Officieel de remmen los

Ik houd kantoor in een zogenaamd verzamelgebouw. Ik deel het pand met andere ondernemers en ondernemingen. Sommige dingen, zoals de beveiliging, zijn centraal geregeld. Elke dag haalt een medewerker van Gooiland Beveiliging om kwart voor acht ’s ochtends het alarm eraf en elke dag om half zeven ’s avonds doet de beveiliger de laatste ronde door het pand en sluit hij de boel af voor de nacht. Behalve op vrijdag. Dan gaat de boel al om half zes op slot.

Dat laatste wist ik tot niet zo lang geleden nog niet. Ik kwam er op een vrijdag achter toen een man in beveiligingsoutfit om iets voor half zes wat voorzichtig zijn hoofd om de deur van mijn kamer stak. Hij zei niet direct iets, dus ik leidde zelf maar uit zijn aanwezigheid af dat hij de laatste ronde aan het doen was. ‘Hoe laat sluit de tent?’ vroeg ik. ‘Officieel om half zes,’ was zijn antwoord. Ik kon het niet laten om nog even door te vragen: ‘Wat bedoelt u met “officieel”?’ ‘Nou, eigenlijk gewoon dat u om half zes weg moet zijn,’ antwoordde hij wat ongemakkelijk. Ik wilde hem niet langer lastig vallen, dus zei: ‘Oké. Dan ruim ik m’n boeltje op en ga ik. Dank u wel. Fijne avond!’ ‘Fijne avond.’

Nou was het flauw van mij om de woorden van deze lieve man op dat moment zo letterlijk te nemen. Maar wat betekent zo’n woord nou echt? Wat wil iemand nou zeggen als-ie zegt dat iets ‘officieel’ zo is? In ons spraakgebruik zeggen we dat over het algemeen als er ook een ‘officieus’ is. Zo van: officieel is het zus, maar officieus doen we het zo. Dat is niet wat deze man bedoelde. Hij gebruikte de term om zijn poging mij het pand uit te krijgen buiten hemzelf te leggen.

En dat stoorde me niet per se aan hém. Hij was alleen de vertegenwoordiger van al die keren dat mensen de verantwoordelijkheid voor hun woorden en daden buiten zichzelf hadden gelegd omdat ‘anderen’ die hun in de mond of hand hadden gelegd. Dát is waar ik me aan stoorde. Want wat is er mis met een gesprek van mens tot mens? Waarom moet er zo vaak – impliciet of expliciet – een ongenaamd en onzichtbaar iemand of systeem tussen twee mensen in staan als ze aan het werk zijn? En het gebeurt niet alleen op het werk maar op veel meer plekken in het openbare leven.

Ik moest denken aan een verhaal van een omaatje voor wiens huis elke avond een groep jongens rondhing. Die bleven tot ver na haar bedtijd luidruchtig staan wezen. Ze zei: ‘Ik had de politie kunnen bellen, maar dan was ik dat ouwe wijf dat de politie op ze had afgestuurd.’ In plaats daarvan was ze op een avond naar buiten gegaan en had de jongens gevraagd wat rustiger te doen. Dat vonden ze geen probleem. Sindsdien is het na achten rustig.

Het blijkt uit talloos onderzoek dat mensen die zich niet geremd voelen zich veel socialer opstellen.* Laten regels, functiebeschrijvingen en andere opgelegde structuren nou net van die dingen zijn die mensen remmen. Niet zo gek dus, dat de meeste mensen die aan het werk zijn zich bijvoorbeeld minder sociaal opstellen dan als ze thuis zijn: al die regels en procedures, ze leggen de vriendelijkheid in ons lam.

Dus, voor al die managers die zeggen: ‘De directie wil dat we het vanaf nu zo gaan doen,’ voor al die callcentermedewerkers die zeggen: ‘Klachten kunt u richten tot onze klachtenfunctionaris,’ voor alle terrasmedewerkers die zeggen: ‘Ik mag geen bestellingen aannemen,’ (en dan níét op z’n minst zeggen: ‘…maar ik zal uw bestelling doorgeven aan mijn collega.’) en voor al die mensen die zeggen: ‘Ik zeg dit niet als persoon maar vanuit mijn functie’: laat je remmen los!

Het was een lieve man die mij uit m’n kamer kwam wegkijken om iets voor half zes die vrijdag, maar ik zou toch een beter gevoel bij hem hebben gehad als-ie had gezegd: ‘Kom, jongen, het is weekend! We sluiten de tent.’


* Gisteren weer mooi aan herinnerd door Ankje Nauta tijdens een fijne avond met Permanent Beta.


Als je dit blog waardeert, laat dat dan zien: volg dit blog of like Fellow Man op Facebook. En, koop nu mijn nieuwe boek Hufters & helden. Waarom we allemaal aardiger moeten zijn.

Zelfmisleiding loont

Vorige maand werd bekend dat Gerard Bouman, oud-korpschef van de Nationale Politie, tot het eind van 2017 zijn jaarsalaris van 185.000 behoudt. In ruil daarvoor doet hij ‘tijdelijke klussen’. Verantwoordelijk minister Ard van der Steur verdedigde de regeling door te zeggen dat het om normale afspraken gaat die gelden voor topfunctionarissen in de zogenaamde Topmanagementgroep.

Toen ik het nieuws over Bouman hoorde, hield het me wel even bezig. Die man durft, dacht ik, in een korps waar door de ‘werkvloer’ oorlog gevoerd is voor salarisverhoging gaat iemand lachend ‘advieswerk’ doen tegen vier jaarsalarissen van een normale agent. Maar al snel verdween het onderwerp voor mij ook weer naar de achtergrond. Want wat valt er nou eigenlijk over te zeggen? We kunnen allemaal ruiken dat hier iets stinkt. En niet alleen hier. Rond veel vertrekkende topmanagers blijft een luchtje hangen. Al langer is bijvoorbeeld bekend dat oud-hoofdcommissaris van de politie Amsterdam-Amstelland Bernard Welten na zijn aftreden zijn salaris van 259.000 euro doorbetaald krijgt tot aan zijn pensioen. Ten tijde van zijn aftreden had Welten nog tien jaar te gaan tot zijn pensioen. De gemeente Amsterdam is bovendien nog steeds voor de helft eigenaar van zijn woonhuis in Warmond. Ook hij speelt adviseur bij de Nationale Politie maar wat hij precies doet in die rol is onbekend.

Elke keer als zoiets opkomt, ontstaat er kortstondig publiek rumoer, de verantwoordelijke bestuurder verdedigt de keus, de vertrekker behoudt zijn regeling, en we gaan weer over tot de orde van de dag.

Ook al verdwijnt het ook voor mij snel naar de achtergrond, het laat me niet los. Ik vind het fascinerend. Het is een klassiek geval van het klopt wel maar het deugt niet. Van der Steur kan prima uitleggen dat het klopt. Bouman en Welten hebben alle recht om te claimen wat ze krijgen. Maar je zou denken dat ook zij aan hun water voelen dat al hun verklaringen in de oren van ‘het volk’ waardeloos zijn omdat ze niet deugen. Wat maakt dat zulke mensen kunnen blijven vasthouden aan ondeugdelijke verhalen?

Hebzucht. Dat zal het eerste antwoord zijn van mensen die een pessimistisch mensbeeld hebben. Graaiers zijn het, hoor je ze denken. Ik heb geen pessimistisch mensbeeld. Dus mij hoor je dat niet denken. Het is bovendien kortzichtig om zo te denken. Mensen wíllen niet overkomen als hebberige egoïsten. Mensen zien zichzelf graag als moreel. De theorie van cognitieve dissonantiereductie zegt dat als je iets doet wat niet past bij je zelfbeeld, er kortsluiting ontstaat in je hersenen: dissonantie tussen het beeld van wie je denkt te zijn en het beeld van wat je doet. Deze dissonantie is onprettig en die moet je dus reduceren om weer met jezelf in het reine te komen. In plaats van dat de gemiddelde mens zijn zelfbeeld aanpast, past hij zijn beeld van de werkelijkheid aan.

Dus ergens moeten Ard, Bernard en Gerard het voor zichzelf zo kunnen uitleggen dat het weer klopt in hun hoofd. Een verhaaltje over normale afspraken die gelden voor topfunctionarissen, zoals Ard voor Gerard vertelt, lijkt daarvoor nauwelijks afdoende. Helemaal als je bedenkt dat er meteen een heel leger journalisten om Van der Steur heen staat dat met allerlei retorische vragen (‘Snapt u dat de agent op straat hier weinig van zal begrijpen?’) zijn verhaaltje door probeert te prikken. De uitleg die heren zoals deze voor zichzelf bedenken moet dus sterker zijn. Het moet een uitleg zijn waar niemand aan kan komen zodat er ook geen vragen over gesteld kunnen worden die de theorie aan het wankelen kunnen brengen.

Ik moet onwillekeurig denken aan een op het eerste gezicht nogal draconische parallel: Adolf Eichmann. Deze meneer was zo’n 75 jaar geleden verantwoordelijk voor de logistiek van de vernietiging van de Joden. Toen hem tijdens de Nürnberg-processen werd gevraagd waarom hij had gedaan wat hij had gedaan, verklaarde hij op een gegeven moment dat hij een slecht geweten zou hebben gehad als hij níét had gedaan wat hem opgedragen was. Hij vond zichzelf een goed mens en goede mensen doen wat hun taak is. (FYI: een half dozijn psychiaters hadden hem ‘normaal’ verklaard.)

Waarom ik deze parallel trek? Om twee redenen. Eén: ik geloof dat Van der Steur, Bouman en Welten zichzelf ook goede mensen vinden, en slim bovendien. Anders zouden ze niet doen wat ze doen, zo denken zij. Ze zijn, in hun ogen, niet zomaar minister, korpschef en hoofdcommissaris geworden. En slimme, goede mensen maken slimme, goede afspraken. Zo’n afspraak als die over hun beloning is daar gewoon een voorbeeld van. Als andere mensen daar iets van vinden, dan zien die andere mensen het niet goed. Die hebben er immers niet slim en goed over nagedacht. Die hebben bovendien niet de zware functie die zij hebben.

Reden twee: het voordeel van zo’n redenatie is dat je die niet zomaar uit hoeft te spreken. Een leger journalisten is geen militaire rechtbank die je dag na dag ondervraagt tot je je echte beweegredenen openbaart. Je kunt je voor een kluitje journalisten verschuilen achter de formele afspraken en voor jezelf houden dat je denkt dat anderen het niet begrijpen, dat ze niet begrijpen wat het is om jou te zijn.

Het punt is, zegt journaliste Kathryn Schulz, ‘dat we wel in onze eigen geest kunnen kijken, maar niet in die van anderen.’ We kennen niemand zo goed als onszelf. Er is niemand anders met wie we dag in dag uit doorbrengen, door wiens ogen we meekijken en wiens gedachten en gevoelens we meemaken. We hebben een rijk beeld van onszelf en in vergelijking daarmee een nogal pover beeld van anderen. Dat geeft ons de illusie dat we het allemaal goed hebben doordacht en doorleefd en dat anderen er nog geen millimeter van begrijpen. Stiekem zullen de drie heren die illusie dus vast ook koesteren. En dat geeft ze een goed alibi voor ondeugdelijke salarisregelingen.

Het is ook zo: wat weten wij nou van het leven van Ard, Bernard en Gerard? Hoe kunnen wij inschatten welke afwegingen zij maken? Maar, de andere kant is ook waar: wat weten zij nou van het leven van mensen die geen salaris hebben dat anderhalve ton of meer is? Weten de heren (nog) wat het is om je best te doen om rond te komen? Het zou daarom mooi zijn als we allemaal eens in de zoveel tijd in andermans schoenen zouden kunnen lopen. Dan zou alles een stuk beter verdeeld zijn, denk ik.


Als je dit blog waardeert, laat dat dan zien: volg dit blog of like Fellow Man op Facebook. Dank je!