Wantrouwen bij de weegschaal

Bij de Albert Heijn in Baarn doet iedere zelfbewuste winkelaar aan zelfscannen. Ik dus ook. Het voordeel is dat je je tas meteen inpakt terwijl je je boodschappen uit het schap haalt, niet in de rij hoeft te staan bij de kassa en dus, handig voor de mensenschuwe mensen onder ons, ook niet met andere mensen hoeft te interacteren. Het nadeel (dat niet opweegt tegen de voordelen) is dat je je groenten en fruit zelf moet wegen. Dat gaat doorgaans prima, maar kent soms een paar ongemakken.

Zoals de keer dat ik bij de weegschaal op mijn beurt wachtte. De vrouw voor mij deed achter haar brede rug wat dingen met de weegschaal en een zakje met groente of fruit die ik niet kon zien en liep toen weg. Mijn beurt, dacht ik. Ik legde mijn kiwi’s op de weegschaal, drukte op de knop ‘groene kiwi’s’ en toen op de bonknop. ‘Papier op,’ gaf het ding aan. Onwillekeurig dacht ik iets onaardigs over de mevrouw die voor mij was geweest. Had ze niet even kunnen zeggen dat het papier op was?

In die gedachten liep ik naar de andere weegschaal, waar uiteraard mijn medeweger haar groente en/of fruit stond te wegen. Ik kon me niet beheersen en zei met een halve lach: ‘Het papier was op bij die andere, hè?’ De vrouw draaide zich een kwart naar me om en mompelde iets dat moest doorgaan voor een bevestiging en voegde er ook een halve lach aan toe. Ik liet het er maar bij zitten.

Hoe zit dat? Ik probeerde een verklaring te vinden, terwijl ik verder ging met zelfwinkelen. Ik nam aan dat deze dame in andere situaties prima kan praten. Anders zou ze het niet redden in haar eentje. Dan zou ze niet mogen gaan winkelen zonder begeleiding. Waarom kon ze me niet gewoon waarschuwen? Vindt ze dat elk mens van zijn eigen fouten moet leren?

Vandaag kreeg ik een hint van mezelf. Ik stond weer bij de weegschaal. Deze keer mocht ik Fairtrade-bananen en Jazz-appels wegen. Ik had de bananen bestickerd met het bonnetje en stond op het punt om de appels uit mijn winkelwagen te halen om ze te wegen, toen ik in mijn ooghoek een vrouw ontwaarde die op haar beurt stond te wachten. Ik merkte dat ik min of meer wakker schrok. Ik voelde me betrapt en zei daarom maar iets: ‘O, sorry. Ik moet ook nog even deze appels wegen.’ Terwijl ik de appels snel woog en prijsde, reageerde ze terecht met: ‘O, nee, joh. Doe rustig aan. Toch fijn als je een keer niet gehaast hoeft te winkelen?’ ‘Ja,’ zei ik wat afwezig. ‘Ik geloof dat ik wat stond te dromen.’ ‘Lekker blijven dromen,’ zei ze vriendelijk.

Ik besefte dat ik een paar weken terug eigenlijk ook al een hint had gekregen. Er was toen ook geen papier meer in de weegschaal. Dat ondervond ik deze keer helemaal zelf, zonder tussenkomst van een mevrouw, en een man wilde na mij het bewuste apparaat gebruiken. In het voorbij gaan en wijzend naar de andere weegschaal zei ik: ‘Het papier is op. U kunt beter die daar nemen.’ De man leek eerder verstoord dan dankbaar door mijn opmerking. Ik voelde me bijna schuldig dat ik hem had aangesproken.

Deze drie supermarktweegschaalverhalen vertellen mij iets over hoe we met z’n allen daar rondlopen. Het lijkt wel of we onze sociale knop op ‘uit’ zetten als we boodschappen gaan doen. Lekker zelfscannen met de blik op oneindig. Dat lijkt wel zo, maar ik denk niet dat het zo is. Ik denk eerder dat we onze sociale knop op ‘verdediging’ zetten. We moeten namelijk met heel veel onbekende individuen interacteren in een supermarkt. Dat is een supersociale bezigheid, om al die mensen heen manoeuvreren zonder aanstoot te geven, op te vallen of iets onprettigs met je te laten gebeuren. Wat ik ook in mijn vorige blog zei (zie hier), om te interacteren met onbekenden moeten we een drempel over. Een drempel van het risico om afgewezen, uitgelachen of, erger nog, gewantrouwd of irritant gevonden te worden.

Die drempel is er met een reden. Oorspronkelijk was de mens namelijk een dier dat in een beperkte groep zijn leven doorbracht. Leden van andere groepen werden gewantrouwd, omdat die je voedsel of veiligheid in gevaar konden brengen. En dat we ze wantrouwen is nog steeds zo, omdat evolutie nou eenmaal niet zo snel gaat als onze agrarische, industriële en internetrevoluties zijn gegaan. Alleen jammer dat we dankzij die revoluties een samenleving hebben waar je constant met leden van andere groepen moet interacteren. En nog jammerder dat bijna iedereen altijd oppast om anderen niet te ontrieven en zijn best doet vriendelijk te blijven. Want daarmee is precies de reden om je knop op ‘verdediging’ te zetten verdwenen.

Met een Porsche 911 over de drempel

In de nacht van zaterdag op zondag – de nacht dat Europa echt had gestemd, de nacht van de winst van Conchita Wurst en The Common Linnets, die nacht – liep ik rond kwart voor één over ons park om de hond zijn laatste plas voor de nacht te laten doen. Ik kwam langs een huis waar een Porsche 911 stond geparkeerd. De lichten van de auto stonden nog aan (de kenners onder ons snappen nu dat het een ouder model was; bij nieuwere modellen gaan de lichten uit zo gauw de motor wordt uitgeschakeld), evenals de lichten in huis. Ook de buitenlamp met bewegingssensor sprong aan toen die mijn aanwezigheid waarnam.

‘Dat is niet handig,’ was het eerste dat ik dacht, terwijl ik voorbij liep. Als de autolichten niet uitgedaan werden, zou de eigenaar vervelend verrast worden zondagochtend. Na een meter of tien bleef ik staan. ‘Cisco, blijf,’ zei ik. De hond bleef een paar meter voor me staan en keek me blanco aan, zoals honden dat doen. Ik liep een meter of wat terug en bleef toen weer staan. Ik twijfelde. Wat zou die man wel niet denken, als ik om kwart voor één ’s nachts aanbel? En misschien stond ie op het punt om de auto te gaan gebruiken? Was ie alleen even naar binnen gelopen om iets te pakken?

Op het moment dat ik besloten had de tien meter naar het huis te lopen en aan te bellen, kwam de eigenaar uit zijn woonkamer lopen, naar het raam dat uitkeek op de parkeerplaats voor zijn huis. Vermoedelijk was hij gealarmeerd door de lamp voor zijn huis die aan was gesprongen, want hij tuurde kort naar buiten met een vlakke horizontale rechterhand geklemd tussen het raam en zijn voorhoofd. Ik dacht dat hij me nu wel moest zien, dus ik zwaaide kort, wees naar z’n auto, maakte vervolgens knijpende bewegingen met m’n handen (zoals mensen doen bij de eerste “dansbeweging” van de vogeltjesdans) en wees tot slot nog een keer naar z’n auto. Even leek het erop dat hij mijn richting op keek en me zag. Hij liep weg van het raam en verdween uit beeld, in de richting van de gang waar zijn voordeur zit. Maar toen hij weer in beeld kwam, zag ik hoe hij naar de woonkamer liep en op de bank ging zitten. Zijn ogen, die gewend waren aan het kunstlicht binnen, konden blijkbaar onvoldoende zien van wat er zich buiten afspeelde.

Een gevoel van “ik heb het geprobeerd” kwam over me. Ik draaide me weer om en liep naar Cisco. De hond begon weer te lopen, maar kreeg meteen weer van mij het commando om te blijven staan. Een minuut bleef ik staan waar ik stond. Ik overdacht nog eens hoe vervelend het moest zijn voor de man om de volgende dag een auto aan te treffen met een lege accu. Ook bepeinsde ik nog ’s het ongemak van aanbellen ’s nachts bij een vreemde.

Zonder te weten wat de doorslag gaf, liep ik, deze keer resoluter dan de vorige, op de deur af en belde aan. Ik zag de man aan komen lopen door het melkglas van zijn voordeur. Hij deed niet meteen open, maar keek door een transparant deel in het glas van de deur op ooghoogte, dat als spionnetje diende. Hij zag mij en keek toen naar weerszijden, alsof ie wilde vaststellen dat ik geen trawanten zich verdekt had laten opstellen. Daarna deed hij open en keek me eerst wat meewarig aan. ‘Goeienavond,’ zei ik opgewekt. ‘Hallo,’ zei hij neutraal. ‘Misschien een wat raar tijdstip om aan te bellen, maar u heeft de lampen van uw auto aan laten staan,’ meldde ik hem. ‘O. Da’s niet handig,’ bevestigde hij over mijn schouder kijkend. Ik onderstreepte mijn actie door te zeggen: ‘Ik zou het vervelend vinden als u morgen uw auto aantreft met lege accu.’ ‘Ja…ja…,’ zei hij denkend, ‘dank je wel.’ Hij keek me vriendelijk aan: ‘Ik ga ze meteen uitzetten.’ Hij bleef me nog even aankijken en zei weer: ‘Dank je.’ Terwijl hij zich omdraaide zei ik: ‘Geen probleem. Fijne avond verder.’ ‘Fijne avond.’

Opgelucht liep ik weer naar Cisco, die nog altijd netjes op me stond te wachten. Toen ik bij hem was aangekomen, liep hij weer verder, totaal ongeïnteresseerd in wat de mensen daar zojuist hadden gedaan, blij dat we door konden.

Het kostte me ruim zevenhonderd woorden om dit verhaal te vertellen. Er gebeurde blijkbaar nogal wat tussen het moment dat ik de autolichten zag branden en de man een fijne avond wenste. Naar huis lopend bedacht ik me dat hier wel eens de reden in kon zitten waarom mensen zo vaak verzuimen om aardige dingen tegen elkaar te doen. Nou ben ik langer van stof dan gemiddeld, op papier en in gedachten, maar het mechanisme is denk ik hetzelfde bij veel anderen: we dragen al denkend sociale barrières aan, vermomd als praktische bezwaren, voor iets dat we kunnen doen voor anderen. Niet omdat we anderen niet willen helpen, maar omdat we niet durven.

We moeten een drempel over, een drempel van het risico om afgewezen, uitgelachen of, erger nog, gewantrouwd of irritant gevonden te worden. En die drempel is vaak zo hoog dat we er niet overheen gaan. En dus ervaren we te weinig dat anderen over het algemeen alleen maar blij zijn als je ze helpt.