoehoorder. (Yes!) Zelf was ik er ook niet ontevreden over. Maar daar was meteen de catch: ik was er niet ontevreden over maar ik stond ook niet te juichen. (Ondanks de tranen bij mijn focusgroep-van-één.)

De maandag voor de donderdag van het seminar stond ik met het boek van Chris Anderson in m’n hand en voelde me betrapt. Ging ik nou wel echt míjn verhaal vertellen? Of had ik me er weer in laten tuinen? Omdat ik indruk wilde maken, had ik weer een verhaal bedácht, met m’n hoofd. Het kwam niet uit m’n buik, of m’n tenen. Ik begon te twijfelen: doorgaan op de al ingeslagen weg of helemaal opnieuw beginnen en al het bloed, het zweet en (andermans) tranen voor niks laten zijn?

‘Ik voelde me betrapt. Ging ik nou wel écht míjn verhaal vertellen?’

Ik moest denken aan wat een coach ooit over mij had gezegd: ‘Als jij binnenkomt, denk je: wow, daar komt iemand binnen! Maar dan begin je te praten…’ Ze refereerde weliswaar aan de gesprekken met haar over mezelf, waarin ik mezelf wat ongemakkelijk blootgaf. Maar ik herkende het patroon in deze seminarsituatie, en in radio-interviews die ik had gegeven, en in spontane speeches geven op feesten en partijen…

Maar dat is lang niet altijd zo.

Een seminar met mensen die ik geweldig vind: organiseer ik alsof het vanzelfsprekend is. Liedjes: leer ik zo uit m’n hoofd. Een mooi concept: ik vertel er graag over. Andermans verhaal of team: ik zie de potentie en maak er iets beters van. Een groep schreeuwende of vragende mensen: ik ga met ze aan de slag. Discussiëren: kan ik. Maar geef mij (het vooruitzicht op) een leeg podium, geen agenda en een zooi starende mensen, en mijn hersenen gaan in survival mode. Ik bén er niet echt meer. Ik leun op techniekjes, ideeën van een ander en koketterie.

Ik realiseerde me dat ik de energie van anderen nodig heb om het beste uit mezelf te halen. De schijnwerper moet op een ander staan voordat ik kan stralen. Maar dat is niet hoe we hebben geleerd dat het hoort te zijn. We hebben geleerd dat je een goed verhaal klaar moet hebben, een leider moet zijn, impact moet hebben, het alleen moet kunnen redden. Mijn natuurlijke modus past niet in dat plaatje.

‘Geen geleun meer op techniekjes, ideeën van een ander en koketterie.’

Deze keer was ik me echter bewust van mijn ‘gebrek’ en hoe ik daarmee omging. Ik voelde continu twijfel omdat ik iets wilde gaan doen wat niet bij me past. Dat wilde ik niet meer. Geen geleun meer op techniekjes, ideeën van een ander en koketterie.

Het was voor mij ineens oké dat ik andermans liedjes zing, chaotische en vastgeroeste verhalen van een ander stroomlijn en vlot trek, groepen en organisaties waar ik niet bij hoor verbeter, andere mensen bij elkaar breng. Het was prima dat ik de schijnwerper liever op een ander zet.

Snel zette ik wat steekwoorden over dit inzicht op papier. En die donderdag vertelde ik erover in mijn openingsspeech. Je moet het de aanwezigen vragen, maar volgens mij zette ik de toon, was ik grappig en scherp en heb ik, al was het maar één persoon een heel klein beetje, ontroerd.

‘Mijn intuïtie probeerde me iets te vertellen: hier ben je eerder geweest, weet je nog? Dit bén jij niet.’

Het gezegde dat ik altijd vreselijk heb gevonden is waar: bij twijfel niet inhalen. Er is namelijk een verschil tussen twijfel en onzekerheid. Ik was niet onzeker. Ik heb inmiddels vaak zat op een podium een verhaal afgestoken om te weten of ik het kan of niet. Nee, ik twijfelde. Mijn intuïtie probeerde me iets te vertellen: hier ben je eerder geweest, weet je nog? Dit bén jij niet.

Iemand die onzeker is, weet niet of hij het kan. Vaak omdat hij te weinig ervaring heeft. Iemand die twijfelt, voelt dat er iets niet klopt. Vaak omdat hij genoeg ervaring heeft. Intuïtie noemen ze dat. Dat ís niet meer dan gestolde ervaring.

Dus als je iets nog nooit of te weinig hebt gedaan, wees dan lekker onzeker. En doe het toch. Maar als je op het punt staat voor de zoveelste keer iets te doen en het voelt nog steeds niet goed, doe het dan niet. Laat je twijfel je trots inhalen.

Anders ben je, om Einstein te parafraseren, de waanzin nabij: je blijft hetzelfde doen en verwacht toch een ander resultaat.

Waarom de FNV niet blij is als Jumbo-medewerkers een goede deal krijgen

Als we geconfronteerd worden met iets dat in strijd is met ons zelfbeeld, passen we niet ons zelfbeeld aan. In plaats daarvan passen we ons beeld aan van dat wat of degene die ons zelfbeeld dreigt aan te tasten. De FNV heeft dat ook weer bewezen.

Debbie van Leiden, eerste onderhandelaar Jumbo distributiecentra bij de FNV, wil weer actie gaan voeren. Dat vertelde ze gisteren op de radio. Omdat ze met het bestuur van de Jumbo om tafel wil. Ondanks dat ze zelf vindt dat in het voorstel van het bestuur voor nieuwe arbeidsvoorwaarden veel staat van wat de vakbond al de hele tijd wil. En ondanks het feit dat de Jumbo haar en haar vakbond buitenspel had gezet.

De supermarktketen heeft namelijk bekendgemaakt dat ze uit de cao stapt. Daarmee is het geen vakbondsding meer. Jumbo gaat in plaats daarvan met de eigen ondernemingsraad om tafel om een nieuw arbeidsvoorwaardenpakket samen te stellen. De nieuwe voorstellen zal zij ook voorleggen aan groepen vertegenwoordigers van werknemers om ze te toetsen.

‘Het werd duidelijk dat de FNV is uitgespeeld en tóch gaat de FNV haar leden weer tot actie aanzetten.’

Uiteraard confronteerde de radiopresentator van dienst haar met deze feiten. De reacties hierop van mevrouw Van Leiden begonnen telkens met een langgerekt ‘ehm’. En áls ze inhoudelijke antwoorden wist te formuleren, klonk het gezocht. Kortom, het werd duidelijk dat de FNV is uitgespeeld. En tóch eindigde de FNV-ster met de dreigende boodschap dat ze haar leden weer tot actie zou aanzetten.

Wat wilde Debbie nog bereiken? De werknemers krijgen een stem in de totstandkoming van het nieuwe arbeidsvoorwaardenpakket. Dus taak één van de vakbond, de stem van de werknemer vertegenwoordigen, is afgedekt. En ze krijgen aangeboden wat ook de FNV goed voor hen vindt. Daarmee is taak twee ook ingevuld, onderhandelen ten behoeve van de werknemer. En toch wilde de eerste onderhandelaar weer de barricades op. Om aan tafel te komen…

Vorig jaar viel me een soortgelijk geval op in het nieuws. Zo langzamerhand wordt het wel wat koddig, vind ik, het gewurm van belangenbehartigers om gehoord te worden. Zoals we weten, een kat in het nauw maakt rare wurmbewegingen. En instituten als vakbonden zíjn in het nauw. Het ledental bij vakbonden daalt gestaag sinds 1999.

‘We gaan steeds meer zien dat we elkaars belangen ook kunnen dienen door daar gewoon rechtstreeks met elkaar over te praten.’

We ontdekken namelijk dat het allemaal niet zo groots en negatief hoeft. Werkgevers en werknemers gaan steeds meer zien dat ze elkaars belangen ook kunnen dienen door daar gewoon rechtstreeks met elkaar over te praten. Met andere woorden, die belangen waar de mevrouwen Van Leiden van deze wereld zo hard voor willen vechten, worden tegenwoordig ook beschermd zonder dat daar een instituut tussen hoeft te zitten. Alleen dat is een wereld waar mevrouw Van Leiden en haar FNV niet voor gemaakt zijn.

Dus wat moet ze dan? Een rationeel mens zou zeggen: ‘Top! Fijn! De belangen zijn behartigd! Mission accomplished! Ik kan het wat rustiger aan gaan doen. Misschien moet ik zelf maar ‘s een andere werkgever gaan vinden.’ Maar rationele mensen, die bestaan niet. Dus we mogen ook niet verwachten van Debbie dat zij de eerste in haar soort wordt.

‘Haar ratio geeft de beurt terug aan het deel van haar hersenen waar de ratio niet woont.’

Als (fictieve) rationéle mensen geconfronteerd zouden worden met feiten die hun zelfbeeld aantasten, zouden ze hun zelfbeeld aanpassen. Maar dat doen normále mensen niet. Die passen hun beeld van de ander aan. Dus in het hoofd van Debbie zijn zij en haar FNV niet gek, het bestuur van de Jumbo moet de boel niet omdraaien! Niet met de vakbond om tafel? Zijn ze helemaal gek geworden? Zo zit de wereld niet in elkaar!

En als je haar dan vraagt waarom ze zo graag om tafel wil en haar met de feiten confronteert, dan is het niet zo gek dat ze begint met een langgerekt ‘ehm’. Dat is haar ratio die moet passen, omdat er geen zinnig antwoord op is. En die geeft de beurt terug aan het grootste deel van haar hersenen, daar waar de ratio niet woont.

Ik zou dus willen vragen aan de Debbies van deze wereld – en aan iedereen eigenlijk: als je net iets te vaak ‘ehm’ zegt als reactie op iemand die simpelweg de feiten aan je voorlegt, wees dan even stil. Ga eerst eens bij jezelf te rade waarom je niet meteen een antwoord hebt. Misschien ben je wel iets onnodigs in stand aan het houden. Je zelfbeeld bijvoorbeeld.


Weten hoe andere instituten en mensen zichzelf onnodig in stand houden? Lees m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.


Wees niet de úítzondering op de regel maar máák de regel

Als we ten prooi vallen aan mensen die ons als nummer zien, kunnen we daar iets aan doen. We kunnen hen van de automatische piloot halen of, nog beter, zorgen dat ze ons zien als het speciale geval dat we zijn.

Ik reed op de linkerbaan van de Houtribweg in de Flevopolder. Voor de mensen die de Houtribweg niet kennen, hij heeft twee banen in beide richtingen en tussen de twee rijrichtingen ligt een brede grasstrook. Verder is er niet iets te zien wat de speciale aandacht trekt: vlakke polderweiden, verdwaalde stilstaande treinen, nietsende bouwmachines en relatief nieuwe bomen die her en der op een kluitje staan.

Ik vroeg me net af: is dit nou een autoweg of niet? toen een man met een opvallend gele horizontale streep op zijn jas de weg opliep. Het duurde even, eigenlijk tot het moment dat hij naar mij wees, tot ik doorhad dat deze man een politieagent was.

De man wees naar rechts, naar een straat. Ik remde af, ging naar de rechterbaan en sloeg af. Niet veel verderop stonden twee auto’s waarvan de bestuurders duidelijk geverbaliseerd werden. Naast beide auto’s stond een agent licht voorovergebogen te praten door het bijrijdersraam.

‘Ik vroeg me net af: is dit nou een autoweg of niet? toen een man de weg opliep.’

Mijn voorgangers keerden om de Houtribweg weer op te draaien, waarna ik met een handgebaar gesommeerd werd naar voren te rijden. Ik deed mijn rechter voorraam open en een mannelijke agent begon, schouders en hoofd een beetje naar voren en beneden, digitaal bonnenboekje in de hand: ‘U bent zojuist staande gehouden omdat u een gemeten snelheid had van 102 kilometer per uur.’ Ik loog niet toen ik antwoordde met: ‘Ik vroeg me net af of dit nu een autoweg was.’ De beambte legde uit dat dat niet zo was. We raakten in een gesprekje over de kenmerken van een autoweg en het feit dat ik het nog netjes had gedaan omdat anderen hier met 140 langs raasden, terwijl hij wat administratiefs deed op z’n politiepalmtop.

‘Respect, trouwens, voor uw collega die de weg oploopt om ons aan te houden. Dat doet-ie ook niet zonder gevaar voor eigen leven,’ zei ik nadat het even stil was geweest tussen ons. ‘Ja, en dat is nu precies waar het fout gaat: wandelaars denken dat mensen hier 80 kilometer per uur rijden en schatten het verkeerd in. Met alle gevolgen van dien…’ reageerde de politieman onheilspellend.

Nog even vroeg ik wat de schade ging worden. De vriendelijke verkeersagent noemde het boetebedrag en zei, niet zonder medeleven in zijn stem: ‘Tja, dat is een dure les voor u.’ Vervolgens mocht ook ik gaan. Inmiddels waren er drie wachtenden achter me aangesloten.

‘Als mensen lopendebandwerk doen, gebeuren er twee dingen.’

Ik vond het een vriendelijke man, deze diender. En hij vond mij ook geen onprettige overtreder, denk ik. Dankzij het gekeuvel over en weer werd de sfeer bijna gemoedelijk. Inmiddels weet ik wel dat het geen zin heeft om in de weerstand te gaan. Het beste effect krijg je als je je fout meteen toegeeft of je tenminste van de domme houdt. Bovendien is het tegenwoordig voor mij een gewoonte om een praatje te maken met iedereen met wie ik noodgedwongen een paar minuten van mijn leven moet delen – een agent, een winkelbediende, iemand bij de koffieautomaat. Het maakt die paar minuten leuker én het zorgt ervoor dat mijn tijdelijke relatie beter wordt.

Ik dénk dus dat mijn relatie met deze agent beter werd door mijn opstelling. Het had alleen nul effect. Waarom? Ik was nummer zoveel in de rij. In vijf minuten had dit team gerechtsdienaren zes bestuurders aangehouden en beboet. In een uur zijn dat er zo’n zeventig. Dit was lopendebandwerk. En als mensen lopendebandwerk doen, gebeuren er twee dingen: (1) ze gaan op de automatische piloot en (2) ze dulden geen uitzonderingen.

Aan dat eerste heb ik iets kunnen doen, denk ik, door mijn gebabbel. De man leek oprecht in gesprek met mij. Dat tweede was echter de motherfucker. Was ik deze diender in z’n uppie tegengekomen tijdens een toevallige staandehouding, dan had hij me vrijwel zeker laten gaan met een waarschuwing – dat is me vaker wel dan niet gelukt. Maar nu ik de uitzondering zou worden op de regel die in real time werd bevestigd door alle auto’s vóór mij, draaide het rechtvaardigheidsgevoel van oom agent op volle toeren.

‘Zorg dat je ’s ochtends als eerste te hard rijdt, of anders vlak na de lunchpauze.’

Helaas. In dit geval was ik kansloos. En misschien wel terecht. Ik reed immers te hard. Ik had beter op moeten letten.

Besef dat je in veel gevallen, bijvoorbeeld voor ambtenaren achter loketjes, ook lopendebandwerk bent. Doorbreek dan in ieder geval hun automatische piloot als je gezien wilt worden voor wie je bent: een individueel geval. En probeer net iets alerter te zijn dan ik. Bedenk waarom je anders bent dan al die anderen en zorg dat je terecht als de uitzondering op de regel gezien wordt.

En als je geen goede reden kunt bedenken, zorg dan dat je ’s ochtends als eerste voor dat loket staat (of te hard rijdt), of anders vlak na de lunchpauze. Dan ben jij de eerste in de rij en dus degene die de toon zet en daarmee de regel máákt.


Wil je meer tips om meer contact te krijgen met ambtenaren en andere mensen? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn vertel ik je over nog meer van onze automatismen.


Gelijkheidszin zorgt ervoor dat iedereen minder heeft

Als groepen slecht presteren geven we vaak de schuld aan onze instinctieve drang om de beste te zijn. We moeten niet haantje de voorste willen zijn als we als groep ons doel willen bereiken, is de gedachte. Maar onze competitiedrift is niet per se de schuldige. Vaak is het onze drang naar gelijkheid die de groep naar beneden haalt.

Het moet er stom uit hebben gezien: ik met een grote koptelefoon op, harde, verbaasde kreten slakend en wild gebarend naar de tv. Ik zat de veiling tijdens aflevering 4 van Wie is de Mol te kijken en mijn verbazing groeide met de minuut. Ik ben al lang fan maar deze keer vond ik dat de bedenkers zich hadden overtroffen. In een kwartiertje verspeelden zes kandidaten en één mol bijna zevenduizend van de achtduizend euro in de pot. (Als je het wilt zien, kijk dan van minuut 35 tot minuut 48.)

Wat er gebeurde.

Ze konden drie jokers kopen. Met een joker maak je meer kans om de volgende ronde van het spel te halen. Zo’n ding konden de individuele kandidaten voor zichzelf kopen door tegen elkaar op te bieden tijdens elk van drie rondes van een typisch Amerikaanse veeveiling – met zo’n snel pratend mannetje waarbij je met koele, bijna onzichtbare gebaren kunt laten zien dat je biedt. Van tevoren was er een bedrag berekend, 1.300 euro. Daarvoor konden ze zonder kosten voor de pot jokers kopen. Gingen ze er overheen, dan ging het surplus uit de pot. Penningmeester Jeroen, die de pot beheerde, had vooraf een verzekering afgesloten voor het risico dat ze er overheen gingen. Hij had dat voor 200 euro gedaan. Daardoor kon men niet 1.300 uitgeven maar 1.500 euro. Uiteindelijk gaf men geen 1.500 maar 8.200 euro uit. Voor drie jokers. De duurste van de drie ging voor 3.500 euro over de veilingtoonbank.

‘Mensen die voor drie jokers gemiddeld minder dan anderhalf duizend euro zeiden te willen betalen, legden uiteindelijk bijna twee keer zoveel neer voor maar één joker.’

Voorafgaand aan de veiling had men elke kandidaat gevraagd hoeveel ze over zouden hebben voor drie jokers. Meerdere mensen gaven als antwoord niks, sommigen een paar honderd euro, een enkeling zei zonder aarzelen dat hij er wel 3.500 euro voor zou willen betalen. Het gemiddelde van alle zeven antwoorden was die 1.300 euro.

Met andere woorden: mensen die voor drie jokers gemiddeld minder dan anderhalf duizend euro zeiden te willen betalen met een penningmeester die dat nog eens bevestigde middels een verzekering, legden uiteindelijk bijna twee keer zoveel neer voor maar één joker.

Watskebeurd?!

Een hele hoop dingen speelden hier een rol, zoals het feit dat het niet drie jokers in één keer waren maar telkens één in drie rondes en dat zo’n veiling een opgefokte sfeer creëert waardoor je je realiteitszin verliest. Sommige mensen zullen zeggen dat het vooral lag aan de competitiedrift van mensen. Kan. Maar ik denk het vooral ligt aan één element: de gelijkheidszin van mensen.

‘Gelijkheidszin kan meer ellende veroorzaken dan competitiedrift.’

Gelijkheidszin is het idee dat groepsleden in wezen gelijk zijn en recht hebben op gelijke kansen en middelen. En het is een heel normaal verschijnsel bij mensen en andere dieren.

Twee biologen deden een experiment met kapucijneraapjes om aan te tonen dat die ook gelijkheidszin kennen. Ze zetten twee aapjes naast elkaar in hokjes waar ze elkaar konden zien en lieten ze een taak uitvoeren in ruil voor een stukje komkommer. Dat ging prima, totdat een ervan een druif kreeg als beloning. De aap die nog altijd beloond werd met komkommer leek opeens te ontdekken dat zijn vergoeding niet meer was dan een stuk water met een groen schilletje en pruimde het plots niet meer. De onderzoekers noemden het verschijnsel ‘afkeer van ongelijkheid’. En, uit later onderzoek met honden blijkt dat een hond zonder beloning bij herhaling een kunstje doet, maar dat ook hij dat vertikt op het moment dat een andere hond er stukjes worst voor krijgt.

Gelijkheidszin is algemeen verspreid in de dierenwereld. Het heeft dan ook een functie: zonder dit instinct zouden leden van een groep zich kunnen verrijken ten koste van de rest van de groep. Als daar niet tegen opgetreden wordt, wordt het ieder voor zich. En dat kan een groep in het wild niet hebben. Die moet eensgezind en sterk blijven.

Het is dus een nuttig mechanisme. Maar het kan ook doorslaan.

Wat namelijk interessant is aan het experiment met de aapjes en hun komkommers en druiven, is dat de komkommerkapucijneraap zich enorm opwindt over het onrecht. Blijkbaar zorgt de afkeer van ongelijkheid niet alleen voor een afkeer van de mindere beloning, maar ook voor een emotionele reactie.

‘Verongelijking kan het teken zijn voor je emotie om ongeremd de hele groep te gronde te richten, inclusief jezelf.’

En dat is volgens mij vooral wat er gebeurde tijdens de WIDM-veiling: de kandidaten kregen een emotioneel ongelijkheidswaas voor de ogen. Ze gunden het anderen niet als zij er met een joker vandoor dreigden te gaan ten koste van de pot. Als íémand hier de groep naar de verdoemenis helpt in het eigen belang, dan ben ik het wel, moeten ze gedacht hebben. Beter gezegd, ze dáchten het niet, ze vóélden het. En dat gevoel, dat haalde het slechtste in hen naar boven waarmee ze de hele groep in hun val naar beneden trokken.

Net als aapjes en honden pikken wij mensen het niet als een ander er met meer vandoor gaat. Liever dan dat we cool blijven, laten we ons gaan. En dat gebeurt WIDM-kandidaten net zoals dat bijvoorbeeld cao-onderhandelaars, ruziënde echtelieden en familieleden bij de erfenis overkomt. Eigenlijk iedereen die zich oneerlijk bejegend voelt, laat zich vroeg of laat gaan.

Denk de volgende keer daarom eens een keer langer na als je je verongelijkt voelt, of het nou tijdens een discussie, een onderhandeling of de werkverdeling is. Verongelijking is hét teken dat je gelijkheidszin opspeelt. Het kán heel nuttig zijn om dat ene groepslid terug in z’n hok te krijgen ten faveure van de rest. Maar het kan ook het teken zijn voor je emotie om ongeremd de hele groep te gronde te richten, inclusief jezelf.


Wil je meer weten over hoe je jezelf in toom houdt? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn open ik je ogen voor nog meer van onze dierlijke valkuilen.


Facebookfelicitaties: echt iets voor perfectionisten

Laatdunkend praten over het gemak van mensen feliciteren via Facebook en WhatsApp, iedereen doet het wel ’s. Maar wat nou als die mensen juist te moeilijk omgaan met hun digitale sociale contacten?

Ik was gisteren jarig. Dat heb ik niet gevierd. Wel vulden Facebook- en WhatsApp-berichten de hele dag mijn telefoon. Dankzij die berichten (en natuurlijk het zelfgemaakte kunstwerk van mijn vriendin en dochter) voelde ik me best wel jarig. Wat mensen ook zeggen over de correlatie tussen de moeite van een felicitatie en de waarde ervan, ik vind het fijn. En dat verkondig ik al jaren. Dan is het maar gemakzucht die regeert. Ik word er wel blij van.

‘Tussen al die facebookende en whatsappende bekenden zaten mensen die me in eerdere instanties digitaal hadden genegeerd.’

Maar… dit fenomeen legt ook iets anders bloot. Tussen al die facebookende en whatsappende bekenden zaten mensen die me in eerdere instanties digitaal hadden genegeerd. Zo facebookfeliciteerde iemand mij met allerlei plaatjes erbij terwijl ze mij eerder geen gehoor gaf. Ze had mij ooit zelf uitgenodigd Facebook-vriend te worden. Ik ken haar van lang geleden dus ik had het verzoek geaccepteerd. Meteen daarop had ik een berichtje gestuurd om te vragen hoe het met haar ging na al die jaren. Geen reactie. Ook iemand die vorig jaar meerdere zakelijke telefoontjes, whatsappjes en e-mails van mij wist te niet-beantwoorden feliciteerde mij gisteren vrolijk via WhatsApp. Met een leuk emojietje erbij.

Ten enenmale: ik waardeer hun felicitaties. Ook al is het voor hen amper een moeite geweest, toch dachten ze gisteren blijkbaar even aan me en vonden ze het leuk om dat aan me te laten weten. Dat ís toch aardig?

Mijn ervaring gister doet me denken aan andere mensen. Zo is er iemand die ik voor elke editie van mijn jaarlijkse seminar Making Business Human heb uitgenodigd, die nooit op mijn vragen reageert naar hoe het met haar gaat. Ze laat altijd enkel weten dat ze komt. Ook andere berichten van mij negeert ze. En dat terwijl zij en ik het vroeger echt goed konden vinden.

‘Dit is geen zure observatie, het is verwondering.’

En zo zijn er nog meer mensen die ik ooit eens of meerdere keren via stem- of tekstbericht iets heb gevraagd die dáárop niet reageerden die enkel iets van zich lieten horen als er voor hén een aanleiding was.

Dit is geen zure observatie van mij, het is verwondering. Hoe werkt dat voor deze mensen?

Ik hoor wel eens de verklaring dat mensen zo veel mail krijgen tegenwoordig, dat ze het niet meer bij kunnen benen of bewuste keuzes maken in wat ze wel en niet beantwoorden. Voor de mensen die ik in gedachten heb, lijkt me dat geen excuus. Ik ken andere mensen die meer in de spotlight staan. Die krijgen honderden berichten per dag van onbekenden in hun mailbox. Dan snap ik dat je kritisch wordt. Maar als je er tientallen krijgt en ook nog van bekenden, dan snap ik dat minder goed.

Een andere verklaring zou kunnen zijn dat ‘dit soort mensen’ hun digitale berichten als niet meer ziet dan dat: digitale berichten. Het gevoel dat het hier om een mens gaat dat hen aanspreekt is er niet meer, of is althans zo onopvallend aanwezig dat het te negeren valt. Er zal in dit geval dan ook geen of veel minder sprake zijn van schuldgevoel of gêne. Ik denk sowieso dat dit eigenlijk bij ons allemaal speelt als we niet diréct met mensen te maken hebben. (Zie ook hier.) Maar dit zou niet verklaren waarom ze dan ineens wel op een verjaardag paraat staan.

‘Waarom zou je iemand blij feliciteren met z’n verjaardag als je hem stom vindt?’

Die felicitaties maken trouwens ook meteen het idee onklaar dat ze niets van zich laten horen omdat ze me niet aardig vinden. Waarom zou je iemand blij feliciteren met z’n verjaardag als je hem stom vindt?

Ik mag graag denken dat ‘dit soort mensen’ het té goed wil doen. Ze zien een bericht met een vraag en denken: o jee, daar heb ik nu geen tijd voor. Ze willen er goed voor gaan zitten of moeten er nog iets voor uitzoeken. Ze laten het bericht staan en gaan over tot de orde van de dag. Aan het eind van de werkdag zien ze het bericht weer staan en denken: shit, vergeten, en beloven zichzelf het de volgende dag te doen. Zo gaan dagen voorbij waarin het goed willen doen steeds verder vermengd wordt met schuldgevoel en de last alleen maar groter wordt. Tot het moment dat ze denken: tja, nu is het te laat, en het bericht met een laatste vlaag schuldgevoel deleten.

Als dan opeens de verjaardag of een simpele vraag van de genegeerde voorbij komt, zien ze – ik denk onbewust – hun kans schoon en feliciteren of antwoorden ze meteen. Dat dit bij de ontvanger tot verwarring leidt, snappen ze niet. Zij hadden toch immers al die tijd het beste met hem voor? Het kwam er gewoon niet van.

‘Sorry, ik geef je geen antwoord op je vraag want ik wil het te goed doen.’

Hoe het ook zij, precies weten hoe het werkt voor deze mensen doe ik niet. Het weinige wat ik weet is dat ze het niet onaardig bedoelen. Anders zouden ze geen felicitaties sturen of op sociale events komen. En ik weet ook dat een belegen spreekwoord kan zorgen voor minder verwarring en meer verbinding: stel niet uit tot morgen wat je vandaag ook kunt doen.

Werk dus elke dag je inbox weg en wees daarbij eens niet perfectionistisch. Wees menselijk, voor jezelf én de persoon achter de digitale berichten. Stuur desnoods iedereen het bericht: ‘Sorry, ik geef je geen antwoord op je vraag want ik wil het te goed doen.’


Can’t get enough? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn heb ik nog veel meer verklaringen voor ons moderne sociale gedrag gevonden.


Je instinct heeft bijna nooit gelijk

Gisteren liep ik hard langs een typische N-weg in de bossen op een van de twee ventwegen die langs beide zijden lopen van de hoofdweg. Op de ventweg aan de andere kant zag ik uit mijn ooghoek een zwart Mercedes-busje staan. Het had geblindeerde ramen. Toen ik ernaar keek, zag ik net de arm van de bestuurder omhoog gaan. Een onbestemd maar duidelijk negatief gevoel bekroop me bijna ongemerkt.

‘Een onbestemd maar duidelijk negatief gevoel bekroop me bijna ongemerkt.’

Toen ik beter keek, zag ik dat langs de bovenkant van het busje de rand van een ingeschoven luifel zat. Ik weet dat vlakbij de plek des onbestemdes onheils een camping was. Ik begreep dat het hier om een camper ging. Ik voelde me een klein beetje ontspannen. Ook zag ik een ANWB-busje op de hoofdweg rijden, die ik even eerder de weg vanaf de ventweg had zien op draaien. Toen begreep ik ook: de arm van de bestuurder die ik net daarvoor omhoog had zien gaan was als groet bedoeld voor de ANWB-monteur die hem net had geholpen met het weer aan de praat krijgen van zijn camper. Gerustgesteld rende ik door.

How tricky the mind works. Zwart busje, geblindeerde ramen… onwillekeurig maken mijn hersenen hiervan iets obscuurs. Niks om echt bang van te worden. Gewoon onbestemde gevoelens. Extra alertheid. Dat soort dingen. Dat het woord ‘obscuur’ ook donker betekent, zegt al veel. Als iets donker is, is het dubieus, geheimzinnig, louche, op z’n minst twijfelachtig.

En bij twijfel over de goede bedoelingen van een onbekende gaan mijn hersenen voor het gemak maar uit van de slechte bedoelingen. Mensen en andere dieren geven onbekenden nou eenmaal instinctief het nadeel van de twijfel. Dat is evolutionair gezien wel zo handig gebleken.

‘We geven onbekenden instinctief het nadeel van de twijfel.’

Nou ging dit om een camper met panne aan de overkant van een drukke straat. Niks bijzonders en geen kans dat ik door mijn wantrouwende hersenen deze situatie de verkeerde kant op kon sturen. Maar hoe vaak gebeurt dat wel? Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat zowaar námen die we verbinden aan mensen met een donkere huidskleur zorgen voor een negatieve associatie, zélfs bij mensen die zelf een donkere huidskleur hebben. Dat betekent dat mensen met dat soort namen vaak onterecht met een achterstand beginnen.

Daarnaast zijn er tal van andere cues waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat ze ons brein in een stand zetten die onrecht kan doen aan wat er echt aan de hand is. Als iemand iets doet wat niet past bij onze verwachtingen of er anders uitziet dan de mensen met wie we op dagbasis omgaan, wantrouwen we die persoon. Als we een potlood tussen onze neus en bovenlip knellen, vinden we alles wat we zien minder leuk dan wanneer we dat potlood tussen onze tanden klemmen (probeer het eens). Als iemand van het vrouwelijk geslacht is, denkt iedereen, ook de vrouw zelf, dat ze minder goed is in exacte vakken. Als we woorden lezen die we associëren met bejaarden, gaan we langzamer lopen. En ik zou nog heel lang door kunnen gaan met deze lijst.

‘Vertrouw wat minder snel je eigen wantrouwen en wat sneller een onbekende.’

Wat ik maar wil zeggen: we dénken misschien dat we niet bevooroordeeld zijn maar we zijn het, per definitie. Als we niet instinctief een aantal vuistregels mee hadden gekregen van onze voorouders en niet de aanleg hadden gehad om culturele vooroordelen op te slaan, hadden we het waarschijnlijk als diersoort gedurende de evolutie niet overleefd. Dan waren we fluitend donkere grotten met gevaarlijke dieren ingelopen en hadden we mensen uit andere stammen die onze vrouwen wilden meenemen maar zéíden dat ze alleen maar even kwamen kijken op hun blauwe ogen vertrouwd (wat lang geleden héél verdacht zou zijn, blauwe ogen, want die kregen we pas toen we ook Europa waren binnengetrokken).

Vuistregels, vooroordelen: goed dat ze er zijn, dus. Het is alleen jammer dat veel ervan ontstaan zijn in een tijd waarin de situaties nooit voorkwamen waarin we ons nu dagelijks bevinden. Ons leven is veel afwisselender, ingewikkelder en vooral minder gevaarlijk geworden. Vertrouw dus wat minder snel je eigen wantrouwen en wat sneller een onbekende. In 99 van de 100 gevallen heeft je instinctieve wantrouwen namelijk ongelijk.


Nog meer vuistregels van de mens ontdekken? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn staan er nog véél meer, inclusief wetenswaardigheden die aantonen dat ze inderdaad hun beste tijd hebben gehad.