Ik twijfel aan mezelf, dus ik besta

Ik vind het leven moeilijk. Daar werd ik aan herinnerd toen ik dit weekend ontdekte dat Chester Bennington, de voorman van de rockband Linkin Park, zich heeft opgehangen, in juli al – ik was op vakantie in de bergen toen en had blijkbaar het nieuws gemist. Ik was (ben) best wel fan van de muziek en zijn stem. Sinds ik weet dat hij er niet meer is luister ik elke paar uur wel naar een nummer van Linkin Park. (Tip: luister dit nummer met koptelefoon en bekijk het schermvullend voor je verder leest.)

Toen ik een puber was, heb ik gespeeld met ideeën om er een eind aan te maken. Ik ben niet goed in dit spel dat leven heet, was een zin die vaak in mijn gedachten terugkwam.

Na mijn pubertijd heb ik het lange tijd weggezet als gezever van een jochie dat bijzonder wilde zijn en niet wist hoe-ie met zijn gevoel om moest gaan. Het was de tijd van Nirvana, een band met een nummer dat I Hate Myself And I Wanna Die heet en een zanger die echt zijn kunst leefde, zal ik maar zeggen. Door hieraan mee te doen, althans in gedachten, werd ik ook een beetje een Kurt Cobain, dacht ik naderhand.

‘Misschien ben ik zelf wel m’n grootste doofpot.

Maar dankzij Chester denk ik er weer over na. Ik kom tot de conclusie dat ik het leven gewoon echt niet gemakkelijk vind. Op alle vlakken twijfel ik weleens aan mezelf: of ik m’n dochter wel goed begeleid in haar jonge leven; of ik m’n vriendin wel blij maak; hoe ik eruit zie; of m’n tinnitus toch geen hersentumor is, ook al zei de MRI van niet; of m’n ouders en zussen trots op me zijn; of ik m’n vrienden goed behandel; hoe ik me gedraag tijdens m’n werk; hoe m’n bankrekening zich ontwikkelt en of ik m’n gezin wel kan onderhouden; of ik wel genoeg of misschien te vaak opkom voor m’n overtuigingen; of het überhaupt wel ergens op slaat wat ik doe met m’n leven; wat anderen van me denken; en ga zo maar door.

Bij lange na geen redenen om zelfmoord te plegen. En wat belangrijker is, ik denk dat ik bij lange na niet de enige ben die dit soort gedachten heeft.

Waar het me om gaat: dit soort gedachten mag je niet hebben. Als ik ze aan een ander vertel, is de reactie prompt: ‘Nee, joh! Jij?! Je bent hartstikke goed bezig!’ Of, nog beter: ‘Doe niet zo zwaarmoedig, man! Het leven is toch mooi!’

En misschien ben ik zelf wel m’n grootste doofpot. Dit kan ik er nu niet bij hebben, morgen voel ik me vast beter of dit soort gedachten helpen me niet, denk ik vaak. Ik censureer mezelf continu.

‘Op gewoon het leven moeilijk vinden rust nog altijd een taboe.

De laatste jaren zijn er veel bekende namen gevallen voor de verleidingen van depressie. Denk aan acteur Robin Williams, schrijver Joost Zwagerman en zanger Chris Cornell. (De laatste was een goede vriend van Chester Bennington en maakte er niet helemaal toevallig twee maanden vóór hem een einde aan; de sterfdag van Bennington is zelfs de verjaardag van Cornell.) Deze suïcidekaravaan, gecombineerd met de openheid van internet, heeft er onder andere toe geleid dat we nu veel opener over de ziekte praten.

Maar op dat andere, gewoon het leven moeilijk vinden, rust nog altijd een taboe. Het past niet in onze samenleving van ‘succes-betekent-geluk-dus-ongeluk-betekent-geen-succes’. En dat is zonde.

‘Het ergste is dat we onszelf en anderen te kort doen.

Negatieve gedachten en emoties wegstoppen kan voor lichamelijke klachten zorgen. En we sluiten ons af voor anderen als ze ons ‘geklaag’ niet willen aanhoren. Dat is al erg genoeg. Maar het ergste is dat we onszelf en anderen te kort doen.

Als je kunt toegeven dat het leven moeilijk is en dat iedereen aan het worstelen is, kun je niet anders dan jezelf en anderen respecteren. Het leven is geen makkie voor mensen. Al dat gepieker over onszelf en gebeoordeel van elkaar, ga er maar aan staan. Als je desondanks doorzet, ben je al een held.

Vanaf nu zijn daarom mijn gepieker en getwijfel aan mezelf een teken dat ik leef. En een reden te meer om van mijn medemens te houden – en van mezelf, trouwens.

Advertisements

Niet de overspannen werknemer noch zijn baas, maar de verzuimspecialist is het probleem

Deze week is de week van de werkstress. Voor de gelegenheid deed Arbo Unie een onderzoek. Het Financieele Dagblad kopt erover: ‘Niet de overspannen werknemer, maar zijn baas is het probleem.’ Het onderzoek, het artikel en de mensen die erin geciteerd worden maken een hardnekkige misvatting alleen maar hardnekkiger: dat iemand ergens de schuld van moet krijgen.

40 procent van de leidinggevenden denkt dat hun werknemers nauwelijks stress ervaren en 58 procent dat werkstress voortkomt uit een te zwaar takenpakket. Bestuurder Willem van Rhenen van Arbo Unie maakt in het FD-artikel duidelijk dat de leidinggevenden het fout hebben: ‘Uit eerdere onderzoeken blijkt dat werkstress wijdverbreid is en dat niet het takenpakket, maar het gebrek aan autonomie daarvan de hoofdreden is. Ook speelt gebrek aan steun van leidinggevenden, of overmatige hiërarchie een belangrijke rol. Zaken waar hoger management directe invloed op heeft.’ En verzuimspecialist Titus Kramer doet er een schepje bovenop: ‘Het is een reflex om te focussen op degene die zich ziek meldt, maar eigenlijk zouden we ons moeten richten op het baasje. Die is vaak de veroorzaker.’

‘Vooral meneer Kramer strijkt mij tegen de haren in. En dat is niet alleen vanwege het denigrerende “baasje”.

Vooral meneer Kramer strijkt mij tegen de haren in. En dat is niet alleen vanwege het denigrerende ‘baasje’. Het is ook en vooral omdat hij ons aanzet ons op iemand te ‘richten’ die de ‘veroorzaker’ is. Daarmee is hij niet anders dan de leidinggevenden die de bal in veruit de meeste gevallen leggen bij de medewerker zelf omdat die een te zwaar takenpakket zou hebben.

Het werkstressonderzoek en de reacties van meneren Van Rhenen en Kramer storen me. Ze staan voor iets wat ik te vaak tegenkom: mensen geven elkaar de schuld. Bij falen of schandalen moeten er koppen rollen.

In de psychologie heb je iets wat bekend staat als de fundamentele attributiefout (FAF). Die komt erop neer dat mensen slecht gedrag van anderen bij voorkeur toeschrijven aan hun persoonlijkheid. Als er iets fout gaat, ligt het aan de persoon. En de beste manier om de fout op te lossen, is dan om de persoon aan te pakken.

De tegenvechters van de FAF pleiten vooral voor aandacht voor omgevingsfactoren. Titus en Willem zóúden kunnen zeggen dat zij dat soort tegenvechters zijn. Zij zien leidinggevenden immers als belangrijkste factor in de omgeving van de gestreste medewerker. Maar ook Titus en Willem trappen in de fundamentele attributieval.

‘Als een plant groter groeit in de zon dan in de schaduw, wie geef je dan de schuld? De zon of de plant?

Ook zij leggen namelijk de schuld bij een bepaalde groep mensen op basis van een eigenschap waarvan zij aannemen dat die mensen die hebben. Maar dat is onzin. Het is sowieso in de meeste gevallen onzin om het over schuld te hebben.

Als een plant groter groeit in de zon dan in de schaduw, wie geef je dan de schuld? De zon of de plant? En als een medewerker last krijgt van werkstress als zijn baasje hem onvoldoende autonomie geeft, wie geef je dán de schuld? Het baasje of de medewerker?

Praten over schuld in situaties waar er sprake is van interactie is tijdverspilling. Want dat is wat er speelt bij werkstress, en in alle situaties waarin mensen met elkaar te maken hebben: interactie. Het heeft veel meer zin om dan te kijken hoe de interactie in elkaar zit: wat in het gedrag van de een zorgt voor een ongewenste reactie bij de ander en andersom?

En daarvoor heb je… wait for it… interactie nodig. Dus medewerker en leidinggevende, zoek elkaar op. Ga in gesprek. Pluis het uit. Daar word je allebei wijzer van. En stop met vingers wijzen naar stresskippen en baasjes, want daar is – met uitzondering van misschien een onderzoeker, verzuimspecialist of journalist – niemand mee geholpen.


Wil je echt weten wie de schuld heeft van alles wat er mis is in onze maatschappij? Lees dan m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn!