De terreur van de bangste – angst maakt onze organisaties stroperig

Fortune favors the brave, zoals de Fransen dat zo mooi zeggen. Een slogan die aan moet zetten tot moedig gedrag en het nemen van risico’s om iets waardevols te bereiken. Niet voor niks staat deze zin op de uniformen van het Amerikaanse leger. 

Maar het zijn juist de bange mensen die de wereld beheersen. Niet voor niks zeggen we: hoogmoed komt voor de val. Een volkswijsheid die aan moet zetten tot voorzichtig gedrag en het niet overschatten van je eigen kunnen. Better safe than sorry, zouden de Fransen zeggen.

Dit gegeven ligt aan de basis van onnodig ingewikkelde en stroperige bedrijfsprocessen. En het kost ons onnodig veel tijd, geld, stress en levenslust. 

Vierhonderd euro was ik vorig jaar kwijt. Aan niks.

Vierhonderd euro was ik vorig jaar kwijt. Aan niks. Het enige wat ik ervoor had gekocht was stress en tijdverspilling.

Op 28 september zou ik met gezin en schoonmoeder naar mijn zwager op Mallorca vliegen. Mijn schoonvader zou de dinsdag ervoor, op 25 september, al gaan. Die dinsdag belde hij ons, mijn schoonvader.

Personeel van Ryanair zou op Eindhoven gaan staken. Onze vlucht zou niet doorgaan. Mijn schoonmoeder had uit voorzorg al een stoel geboekt in het vliegtuig dat op 25 september naar Mallorca vertrok.

Mijn vriendin en ik gingen meteen in conclaaf. We baalden ervan maar wilden niet ons reisje naar Mallorca op het spel zetten. Daarom boekten we die woensdag een ticket bij Transavia voor een vlucht op 29 september. Kosten: bijna 400 euro. Die kunnen we vast verhalen op Ryanair, dacht ik, het is hún schuld.

Ik vertelde dit die avond aan mijn ouders. Die hadden het nieuws ook gevolgd en zeiden: ‘Maar niet alle vluchten worden gecanceld, hoor.’

Een korte zoekopdracht in Google, gevolgd door een snelle blik in de online versie van het Eindhovens Dagblad leerde dat sommige vluchten inderdaad gewoon doorgingen. Die naar Mallorca was daar een van.

Op 28 september vlogen we met Ryanair naar mijn zwager op Mallorca.

Om 10 uur op 29 september zaten mijn vriendin, mijn dochter en ik op het strand, genietend van een warm zonnetje. Ik bedacht dat we vier uur van tevoren de vlucht met Transavia, die om 13.55 uur ging, nog online konden omboeken.

Ik keek op transavia.com. Ik was inderdaad vijf minuten te laat.

Door onze aversie van risico’s doen we dingen die juist onnadenkend zijn.

Pas op! Niet daarop klimmen! Kijk uit! Neem geen onnodige risico’s! Zie je wel! Had je maar op moeten letten! Het zijn zinnen die ouders, grootouders, ooms, tantes, leraren en leraressen ons al vanaf kind-zijn toewerpen. Dan is het niet zo gek dat we risicomijdend zijn. Dingen wagen staat gelijk aan ouderlijke afwijzing en sociale ridiculisering.

Gek genoeg doen we hierdoor dingen die juist onnadenkend zijn en laten we dingen die ons verlies kunnen beperken.

Ik had bijvoorbeeld ook metéén even kunnen googelen toen mijn schoonvader met de onheilstijding kwam. Dan had ik gezien dat een andere vlucht helemaal niet nodig was. Ik hád ook gewoon op tijd onze vlucht met Transavia kunnen omboeken. Dan had ik 400 euro niet weggegooid.

Maar zo werken mijn hersenen niet. De stress die ontstond na het telefoontje van mijn schoonvader zorgde ervoor dat ik niet meer rustig nadacht. En toen het gevaar was geweken, toen bleek dat we toch op vrijdag gingen vliegen, gingen mijn hersenen meteen op standje waakvlam.

Dubbel dom, dus. En dat zijn wij mensen over het algemeen. De angst regeert.

Tussen mensen onderling is het de bangste die bepaalt.

Zo werkt het niet alleen bij interne dialogen in je eigen hoofd. Ook tussen mensen onderling is het de bangste die bepaalt.

Als mijn vriendin de duurste autostoel voor onze dochter uitkiest omdat die uit alle tests als veiligste komt, kopen we die duurste autostoel. Niet omdat die andere ónveilig zijn maar omdat die ene het állerveiligst is. En we willen toch niet het risico lopen dat we net die aanrijding krijgen waar die andere stoelen niet voor gemaakt zijn – ook al komt die aanrijding alleen in theorie voor.

Als een paar megabanken in Amerika omvallen, moeten álle financiële instellingen, van groot tot klein, in Nederland zich houden aan de Wet financieel toezicht, de Wft. En om intern toezicht te houden op de uitvoering van die Wft hebben die bedrijven allerlei compliancefuncties en vaak hele complianceafdelingen in het leven geroepen.

En als er één keer iets flink misgaat in een willekeurig bedrijf, wordt een manier van werken bedacht om dat niet weer te laten gebeuren. Of als zelfs maar iemand roept: ‘Wat nou als [dit of dat ergs] gebeurt? Moeten we daar niet iets voor klaar hebben staan?’ staan de consultants klaar om een procedure in elkaar te draaien én de naleving ervan te controleren.

Wat is de kans, wat is de impact én wat kost het me om die kans serieus te reduceren?

Er zíjn natuurlijk gevallen waarin je echt beter safe than sorry kunt zijn. In de auto kun je beter wel autogordels gebruiken. Bij onbemande pompstations kun je beter wel camera’s ophangen. En als je een vliegtuig bestuurt, kun je beter voor alles een dubbele uitvoering hebben.

Maar in heel veel andere gevallen is het goed om je af te vragen: wat is de kans, wat is de impact én wat kost het me om die kans serieus te reduceren?

Dat eerste, dat vragen ook risicomanagers zich af. (Risicomanagers: ook een beroep dat niet kon ontstaan zonder onze aangeboren risicoaversie.) Risico ís kans keer impact, immers. Maar ook als we die afweging maken, houden we meestal onvoldoende rekening met onze risicoaverse hersenen.

Want ook dan zorgt stress ervoor dat we niet meer rustig nadenken. En ook dan is het de bangste die bepaalt.

We letten we niet meer op de kosten als het gevaar is geweken.

Dus overschatten we de kans en de impact, zeggen we niet tegen de bangste haas dat-ie niet moet overdrijven en zetten we grof in om het vermoede risico te vermijden.

En ook dan gaan onze hersenen meteen op standje waakvlam als het gevaar is geweken. Dus letten we niet meer op de kosten van de invoering van risicoverminderende maatregelen noch van de structurele uitvoering ervan.

Die kosten zijn niet alleen tijd en geld. Al die maatregelen en controles erop kosten betrokkenen stress en levenslust. Want wie gaat er nou naar zijn werk om voorzichtig te zijn of op te passen – behalve de oppasser, de risicomanager en de compliance officer?

Dus als het volgende risico zich aandient, gaan we vrolijk (en bang als we zijn) opnieuw aan de slag met de kans en de impact te overschatten en de kosten te onderschatten en vlechten we de volgende risicoverminderende maatregel zonder zichtbare moeite (mét onzichtbare kosten) in de reeds bestaande.

Ik daag je uit: stop nou eens met tenminste één van die maatregelen die jouw bedrijf (of gezin) ooit heeft ingevoerd. En ga van het daarmee bespaarde geld eens lekker met elkaar naar Mallorca.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach, schrijver en soms spreker. Hij heeft een dochter, een vriendin, een blog, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina.


 

Advertisements

Gestreste mensen zijn domme mensen

Met toenemende snelheid stuiterde ik op mijn zadel de fietstunnel in, met één hand aan het stuur en met de andere de laptoptas op het achterrekje in bedwang houdend.

De hond, die vanaf de andere kant aan kwam lopen met zijn baas, zat niet aan de lijn. Hij bewoog in een onvoorspelbaar patroon over het fietspad. Zijn eigenaar leek zich niet te bekommeren over het bijna-ongeluk dat stond te gebeuren.

Gelukkig had de hond iets interessants geroken bij het hek aan de zijkant waardoor het dier mij op het juiste moment vrij baan gaf. Zonder kleerscheuren en mét een adrenalineshot in mijn bast kwam ik aan de andere kant de fietstunnel weer uit.

Toen ik nog naar boven aan het klimmen was bedacht ik me alle dingen die ik had willen zeggen tegen de hondenbezitter. ‘Kunt u hem niet even bij u roepen?’ ‘Niet de handigste plek om uw hond los te laten lopen, vindt u ook niet?’ ‘Bent u helemaal betoeterd!’

Waarom bedenken we pas wat we hadden kunnen zeggen nádat een belangrijk moment voorbij is?

Dat ene kostbare één-op-éénmoment met die persoon waar je al je hele middelbareschoolleven smoorverliefd op bent waarin je niet weet wat je moet zeggen. Dat sollicitatiegesprek waarin je een halfbakken antwoord geeft op die ene cruciale vraag. Die presentatie voor het personeel waar de sfeer gespannen blijft omdat je niks kunt bedenken om het ijs te breken.

En dat terwijl je normaal altijd zo ad rem bent.

Waarom bedenken we pas wat we hadden kunnen zeggen nádat een belangrijk moment voorbij is?

Omdat belangrijke momenten vaak stress met zich meebrengen. Net zoals ik met die hond, ben je dan bezig met zorgen dat je het overleeft. Je hersenen schakelen over op survival mode. En dat betekent dat ze je hogere denkvermogen, dat in dat dunne nieuwe schilletje (letterlijk: neo cortex) van je brein zit, tijdelijk uitschakelen.

Bovendien komt er dan cortisol vrij in je hersenen. Dit vermindert je hersencapaciteit.

Pas als de overleefstand eraf mag, krijg je als het ware je stem weer terug.

De toch al lamlendige verbinding tussen je spraakcentrum, dat in je neo cortex zit, en het deel van je hersenen dat gaat over alle primaire functies – zoals vluchten, vechten en bevriezen – is dan helemaal lam gelegd.

Pas als de overleefstand eraf mag, krijg je als het ware je stem weer terug. Er is weer communicatie tussen je hogere denken en dat deel van je hoofd dat je gemeen hebt met andere zoogdieren.

Het grappige is dat veel mensen hun baan als stressvol ervaren – en niet omdat ze als brandweerman een brandend huis in rennen of als ehbo-arts mensenlevens redden. En nog grappiger is dat van de meeste werknemers wordt verwacht dat ze voor zichzelf denken en hun eigen creativiteit gebruiken.

Als we stress ervaren, handelen we nog enkel op basis van wat voorgeprogrammeerd is.

Want als we stress ervaren, stoppen we met denken. We handelen nog enkel op basis van wat voorgeprogrammeerd is, zoals gewoontes en primitieve driften. We worden dommer. We verdommen. Creativiteit? Nee, hoor. Originele reacties? Forget it.

Dus als je slimme dingen wilt doen, bijdehand uit de hoek wilt komen of lekker creatief wilt zijn, doe dan wat aan je tolerantie voor spannende situaties. Of vermijd ze gewoon.

Of heb niet de illusie dat je onoplettende hondeneigenaren op hun nummer kunt zetten.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach, schrijver en soms spreker. Hij heeft een dochter, een vriendin, een blog, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina.


 

Collega’s doen te weinig ongevraagd dingen voor elkaar

Christian Nicholas Stadil, eigenaar van de Deense holding Thornico en het sportmerk Hummel, sprak eens op een bijeenkomst. Stadil vertelde vol trots over wat ze bij Hummel doen aan CSR, corporate social responsibility.

Naast grootse dingen als het sponsoren van het Afghaanse nationale mannen- én vrouwenvoetbalteam doen ze bij Hummel aan pay it forward, liet Christian weten. Medewerkers worden gestimuleerd om iets goeds te doen voor anderen, buiten hun functie om, zonder daar iets voor terug te verwachten. Ik ging rechter op zitten. Dat vind ik mooi, dacht ik.

Toen het tijd was voor vragen stak ik mijn vinger op.

‘Yes, you in the front,’ zei Stadil en hij wees naar mij. ‘When you talked about paying it forward, did you mean coworkers do good deeds for each other? And, if so, how does that work?’ vroeg ik.

Waarom definiëren we ‘goed doen’ altijd als dingen doen voor zielige mensen die we niet kennen?

De CEO keek me even niet-begrijpend aan en zei toen: ‘We don’t do that. Hummel employees spend part of their time, on and off the job, on charities and socially responsible projects.’ Vervolgens legde hij verder uit hoe dat werkte.

Mijn aandacht verslapte.

Ik voelde me toen door Stadil op mijn vingers getikt. Het zal liggen aan het feit dat ik publiekelijk door een belangrijke spreker een gekke vraag werd verweten – en aan de typisch Deense kortheid waarmee dat gebeurde. Ik dacht dat het aan mij lag, dat ik echt iets geks had gevraagd.

Nu, na een paar jaar, vind ik mijn vraag niet meer gek. De praktijk van alledag, waarin het niet normaal is om iets goeds te doen voor collega’s, die vind ik gek.

Want waarom definiëren we ‘goed doen’, zeker in het kader van werk, altijd als dingen doen voor zielige mensen die we niet kennen?

Klein werkleed bezorgt uiteindelijk velen een ellendig (einde van hun) leven.

Toen ik nog voor een groot adviesbureau werkte, werd er elk jaar bedrijfsbreed een dag georganiseerd waarop alle consultants hun dure tijd gratis stopten in een probleem van een maatschappelijke organisatie. Een soort hackathon van consultants voor het goede doel. Oprecht een mooi initiatief.

Maar als het ging om ongevraagd dingen doen voor collega’s, bleef het bij koffie halen.

Het is echt super wanneer bedrijven zich inzetten voor maatschappelijke initiatieven. Dat móét ook gebeuren. Het punt is, het leed dat die initiatieven bestrijden is wellicht groot maar het betreft relatief gezien weinig mensen. Het leed op het werk is relatief gezien klein maar het betreft een enorme hoeveelheid mensen.

Bovendien bezorgt dat kleine werkleed uiteindelijk velen een ellendig (einde van hun) leven vanwege stress, burn-out en stressgerelateerde ziekten die het met zich mee brengt.

(Voor de liefhebbers: Alzheimer, angststoornissen, astma, darmproblemen, depressie, diabetes, hart- en vaatziekten, hoofdpijn, obesitas, versneld verouderen en vroegtijdig overlijden zijn zomaar wat aandoeningen en gevolgen die met stress verbonden worden.)

Pay it forward on the job, not beside the job!

En de pleziertjes die je elkaar op het werk kunt doen zijn misschien miniem in vergelijking met water geven aan een dorstige in de woestijn. Maar bij elkaar brengen ze een oceaan aan positiviteit met zich mee.

Dus ik zeg: pay it forward on the job, not beside the job!

Iets goeds doen is geen extracurriculaire activiteit, niet iets wat je maar eens per jaar in de baas zijn tijd mag doen voor zielige, arme of onfortuinlijke mensen. Het is iets wat je elke dag voor je collega’s kunt doen.

Loop eens rond in je eigen bedrijf, luister naar die collega naar wie niemand luistert, geef je collega wat hij nodig heeft ook al is het niet volgens de standaardprocedure of ook al ben je van ‘corporate’ – zoek de hulpvraag bij je collega’s en doe dáár wat aan.

En als die collega je dan dankbaar aankijkt, vraag hem dan hetzelfde te doen voor andere collega’s. Begin die oceaan aan positiviteit.

Dus kom uit je schulp, kantoortje of functieomschrijving en doe iets goeds!


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een dochter, een vriendin, een blog, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina.


 

It’s all personal, every bit of business

Cisco is maandagochtend om vijf uur overleden. In de nacht van zondag op maandag kon hij alleen nog maar staan hijgen met een hulpeloze blik. Mijn vriendin en ik hebben hem in laten slapen op de Spoedkliniek Gezelschapsdieren – onze handen op zijn vacht, geruststellende woorden in zijn oren.

Tot donderdag was er niks aan hem te merken geweest. Hij had gerend, gesprongen en zijn neus aan alles afgeveegd als een gezonde hond. Maar een tot dan toe onopgemerkte tumor in zijn hart was gaan bloeden. De bloeding vulde zijn hartzakje waardoor zijn hart in de knel kwam en niet meer goed kon pompen. Hierdoor kreeg hij te weinig zuurstof in zijn lichaam. Vandaar het hijgen. Hij was letterlijk doodsbenauwd.

Sinds maandagochtend lijkt de kleur weg uit ons leven. Cisco was een volwaardig lid van ons gezin. Hij was mijn Grote Vriend. Er wonen drie mensen maar ons huis voelt leeg.

Is een verdrietig mens per definitie geen werkend mens?

Sinds Cisco’s dood vertel ik iedereen erover: familie en vrienden maar ook zakelijke relaties met wie ik toevallig contact heb. Ik vind dat ik het moet vertellen, als therapie, maar zeker ook uit respect voor mijn relatie met degene aan wie ik het vertel.

Tegelijk ben ik er ook onzeker over. Is het te privé? Klinkt het als het zwelgen van een overemotioneel mannetje? Moet ik me met andere dingen bezig houden, zoals een onderneming runnen, klanten bedienen en meer afstandelijke columns schrijven? Moet ik niet gewoon weer volop aan het werk?

Maar ik denk ook: kun je de draad van je werkende leven simpelweg oppakken als je rouwt? En: is een verdrietig mens per definitie geen werkend mens?

Waarom zouden we werk en verdriet niet kunnen combineren?

Ten eerste opereer je in verdriet anders dan wanneer je blij, boos of bang (of, zoals we dat op het werk noemen, gestrest) bent. Je vertraagt. Je bent sneller moe, minder geconcentreerd en vergeetachtiger vanwege de grote hersencapaciteit die verdriet opslurpt. En je slaapt minder goed omdat er meer adrenaline door je lijf giert.

Je hebt dan misschien wel een onderneming of een baan, maar je hebt niet de energie om daar op dezelfde manier mee bezig te zijn als wanneer je bijvoorbeeld blij bent. Dat van jezelf, of anderen, verwachten is niet terecht.

Ten tweede, en vooral: waarom zouden we werk en verdriet niet kunnen combineren?

Werk, zeker in de eenentwintigste eeuw, kan niet zonder samenwerking. Verbindingen tussen werkende mensen zijn onontbeerlijk. En ook creativiteit is cruciaal voor ons moderne werkende leven. Zonder zelfexpressie en authenticiteit kan creativiteit niet bestaan.

Voor samenwerking en innovatie is maar één route: het persoonlijk maken.

Als ik het verhaal van Cisco en mijn verdriet om hem onder stoelen en banken zou steken, zou ik een essentieel stuk van mijzelf weglaten. Ik zou het de mensen met wie ik werk onmogelijk maken zich echt met mij te verbinden. En ik zou het idee voeden dat wat ik voel er niet helemaal kan zijn. Ik zou aan zelfcensuur doen. Hoe kan ik dan flow ervaren in mijn werk?

Als we echt willen samenwerken, zullen we echt verbinding aan moeten gaan. Als we echt willen innoveren, zullen we echt onszelf tot expressie moeten laten komen. En voor beide is maar één route: het persoonlijk maken.

Michael Corleone zei het al: ‘It’s all personal, every bit of business.’ Je persoonlijke verhaal vertellen ís werken.

Daarom (en omdat het therapeutisch werkt) vertel ik nu over Cisco en mijn verdriet om hem. Niet om erin te zwelgen of ermee te dwepen maar om de verbinding open te houden, om mezelf te laten zien zoals ik ben. Nu op dit moment.

De doden krijg ik er niet mee terug. Maar mijn leven en werk met de levenden worden er wel beter van.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een dochter, een vriendin, een blog, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina en hij had een hond.


 

Bluffen is dodelijk

‘Als ik ga slapen vraag ik de monsters altijd of ze lief voor me willen zijn.’ ‘Doen ze dat dan?’ ‘Ja.’ ‘Wat fijn.’ ‘En ik doe alsof ik een wolf ben, voor nep. Dan eten de wolven me niet op.’ ‘Slim.’ ‘Ja. Maar eigenlijk zijn het allemaal nepwolven.’ ‘O? Dus iedereen doet alsof-ie een wolf is zodat-ie niet opgegeten wordt door de andere wolven die eigenlijk ook nepwolven zijn?’ ‘Ja.’

Zondagochtend. Mijn dochter Loulou en ik in onze pyjama’s op de bank. Gespreksonderwerp: enge dromen.

Doodgeschoten worden vanwege het omstoten van een drankje

Niet lang daarvoor zag ik dat rapper Feis doodgeschoten was op nieuwjaarsnacht. Reden: het omstoten van een drankje.

Niet lang dáárvoor keek ik naar Louis Theroux’ Murder in Milwaukee, over een deel van de stad waarin twaalf keer zo veel moorden worden gepleegd als het landelijk gemiddelde. Veelal gaat het om drugs maar net zo vaak gaat om het rechtzetten van een belediging op social media. En soms is de aanleiding een simpele fender bender door een lichte aanrijding van achter.

En redelijk kort voor ik die documentaire keek had ik via een goede bekende een krantenartikel doorgestuurd gekregen. Journalist Willem Feenstra vroeg zich af waarom irritaties in het verkeer uit kunnen lopen op dodelijke ongelukken. Twee voorvallen op de weg hadden de week daarvoor vier doden tot gevolg gehad.

Vraag de monsters of ze lief voor je willen zijn.

Drie voorbeelden van dodelijke incidenten in een week tijd. Naast dat het me bijna te veel werd, zette het me ook aan het denken. Waarom in godsnaam? Waarom elkaar het leven ontnemen om zulke onbelangrijke dingen?

Loulou gaf afgelopen zondagochtend het antwoord: eigenlijk zijn het allemaal nepwolven die niet door wolven willen worden opgegeten. Maar als iedereen een nepwolf is, loopt in princípe niemand het gevaar opgegeten te worden.

Het beste advies kwam ook afgelopen zondagochtend van Loulou: vraag de monsters of ze lief voor je willen zijn.

Dat klinkt als iets wat alleen meisjes-van-vier kunnen vragen. Maar de reden dat het werkt om een monster (dat, by the way, ook alleen maar doet alsof-ie een monster is) te vragen om lief te zijn, is niet dat een meisje-van-vier het vraagt.

Ons hele leven staat bol van onszelf opblazen om niet omgeblazen te worden.

De reden dat het werkt is dat niemand dat ooit aan monsters vraagt. Monsters krijgen alleen maar monsters voor hun neus, net zoals nepwolven alleen maar nepwolven voor hun neus krijgen.

En dit gaat niet alleen over doodgeschoten worden omdat je een glas om stoot of iemand op social media beledigt of over doodgereden worden omdat je iemand afsnijdt. Ons hele leven staat bol van onszelf opblazen om niet omgeblazen te worden.

Denk aan dat verjaardagsfeestje waarop je over je baan vertelt waardoor het nét dat beetje cooler klinkt, die rapportage aan je baas waarin je de zaken nét iets rooskleuriger voorstelt dan je waar kunt maken of die foto op Instagram waardoor je er nét wat beter uitziet dan in het echt.

Bluffen is leuk en soms zelfs nuttig, maar als we dat verheffen tot een maatschappelijke standaard leidt dat tot onnodige stress en soms zelfs tot onnodige doden.

Dus: doe als een meisje-van-vier en vraag die ander of-ie lief voor je wil zijn.

En: doe als een monster en wees lief als iemand je vraagt of je lief wilt zijn.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een dochter, een hond, een vriendin, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina.


 

 

NS-conducteurs in 0,002 procent van gevallen geconfronteerd met geweld

‘NS-conducteurs circa vier keer per jaar geconfronteerd met geweld.’ ‘Strijd tegen geweld in en rond treinen gaat moeizaam.’ ‘Hevige agressie in de treinen: geweld en spuug tegen treinpersoneel.’ Zomaar wat koppen van internet.

Als je de media mag geloven is het een groot strijdtoneel op en om het spoor.

Als je de media mag geloven is het een groot strijdtoneel op en om het spoor.

Sinds een paar weken ga ik weer regelmatig met de trein. Ik kijk mijn ogen uit door de dingen die je mag verwachten van een moderne treinreis: drommen mensen die zich, (bijna) allemaal even netjes verzorgd, in net-niet-te-krappe ruimtes proppen terwijl ze vrijwel continu in hun telefoon en/of laptop kijken.

Maar laatst viel me iets op wat eigenlijk erg voor de hand ligt maar helemaal niet zo normaal is: het gaat allemaal goed.

Ik heb er misschien nog geen twintig spitsritjes op zitten deze maand maar tijdens die reizen zijn er al wel duizenden mensen met mij mee gereisd. En níémand sloeg een ander op zijn bek of schold een ander zelfs maar uit.

Het belangrijkste negatieve wat er in sociale zin gebeurd is is dat ik en een jongen samen een snurkende man uitlachten. En dat was in sociale zin ook positief want het schiep meteen een bandje tussen die jongen en mij.

‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving.’

Sterker nog, ik heb juist best wat vriendelijke uitwisselingen gehoord en gezien tussen treinreizigers. Vanochtend nog maakten de jongen naast me en ik een grapje over plastic bladeren op de rails – niet echt een goeie grap, zelfs als je erbij was, maar wel vriendelijk bedoeld.

In 2017 reisden er ruim 470 miljoen mensen met de trein. Als je dat afzet tegen de vier keer per jaar dat een conducteur met geweld geconfronteerd wordt, komt dat neer op 0,002 procent van alle reizigers waar de 2.800 conducteurs van de NS mee in aanraking komen. Dat is nog altijd een factor duizend minder dan het percentage mensen dat in aanraking komt met huiselijk geweld.

Ooit kreeg ik van een bekende gedragsbioloog – wiens naam ik heb beloofd niet te noemen – te horen dat wij het zo slecht nog niet doen, omdat andere dieren het nóg veel slechter doen. Ik was bezig met onderzoek voor mijn eerste boek en had hem gevraagd waarom hij denkt dat mensen zo naar doen tegen elkaar.

Zijn letterlijke antwoord was: ‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving, zelfs al zijn we niet zo aardig als u graag zou zien. Er zijn namelijk talloze dieren die alleen maar vijandig tegen vreemden kunnen zijn. Dus mijn antwoord zou zijn te benadrukken hoe goed we het doen gezien de omstandigheden, in plaats van hoe slecht.’

In een beroep waarbij je gemiddeld een kleine 170 duizend mensen per jaar tegenkomt krijg je de mens in al zijn verschijningsvormen te zien.

Destijds was dit voor mij geen bevredigend antwoord. Wat hij me gaf was een beschrijving van ons gedrag ten opzichte van dat van andere dieren. Maar het was geen verklaring en dáár was ik toen naar op zoek.

Maar als je er goed over nadenkt, ís het enorm opmerkelijk. We zijn niet die ‘talloze dieren’ maar we zijn wel dieren. En in het dierenrijk is vijandig en ontwijkend gedrag tegen onbekenden normaal. Er is geen enkel ander dier dat elke dag weer vrijwillig onbekende soortgenoten opzoekt, zonder de bedoeling ze te bevechten – en in 99,998 procent van de gevallen ze ook daadwerkelijk niet bevecht.

Ik kijk daarom tegenwoordig met plezier naar voortbewegende mensenmassa’s in de stad, glimlachende ontmoetingen aan receptiebalies en vriendelijke uitwisselingen tussen toevallige passanten. Het is als een niet-geregisseerde en intuïtief en gracieus uitgevoerde dans.

Dat NS-conducteurs daar anders naar kijken, dat snap ik. Maar in een beroep waarbij je gemiddeld een kleine 170 duizend mensen per jaar tegenkomt gaan andere wetten spelen. Dan krijg je de mens in zijn talloze verschijningsvormen te zien. Ook mooi.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een dochter, een hond, een vriendin, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina.


 

Snelwegaso’s hebben een kleine piemel

Zaterdag reed ik met het gezin terug van een heerlijke vakantie in Oostenrijk. We waren ergens op de A3 tussen Oberhausen en Arnhem. Ik reed op de linker baan. Net daarvoor had ik een auto ingehaald, een paar honderd meter voor mij reed een vrachtwagen en ik dacht dat er niemand achter me zat.

Voor mijn gevoel dook uit het niets opeens een VW Golf met Nederlands kenteken op in mijn buitenspiegel. (Door mijn binnenspiegel kon ik de weg achter me niet zien omdat de achterbak vol was gepropt met koffers en tassen.) De auto zat zowat op mijn bumper.

Snel ging ik naar rechts. Het duurde even voordat de wagen langszij kwam – het was een wat oudere Golf type 4 met erin vier mannen. Alle vier lieten ze me met nijdige kale koppen hun middelvinger zien.

Meteen daarna voelde ik een stoot adrenaline door mijn lijf gaan.

Ik zwaaide met een vrolijk gezicht terug en gaf ze een bemoedigende duim omhoog. ‘Goed bezig, jongens,’ zeiden mijn lippen geluidloos maar met uitvergrote bewegingen, zodat ook de mindere liplezers in de Golf het zouden kunnen snappen.

Meteen daarna voelde ik een stoot adrenaline door mijn lijf gaan. Ik maak er al een tijd een gewoonte van om met overdreven vrolijkheid en bemoediging naar asociale rijders te reageren. Maar erna voel ik altijd een flinke dosis irritatie en frustratie.

Ik kan er niet tegen als mensen wegkomen met asociaal gedrag. En niks is erger dan asociaal gedrag op de snelweg omdat er altijd blik en hoge snelheden tussen mij en die asociale rijders in zitten. Ik kan niet even verhaal gaan halen. Laat staan dat ik ervoor kan zorgen dat ‘dat soort mensen’ voor eens en voor altijd ophoudt met dat agressieve gedoe.

Dus ben ik het laatste stuk naar huis gaan nadenken over manieren om wel iets terug te kunnen doen.

Het eerste wat in me opkwam was een pistool trekken.

In ieder geval, bedacht ik, moest ik iets doen wat de aandacht trekt op een snelweg. Een goed gesprek met argumenten en nuance viel dus af.

Het eerste wat in me opkwam was een pistool trekken. Vanaf nu zou ik een niet-van-echt-te-onderscheiden nepgun in m’n handschoenenvakje hebben liggen. Het gaf me even een lekker gevoel. Go ahead, punk, make my day, dacht ik.

Maar al snel kreeg ik angstbeelden van rechtshandhavers die dit blog zouden lezen en me zouden aanklagen voor aanzetten tot geweld.

Bovendien moest ik wel iets doen waar ‘dat soort mensen’ ontzag voor heeft maar ik moest me niet verlagen. ‘When they go low, we go high,’ zei Michelle Obama al.

Ik was wanhopig. Ik wilde beleefd blijven. En ik wilde hun respect.

Wat me wel aanstond in het pistool is dat het iets is wat agressieve mensen respecteren. Want als je mensen wilt aanspreken, moet je contact met ze maken. Toen dacht ik, dankzij dat idee van contact maken én Michelle Obama, aan een mooie uitspraak: l’humour est la politesse du désespoir.

Humor is de beleefdheid van wanhoop. Ik was wanhopig. Ik wilde beleefd blijven. En ik wilde hun respect. Humor!

Daarom ga ik binnenkort borden laten maken met snedige replieken erop. Die leg ik dan in de auto, klaar voor de eerstvolgende snelwegaso.

De eerste ideeën: ‘Ik weet jouw huis te wonen,’ ‘Je hebt vast een heel kleine piemel,’ (oké, niet zo heel beleefd) en: ‘Voor elke middelvinger doneer ik 1.000 euro aan Natuurmonumenten.’

Ik hou me aanbevolen voor betere ideeën in de comments! Van de beste drie ga ik echt borden laten maken.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een bedrijf, een dochter, een hond en een vriendin.