It’s all personal, every bit of business

Cisco is maandagochtend om vijf uur overleden. In de nacht van zondag op maandag kon hij alleen nog maar staan hijgen met een hulpeloze blik. Mijn vriendin en ik hebben hem in laten slapen op de Spoedkliniek Gezelschapsdieren – onze handen op zijn vacht, geruststellende woorden in zijn oren.

Tot donderdag was er niks aan hem te merken geweest. Hij had gerend, gesprongen en zijn neus aan alles afgeveegd als een gezonde hond. Maar een tot dan toe onopgemerkte tumor in zijn hart was gaan bloeden. De bloeding vulde zijn hartzakje waardoor zijn hart in de knel kwam en niet meer goed kon pompen. Hierdoor kreeg hij te weinig zuurstof in zijn lichaam. Vandaar het hijgen. Hij was letterlijk doodsbenauwd.

Sinds maandagochtend lijkt de kleur weg uit ons leven. Cisco was een volwaardig lid van ons gezin. Hij was mijn Grote Vriend. Er wonen drie mensen maar ons huis voelt leeg.

Is een verdrietig mens per definitie geen werkend mens?

Sinds Cisco’s dood vertel ik iedereen erover: familie en vrienden maar ook zakelijke relaties met wie ik toevallig contact heb. Ik vind dat ik het moet vertellen, als therapie, maar zeker ook uit respect voor mijn relatie met degene aan wie ik het vertel.

Tegelijk ben ik er ook onzeker over. Is het te privé? Klinkt het als het zwelgen van een overemotioneel mannetje? Moet ik me met andere dingen bezig houden, zoals een onderneming runnen, klanten bedienen en meer afstandelijke columns schrijven? Moet ik niet gewoon weer volop aan het werk?

Maar ik denk ook: kun je de draad van je werkende leven simpelweg oppakken als je rouwt? En: is een verdrietig mens per definitie geen werkend mens?

Waarom zouden we werk en verdriet niet kunnen combineren?

Ten eerste opereer je in verdriet anders dan wanneer je blij, boos of bang (of, zoals we dat op het werk noemen, gestrest) bent. Je vertraagt. Je bent sneller moe, minder geconcentreerd en vergeetachtiger vanwege de grote hersencapaciteit die verdriet opslurpt. En je slaapt minder goed omdat er meer adrenaline door je lijf giert.

Je hebt dan misschien wel een onderneming of een baan, maar je hebt niet de energie om daar op dezelfde manier mee bezig te zijn als wanneer je bijvoorbeeld blij bent. Dat van jezelf, of anderen, verwachten is niet terecht.

Ten tweede, en vooral: waarom zouden we werk en verdriet niet kunnen combineren?

Werk, zeker in de eenentwintigste eeuw, kan niet zonder samenwerking. Verbindingen tussen werkende mensen zijn onontbeerlijk. En ook creativiteit is cruciaal voor ons moderne werkende leven. Zonder zelfexpressie en authenticiteit kan creativiteit niet bestaan.

Voor samenwerking en innovatie is maar één route: het persoonlijk maken.

Als ik het verhaal van Cisco en mijn verdriet om hem onder stoelen en banken zou steken, zou ik een essentieel stuk van mijzelf weglaten. Ik zou het de mensen met wie ik werk onmogelijk maken zich echt met mij te verbinden. En ik zou het idee voeden dat wat ik voel er niet helemaal kan zijn. Ik zou aan zelfcensuur doen. Hoe kan ik dan flow ervaren in mijn werk?

Als we echt willen samenwerken, zullen we echt verbinding aan moeten gaan. Als we echt willen innoveren, zullen we echt onszelf tot expressie moeten laten komen. En voor beide is maar één route: het persoonlijk maken.

Michael Corleone zei het al: ‘It’s all personal, every bit of business.’ Je persoonlijke verhaal vertellen ís werken.

Daarom (en omdat het therapeutisch werkt) vertel ik nu over Cisco en mijn verdriet om hem. Niet om erin te zwelgen of ermee te dwepen maar om de verbinding open te houden, om mezelf te laten zien zoals ik ben. Nu op dit moment.

De doden krijg ik er niet mee terug. Maar mijn leven en werk met de levenden worden er wel beter van.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een dochter, een vriendin, een blog, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina en hij had een hond.


 

Advertisements

Bluffen is dodelijk

‘Als ik ga slapen vraag ik de monsters altijd of ze lief voor me willen zijn.’ ‘Doen ze dat dan?’ ‘Ja.’ ‘Wat fijn.’ ‘En ik doe alsof ik een wolf ben, voor nep. Dan eten de wolven me niet op.’ ‘Slim.’ ‘Ja. Maar eigenlijk zijn het allemaal nepwolven.’ ‘O? Dus iedereen doet alsof-ie een wolf is zodat-ie niet opgegeten wordt door de andere wolven die eigenlijk ook nepwolven zijn?’ ‘Ja.’

Zondagochtend. Mijn dochter Loulou en ik in onze pyjama’s op de bank. Gespreksonderwerp: enge dromen.

Doodgeschoten worden vanwege het omstoten van een drankje

Niet lang daarvoor zag ik dat rapper Feis doodgeschoten was op nieuwjaarsnacht. Reden: het omstoten van een drankje.

Niet lang dáárvoor keek ik naar Louis Theroux’ Murder in Milwaukee, over een deel van de stad waarin twaalf keer zo veel moorden worden gepleegd als het landelijk gemiddelde. Veelal gaat het om drugs maar net zo vaak gaat om het rechtzetten van een belediging op social media. En soms is de aanleiding een simpele fender bender door een lichte aanrijding van achter.

En redelijk kort voor ik die documentaire keek had ik via een goede bekende een krantenartikel doorgestuurd gekregen. Journalist Willem Feenstra vroeg zich af waarom irritaties in het verkeer uit kunnen lopen op dodelijke ongelukken. Twee voorvallen op de weg hadden de week daarvoor vier doden tot gevolg gehad.

Vraag de monsters of ze lief voor je willen zijn.

Drie voorbeelden van dodelijke incidenten in een week tijd. Naast dat het me bijna te veel werd, zette het me ook aan het denken. Waarom in godsnaam? Waarom elkaar het leven ontnemen om zulke onbelangrijke dingen?

Loulou gaf afgelopen zondagochtend het antwoord: eigenlijk zijn het allemaal nepwolven die niet door wolven willen worden opgegeten. Maar als iedereen een nepwolf is, loopt in princípe niemand het gevaar opgegeten te worden.

Het beste advies kwam ook afgelopen zondagochtend van Loulou: vraag de monsters of ze lief voor je willen zijn.

Dat klinkt als iets wat alleen meisjes-van-vier kunnen vragen. Maar de reden dat het werkt om een monster (dat, by the way, ook alleen maar doet alsof-ie een monster is) te vragen om lief te zijn, is niet dat een meisje-van-vier het vraagt.

Ons hele leven staat bol van onszelf opblazen om niet omgeblazen te worden.

De reden dat het werkt is dat niemand dat ooit aan monsters vraagt. Monsters krijgen alleen maar monsters voor hun neus, net zoals nepwolven alleen maar nepwolven voor hun neus krijgen.

En dit gaat niet alleen over doodgeschoten worden omdat je een glas om stoot of iemand op social media beledigt of over doodgereden worden omdat je iemand afsnijdt. Ons hele leven staat bol van onszelf opblazen om niet omgeblazen te worden.

Denk aan dat verjaardagsfeestje waarop je over je baan vertelt waardoor het nét dat beetje cooler klinkt, die rapportage aan je baas waarin je de zaken nét iets rooskleuriger voorstelt dan je waar kunt maken of die foto op Instagram waardoor je er nét wat beter uitziet dan in het echt.

Bluffen is leuk en soms zelfs nuttig, maar als we dat verheffen tot een maatschappelijke standaard leidt dat tot onnodige stress en soms zelfs tot onnodige doden.

Dus: doe als een meisje-van-vier en vraag die ander of-ie lief voor je wil zijn.

En: doe als een monster en wees lief als iemand je vraagt of je lief wilt zijn.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een dochter, een hond, een vriendin, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina.


 

 

NS-conducteurs in 0,002 procent van gevallen geconfronteerd met geweld

‘NS-conducteurs circa vier keer per jaar geconfronteerd met geweld.’ ‘Strijd tegen geweld in en rond treinen gaat moeizaam.’ ‘Hevige agressie in de treinen: geweld en spuug tegen treinpersoneel.’ Zomaar wat koppen van internet.

Als je de media mag geloven is het een groot strijdtoneel op en om het spoor.

Als je de media mag geloven is het een groot strijdtoneel op en om het spoor.

Sinds een paar weken ga ik weer regelmatig met de trein. Ik kijk mijn ogen uit door de dingen die je mag verwachten van een moderne treinreis: drommen mensen die zich, (bijna) allemaal even netjes verzorgd, in net-niet-te-krappe ruimtes proppen terwijl ze vrijwel continu in hun telefoon en/of laptop kijken.

Maar laatst viel me iets op wat eigenlijk erg voor de hand ligt maar helemaal niet zo normaal is: het gaat allemaal goed.

Ik heb er misschien nog geen twintig spitsritjes op zitten deze maand maar tijdens die reizen zijn er al wel duizenden mensen met mij mee gereisd. En níémand sloeg een ander op zijn bek of schold een ander zelfs maar uit.

Het belangrijkste negatieve wat er in sociale zin gebeurd is is dat ik en een jongen samen een snurkende man uitlachten. En dat was in sociale zin ook positief want het schiep meteen een bandje tussen die jongen en mij.

‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving.’

Sterker nog, ik heb juist best wat vriendelijke uitwisselingen gehoord en gezien tussen treinreizigers. Vanochtend nog maakten de jongen naast me en ik een grapje over plastic bladeren op de rails – niet echt een goeie grap, zelfs als je erbij was, maar wel vriendelijk bedoeld.

In 2017 reisden er ruim 470 miljoen mensen met de trein. Als je dat afzet tegen de vier keer per jaar dat een conducteur met geweld geconfronteerd wordt, komt dat neer op 0,002 procent van alle reizigers waar de 2.800 conducteurs van de NS mee in aanraking komen. Dat is nog altijd een factor duizend minder dan het percentage mensen dat in aanraking komt met huiselijk geweld.

Ooit kreeg ik van een bekende gedragsbioloog – wiens naam ik heb beloofd niet te noemen – te horen dat wij het zo slecht nog niet doen, omdat andere dieren het nóg veel slechter doen. Ik was bezig met onderzoek voor mijn eerste boek en had hem gevraagd waarom hij denkt dat mensen zo naar doen tegen elkaar.

Zijn letterlijke antwoord was: ‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving, zelfs al zijn we niet zo aardig als u graag zou zien. Er zijn namelijk talloze dieren die alleen maar vijandig tegen vreemden kunnen zijn. Dus mijn antwoord zou zijn te benadrukken hoe goed we het doen gezien de omstandigheden, in plaats van hoe slecht.’

In een beroep waarbij je gemiddeld een kleine 170 duizend mensen per jaar tegenkomt krijg je de mens in al zijn verschijningsvormen te zien.

Destijds was dit voor mij geen bevredigend antwoord. Wat hij me gaf was een beschrijving van ons gedrag ten opzichte van dat van andere dieren. Maar het was geen verklaring en dáár was ik toen naar op zoek.

Maar als je er goed over nadenkt, ís het enorm opmerkelijk. We zijn niet die ‘talloze dieren’ maar we zijn wel dieren. En in het dierenrijk is vijandig en ontwijkend gedrag tegen onbekenden normaal. Er is geen enkel ander dier dat elke dag weer vrijwillig onbekende soortgenoten opzoekt, zonder de bedoeling ze te bevechten – en in 99,998 procent van de gevallen ze ook daadwerkelijk niet bevecht.

Ik kijk daarom tegenwoordig met plezier naar voortbewegende mensenmassa’s in de stad, glimlachende ontmoetingen aan receptiebalies en vriendelijke uitwisselingen tussen toevallige passanten. Het is als een niet-geregisseerde en intuïtief en gracieus uitgevoerde dans.

Dat NS-conducteurs daar anders naar kijken, dat snap ik. Maar in een beroep waarbij je gemiddeld een kleine 170 duizend mensen per jaar tegenkomt gaan andere wetten spelen. Dan krijg je de mens in zijn talloze verschijningsvormen te zien. Ook mooi.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een dochter, een hond, een vriendin, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina.


 

Snelwegaso’s hebben een kleine piemel

Zaterdag reed ik met het gezin terug van een heerlijke vakantie in Oostenrijk. We waren ergens op de A3 tussen Oberhausen en Arnhem. Ik reed op de linker baan. Net daarvoor had ik een auto ingehaald, een paar honderd meter voor mij reed een vrachtwagen en ik dacht dat er niemand achter me zat.

Voor mijn gevoel dook uit het niets opeens een VW Golf met Nederlands kenteken op in mijn buitenspiegel. (Door mijn binnenspiegel kon ik de weg achter me niet zien omdat de achterbak vol was gepropt met koffers en tassen.) De auto zat zowat op mijn bumper.

Snel ging ik naar rechts. Het duurde even voordat de wagen langszij kwam – het was een wat oudere Golf type 4 met erin vier mannen. Alle vier lieten ze me met nijdige kale koppen hun middelvinger zien.

Meteen daarna voelde ik een stoot adrenaline door mijn lijf gaan.

Ik zwaaide met een vrolijk gezicht terug en gaf ze een bemoedigende duim omhoog. ‘Goed bezig, jongens,’ zeiden mijn lippen geluidloos maar met uitvergrote bewegingen, zodat ook de mindere liplezers in de Golf het zouden kunnen snappen.

Meteen daarna voelde ik een stoot adrenaline door mijn lijf gaan. Ik maak er al een tijd een gewoonte van om met overdreven vrolijkheid en bemoediging naar asociale rijders te reageren. Maar erna voel ik altijd een flinke dosis irritatie en frustratie.

Ik kan er niet tegen als mensen wegkomen met asociaal gedrag. En niks is erger dan asociaal gedrag op de snelweg omdat er altijd blik en hoge snelheden tussen mij en die asociale rijders in zitten. Ik kan niet even verhaal gaan halen. Laat staan dat ik ervoor kan zorgen dat ‘dat soort mensen’ voor eens en voor altijd ophoudt met dat agressieve gedoe.

Dus ben ik het laatste stuk naar huis gaan nadenken over manieren om wel iets terug te kunnen doen.

Het eerste wat in me opkwam was een pistool trekken.

In ieder geval, bedacht ik, moest ik iets doen wat de aandacht trekt op een snelweg. Een goed gesprek met argumenten en nuance viel dus af.

Het eerste wat in me opkwam was een pistool trekken. Vanaf nu zou ik een niet-van-echt-te-onderscheiden nepgun in m’n handschoenenvakje hebben liggen. Het gaf me even een lekker gevoel. Go ahead, punk, make my day, dacht ik.

Maar al snel kreeg ik angstbeelden van rechtshandhavers die dit blog zouden lezen en me zouden aanklagen voor aanzetten tot geweld.

Bovendien moest ik wel iets doen waar ‘dat soort mensen’ ontzag voor heeft maar ik moest me niet verlagen. ‘When they go low, we go high,’ zei Michelle Obama al.

Ik was wanhopig. Ik wilde beleefd blijven. En ik wilde hun respect.

Wat me wel aanstond in het pistool is dat het iets is wat agressieve mensen respecteren. Want als je mensen wilt aanspreken, moet je contact met ze maken. Toen dacht ik, dankzij dat idee van contact maken én Michelle Obama, aan een mooie uitspraak: l’humour est la politesse du désespoir.

Humor is de beleefdheid van wanhoop. Ik was wanhopig. Ik wilde beleefd blijven. En ik wilde hun respect. Humor!

Daarom ga ik binnenkort borden laten maken met snedige replieken erop. Die leg ik dan in de auto, klaar voor de eerstvolgende snelwegaso.

De eerste ideeën: ‘Ik weet jouw huis te wonen,’ ‘Je hebt vast een heel kleine piemel,’ (oké, niet zo heel beleefd) en: ‘Voor elke middelvinger doneer ik 1.000 euro aan Natuurmonumenten.’

Ik hou me aanbevolen voor betere ideeën in de comments! Van de beste drie ga ik echt borden laten maken.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een bedrijf, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Mensen nemen het liefst geen verantwoordelijkheid

Mede verantwoordelijk zijn is niet verantwoordelijk zijn. Als het onduidelijk is wie iets zou moeten doen, gebeurt er vaak niets. Het probleem is alleen, in elke situatie waar meer dan één persoon aanwezig is is niemand honderd procent verantwoordelijk. Gevolg, er gebeurt te weinig en we wachten te veel op elkaar.

‘Pardon,’ zei ik en deed de tweede deur open van een koeling bij de groenteafdeling van de Albert Heijn. De dame naast me, die de eerste deur open had gedaan, reageerde amper tot niet op mijn verontschuldiging.

Ik vond snel wat ik zocht, sneller dan mijn winkelgenoot. Om de tweede deur bij het dichtdoen niet tegen haar aan te gooien liet ik hem open. Al snel vond de dame ook wat ze zocht en ze sloot de deur. Haar deur. De mijne liet ze open.

Een klein voorbeeld. Maar erin verscholen liggen heel veel andere voorbeelden.

Het komt zo vaak voor dat je je af kunt vragen of het nou typisch menselijk is of typisch Nederlands.

Het bordje waarvan je broertje of zusje had gegeten en waarover je moeder vraagt of je het naar de keuken wil brengen – ‘Ik heb het toch niet vies gemaakt?!’ De verpakking die iemand voor je vlak naast de prullenbak gooit – je voelt wel de neiging er iets van te zeggen maar niet de aandrang om het zelf op te rapen. De collega die niet doet wat was afgesproken – ‘Zijn leidinggevende zou hem eens moeten aanspreken!’ Of de medewerker die iets niet doet wat hij wel zou kúnnen doen – ‘Dat is toch niet míjn verantwoordelijkheid?’

Het komt zo vaak voor dat je je af kunt vragen of het nou typisch menselijk is of typisch Nederlands. Is het onze natuur of onze cultuur?

Maar misschien voel je nu allereerst de neiging om op te komen voor de vrouw van de koelingdeur. Misschien vind je dat ik mijn eigen deur had moeten dicht maken. Ik had hem toch ook open gemaakt?

Maar zit er niet altijd ambiguïteit in de voorbeelden hierboven en in al die andere voorbeelden die je zelf kunt bedenken? Van welke situatie waar meer dan één persoon aanwezig is kun je zeggen dat één van hen honderd procent verantwoordelijk is?

Wat maakt dan dat het voor ons zo moeilijk is om dan toch maar honderd procent verantwoordelijkheid te némen als de ander dat niet doet?

Niemand maakt zich continu zorgen om al het leed in de wereld en zelfs niet om alle mensen in hun directe omgeving. Dat is gewoon te veel.

Het antwoord is dat het zowel onze natuur als onze cultuur is.

Allereerst is het typisch menselijk om je zo beperkt mogelijk verantwoordelijk te voelen. Mensen die zich mentaal en fysiek druk maakten om alles en iedereen in de gemeenschap hebben het in de evolutie niet gered. Die verspilden hun energie. Choose your battles is niet voor niks een spreekwoord.

(Nu zijn er vast mensen aan wie je meteen moet denken van wie je vindt dat die zich druk maken om alles en iedereen. Maar ik durf te wedden dat dat reuze meevalt als je naar de feiten kijkt. Niemand maakt zich continu zorgen om al het leed in de wereld en zelfs niet om alle mensen in hun directe omgeving. Dat is gewoon te veel.)

We willen niet meegetrokken worden in de slipstream van andermans gêne.

Het is óók typisch Nederlands om ons op deze manier en in deze mate te onttrekken aan medeverantwoordelijkheid. Beter gezegd, het is typisch westers. Er zijn culturen, en vooral de Aziatische staan daarom bekend, waarin het veel normaler is om je te bekommeren om de mensen om je heen, om je druk te maken over de vraag of iedereen wel doet wat-ie zou moeten doen en om iets te doen wat een ander nalaat.

Wij zijn opgegroeid met de gedachte dat het individu verantwoordelijk is voor zijn daden, voor zijn successen en zijn miskleunen. Dan kunnen we er maar beter voor zorgen dat we niet te veel betrokken zijn bij de ander. We zouden zomaar meegetrokken kunnen worden in zijn slipstream van gêne.

Voor de duidelijkheid, deze typisch westerse mentaliteit kon alleen maar ontstaan omdat we als dier hier dus voor geprogrammeerd waren. In onze cultuur is de volumeknop alleen wat hoger gezet dan in andere.

Niemand van ons wordt ooit een fulltime weldoener.

Weer terug naar de koeling. Was deze westerse vrouw bezig met de vraag of ik iets deed waar zij sociaal gezien last van zou ondervinden? Nee, niet bewust, nee. Maar haar aangeboren talent en aangeleerde gewoonte zich te onttrekken aan wat anderen doen leidden er wel toe dat ze automatisch niet met mijn deel van de wereld bezig was.

Het slechte nieuws is: niemand van ons wordt ooit een fulltime weldoener. (Maar goed, je kunt je afvragen voor wie het goed nieuws zou zijn als dat wel in het verschiet lag. Doodmoe zouden we ervan worden, de weldoener én de welgedanen. De evolutie heeft het niet voor niets uitgesloten.)

Het goede nieuws is: we kunnen wel léren om ons parttime te bekommeren om de vage gebieden van medeverantwoordelijkheid. De Chinezen hebben het bewezen.

Zoek elke dag tenminste één ding wat je kunt oppakken wat een ander ook had kunnen doen.

Maar hoe dan? vraag je je nu wellicht af. Welaan, klein beginnen, zou ik zeggen. Begin bij een koeling van de Appie. Of sta sowieso even stil voor je een winkel in loopt en neem je dan voor op de anderen in de winkel te letten. Kijk wat je kunt doen. Doe hetzelfde thuis of op je werk.

Zoek elke dag tenminste één ding wat je kunt oppakken wat een ander ook had kunnen doen. Alleen al het zoeken zal je anders doen kijken en daarom anders doen handelen.

En vergeet je kinderen niet, als je die hebt. Geef hun soortgelijke opdrachtjes: het bordje van hun broertje of zusje naar de keuken brengen, een (niet te vies) papiertje van straat in de prullenbak gooien, een onbekende voor laten gaan de winkel in, speelgoed weggeven, en vooral zelf laten nadenken wat ze vandaag voor een ander kunnen doen.

En maak daar een leuk spelletje van. Daag ze uit. Beloon ze. Doe mee.

Uiteindelijk heb ik de koeling maar dicht gedaan. Dat was mijn kleine oefening voor die dag. Mijn volgende oefening wordt om geen mening te hebben over de mevrouw die de deur open liet…


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een bedrijf, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Wie het eerste ruikt moet het zeggen tegen degene die z’n kontje heeft gebruikt

Uit onderzoek blijkt dat schaamte afneemt wanneer de schamers zichzelf kunnen verplaatsen in de waarnemers van de situatie. Als je dus getuige bent van een gênante situatie, laat weten hoe je die ervaart. Dan doe je de daders van gênante acties een plezier.

Ik neem dit jaar geen vakantie. Te veel dingen die ik wil doen. Als gevolg hiervan zit ik veelal alleen op kantoor, een kantoor dat ik – buiten vakantietijd – deel met andere ondernemers.

Nu hebben niet al te lang geleden een paar dames zich bij ons groepje huurders gevoegd. Tot die tijd waren we met vier à vijf mannen. En tot die tijd maakten we geen onderscheid tussen het heren-, invaliden- en damestoilet.

Daardoor mag ik nog altijd graag ook eens in de zoveel tijd gebruik maken van het damestoilet om een grote boodschap te doen. Niet om een bijzondere reden. Gewoon, om niet elke dag op dezelfde wc te zitten (en omdat de mannen-wc gewoon veel vaker gebruikt wordt en daarom niet zo schoon is – oké, daarom ook).

Ik ga natuurlijk wel alleen als er geen dames aanwezig zijn die dag.

Toen ik net vijf minuten weer op m’n plek zat, kwam Sara voorbij.

Zo ook vandaag. Ik had in het eerste uur dat ik op kantoor was niemand gezien dus ik waande mij alleen voor de rest van de dag. Daarom durfde ik het ervan te nemen.

Toen ik net vijf minuten weer op m’n plek zat, kwam ‘Sara’ voorbij. ‘Goeiemorgen!’ zei ze opgewekt. ‘Goeiemorgen!’ zei ik, in een poging ook opgewekt te klinken. Ik hoopte dat ze niet merkte dat ik het wat warm kreeg en van binnen een klein beetje in elkaar kroop.

Want wat als Sara snel naar het toilet moet? Dan merkt ze geheid dat er iemand voor haar was geweest. En dan kan ze alleen maar concluderen dat ik op ‘haar wc’ moet hebben zitten…

En het lijkt erop dat ze binnen ‘afruikbare tijd’ na mij is gegaan.

Nu wens ik al de hele dag dat het gesprek op een of andere manier komt op mijn damestoiletbezoek.

Nu wens ik al de hele dag dat het gesprek op een of andere manier komt op mijn damestoiletbezoek. Dan kan ik Sara mijn excuses aanbieden en vertellen dat ik niet wist dat ze er zou zijn vandaag, dat ik het toilet altijd netjes achterlaat en dat ik haar toilet gebruikt heb omdat de mannen nou eenmaal niet zo fris is als de vrouwen.

En dan zou zij niet van me kunnen denken dat ik een vieze man ben en zou ik me niet zo opgelaten voelen.

Maar dat is natuurlijk een onmogelijke wens. Zo werkt het niet.

Want hoe vaak confronteren we elkaar met een gênante situatie die iedereen stiekem allang kent? Als de adem van je buurman stinkt, je gesprekspartner een scheetje laat of je baas niemand kan boeien met zijn presentaties, doe je daar dan wat mee?

Uit onderzoek blijkt dat schaamte afneemt wanneer de schamers zichzelf kunnen verplaatsen in de waarnemers van de situatie.

Als je maar een beetje op een mens lijkt zal je antwoord ‘nee’ of tenminste ‘bijna nooit’ moeten zijn. En dat is jammer.

Want uit onderzoek blijkt dat schaamte afneemt wanneer de schamers zichzelf kunnen verplaatsen in de waarnemers van de situatie. Als je als waarnemer laat weten hoe je de situatie ziet dan doe je de daders van gênante acties dus een plezier.

Plus, als je benoemt wat de ander deed krijg je meestal een verklaring voor het gedrag. Die verklaring zorgt ervoor dat jij meer begrip krijgt voor de schamer.

Zo breng je dader en waarnemer, schamer en oordeler of gewoon mens en mens – weer wat dichter bij elkaar. En dat is, behalve in een toilet, altíjd een goede zaak.


Olav de Maat is schrijver, sociaalgedragscoach en organisatieadviseur (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Nederlanders klagen bozig en lafhartig – en da’s oké, vinden Nederlanders

Dreetje Hazes schalde ‘wie kan mij vertellen wat ik gisteren heb gedaan’ door onze achtertuin. De stem van de jonge volkszanger kwam me tegemoet toen ik de tuin in liep om mijn vader te helpen de achtergevel van ons nieuwe huis in de grondverf te zetten.

‘Hallo! Kan die radio wat zachter?! Het is door het hele bos te horen!’

Het kwam van het silhouet van een man dat te zien was door de rieten schutting van onze achtertuin. ‘Natuurlijk!’ riep ik terug. ‘Sorry! Mijn vader is al wat ouder. Hij hoort niet meer zo goed,’ zei ik er nog snel met een lachje achteraan. Het silhouet verdween zonder verder iets te zeggen uit het zicht.

De radio hadden we tussen de huisraad van de vorige bewoners gevonden. Terwijl ik de ramen aan de zijkant aan het verven was had ik al gehoord dat mijn vader het oude Philips-ding, waar hij alleen 100% NL op had kunnen vinden, nogal hard had gezet.

Als je er wél over nadenkt is dit eigenlijk gewoon raar gedrag.

Het silhouet had gelijk, dus. Maar was het niet een beetje te kortaf geweest?

Als je er niet over nadenkt, is dit een gangbaar ritueel: radio staat hard, buurman is boos, buurman roept. Maar als je er wél over nadenkt is dit eigenlijk gewoon raar gedrag.

We wonen nog maar drie weken in dit huis. Met onze achterburen hadden we nog niet kennisgemaakt. Dit was dus onze eerste ontmoeting met een van hen.

Een bruusk ‘hallo!’ was het eerste woord dat hij koos om die ontmoeting in te luiden. Een kort retorisch verzoek was zijn tweede zin en een insinuerende overdrijving zijn derde. En als slot koos hij ervoor om zonder meer weg te lopen. Nogal onbeschoft.

Ik denk dat er meerdere dingen speelden die ervoor zorgden dat het silhouet zich zo gedroeg.

Dit is hoe we het doen. In onze cultuur praat je nou eenmaal kort en to-the-point met onbekenden.

Allereerst denk ik dat mijn achterbuurman zich al een tijdje op had zitten vreten. Hij moet hebben zitten luisteren en op een gegeven moment gedacht hebben: nu is het klaar, het is door het hele bos te horen! Dat dat fysiek onmogelijk was, maakte niet uit. In zijn hoofd was het inmiddels zo. Hierdoor had hij vol adrenaline gezeten toen hij bij de schutting aan was gekomen.

Daarnaast moet er angst in het spel zijn geweest. De man zal nooit toegeven dat hij bang was geweest en hij had vast niet staan trillen als een rietje. Maar íéts van angst speelde zeker een rol.

We hadden elkaar immers nog nooit ontmoet. De belangrijkste info die hij over ons had was dat we heel hard 100% NL luisteren. Wist hij veel wat voor toeren een paar onbekende oer-Hollandse herriemakers zouden uithalen als hij ze zou aanspreken?

En als je bang bent voor iemand, kun je maar beter niet te dichtbij komen.

Tot slot, en wat mij betreft het erg(erlijk)ste: dit is hoe we het doen. In onze cultuur praat je nou eenmaal kort en to-the-point met onbekenden.

Het is schijnbaar oké als je bozig en lafhartig je ongenoegen uit.

Of het nou de kijk-uit-je-doppen is naar de voetganger die het fietspad oversteekt, de ssssjt naar de pratende tieners in de stiltecoupé of de claxon naar iemand die in de weg staat met zijn auto: het gaat allemaal met zo min mogelijk woorden en contact.

Ook aan dit gebruik liggen de frustratie en angst ten grondslag die mijn silhouetbuurman moet hebben gevoeld. Het punt is, de uiting van die frustratie en angst is geaccepteerd. Het is schijnbaar oké als je bozig en lafhartig klaagt. Niemand zegt daar immers wat van. Dát maakt er iets aan doen zoveel moeilijker.

En daarom wil ik juist iedereen oproepen om iets te doen wat ingaat tegen deze gewoonte: als iemand iets doet wat je niet zint, maak er een ontmoeting van.

Bel aan bij die nieuwe buurman met die schallende radio en stel je voor en maak een praatje. Stop voor die voetganger, kijk hem aan en zeg met een glimlach: ‘Ga je gang! En de volgende keer oppassen, hè?’ Loop naar die herriemakers in de stiltecoupé toe, en gebruik woorden met klinkers erin. Stap uit je auto en vraag of je kan helpen met het uitladen van de auto die midden op de weg staat.

En als iemand bozig en lafhartig zijn ongenoegen uit, maak dan ook daar een ontmoeting van.

Ik bel in ieder geval vanavond aan bij de onbekende silhouetbuurman. Dan stel ik me voor en maak ik een praatje. Dat begint met: ‘We hebben elkaar zaterdag al ontmoet, toen u vroeg of de radio zachter kon…’


Olav de Maat is schrijver, sociaalgedragscoach en organisatieadviseur (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.