NS-conducteurs in 0,002 procent van gevallen geconfronteerd met geweld

‘NS-conducteurs circa vier keer per jaar geconfronteerd met geweld.’ ‘Strijd tegen geweld in en rond treinen gaat moeizaam.’ ‘Hevige agressie in de treinen: geweld en spuug tegen treinpersoneel.’ Zomaar wat koppen van internet.

Als je de media mag geloven is het een groot strijdtoneel op en om het spoor.

Als je de media mag geloven is het een groot strijdtoneel op en om het spoor.

Sinds een paar weken ga ik weer regelmatig met de trein. Ik kijk mijn ogen uit door de dingen die je mag verwachten van een moderne treinreis: drommen mensen die zich, (bijna) allemaal even netjes verzorgd, in net-niet-te-krappe ruimtes proppen terwijl ze vrijwel continu in hun telefoon en/of laptop kijken.

Maar laatst viel me iets op wat eigenlijk erg voor de hand ligt maar helemaal niet zo normaal is: het gaat allemaal goed.

Ik heb er misschien nog geen twintig spitsritjes op zitten deze maand maar tijdens die reizen zijn er al wel duizenden mensen met mij mee gereisd. En níémand sloeg een ander op zijn bek of schold een ander zelfs maar uit.

Het belangrijkste negatieve wat er in sociale zin gebeurd is is dat ik en een jongen samen een snurkende man uitlachten. En dat was in sociale zin ook positief want het schiep meteen een bandje tussen die jongen en mij.

‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving.’

Sterker nog, ik heb juist best wat vriendelijke uitwisselingen gehoord en gezien tussen treinreizigers. Vanochtend nog maakten de jongen naast me en ik een grapje over plastic bladeren op de rails – niet echt een goeie grap, zelfs als je erbij was, maar wel vriendelijk bedoeld.

In 2017 reisden er ruim 470 miljoen mensen met de trein. Als je dat afzet tegen de vier keer per jaar dat een conducteur met geweld geconfronteerd wordt, komt dat neer op 0,002 procent van alle reizigers waar de 2.800 conducteurs van de NS mee in aanraking komen. Dat is nog altijd een factor duizend minder dan het percentage mensen dat in aanraking komt met huiselijk geweld.

Ooit kreeg ik van een bekende gedragsbioloog – wiens naam ik heb beloofd niet te noemen – te horen dat wij het zo slecht nog niet doen, omdat andere dieren het nóg veel slechter doen. Ik was bezig met onderzoek voor mijn eerste boek en had hem gevraagd waarom hij denkt dat mensen zo naar doen tegen elkaar.

Zijn letterlijke antwoord was: ‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving, zelfs al zijn we niet zo aardig als u graag zou zien. Er zijn namelijk talloze dieren die alleen maar vijandig tegen vreemden kunnen zijn. Dus mijn antwoord zou zijn te benadrukken hoe goed we het doen gezien de omstandigheden, in plaats van hoe slecht.’

In een beroep waarbij je gemiddeld een kleine 170 duizend mensen per jaar tegenkomt krijg je de mens in al zijn verschijningsvormen te zien.

Destijds was dit voor mij geen bevredigend antwoord. Wat hij me gaf was een beschrijving van ons gedrag ten opzichte van dat van andere dieren. Maar het was geen verklaring en dáár was ik toen naar op zoek.

Maar als je er goed over nadenkt, ís het enorm opmerkelijk. We zijn niet die ‘talloze dieren’ maar we zijn wel dieren. En in het dierenrijk is vijandig en ontwijkend gedrag tegen onbekenden normaal. Er is geen enkel ander dier dat elke dag weer vrijwillig onbekende soortgenoten opzoekt, zonder de bedoeling ze te bevechten – en in 99,998 procent van de gevallen ze ook daadwerkelijk niet bevecht.

Ik kijk daarom tegenwoordig met plezier naar voortbewegende mensenmassa’s in de stad, glimlachende ontmoetingen aan receptiebalies en vriendelijke uitwisselingen tussen toevallige passanten. Het is als een niet-geregisseerde en intuïtief en gracieus uitgevoerde dans.

Dat NS-conducteurs daar anders naar kijken, dat snap ik. Maar in een beroep waarbij je gemiddeld een kleine 170 duizend mensen per jaar tegenkomt gaan andere wetten spelen. Dan krijg je de mens in zijn talloze verschijningsvormen te zien. Ook mooi.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een dochter, een hond, een vriendin, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina.


 

Advertisements

Iedereen wil en iedereen heeft een identiteit – maar die zijn niet hetzelfde

Een hoofdje stak nog net boven het stuur uit van de Mercedes die, zo leek het, aan mijn bumper vast zat. Ik reed iets meer dan de maximumsnelheid op de linker baan van de A1 naar Amsterdam. Ik haalde een paar auto’s in.

Niet snel genoeg, denk ik, volgens het Mercedes-meneertje. Toen een verdrijvingsvlak aankondigde dat de snelweg er nog een baan bij kreeg, hield het mannetje het niet meer. Hij haalde me in met razende motor, over de schuine witte strepen.

Achter hem aan en net zo gejaagd kwamen een Golf en een busje. De bestuurder van de laatste toeterde, alsof-ie het punt van het Mercedes-mannetje wilde onderstrepen.

‘When we walk, we become a pack.’

Bumperklevers kennen we allemaal. En auto’s die in stoet-met-weinig-afstand achter elkaar aan over de snelweg sjezen ook. Maar ik had nog niet meegemaakt dat leden van zo’n stoet, met toch heel verschillende types, aan de auto’s te zien, zich als één druk maakten over mensen die hun in de weg zaten.

Vooral het toetertje van de chauffeur van het busje vond ik koddig. Als de dommige hulp van een gangster die, nadat zijn baas iemand heeft geïntimideerd, terwijl hij wegloopt nog even met zijn schouder opbotst tegen de schouder van het slachtoffer.

‘When we walk, we become a pack,’ zegt hondenfluisteraar Cesar Millan altijd. Samen dezelfde kant op bewegen, dat verbroedert. Voor elkaar onbekende honden voelen zich opeens als één als ze samen op pad gaan.

Dat wat voor honden geldt, geldt ook voor mensen. Als je maar hetzelfde doet, voel je je verbonden. Zeker als je omgeven bent door mensen die niet hetzelfde doen en helemaal als die in de weg zitten van wat jullie samen aan het doen zijn.

Dan maakt het niet uit hoe goed je elkaar kent of hoe zeer je verder op elkaar lijkt. Je hebt samen dat ene.

Als je iets doet waardoor je je identiteit deels of volledig verliest, ben je heel ontvankelijk voor dingen die je een identiteit geven.

Helemaal als je in een auto op de snelweg zit, waar je je met hoge snelheid voortbeweegt. Je voelt je anoniem en machtig, met dat stalen beest met vele paardenkrachten dat jij onder controle hebt. Je anonimiteit ontneemt je van alles wat jou normaal jou maakt. Het enige wat je op dat moment een identiteit geeft is je auto en dat wat je ermee doet.

Hard en gejaagd rijden vernauwt je bewustzijn tot een tunnel waarin alleen de mensen die ook hard en gejaagd rijden je vrienden zijn omdat alleen zij iets doen waar jij je mee identificeert. De rest is je vijand.

Stom, hè, die bumperklevers? Maar dit geldt voor alle roedels, niet alleen voor een roedel bumperklevers.

Als je iets doet waardoor je je identiteit deels of volledig verliest, ben je heel ontvankelijk voor dingen die je een identiteit geven.

Je kunt eensklaps een bondje hebben met iemand met wie je op een andere plek bonje zou krijgen over politieke voorkeuren.

Door een internetverbinding verlies je je identiteit. Een opmerking op een forum waar je het mee eens bent geeft je er een. Zo kun je je ineens verbonden voelen met iemand waar je op straat met een boog omheen zou lopen.

Als je bij een bushalte gaat staan, ben je vrij anoniem, gereduceerd tot je uiterlijk. Als je toevallig de enige van twee veertigers bent tussen allemaal tieners, is het niet gek dat je een blik van verstandhouding wisselt met die andere volwassene – wat een druktemakers, zeg je zwijgend tegen elkaar. Op die manier kun je eensklaps een bondje hebben met iemand met wie je op een andere plek bonje zou krijgen over politieke voorkeuren.

Een functietitel ontneemt je wat je verder ook nog bent in het leven – want wat heeft je persoonlijkheid te maken met je functiebeschrijving? En hij geeft je nieuwe vrienden in de mensen die ook die functie hebben. Daardoor sta je plots schouder aan schouder met mensen met wie je het geen minuut uit zou houden in de kroeg, en sta je vaak tegenover mensen, met andere functietitels, met wie je bij de buurtborrel de hele avond zou staan kletsen.

We bepalen vaak niet op basis van persoonlijkheid tegen wie we aardig doen en wie we uitfoeteren.

Wat ik wil zeggen: we bepalen vaak niet op basis van persoonlijkheid tegen wie we aardig doen en wie we uitfoeteren – of uittoeteren. We doen dat op basis van heel basale kenmerken, vooral in situaties waarin we gedeïndividueerd zijn, dus van onze individualiteit beroofd.

Dit gegeven kán positieve effecten hebben. Het kan mensen van heel verschillende pluimage bij elkaar brengen. Het kan dus verbroederen.

Als je wilt dat mensen stoppen met ruziën, kun je hun iets gezamenlijks te doen geven, liefst in een situatie waarin ze zich niet verbonden voelen met hun ‘verdere ik’. Gooi ze in een anonimiserende of onbekende situatie en laat ze samen iets doen.

Dat is waarom survivaltrips zo goed werken als teambuildingmiddel.

Liever een ondiep kopje heet water dat elk theezakje toelaat dan een eenzaam water met diepe gronden.

Het kan ook negatieve effecten hebben. Het zorgt immers voor oppervlakkige binding en actie die niet gebaseerd is op overtuiging maar op ‘dat wat de groep nou eenmaal doet’. Daarom zijn pubers bijvoorbeeld zo ontvankelijk voor groepsdruk: in een periode waarin ze geen idee hebben wie ze zijn, pakken ze alles aan om ergens bij te horen.

Maar ook volwassenen ontkomen hier niet aan. Ik noemde al de functietitels. Managers in een managementteam gedragen zich als managers, simpelweg omdat ze zo heten, net als die anderen in dat team. Dat ze een identiteit hebben die minder weg heeft van die van hun collega-managers en meer van die van hun medewerkers, dat maakt niet uit. ‘Je bent manager van deze tent! Gedraag je er dan ook naar!’

Zo hollen we onszelf en onze identiteit uit. En dat vinden we prima. Liever een ondiep kopje heet water dat elk theezakje toelaat dan een eenzaam water met diepe gronden. Want zo zijn we gemaakt: we willen ergens bij horen. Niet ergens bij horen is niet bestaan. Niet meedoen is niet bestaan.

Lekker dus, voor die mannen in de Mercedes, de Golf en het busje, dat ze het gevoel kregen dat ze bestonden. Gewoon, door hard achter elkaar aan te rijden en anderen van de linker baan te tuteren.

Dat ze op een andere plek elkaars bloed wel konden drinken, dat zagen ze dan wel weer.

Als jij wel echt iemands mening wilt horen, echt commitment wilt voor een idee of echte verbinding met iemand wilt, spreek hem of haar dan niet aan op z’n socialemediaprofiel, z’n uiterlijk of z’n functietitel, maar als persoon, met diepe gronden.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een bedrijf, een dochter, een hond en een vriendin.