Waarom ik dacht dat ik neergeschoten zou worden

Tijdens het hardlopen, op een lang fietspad in het bos, zag ik voor mij een man lopen. Hij was alleen en liep met zijn rug naar me toe dus hij zag me niet. Hij gebaarde alsof hij iets aan iemand aan het uitleggen was. Ik kuchte om mijn komst aan te kondigen.

Abrupt keek hij om. Nogal overdreven ging hij aan de kant van het pad staan. Toen ik dichtbij was zei hij gedag. Ook dat ging op een beetje een overdreven toon. Zonder in te houden groette ik terug.

De gedachte dat hij me in mijn rug zou schieten schoot door mijn hoofd.

Het gedrag van de man was opvallend. Het tegen zichzelf praten en gebaren, het abrupte omdraaien, stilstaan en groeten. Een beetje een gekkie, zou de populaire uitdrukking zijn van de eerste indruk die ik kreeg.

En omdat ik alleen in het bos met hem was was ik er niet meteen gerust op. Bovendien kon ik hem niet in de gaten houden. Ik rende immers van hem weg, met mijn rug naar hem toe.

De gedachte dat hij me in mijn rug zou schieten schoot door mijn hoofd. Om daarna meteen weer verbannen te worden door mijn rationele helft. Maar toch, tot het moment dat ik zeker wist dat hij ver genoeg van me vandaan was en we elkaar niet meer konden zien, bleef mijn rug op zijn hoede.

Het zette me aan het denken. Waarom krijg ik überhaupt dit soort gedachten?

Dat ik dus meteen het ergste vermoedde was stom maar begrijpelijk.

Over één reden hiervoor heb ik het vaker gehad: ons instinct is gemaakt om opvallend gedrag te wantrouwen – en in 99 van de 100 gevallen heeft ons instinctieve wantrouwen ongelijk.

Dat ik dus meteen het ergste vermoedde was stom maar begrijpelijk.

Een tweede reden is dat mensen een levendige fantasie hebben. Geef ze een schilfertje informatie en ze associëren er hele verhalen bij, waarvan de inhoud gedreven wordt door angst en dat wat hen het meest bezighoudt – niet door dat wat het meest waarschijnlijk is.

Je hoort de laatste tijd van alles over gekken die random mensen neerschieten. Dus dat heeft misschien onbewust een rol hebben gespeeld.

Reden drie is dat mensen zichzelf doorgaans zien als het centrum van het universum. De wereld zit vol met toevalligheden maar als iemand negatief getroffen wordt door dat toeval, roepen de meeste mensen uit: waarom moet míj dit nou weer overkomen?! Tegelijkertijd schatten angstige mensen de kans dat hun iets ergs overkomt hoger in dan de statistieken rechtvaardigen. (Denk maar aan je gedachten als je vliegtuig opstijgt – of landt.)

Volledig verklaarbaar dat ik dacht dat de man míj zou gaan neermitrailleren.

Dat ik voor de man gewoon een willekeurige voorbijganger was van wie hij opschrok uit zijn – al dan niet schizofrene – overpeinzingen en dat hij het liefst wilde dat ik zo snel mogelijk voorbij was zodat hij weer verder kon met zijn oratie-voor-hemzelf, dat was voor mijn self-centered self dus zeker niet de eerste optie om aan te denken.

Kortom, volledig verklaarbaar dat ik dacht dat de man míj zou gaan neermitrailleren.

Maar verklaarbaar of niet, het blijft een stomme en weinig constructieve gedachte. Het zou fijner zijn als ik bijvoorbeeld na het groeten zou hebben gedacht: wat een vriendelijke man, dat-ie zo netjes voor mij aan de kant gaat en zo kordaat gedag zegt – en ik ben benieuwd voor wie de presentatie is die hij aan het droogoefenen is…

Ik daag je daarom uit om vanaf nu een positief of tenminste neutraal alternatief te bedenken voor elk negatief scenario dat je te binnen schiet bij opvallend gedrag van een ander.

Think positive! Gewoon, als training van je brein.

Zegt je baas op een raar moment dat hij je dringend wil spreken? Bedenk dan dat hij je óók een promotie kan geven. Vraagt iemand je in een donker steegje of je een horloge hebt? Streep de optie niet weg dat hij wil weten hoe laat het is. Reageert iemand niet meteen op je whatsappje, ook al zie je twee blauwe vinkjes achter het bericht? Overweeg de mogelijkheid dat de batterij van de telefoon van de ander leeg ging terwijl ze je een antwoord aan het typen was en dat ze daarna van haar familie een supriseparty kreeg, gewoon, omdat ze zoveel van haar houden, en dat dat zo laat werd waardoor ze de volgende dag pas rond lunchtijd wakker werd en haar telefoon pas die middag weer in haar lader deed en dat ze daarna meteen van huis ging om bij haar oma langs te gaan die niet op de supriseparty kon komen vanwege haar hoge leeftijd en dat ze daarom de telefoon thuis in het stopcontact heeft laten liggen.

Think positive! Gewoon, als training van je brein. En van je incasseringsvermogen, voor het geval je een teleurstelling krijgt te verwerken omdat het toeval toch iets negatievers voor je in petto had dan je dacht.


Olav de Maat is schrijver, sociaalgedragscoach, organisatieadviseur en eventorganisator. Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter en een vriendin.


 

Advertisements

We nudgen elkaar de hele dag een pad op, en niet altijd het goede

‘Even op z’n “Hufters en Helden”….. [en op de persoon…!]’, ‘Reactie op Kees’, ‘Hondenpoep’, ‘Hondenpoep bord’ en ‘MAX VERSTAPPEN?’ Dit waren de afgelopen weken koppen van berichten op het online prikbord van de vereniging van eigenaren (VvE) van het park waar ik woon.

De berichten gingen respectievelijk over (1) honden van buren die op pinksterdag te hard en te lang blaften zodat de schrijver van het bericht niet uit kon slapen, (2) dezelfde honden die ervoor zorgden dat een ander niet kon studeren voor zijn tentamens, (3) hondenpoep in de tuin (van iemand die zelf geen honden heeft), (4) het bord dat de schrijver van bericht 3 bij nieuwe hondenpoep had gezet en (5) een man die te hard over het park reed waardoor de afzender en haar dochter opzij moesten springen.

Het zou zomaar kunnen dat ik de boosdoener was.

Op ons park staan 84 huizen. Er zijn geen winkels en de meeste bewoners zijn er voor hun rust. Dus het onderlinge contact is beperkt. Maar het is nou ook weer niet een grote gemeenschap. En niemand heeft hoge schuttingen of grachten om het huis. Dus gewoon face-to-facecontact, van mens tot mens, ís in theorie mogelijk.

In de maanden vóór deze vijf berichten stonden er eigenlijk geen van dit soort narrige posts op het VvE-prikbord. Wel over te hard rijdende DHL-mannen en vrachtwagens die het grindpad stuk reden. Maar geen op individuele parkbewoners gerichte kattebelletjes.

Het zou zomaar kunnen dat ik de boosdoener was.

Toen hij over de dam was, volgden er meer schapen die last hadden van honden en hardrijdende auto’s.

De kop van het eerste bericht in deze serie verwijst namelijk naar mijn boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.

Dat had ik een kleine twee maanden geleden bij al mijn buren in de brievenbus gedaan. Een klein presentje.

Blijkbaar hadden mijn buren het gevonden. Maar schijnbaar had nog niet iedereen de binnenkant ervan bekeken. Twee van de hoofdstukken heten immers We zeggen gedag en We praten. Daarin roep ik de lezer op meer live en direct contact te maken.

Mijn vermoeden is daarom dat de buurman van bericht 1 de kaft van mijn boek had gezien en zich daardoor gesterkt had gevoeld om zijn buren erop te wijzen ‘een beetje aardiger te moeten zijn’.

En toen hij over de dam was, volgden er meer schapen die last hadden van honden en hardrijdende auto’s. Zij hadden waarschijnlijk in buurman 1 een rolmodel gezien: aha, dat mag dus ook!

Tot het moment dat ik mijn boek in de brievenbussen schoof hadden mijn buren ook last van elkaar.

Wat dit voorbeeld laat zien is dat voor elk sociaal gedrag – hoe asociaal ook – een aanleiding nodig is, een nudge die mensen de ene of de andere kant doet opgaan. In ambigue situaties zoeken mensen nou eenmaal naar sociale rolmodellen die hun handelingsperspectieven bieden.

Want tot het moment dat ik mijn boek in de brievenbussen schoof hadden mijn buren vast ook last van elkaar. En er was toen ook al een online prikbord. Ze deden alleen iets anders met hun frustratie. Hoogstwaarschijnlijk kropten de meesten het op. De echte helden stapten misschien op de betreffende buur af. En een eenling spande zelfs een rechtszaak aan – vanwege aanhoudende overlast van Airbnb’ers.

De inténtie om elkaars buren te laten weten dat ze een beetje aardiger moeten zijn was er dus vast al wel. Er was alleen geen gemakkelijk sociaal geaccepteerd handelingsperspectief.

Buur nummer 1, echter, zag mijn boek, dacht aan het prikbord en telde één en één op. En vanaf toen was het hek van de dam en volgden de schapen.

We nudgen elkaar de hele dag een pad op, en niet altijd het goede.

Dit gebeurde allemaal natuurlijk niet bewust. Zo gaat het niet met nudging. Dat is júíst een onbewust proces.

En het is niet zonder risico’s. Ik wilde mijn buren allereerst een aardigheidje geven maar natuurlijk hoop ik altijd dat mijn boek mensen een positieve richting in nudget. Wist ik veel dat het als excuus kon worden gebruikt om je buren vanuit je luie stoel te bekritiseren.

En buurman 1 had vast niet voorzien dat hij het hek van de dam had genudged voor mensen die een uitweg zochten voor hun frustratie.

Zo nudgen we elkaar de hele dag een pad op, en niet altijd het goede.

Als we niet het grote kunnen zien in het kleine dat we doen, komen de zware consequenties vanzelf.

Ik denk aan een e-mail van een manager waarin hij zijn medewerkers vertelt over een impopulaire maatregel. Aan een bestuurslid die een van zijn directeuren vraagt of ze haar baan wel aankan, als ze tijdens het directieoverleg zegt dat ze iets lastig vindt om te doen. Aan mensen die elkaar geen gedag zeggen op straat.

Door eenvoudige handelingen waar we net iets te kort bij stilstaan kunnen we de ander de verkeerde kant op nudgen. Weg van het goede gesprek, weg van kwetsbaarheid, weg van onbevangenheid. Het pad op van achterdocht, van schone schijn en van ontmenselijking.

Dit klinkt misschien als zware consequenties voor simpele gedragingen. Maar als we niet het grote kunnen zien in het kleine dat we doen, komen de zware consequenties vanzelf.

Epiloog
Vandaag verscheen er een bericht van buur nummer 5. Ze had koffie gedronken met de Max Verstappen van ons park en alles is nu weer goed. Zo zie je maar weer: koffie wint altijd.


Olav de Maat is schrijver, sociaalgedragscoach, organisatieadviseur en eventorganisator. Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter en een vriendin.


 

We praten te veel en we doen te weinig

Op 27 februari om iets over half twee in de middag liet ik Kim achter in de operatiekamer. Vanaf dat moment was er geen weg meer terug. Dag mogelijkheden, alternatieve scenario’s en hoop dat het toch opeens goed komt, hallo veranderde werkelijkheid.

Veel dingen die wij, mensen met een baan waarin je veel denkt en praat, bespreken worden nooit werkelijkheid. We analyseren, overwegen, maken overzichten, kiezen, plannen. Maar we komen weinig tot actie die de realiteit écht beïnvloedt.

Dat is jammer. Want alleen een veranderde werkelijkheid geeft waardevolle informatie over de toekomst.

Achteraf bleken de twijfels over zwanger worden lafjes droogzwemmen te zijn geweest.

We werden eind vorig jaar zwanger. Het was niet het handigste moment. Werk, studie en gezondheid vroegen veel aandacht.

Bovendien was de eerste zwangerschap, vijf jaar eerder, op zijn zachtst gezegd geen pretje geweest. De hele draagtijd – en iets daarna zelfs – was Kim misselijk en hondsberoerd geweest. Minstens drie keer was ze opgenomen geweest in het ziekenhuis en ze had onder continue controle van een gynaecoloog gelopen.

We hadden het wel regelmatig over een tweede gehad. Maar áls we voor een tweede zouden gaan, zou dat niet in deze fase van ons leven zijn.

Maar achteraf bleken de twijfels over zwanger worden lafjes droogzwemmen te zijn geweest. De echte gesprekken en de echte keuzes moesten nog komen.

En de belangrijkste daad moest nog komen. De handeling die alle gesprekken en keuzeprocessen deed verbleken tot salonretoriek.

Het was te zwaar. De keus was navenant zwaar.

Uiteraard was het zwanger worden al een praktische daad die het praten overduidelijk overtoepte. Jarenlang geouwehoer leek het, dat praten over wel of niet voor een tweede gaan, toen Kim me vertelde dat ze zwanger was.

Opeens zag ik niet alleen de roze wolken van een tweede kind. Ik zag én voelde ook alle lasten die we erbij zouden krijgen. Weer slapeloze nachten, weer iemand leren plassen op een potje, weer iemand achter z’n kont aan zitten.

Maar de grootste actie die de praters in ons de mond snoerde was de afbreking van de zwangerschap, zoals gynaecologen abortus noemen.

De tweede zwangerschap was voor Kim fysiek, mentaal en emotioneel niet te dragen. Vier ziekenhuisopnames in vijf weken tijd en alle middelen die wij en de gynaecoloog konden bedenken hielpen niet om Kims ellende te verlichten.

Het was te zwaar. De keus was navenant zwaar.

De zwaarte van de narcose en van dat wat zojuist voltrokken was hing over haar bed.

Wekenlang hebben we urenlange gesprekken erover gevoerd, met elkaar, met artsen, met vrienden en familie. Vaak met gevoel, met empathie voor de ander, met aandacht voor de details en de grootste dingen van het leven, en regelmatig vol eigenbelang en met oogkleppen op. We deden het in goede harmonie met rustige stemmen, en we deden het in felle, elkaar kwetsende discussies waarin geschreeuwd werd.

Maar altijd was er hoop geweest, hoop dat er een weg was naar buiten, naar de wereld van de groeiende buiken, geschilderde kinderkamers en gekozen namen.

Die hoop hield op te bestaan in de ochtend van 27 februari. Toen we tot de conclusie kwamen dat we alles hadden geprobeerd om het voor Kim draaglijk te maken zodat we het kindje konden behouden, en dat het niets had geholpen. Toen we de gynaecoloog lieten weten dat we ervoor kozen de zwangerschap af te breken.

Het uitvoeren van de keus was het gemakkelijkst. Ook al was het een hartverscheurend besluit, eenmaal genomen was de rest invulling. Konden we het overlaten aan de artsen, verpleegsters, anesthesisten en hun protocollen.

Het leven liet ons zien wat er gebeurt als je in zijn arena stapt.

Binnen een halfuurtje was het gepiept. Rond twee uur mocht ik naar de operatieafdeling om te zien hoe Kim langzaam bijkwam. De zwaarte van de narcose en van dat wat zojuist voltrokken was hing over haar bed.

Het was gedaan. Het was over. Er was geen weg meer terug.

Ik herinner me dat ik die 27ste februari overdonderd werd door de ‘kracht van iets doen’. We hadden ons ernaartoe gepraat en opeens was het zover. All bullshit aside. Het leven liet ons zien wat er gebeurt als je in zijn arena stapt. En meedoet met zíjn spel.

Al het gepraat over zwanger worden, al het geweeg en gepieker en gediscussieer over zwanger blijven, alle toekomstscenario’s, het ene nog zwarter dan het andere, alles waar onze tijd aan op was gegaan, het was betekenisloos geworden in de nieuwe context.

Dat dit ons-leven-na-de-tweede-zwangerschap zou zijn hadden we nooit kunnen bedenken.

Het zwarte gat waar ik zo bang voor was is nooit gekomen. De reis die we in april wilden maken met z’n drieën, om te beklinken dat met z’n drieën de wereld aankunnen, hebben we niet gemaakt. Verwijten aan elkaar, spijt, wrok, boosheid, niks van dat al. En Kim is in korte tijd wonderwel opgekrabbeld.

Verdriet was en is er nog wel. Het steekt soms plots de kop op, op momenten van onoplettendheid.

Dat dit ons-leven-na-de-tweede-zwangerschap zou zijn hadden we nooit kunnen bedenken. Alleen de daad van het uitspreken van onze keus tot afbreking en daarna de overgave aan het ziekenhuispersoneel konden ons laten zien hoe dat leven eruit ging zien.

En alleen dát heeft ons leven veranderd.

In een tijd van crisis verander je je gedrag.

In maart begon ik weer met werken. Daar zat ik dan, bijna-maar-toch-helemaal-niet-vader-van-een-tweede, te luisteren naar gepraat over redenen voor werkdruk, verbetermogelijkheden voor personele mobiliteit en plannen voor fondsenwerving. En ik zat er zelf driftig aan mee te doen.

Inmiddels is het juni en is de werkdruk nog altijd hoog, is de mobiliteit niet verbeterd en is er nog geen fonds extra geworven.

De vergelijking tussen een invaliderende zwangerschap en personele mobiliteit is niet helemaal eerlijk. Als je vriendin gemarteld wordt door hormonen, wil je iets doen, móét je iets doen. Om Greta Thunberg te parafraseren: in een tijd van crisis verander je je gedrag. Niets doen is dan geen optie.

Mijn punt is dan ook niet dat werkdruk, mobiliteit, fondsenwerving – en alle andere dingen waar pratende professionals en managers dag in dag uit mee bezig zijn – crises zijn die genegeerd worden. Als daar crises tussen zaten, waren ze allang aangepakt.

Pas als je ze omzet naar daden ís er iets. Tot die tijd stel je het leven uit.

Mijn punt is dat we wat kunnen leren van wat we doen in crisissituaties en laten in niet-urgente situaties. En dat is: íéts. Iets wat een veranderde werkelijkheid tot gevolg heeft.

Alleen als je iets doet wat de realiteit anders maakt, doe je iets van betekenis. Alleen dan maak je, letterlijk, het verschil. Alleen dan leer je iets over de zin en onzin van de aannames die je maakt tijdens het denken en praten. En alleen dan stap je in de arena van het leven.

En in die arena maak je geen verslag van een meeting over werkdruk en zet je het onderwerp niet op de agenda van een managementteamoverleg. Daar pak je eenvoudigweg een actie op die de werkdruk kan verlichten en voer je die uit.

En natuurlijk mag je van tevoren nadenken, analyseren, discussiëren en afwegen. Twijfel en onzekerheid zijn menselijk. Maar woorden en inzichten alleen hebben geen betekenis. Pas als je ze omzet naar daden ís er iets. Tot die tijd stel je het leven uit.

Elke dag iets doen waardoor de werkelijkheid beter wordt.

Mijn actie: ik doe elke dag iets waardoor de werkelijkheid beter wordt. Geen overleg, geen analyse, geen voornemen, geen plan, nee: een actie met een concreet gevolg.

Dat hoeft niet groots en meeslepend. Het kan ook zijn dat ik juist iets níét doe. En het hoeft niet bedacht. Juist niet. Het gaat veel meer om kansen zien en die grijpen, daar iets mee doen.

Als ik maar, letterlijk, een verschil maak. Een verschil dat toont of en hoe ik de wereld een betere plek maak.

Een verschil dat me laat zien dat ik het lef heb om te leven.


Olav de Maat is schrijver, sociaalgedragscoach en organisatieadviseur (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter en een vriendin.


 

Mededogen komt te voet, een oordeel te paard

‘Héél intelligent,’ hoorde ik de vrouw aan de overkant van de straat mompelen. Ze had het tegen de fiets van mijn vriendin, Kim. Die stond midden op de stoep geparkeerd. Mijn vriendin was even een winkel in gelopen. Ik was in eerste instantie bij de fiets blijven staan, met mijn fiets en onze dochter, Loulou.

Tot Loulou ook de winkel in wilde.

De winkel was aan de overkant van de straat. Loulou is vier (‘Bijna vijf, papa!’). Alleen oversteken laat ik nog niet aan haar over. Tijdens het klaaroveren had ik Kims fiets even alleen gelaten. Toen Loulou net veilig de winkel in was gelopen liep de vrouw langs Kims fiets.

Een spottend, licht hysterisch lachje ontsnapte het hoofd van de vrouw.

‘Wat zegt u?’ vroeg ik de vrouw, die de straat overstak en richting de winkel liep. Ze reageerde niet. Toen ze wat dichterbij was vroeg ik het nog een keer: ‘Wat zegt u, mevrouw?’ Ze liep mijn richting op maar, alsof ze me niet hoorde, hield ze haar hoofd wat afgewend en naar beneden.

Ik kon haar daardoor wel goed opnemen: een wat oudere dame, nog kwiek, in vlotte maar sjieke kleding. Een typische Gooische pensionada.

‘Mevrouw? Wat zei u net? Tegen die fiets?’ ‘Dat ik het heel intelligent vond,’ reageerde ze eindelijk. ‘Ja, sorry. Dat heeft mijn vriendin gedaan. Ze wilde even snel naar de winkel. Ik haal hem zo weg, hoor,’ zei ik terug.

Een spottend, licht hysterisch lachje ontsnapte het hoofd van de vrouw. Die vervolgens de winkel in verdween.

Hier gebeurden verschillende dingen tegelijk.

Ik moest zonodig laten merken dat ik de onaardige opmerking had gehoord.

Ten eerste kon iemand het niet laten om iets negatiefs te vinden van wat een ander had gedaan. En dan ook nog terwijl ze niets van de achtergrond wist. Het enige wat de vrouw kon weten was wat ze zag: een fiets die midden op een stoep was achtergelaten. Maar die informatie was genoeg om iets te vinden van de eigenaresse, die ze nog nooit had ontmoet.

Dat dit soort dingen komt door ons theorie-instinct heb ik al vaker benoemd. Het is evolutionair gezien gewoon handig om niet te veel te twijfelen over dingen waarvan we maar weinig weten. En ook om dan van het ergste uit te gaan.

Ten tweede vond iemand het nodig om een totaal ongefundeerde mening over een anonieme ander hoorbaar uit te spreken zonder dat er iemand in de buurt leek te zijn aan wie ze die richtte.

Het zal de trouwe lezers van dit blog niet verbazen dat hier waarschijnlijk een mechanisme achter zat dat altruïstische bestraffing heet: mensen krijgen van hun hersenen een beloning als ze de sociale orde handhaven door overtreders te berispen. Of er nou iemand in de buurt was om het te horen of niet, de vrouw kreeg vermoedelijk een shotje dopamine doordat ze iets zei over de daad van mijn vriendin – die zij, nogmaals, nog nooit had gezien.

Maar wat mij nog het meest heeft beziggehouden de afgelopen dagen na dit incident is mijn eigen gedrag: ik moest zonodig laten merken dat ik de onaardige opmerking had gehoord.

Al die negativiteit in anonimiteit, ik wil het bestrijden.

Dat doe ik vaker.  Als ik mensen iets onaardigs hoor zeggen of zie doen en ik vermoed dat ze dat doen in de veronderstelling dat ze ermee wegkomen, voel ik een bijna agressieve neiging in me opkomen om ze te verraden. En meestal luister ik dan naar die neiging.

Een fietser die in het voorbijgaan verwijtend zijn arm in de lucht gooit als hij moet uitwijken. Ik roep hem na: ‘U ook een fijne dag!’ Een man in het publiek die tijdens een presentatie smoest tegen zijn buurman en er een geniepige glimlach bij trekt. Ik zeg: ‘Mogen wij het ook horen?’ Mensen die ongeduldig toeteren als ik iets sta uit te laden op een eenrichtingsweg. Ik loop eropaf en vraag: ‘Heeft u haast?’

Ergens ben ik het enorm met mezelf eens. Al die negativiteit in anonimiteit, ik word er treurig van. En ik wil het bestrijden.

Maar dat is ook precies het probleem: ik wil het bestríjden. Ik word er boos van en ik voel agressiviteit in me opborrelen. Ik reageer niet, zoals Mister Miyagi op de kwajongens van de Cobra Kai Dojo, met een mededogende assertieve ontspannen soort nederigheid.

Eigenlijk handel ik vanuit dezelfde laatdunkendheid als de mensen die ik aanspreek.

Mister Miyagi treedt alleen op als hij geprovoceerd wordt en niet anders kan. Ik treed al op als iemand tegen niemand in het bijzonder iets zegt of doet wat provocerend zou kúnnen zijn.

Eigenlijk handel ik vanuit dezelfde laatdunkendheid als de mensen die ik aanspreek. Ook ik heb m’n oordeel al klaar. Ook ik wil dat dopamineshot van de altruïstische bestraffing. Misschien doe ik het dan met open vizier, maar verder lijkt het verdacht veel op wat de ander doet.

Ik heb vaker over ons theorie-instinct en altruïstische bestraffing geschreven. Ik heb me al eerder voorgenomen om mijn oordeel over een ander uit te stellen. En ik kan nog steeds niet zonder emotie op ogenschijnlijk negatief gedrag van anderen reageren. Dit kan op twee dingen wijzen.

Eén: het is echt een hardnekkig onderdeel van mens-zijn. Twee: het is echt een hardnekkig onderdeel van Olav-zijn.

Wat krijg ik ervoor terug? Een spottend, licht hysterisch lachje.

Het zal beide zijn: iedereen heeft last van zijn theorie-instinct en de neiging om anderen altruïstisch te bestraffen en míjn manier om die te uiten is om mensen ermee confronteren.

Geeft me een verraderlijk goed gevoel. Maar wat krijg ik ervoor terug? Een spottend, licht hysterisch lachje.

Om voorbij die onderlinge afkeuring te komen is en blijft de truc, wat ik (ook al) eerder heb beschreven: als iemand iets doet wat je niet zint, maak er een ontmoeting van. Maak eerst een praatje, leer eerst iemand kennen, win eerst iemands vertrouwen, vóórdat je ook maar iets doet wat naar een mening of oordeel riekt.

Alleen zo komen we uit die hardnekkige cirkel van onderlinge afkeuring. En omdat hij hardnekkig is, heb ik dat hier nog maar eens herhaald – al is het alleen maar om zelf aan dat hardnekkige onderdeel van Olav-zijn te ontsnappen.


Olav de Maat is schrijver, sociaalgedragscoach en organisatieadviseur (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter en een vriendin.


 

Veel mensen lopen op hun werk een trauma op

Uit onderzoek blijk dat het eerst geven van invloed en het daarna weer afnemen ervan traumatiserend is. Helaas doen mensen elkaar dat vaak aan op het werk. Is werk voor veel mensen dus traumatiserend?

Ik hielp een klant bij het analyseren van de issues op een afdeling en het bedenken van impactvolle oplossingen ervoor. We zouden in ieder geval drie werksessies doen met een kernteam bestaande uit een aantal uitvoerende medewerkers, een stafmedewerker en een manager. Die laatste, ‘Peter’, was mijn opdrachtgever.

In aanloop naar de derde meeting liet ik Peter weten dat ik sterk vermoedde dat we het niet gingen redden in drie sessies.

Er stonden nog een paar pittige punten op de agenda om de analyses af te ronden. En over oplossingsrichtingen hadden we het nog amper gehad. Bovendien had Peter zijn huiswerk niet gedaan voor de derde sessie. Zonder dat huiswerk zou de analysefase niet af zijn.

Peter stelde echter voor dat we het gingen doen met de analyses die we hadden. En dat we tijdens de sessie ons zouden richten op oplossingen. En daarna een afspraak plannen met drie betrokken managers over het vervolg, zonder de andere kernteamleden erbij.

De simpele ervaring van oorzaak zijn geeft een mens het gevoel dat hij ertoe doet, omdat wát hij doet ertoe doet.

Uit onderzoek met kleine kinderen kennen we een psychologisch effect dat ‘the pleasure of being the cause’ heet. Jonge kinderen worden wild van blijdschap als ze ontdekken dat zij degenen zijn die een object – een potlood bijvoorbeeld – kunnen laten bewegen.

Dit mechanisme zou volgens psychologen ook in het leven van volwassenen een belangrijke rol spelen. Spel, kunst en innovatie zouden ook hier hun oorsprong in hebben. Het zou zelfs de basis van ons bestaan vormen.

De simpele ervaring van oorzaak zijn geeft een mens het gevoel dat hij niet niets is. Dat hij er ook toe doet omdat wát hij doet ertoe doet.

Een mens die er niet toe in staat is om impact te hebben op zijn omgeving stopt te bestaan.

Experimenten laten ook zien dat het eerst geven van invloed en het daarna weer afnemen ervan traumatiserend is. Als je bijvoorbeeld een kind eerst het plezier geeft om te ervaren hoe het is om een bepaald effect te veroorzaken en het dan ineens afneemt, zijn de gevolgen dramatisch: eerst woede, weigering om mee te doen, en dan een soort van katatoon in zichzelf keren en helemaal uit de wereld terugtrekken.

Psychiater en psychoanalist Francis Broucek noemde dit ‘the trauma of failed influence’.

En dit heeft net zulke sterke en misschien zelfs nog wel sterkere implicaties dan het positieve broertje van dit trauma. Als invloed uit kunnen oefenen een gevoel geeft dat een mens ertoe doet, zou je kunnen zeggen dat een mens die er niet toe in staat is om impact te hebben op zijn omgeving stopt te bestaan.

Hoe vaak mogen medewerkers even ‘hun input leveren’ waarna managers het ‘meenemen voor besluitvorming’?

Wat zou de impact op de kernteamleden zijn, als ze na het uitvoeren van een halve analyse en het formuleren van een halve oplossing bedankt zouden worden voor hun moeite? Als drie managers er vervolgens buiten hen om mee aan de haal zouden gaan?

Gelukkig was mijn opdrachtgever voor rede vatbaar. Samen besloten we er alsnog een vierde sessie met het kernteam aan vast te plakken.

Maar hoe vaak komt het betrokken management níét bij zinnen? Hoe vaak mogen medewerkers even ‘hun input leveren’ waarna managers, stafmedewerkers en consultants het ‘meenemen voor besluitvorming’?

Hoe vaak worden medewerkers dus eigenlijk getraumatiseerd?

En hoe vaak worden werknemers ‘weggepromoveerd’ naar een of andere loze projectfunctie nadat ze jaren een leidinggevende functie hebben gehad?

Hoe vaak krijgen medewerkers er extra administratieve taken bij waarvan de enige functie is om te controleren of ze wel doen wat men vindt dat ze moeten doen, terwijl ze daarvóór de ruimte hadden om hun functie in te vullen zoals hun dat goed dunkte?

Hoe vaak worden mensen beperkt tot de paar ‘bevoegdheden’ die bij hun functie horen – zoals de telefoon aannemen en offertes opmaken, maar geen toezeggingen doen over dienstverlening of contracten tekenen – terwijl ze thuis zelfstandig beslissingen nemen over de grootste dingen – zoals zwangerschap, geboorte, gezondheid, een huis, pensioen, dood?

Hoe vaak worden medewerkers dus eigenlijk getraumatiseerd? Ze hebben vast niet zulke heftige reacties als dreumesen en peuters, maar vanbinnen zullen ze een knauw krijgen. En omdat ze geleerd hebben dat een scène schoppen niet hoort, zal de katatone reactie des te sneller optreden.

Laten we eens proberen elkaar te behandelen als volwassenen die invloed verdienen op hun eigen handelen.

Gevolg: in zichzelf gekeerde medewerkers die weigeren mee te doen. Waardoor de ‘grote mensen’ van het werkende leven, ook wel managers genoemd, zich blijven verbazen over het gebrek aan initiatief en volwassen gedrag van hun medewerkers en nog eerder en vaker het dan maar zelf doen en medewerkers bepaalde rechten ontzeggen, waardoor medewerkers zich nog meer terugtrekken, en zo voort, en zo voort, en zo voort.

Laten we daarom op het werk niet als kinderen en grote mensen tegenover elkaar staan. Laten we eens proberen elkaar als volwassenen te behandelen. Volwassenen die invloed verdienen op hun eigen handelen. Die mogen ervaren wat het is om dingen in beweging te zetten.

Wiens grondrecht het is om betekenis te geven aan hun leven. Dat mág je hen niet ontnemen.

Want zonder betekenis stopt een mens te bestaan.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach, schrijver en heel soms spreker. Hij heeft een dochter, een vriendin, een blog, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina.


 

Mensen die geen gedag zeggen zijn niet stom

In l’Abbaye d’Orval in het uiterste zuidoosten van België brouwen ze niet alleen een wereldberoemd biertje, je kunt er ook als gast verblijven. Om te herbronnen, zoals de monniken het op hun site noemen. Vier dagen en vier nachten mocht ik laatst in dit klooster zijn. Een prachtige plek in de Ardennen.

Er worden geen vragen gesteld. Er gelden niet veel regels. Je hoeft er weinig. Het enige dat de cisterciënzers van je verlangen is dat je niet praat tijdens de maaltijden, die je geniet met je medegasten. Verder verwacht men dat je de rust bewaakt in de gebouwen en op de binnenplaats.

Ik heb het fijn gehad in Orval. Veel geslapen, gelezen, nagedacht, geschreven, gezeten, gekeken, van gregoriaans gezang genoten. Of het herbronnen mag heten, weet ik niet, maar ik heb me wel aan een weldadige bron gelaafd.

En ik heb me aan één ding gestoord.

Ik voelde me opeens een Hollandse olifant in een Belgische porseleinkast.

Als ik in het voorbijgaan iemand tegenkom, zeg ik gedag. Dat heb ik me jaren geleden al voorgenomen. Dus als ik op een kloostergang iemand tegenkwam, zei ik op zachte toon: ‘Bonjour.’ Soms werd mijn groet beantwoord. Maar in de meeste gevallen reageerde mijn tegenligger alsof ik hem of haar had gestoord.

Ik voelde me erdoor in mijn kuif gepikt. Ik bedoelde het toch goed? We zijn toch twee mensen die elkaar tegenkomen? Hoeveel moeite is het om even terug te bonjouren?

Mijn vriendin reageerde gelaten toen ik haar hierover vertelde: ‘Ja, die mensen komen daar om zich helemaal naar binnen te keren.’

Mijn irritatie veranderde meteen in schaamte. Ik voelde me opeens een Hollandse olifant in een Belgische porseleinkast.

Want wie ben ik om te bepalen of iemand gedag zegt of niet? Zeker als die iemand in een retraite-oord zit.

Maar überhaupt, wie ben ik om te bepalen hoe iemand reageert?

Blijkbaar kon ik het wel aan een 55-plusser uitleggen maar heb ik het zelf nog steeds niet geïnternaliseerd.

Ik hield ooit een praatje voor een vereniging van 55-plussers naar aanleiding van mijn boek. Toen ik het had over onze natuurlijk aanleg voor schaamte reageerde een dame op de voorste rij met verontwaardiging in haar stem: ‘Ik heb het idee dat sommige mensen zich tegenwoordig helemaal nergens meer voor schamen!’

‘Dat zullen ze misschien ook van u zeggen,’ zei ik. Voor ze boos op me werd, legde ik haar uit dat je je alleen kunt schamen voor iets waarvan je hebt geleerd dat het fout is.

Verschillende mensen hebben nou eenmaal verschillende normen. Dat kan leiden tot onbegrip en botsingen maar het kan ook leiden tot mooie inzichten in andere culturen en gebruiken en, wie weet, tot respect voor anders-zijn.

Die lezing is jaren geleden. Blijkbaar kon ik het toen al wel aan een 55-plusser uitleggen maar heb ik het zelf nu nog steeds niet geïnternaliseerd.

Je kunt niet zeggen dat het water vervuild is en volhouden dat er stroomopwaarts niks mis is met de rivier.

Ik vind dat je mensen die je tegenkomt moet groeten. Dat vind ík. Als een ander dat niet vindt of daar even geen behoefte aan heeft, kan dat leiden tot onbegrip van mij voor die ander. Dat deed het ook, daar in Orval. Maar eigenlijk onterecht. Want waarom zou de mening of behoefte van een ander minder waar(d) zijn dan die van mij?

Dat kan alleen maar als die ander minder waard is – of tenminste minder goed in het vormen van zijn mening of het volgen van zijn behoeften. Dat móét wel.

In genoeg discussies wordt echter, al dan niet expliciet, gezegd: ‘Nee, ik vind jóú niet stom, je méning slaat gewoon nergens op.’ Maar je kunt niet zeggen dat het water vervuild is en volhouden dat er stroomopwaarts niks mis is met de rivier.

Als ik die ander níét minder vind, moet ik mijn inzicht wel aanpassen. Dan móét ik ruimte geven aan het idee dat een andere manier ook oké kan zijn.

Dit klinkt wellicht als een open deur maar het is op z’n minst een wezenlijke open deur en we lopen er regelmatig aan voorbij.

Ik wil geen mening hebben over een ander. Ik wil weten waar de ander vandaan komt.

Want hoe vaak zetten we andermans mening, behoefte of gebruik niet weg als belachelijk, onzin of raar? Het is vaker de ander die het mis heeft dan wij, vinden wij.

Dat is evolutionair gezien heel handig, want jezelf zien als houder van belachelijke meningen, onzinnige behoeften en rare gebruiken staat gelijk aan jezelf belachelijk, onzinnig en raar vinden. En hoe kun je dan leven zonder depressief te worden?

Maar waarom zou je een ander dan wel belachelijk, onzinnig en raar mogen vinden? Kan het misschien zo zijn dat meerdere meningen, behoeften en gebruiken tegelijkertijd kunnen bestaan? Dat er in beide waarde zit? Omdat die waarde ontstaan is in verschillende situaties?

Ik heb een goed voornemen: geen mening hebben over mensen die niks of verstoord iets terugzeggen als ik hun gedag zeg. Er zijn al genoeg meningen. Ik wil geen mening meer hebben over een ander. Ik wil weten waar de mening van een ander vandaan komt.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach, schrijver en heel soms spreker. Hij heeft een dochter, een vriendin, een blog, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina.


 

De terreur van de bangste – angst maakt onze organisaties stroperig

Fortune favors the brave, zoals de Fransen dat zo mooi zeggen. Een slogan die aan moet zetten tot moedig gedrag en het nemen van risico’s om iets waardevols te bereiken. Niet voor niks staat deze zin op de uniformen van het Amerikaanse leger. 

Maar het zijn juist de bange mensen die de wereld beheersen. Niet voor niks zeggen we: hoogmoed komt voor de val. Een volkswijsheid die aan moet zetten tot voorzichtig gedrag en het niet overschatten van je eigen kunnen. Better safe than sorry, zouden de Fransen zeggen.

Dit gegeven ligt aan de basis van onnodig ingewikkelde en stroperige bedrijfsprocessen. En het kost ons onnodig veel tijd, geld, stress en levenslust. 

Vierhonderd euro was ik vorig jaar kwijt. Aan niks.

Vierhonderd euro was ik vorig jaar kwijt. Aan niks. Het enige wat ik ervoor had gekocht was stress en tijdverspilling.

Op 28 september zou ik met gezin en schoonmoeder naar mijn zwager op Mallorca vliegen. Mijn schoonvader zou de dinsdag ervoor, op 25 september, al gaan. Die dinsdag belde hij ons, mijn schoonvader.

Personeel van Ryanair zou op Eindhoven gaan staken. Onze vlucht zou niet doorgaan. Mijn schoonmoeder had uit voorzorg al een stoel geboekt in het vliegtuig dat op 25 september naar Mallorca vertrok.

Mijn vriendin en ik gingen meteen in conclaaf. We baalden ervan maar wilden niet ons reisje naar Mallorca op het spel zetten. Daarom boekten we die woensdag een ticket bij Transavia voor een vlucht op 29 september. Kosten: bijna 400 euro. Die kunnen we vast verhalen op Ryanair, dacht ik, het is hún schuld.

Ik vertelde dit die avond aan mijn ouders. Die hadden het nieuws ook gevolgd en zeiden: ‘Maar niet alle vluchten worden gecanceld, hoor.’

Een korte zoekopdracht in Google, gevolgd door een snelle blik in de online versie van het Eindhovens Dagblad leerde dat sommige vluchten inderdaad gewoon doorgingen. Die naar Mallorca was daar een van.

Op 28 september vlogen we met Ryanair naar mijn zwager op Mallorca.

Om 10 uur op 29 september zaten mijn vriendin, mijn dochter en ik op het strand, genietend van een warm zonnetje. Ik bedacht dat we vier uur van tevoren de vlucht met Transavia, die om 13.55 uur ging, nog online konden omboeken.

Ik keek op transavia.com. Ik was inderdaad vijf minuten te laat.

Door onze aversie van risico’s doen we dingen die juist onnadenkend zijn.

Pas op! Niet daarop klimmen! Kijk uit! Neem geen onnodige risico’s! Zie je wel! Had je maar op moeten letten! Het zijn zinnen die ouders, grootouders, ooms, tantes, leraren en leraressen ons al vanaf kind-zijn toewerpen. Dan is het niet zo gek dat we risicomijdend zijn. Dingen wagen staat gelijk aan ouderlijke afwijzing en sociale ridiculisering.

Gek genoeg doen we hierdoor dingen die juist onnadenkend zijn en laten we dingen die ons verlies kunnen beperken.

Ik had bijvoorbeeld ook metéén even kunnen googelen toen mijn schoonvader met de onheilstijding kwam. Dan had ik gezien dat een andere vlucht helemaal niet nodig was. Ik hád ook gewoon op tijd onze vlucht met Transavia kunnen omboeken. Dan had ik 400 euro niet weggegooid.

Maar zo werken mijn hersenen niet. De stress die ontstond na het telefoontje van mijn schoonvader zorgde ervoor dat ik niet meer rustig nadacht. En toen het gevaar was geweken, toen bleek dat we toch op vrijdag gingen vliegen, gingen mijn hersenen meteen op standje waakvlam.

Dubbel dom, dus. En dat zijn wij mensen over het algemeen. De angst regeert.

Tussen mensen onderling is het de bangste die bepaalt.

Zo werkt het niet alleen bij interne dialogen in je eigen hoofd. Ook tussen mensen onderling is het de bangste die bepaalt.

Als mijn vriendin de duurste autostoel voor onze dochter uitkiest omdat die uit alle tests als veiligste komt, kopen we die duurste autostoel. Niet omdat die andere ónveilig zijn maar omdat die ene het állerveiligst is. En we willen toch niet het risico lopen dat we net die aanrijding krijgen waar die andere stoelen niet voor gemaakt zijn – ook al komt die aanrijding alleen in theorie voor.

Als een paar megabanken in Amerika omvallen, moeten álle financiële instellingen, van groot tot klein, in Nederland zich houden aan de Wet financieel toezicht, de Wft. En om intern toezicht te houden op de uitvoering van die Wft hebben die bedrijven allerlei compliancefuncties en vaak hele complianceafdelingen in het leven geroepen.

En als er één keer iets flink misgaat in een willekeurig bedrijf, wordt een manier van werken bedacht om dat niet weer te laten gebeuren. Of als zelfs maar iemand roept: ‘Wat nou als [dit of dat ergs] gebeurt? Moeten we daar niet iets voor klaar hebben staan?’ staan de consultants klaar om een procedure in elkaar te draaien én de naleving ervan te controleren.

Wat is de kans, wat is de impact én wat kost het me om die kans serieus te reduceren?

Er zíjn natuurlijk gevallen waarin je echt beter safe than sorry kunt zijn. In de auto kun je beter wel autogordels gebruiken. Bij onbemande pompstations kun je beter wel camera’s ophangen. En als je een vliegtuig bestuurt, kun je beter voor alles een dubbele uitvoering hebben.

Maar in heel veel andere gevallen is het goed om je af te vragen: wat is de kans, wat is de impact én wat kost het me om die kans serieus te reduceren?

Dat eerste, dat vragen ook risicomanagers zich af. (Risicomanagers: ook een beroep dat niet kon ontstaan zonder onze aangeboren risicoaversie.) Risico ís kans keer impact, immers. Maar ook als we die afweging maken, houden we meestal onvoldoende rekening met onze risicoaverse hersenen.

Want ook dan zorgt stress ervoor dat we niet meer rustig nadenken. En ook dan is het de bangste die bepaalt.

We letten we niet meer op de kosten als het gevaar is geweken.

Dus overschatten we de kans en de impact, zeggen we niet tegen de bangste haas dat-ie niet moet overdrijven en zetten we grof in om het vermoede risico te vermijden.

En ook dan gaan onze hersenen meteen op standje waakvlam als het gevaar is geweken. Dus letten we niet meer op de kosten van de invoering van risicoverminderende maatregelen noch van de structurele uitvoering ervan.

Die kosten zijn niet alleen tijd en geld. Al die maatregelen en controles erop kosten betrokkenen stress en levenslust. Want wie gaat er nou naar zijn werk om voorzichtig te zijn of op te passen – behalve de oppasser, de risicomanager en de compliance officer?

Dus als het volgende risico zich aandient, gaan we vrolijk (en bang als we zijn) opnieuw aan de slag met de kans en de impact te overschatten en de kosten te onderschatten en vlechten we de volgende risicoverminderende maatregel zonder zichtbare moeite (mét onzichtbare kosten) in de reeds bestaande.

Ik daag je uit: stop nou eens met tenminste één van die maatregelen die jouw bedrijf (of gezin) ooit heeft ingevoerd. En ga van het daarmee bespaarde geld eens lekker met elkaar naar Mallorca.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach, schrijver en soms spreker. Hij heeft een dochter, een vriendin, een blog, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina.