De een zijn wegwijzer, de ander zijn verdwaalde

Ik woon in het bos. Er wonen minder mensen in “ons” bos dan er mensen willen zijn. Omdat veel mensen (dus) niet in ons bos wonen die daar wel willen zijn, zijn er vaak mensen in ons bos die niet bekend zijn in ons bos, omdát ze niet in ons bos wonen. Het komt dan ook geregeld voor dat mensen me de weg vragen in ons bos.

Zo’n de-weg-vraag-ritueel kent vaak een voorspelbaar patroon. Bij het naderen van de verdwaalden zie je al dat ze de weg kwijt zijn. Ze staan in ieder geval altijd op een kruispunt. Veelal hebben ze een kaart in de hand en draaien – de kaart in dezelfde positie houdend – om hun as en wijzen elkaar de weg aan die ze menen te herkennen op de kaart. Anderen kijken enkel wat ongericht van de ene weg naar de andere of lopen eerst het ene pad in om vervolgens terug te keren op het kruispunt en het andere te proberen, met net zo weinig doorzettingsvermogen.

Als ik dichtbij genoeg ben en ze zien dat ik hun kant op kijk, vragen ze voorzichtig of ik bekend ben in het bos. Vol trots bevestig ik dat dan (want ik vind het mooi, dat ik in het bos woon). Vervolgens vragen ze waar Lage Vuursche, het Pluismeer, Paleis Soestdijk of iets dergelijks is. Als ik hen wijs op de richting die ze moeten lopen, eventueel daarbij aangeef waar ze links en rechts moeten, beginnen de meesten al wat af te haken. Ze zeggen wat meer en korter ‘ja’ en ‘oké’ dan noodzakelijk, alsof ze willen aangeven dat het wel duidelijk is, terwijl ik aan hun blik kan zien dat het helemaal niet duidelijk is. Tot slot lopen ze, onder een snel ‘dank je,’ er vandoor. Vaak hoor ik ze dan weer doorgaan met de discussie over de route, die ze vóór mijn raad ook al voerden.

Wat is dit? Waarom vragen mensen de weg als ze halverwege al niet meer luisteren? Sterker nog, de inzet van de vraag is vaak al zo voorzichtig, dat ik me afvraag of ze überhaupt wel mijn advies willen. Waarom? Ze willen toch daar komen waar ze heen willen?

Ik moet zeggen, zelf doe ik het ook. Als ik in een stad ben waar ik de weg niet ken en iemand geeft me aanwijzingen en ik merk dat ik ze niet goed kan volgen, dan bedank ik zo iemand ook voordat ik echt goed heb begrepen wat ie me probeert uit te leggen. Waarom doe ik dat? Ik wil ook niet verdwalen of niet uitkomen waar ik wilde zijn.

Het is denk ik trots vermengd met beleefdheid. Ik ben te trots om toe te geven dat ik niet zo’n concentratievermogen, ruimtelijk inzicht en geheugen heb, dat ik de aanwijzingen in één keer tot me door laat dringen, voor me zie en onthoud. Ik ben een man per slot van rekening. Overigens hoeft dat niet per se een puur mannelijke kwaal te zijn. De laatste keer dat mij de weg werd gevraagd, liepen de twee verdwaalde vrouwen zelfs in een richting die tegengesteld was aan de koers die ik had aangewezen.

Maar, deze vrouwen konden ook last hebben van een teveel aan beleefdheid. Bij mij werkt het in ieder geval zo, dat ik op een of andere manier mijn tijdelijke gids niet te veel wil belasten. Hoe sneller ik het snap, hoe beter, vertelt mijn onderbewuste me blijkbaar. Want als ik het niet snel genoeg snap, dan is dat vervelend voor die ander, die zijn dure tijd aan mij, domme provinciaal, spendeert.

Maar, bij deze zeg ik tegen alle verkeerd lopende vrouwen en domme provincialen, namens alle wegwijzers in bos en stad: ga niet weg vóór je het goed hebt begrepen en kunt reproduceren. De wegwijzer voelt zich namelijk niet serieus genomen als je met een blanco blik de verkeerde kant op loopt en ‘het later nog wel een keer vraagt.’ En trots is helemaal misplaatst. We’ve alle been there. Immers, de een zijn wegwijzer is de ander zijn verdwaalde.

Geschikt telefoneren

‘Schikt het?’ Dat is een vraag die ik – samen met: ‘Komt het gelegen?’ – regelmatig uitspreek als ik iemand bel. En veel mensen met mij. Terwijl het eigenlijk een on-zin is. Helemaal, omdat er ook veel mensen zijn die, eenmaal deze vraag gesteld, zeggen: ‘Nee, het schikt niet.’ Ik vraag het eigenlijk nooit, maar ik zou dan willen vragen: ‘Waarom neem je dan op, pino?!’

Ik kan eigenlijk maar drie redenen bedenken. De eerste is dat mensen gewoontedieren zijn. Stimulus: de telefoon gaat over. Respons: opnemen. Dat hebben we nou eenmaal zo geleerd. Ik heb het eerste jaar van mijn werkzame leven doorgebracht op de kamer van een planner van een productie- en montagebedrijf. Projectleiders stonden letterlijk in de rij bij zijn bureau. Maar, als de telefoon ging, dan nam ie die meteen op, ook al stonden er mensen tot op de gang in de rij. De tweede is dat mensen te nieuwsgierig zijn om iets te willen missen, hebben geleerd te denken in termen van efficiency en eigenbelang én niet het lef hebben om de waarheid te vertellen. ‘Een onbekend nummer… Wie zou dat zijn?’ Eenmaal opgenomen blijkt het een oninteressant iemand te zijn, dus dan maar zeggen dat het niet schikt. Scheelt tijd, energie en een pijnlijk moment.

Deze eerste twee redenen vind ik onterecht. De eerste zegt namelijk dat je telefoneren niet serieus genoeg neemt. Het is in wezen gewoon interactie van mens tot mens, maar omdat het via techniek gaat, is het een mechanische handeling voor je geworden. De telefoon staat niet meer voor een mens dat belt, maar een apparaat dat geluid maakt. De beller aan de andere kant van de lijn heeft echter wel degelijk het idee dat ie contact zoekt met een mens. Waarschijnlijk omdat ie het nummer met naam heeft opgezocht en een serie handelingen heeft verricht om je te bellen. Dan denkt ie automatisch: ‘Ik bel nu Piet,’ (ofzo). Dat Piet hém niet ziet als mens, verwacht de beller niet.

De tweede reden zegt dat je je nieuwsgierigheid belangrijker vindt dan de ander. Dat is eigenlijk gewoon onbeschoft. Dat je geen tijd hebt om te spreken met mensen die je op een moment bellen dat je belangrijker dingen te doen hebt dan dat waar die beller voor belt, alla. Maar, als je datgene wat je aan het doen bent nou weer niet belangrijker vindt dan je eigen nieuwsgierigheid, dan gaat er iets fout. Dan was dat wat je aan het doen was toch niet zo belangrijk en bungelt degene wiens belletje niet schikt echt helemaal onder aan je ranglijst, namelijk onder dat wat je aan het doen was, dat weer onder nieuwsgierigheid staat.

Reden drie, die ik nog niet had genoemd, is dat de opnemer een ander had verwacht, wiens nummer hij nog niet kent. Die vind ik minder ingewikkeld. De opnemer is dan gewoon abuis. Die moet dan niet zeggen dat het niet schikt, maar dat ie een ander had verwacht.

Het meest humane is om je telefoon uit te zetten als je iets gaat doen waarbij “het niet schikt”. Dan krijg je geen stimulus van je apparaat en kun je achteraf je nieuwsgierigheid bevredigen met voicemails (die je daarna weer kunt negeren). En voor de bellers, dus ook voor mij, geldt: blijf vragen of het schikt. Maar, deze keer, als de opnemer hierop negatief antwoordt, durf dan heel vriendelijk te informeren: ‘Mag ik u vragen met welke reden u dan heeft opgenomen?’ Kijken wat ie doet.