Stoom jezelf klaar voor het heldendom, val vaker op

Te vaak houden we ons koppie onder het maaiveld. Terwijl we juist zouden moeten oefenen met opvallen. Daarmee doen we anderen een plezier als het er echt om gaat.

Vlak na de zomervakantie had ik een sessie met een man of twintig. Het waren bijna allemaal collega’s die elkaar redelijk tot goed kennen en een paar nieuwelingen.

Om luchtig te beginnen en nog even dat vakantiegevoel vast te houden had ik voorgesteld om een rondje te doen: naam, rol, locatie en het leukste van de afgelopen vakantie. De eerste hield zich, nadat ik hem er nog eens aan herinnerd had, netjes aan de opdracht. Antwoord op de laatste vraag: ‘Dat ik tot gister zonder kleren heb kunnen rondlopen.’

Natuurlijk bedoelde hij in korte broek, al dan niet met t-shirt erboven. De verspreking zorgde voor wat gelach en melige opmerkingen. Dat begint goed, dacht ik, hoopvol naar de volgende in rij.

Het rondje werd afgemaakt volgens de conventie: naam, rol, locatie en ‘ik heb ook een goeie vakantie gehad’.

Bij de volgende kwamen naam, rol en locatie er zonder haperen uit. De vraag naar het leukste van de vakantie werd vrij automatisch beantwoord met: ‘Ik heb ook een heerlijke vakantie gehad,’ zei hij.

Dit zette de toon voor de volgenden die aan de beurt waren. Eerst gaf men nog allerlei variaties op ‘heerlijk’. Mensen bleken bijvoorbeeld een ‘fantastische’, ‘hele goede’, ‘zeer fijne’ en ‘gelukkige’ vakantie te hebben gehad. Vanaf nummer tien zakte ook op dat vlak de creativiteit weg en werd het rondje afgemaakt volgens de conventie: naam, rol, locatie en ‘ik heb ook een goeie vakantie gehad’.

Typisch. En jammer. Want hoeveel leuker en energieker zou het zijn geweest als iedereen écht een inkijkje had gegeven in zijn vakantie en, vooral, in datgene waar-ie van geniet?

Teken eens iets op je voorhoofd met watervaste stift of trek een zuurstokroze trui aan (en houd hem aan).

Maar zo zijn mensen over het algemeen niet. Opvallen is niet ons ding. Ondanks de toon die de eerste spreker – die ook al een nudge van mij nodig had gehad – had gezet, koos de rest voor een veiliger optie. En toen nummer tien de veiligste optie had voorgedaan, deed de rest hem met graagte na.

Tijdens een conferentie over heldendom gaf een spreker het advies: ‘Practise being conspicuous.’ Teken eens iets op je voorhoofd met watervaste stift, praat iets harder dan normaal in een lift (praat überhaupt eens in een lift) of trek een zuurstokroze trui aan (en houd hem aan op straat).

Als we kleine oefeningen doen om op te vallen en daarmee onszelf buiten de massa plaatsen, stomen we onszelf klaar voor de momenten waarop we echt onder groepsdruk uit moeten komen. Bijvoorbeeld wanneer iemand op straat in elkaar geslagen wordt of dreigt te verdrinken en iedereen toekijkt.

Ook in minder heftige situaties kan het helpen om gewend te zijn aan anders zijn.

Maar ook in minder heftige situaties kan het helpen om gewend te zijn aan anders zijn. Als je team bijvoorbeeld op het punt staat een beslissing te nemen waar je geen goed gevoel bij hebt. Of als iemand voordringt bij de bakker en niemand er iets van zegt. Of wanneer een collega wordt uitgelachen door andere collega’s.

Als je dan al hebt geoefend met uit de toon vallen, zul je gemakkelijker voor die beslissing gaan liggen, die voordringer tot de orde roepen of je collega steunen.

Als je dus de volgende keer tijdens een meeting de vraag krijgt iets over jezelf te vertellen, denk dan eens echt na over die vraag.

Of, beter nog, vertel eens zomaar, ongevraagd, uit het niets in een meeting iets wat je gewoon kwijt wilt. Gewoon, om te oefenen.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Advertisements

Hoe onze smartphone de grote brenger van vrede is

Smartphones zijn de pest van onze samenleving, zeggen velen. Het maakt mensen tot sociale zombies, afgesneden van hun omgeving. Maar smartphones kunnen ook zorgen voor de-escalatie en een gevoel van normaalheid in oververhitte situaties.

Terwijl ik stond te wachten op station Hilversum, kwam er een vrouw het perron op lopen. Slank, harembroek, strak topje over een platte blanke borst.

Ze liep om een bankje heen dat plaats bood aan zes mensen. Vier mensen zaten er al. De harembroek vroeg iets aan een van hen, een vrouw met een bonte jurk om een volslank donker lichaam die druk bezig was in haar telefoon te praten. Harembroek wees op de boodschappentas van de bonte jurk. Die stond op een lege plek.

Toen bonte jurk niet reageerde, ging het opeens snel.

Harembroek pakte de tas met een vinnig gezicht en zette hem met een nog nijdiger gebaar op de grond, tussen de voeten van bonte jurk. Bonte jurk keek harembroek even vorsend aan en gaf haar toen een klap, vlakke hand op de schouder. Harembroek twijfelde geen moment en gaf meteen eenzelfde klap terug.

De andere mensen op de bank waren heel druk níét te kijken naar het tafereel.

Met een prikkende vinger in de richting van de ander riep harembroek: ‘Doe normaal! Ik had toch gevraagd de tas weg te halen?!’ Op dezelfde snelle, pinnige manier zei ze nog wat andere dingen terwijl ze gebaarde naar de boodschappentas en verschillende plekken op de bank.

Bonte jurk zei al die tijd niks en keek alleen maar.

De andere mensen op de bank waren heel druk níét te kijken naar het tafereel. Vooral de jongen naast bonte jurk wist niet goed wat hij ermee aan moest. Hier was een vrij ongebruikelijke catfight gaande, waar hij niet graag onderdeel van werd. Schuchter schoof hij een centimeter naar links, weg van zijn kleurrijke buurvrouw.

De dames staarden elkaar kort in stilte aan en gingen toen weer over tot de orde van de dag. Bonte jurk zei met tussenpozen volhardend en hard: ‘Hallo? Hallo?’ tegen haar telefoon. Harembroek pakte haar telefoon er ook bij en moest meerdere keren lachen om iets wat daarop te zien was.

Katten maken zich na zo’n ontmoeting direct uit de voeten. Deze dieren bleven vrolijk naast elkaar zitten.

Terwijl iedereen op die bank zijn best deed om te doen of er niets gebeurd was, kon ik het niet laten om het nog eens goed in me op te nemen. Wat gebeurde hier? dacht ik.

Dit had iets weg van een onderonsje tussen broer en zus, net voordat vader en moeder ingrijpen – waarbij bonte jurk natuurlijk de broer en harembroek de zus was. Maar ik vermoed niet dat deze twee vrouwen familie zijn, laat staan dat ze uit één gezin komen.

Het deed me ook denken aan twee katten die elkaar per ongeluk tegen het lijf lopen: een korte en heftige ontmoeting met snelle uithalen. Maar katten maken zich na zo’n ontmoeting direct uit de voeten. Deze dieren bleven vrolijk naast elkaar zitten.

Maar die vrolijkheid was slechts schone schijn: toen harembroek naar haar trein liep, keek bonte jurk haar hoofdschuddend na.

Doen alsof ze normaal deden wás normaal doen.

Let’s face it: harembroek en bonte jurk hebben allebei issues. Het is niet normaal om zomaar met een nijdige beweging boodschappentassen van onbekenden te verplaatsen. En het is niet normaal om een onbekende te slaan, ook al verplaatst die je boodschappentas.

En dat is juist het mooie aan deze situatie: zelfs twee gekkies als harembroek en bonte jurk deden na hun uitbarsting weer normaal. Want het doen alsof ze normaal deden wás normaal doen.

Dieren kennen drie tactieken om een gevaarlijke situatie met een ander dier aan te gaan – in goed Nederlands: fight, flight of freeze. De dames kozen eerst voor het vechten, wat juist abnormaal is.

De korte uitval van harembroek en bonte jurk is de uitzondering, de stille non-reactie van alle vijf de bankzitters de regel.

Bevriezen is eigenlijk voor mensen het meest normale. Als er iets gebeurt wat potentieel gevaarlijk is, zoals een vechtpartij, doen de meeste mensen niks. Het aantal onderzoeken waaruit blijkt dat mensen liever kiezen voor il dolce far niente dan voor kloeke actie is niet te tellen.

De korte uitval van harembroek en bonte jurk is de uitzondering, de stille non-reactie van alle vijf de bankzitters de regel.

Ik denk dat de vrouwen wakker schrokken van elkaars klappen. Toen zagen ze opeens dat ze met iets geks bezig waren. En in hun wakkerdere staat kozen beide vrouwen voor stil blijven zitten.

De smartphone is de grote pacifier.

Er is schijnbaar voor sommige mensen een escalatie nodig om in te zien dat vechten niet de normale optie is. Zij moeten vechten om de gekheid van vechten in te zien, letterlijk een klap krijgen om weer in het gelid van de freezers te gaan staan.

Gelukkig voor alle normale én gekke mensen is er tegenwoordig de smartphone, het beste excuus om net te doen alsof er niks gebeurd is, zelfs als je klappen uit hebt gedeeld.

En zolang iedereen op zijn schermpje kijkt, weet iedereen van elkaar dat-ie geen gekke dingen doet. Zo is de smartphone de grote pacifier.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Wie het eerste ruikt moet het zeggen tegen degene die z’n kontje heeft gebruikt

Uit onderzoek blijkt dat schaamte afneemt wanneer de schamers zichzelf kunnen verplaatsen in de waarnemers van de situatie. Als je dus getuige bent van een gênante situatie, laat weten hoe je die ervaart. Dan doe je de daders van gênante acties een plezier.

Ik neem dit jaar geen vakantie. Te veel dingen die ik wil doen. Als gevolg hiervan zit ik veelal alleen op kantoor, een kantoor dat ik – buiten vakantietijd – deel met andere ondernemers.

Nu hebben niet al te lang geleden een paar dames zich bij ons groepje huurders gevoegd. Tot die tijd waren we met vier à vijf mannen. En tot die tijd maakten we geen onderscheid tussen het heren-, invaliden- en damestoilet.

Daardoor mag ik nog altijd graag ook eens in de zoveel tijd gebruik maken van het damestoilet om een grote boodschap te doen. Niet om een bijzondere reden. Gewoon, om niet elke dag op dezelfde wc te zitten (en omdat de mannen-wc gewoon veel vaker gebruikt wordt en daarom niet zo schoon is – oké, daarom ook).

Ik ga natuurlijk wel alleen als er geen dames aanwezig zijn die dag.

Toen ik net vijf minuten weer op m’n plek zat, kwam Sara voorbij.

Zo ook vandaag. Ik had in het eerste uur dat ik op kantoor was niemand gezien dus ik waande mij alleen voor de rest van de dag. Daarom durfde ik het ervan te nemen.

Toen ik net vijf minuten weer op m’n plek zat, kwam ‘Sara’ voorbij. ‘Goeiemorgen!’ zei ze opgewekt. ‘Goeiemorgen!’ zei ik, in een poging ook opgewekt te klinken. Ik hoopte dat ze niet merkte dat ik het wat warm kreeg en van binnen een klein beetje in elkaar kroop.

Want wat als Sara snel naar het toilet moet? Dan merkt ze geheid dat er iemand voor haar was geweest. En dan kan ze alleen maar concluderen dat ik op ‘haar wc’ moet hebben zitten…

En het lijkt erop dat ze binnen ‘afruikbare tijd’ na mij is gegaan.

Nu wens ik al de hele dag dat het gesprek op een of andere manier komt op mijn damestoiletbezoek.

Nu wens ik al de hele dag dat het gesprek op een of andere manier komt op mijn damestoiletbezoek. Dan kan ik Sara mijn excuses aanbieden en vertellen dat ik niet wist dat ze er zou zijn vandaag, dat ik het toilet altijd netjes achterlaat en dat ik haar toilet gebruikt heb omdat de mannen nou eenmaal niet zo fris is als de vrouwen.

En dan zou zij niet van me kunnen denken dat ik een vieze man ben en zou ik me niet zo opgelaten voelen.

Maar dat is natuurlijk een onmogelijke wens. Zo werkt het niet.

Want hoe vaak confronteren we elkaar met een gênante situatie die iedereen stiekem allang kent? Als de adem van je buurman stinkt, je gesprekspartner een scheetje laat of je baas niemand kan boeien met zijn presentaties, doe je daar dan wat mee?

Uit onderzoek blijkt dat schaamte afneemt wanneer de schamers zichzelf kunnen verplaatsen in de waarnemers van de situatie.

Als je maar een beetje op een mens lijkt zal je antwoord ‘nee’ of tenminste ‘bijna nooit’ moeten zijn. En dat is jammer.

Want uit onderzoek blijkt dat schaamte afneemt wanneer de schamers zichzelf kunnen verplaatsen in de waarnemers van de situatie. Als je als waarnemer laat weten hoe je de situatie ziet dan doe je de daders van gênante acties dus een plezier.

Plus, als je benoemt wat de ander deed krijg je meestal een verklaring voor het gedrag. Die verklaring zorgt ervoor dat jij meer begrip krijgt voor de schamer.

Zo breng je dader en waarnemer, schamer en oordeler of gewoon mens en mens – weer wat dichter bij elkaar. En dat is, behalve in een toilet, altíjd een goede zaak.


Olav de Maat is schrijver, sociaalgedragscoach en organisatieadviseur (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Nederlanders klagen bozig en lafhartig – en da’s oké, vinden Nederlanders

Dreetje Hazes schalde ‘wie kan mij vertellen wat ik gisteren heb gedaan’ door onze achtertuin. De stem van de jonge volkszanger kwam me tegemoet toen ik de tuin in liep om mijn vader te helpen de achtergevel van ons nieuwe huis in de grondverf te zetten.

‘Hallo! Kan die radio wat zachter?! Het is door het hele bos te horen!’

Het kwam van het silhouet van een man dat te zien was door de rieten schutting van onze achtertuin. ‘Natuurlijk!’ riep ik terug. ‘Sorry! Mijn vader is al wat ouder. Hij hoort niet meer zo goed,’ zei ik er nog snel met een lachje achteraan. Het silhouet verdween zonder verder iets te zeggen uit het zicht.

De radio hadden we tussen de huisraad van de vorige bewoners gevonden. Terwijl ik de ramen aan de zijkant aan het verven was had ik al gehoord dat mijn vader het oude Philips-ding, waar hij alleen 100% NL op had kunnen vinden, nogal hard had gezet.

Als je er wél over nadenkt is dit eigenlijk gewoon raar gedrag.

Het silhouet had gelijk, dus. Maar was het niet een beetje te kortaf geweest?

Als je er niet over nadenkt, is dit een gangbaar ritueel: radio staat hard, buurman is boos, buurman roept. Maar als je er wél over nadenkt is dit eigenlijk gewoon raar gedrag.

We wonen nog maar drie weken in dit huis. Met onze achterburen hadden we nog niet kennisgemaakt. Dit was dus onze eerste ontmoeting met een van hen.

Een bruusk ‘hallo!’ was het eerste woord dat hij koos om die ontmoeting in te luiden. Een kort retorisch verzoek was zijn tweede zin en een insinuerende overdrijving zijn derde. En als slot koos hij ervoor om zonder meer weg te lopen. Nogal onbeschoft.

Ik denk dat er meerdere dingen speelden die ervoor zorgden dat het silhouet zich zo gedroeg.

Dit is hoe we het doen. In onze cultuur praat je nou eenmaal kort en to-the-point met onbekenden.

Allereerst denk ik dat mijn achterbuurman zich al een tijdje op had zitten vreten. Hij moet hebben zitten luisteren en op een gegeven moment gedacht hebben: nu is het klaar, het is door het hele bos te horen! Dat dat fysiek onmogelijk was, maakte niet uit. In zijn hoofd was het inmiddels zo. Hierdoor had hij vol adrenaline gezeten toen hij bij de schutting aan was gekomen.

Daarnaast moet er angst in het spel zijn geweest. De man zal nooit toegeven dat hij bang was geweest en hij had vast niet staan trillen als een rietje. Maar íéts van angst speelde zeker een rol.

We hadden elkaar immers nog nooit ontmoet. De belangrijkste info die hij over ons had was dat we heel hard 100% NL luisteren. Wist hij veel wat voor toeren een paar onbekende oer-Hollandse herriemakers zouden uithalen als hij ze zou aanspreken?

En als je bang bent voor iemand, kun je maar beter niet te dichtbij komen.

Tot slot, en wat mij betreft het erg(erlijk)ste: dit is hoe we het doen. In onze cultuur praat je nou eenmaal kort en to-the-point met onbekenden.

Het is schijnbaar oké als je bozig en lafhartig je ongenoegen uit.

Of het nou de kijk-uit-je-doppen is naar de voetganger die het fietspad oversteekt, de ssssjt naar de pratende tieners in de stiltecoupé of de claxon naar iemand die in de weg staat met zijn auto: het gaat allemaal met zo min mogelijk woorden en contact.

Ook aan dit gebruik liggen de frustratie en angst ten grondslag die mijn silhouetbuurman moet hebben gevoeld. Het punt is, de uiting van die frustratie en angst is geaccepteerd. Het is schijnbaar oké als je bozig en lafhartig klaagt. Niemand zegt daar immers wat van. Dát maakt er iets aan doen zoveel moeilijker.

En daarom wil ik juist iedereen oproepen om iets te doen wat ingaat tegen deze gewoonte: als iemand iets doet wat je niet zint, maak er een ontmoeting van.

Bel aan bij die nieuwe buurman met die schallende radio en stel je voor en maak een praatje. Stop voor die voetganger, kijk hem aan en zeg met een glimlach: ‘Ga je gang! En de volgende keer oppassen, hè?’ Loop naar die herriemakers in de stiltecoupé toe, en gebruik woorden met klinkers erin. Stap uit je auto en vraag of je kan helpen met het uitladen van de auto die midden op de weg staat.

En als iemand bozig en lafhartig zijn ongenoegen uit, maak dan ook daar een ontmoeting van.

Ik bel in ieder geval vanavond aan bij de onbekende silhouetbuurman. Dan stel ik me voor en maak ik een praatje. Dat begint met: ‘We hebben elkaar zaterdag al ontmoet, toen u vroeg of de radio zachter kon…’


Olav de Maat is schrijver, sociaalgedragscoach en organisatieadviseur (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Leidinggevenden zorgen voor onveilige werksituaties, dankzij compromitment

Er zit een wetmatigheid in hoe mensen omgaan met het falen van anderen: het compromitmenteffect. En dit effect bepaalt sterk hoe we vooruitkomen (of niet) in ons werk.

In ons werk worden we vaak beoordeeld op en beloond voor gedrag. Dit gaat ervan uit dat leidinggevenden voldoende in staat zijn om het gedrag van hun medewerkers op waarde te schatten. Bovendien weten veel leidinggevenden tegenwoordig dat mensen vrijheid nodig hebben en leren van fouten. Dus is zelfstandigheid het devies en het motto: fouten maken mag.

Maar de beoordeling van fouten wordt bepaald door de mate van compromitment: de mate waarin iemand zich gecommitteerd heeft aan een ander, gecombineerd met de mate waarin iemand gecompromitteerd wordt door die ander. Als er van beide veel sprake is, dan zit je in een awkward situatie aan elkaar vast. Maar als er laag commitment is, kan een gecompromitteerd iemand de ander zomaar laten vallen als een baksteen.

De vrijheid in ons moderne werk maakt beoordelen en belonen daarom vaak onbetrouwbaar en psychologisch onveilig. Vandaar dat medewerkers en leidinggevenden elkaar juist méér moeten opzoeken naarmate ze mínder met elkaar te maken hebben.

Medewerkers en leidinggevenden moeten elkaar meer opzoeken naarmate ze minder met elkaar te maken hebben.

Ik mocht ter viering van het dertigjarig bestaan van een bedrijf een groep van ongeveer negentig mensen iets vertellen naar aanleiding van mijn boek. Dat doe ik vaker. Deze keer ging ik echter faliekant de mist in. Het was pijnlijk. En het was leerzaam te zien hoe verschillende mensen daar verschillend mee omgingen.

Ik had bedacht dat ik mijn optreden zou beginnen met een experiment. Vier vrijwilligers zouden op het podium met behulp van een online pollprogramma vragen beantwoorden.

Dat kwam er alleen amper van.

De internetverbinding was langzaam. En een van de vrijwilligers kwam met haar telefoon niet op de juiste pagina. Als gevolg daarvan stonden we met z’n vijven wat te prutsen en te mompelen terwijl negentig mensen eerst geïntrigeerd toen geamuseerd en toen onrustig werden. En sommigen raakten tenslotte geïrriteerd.

Degenen die ik het meest geïrriteerd zag worden waren de twee organisatoren van het event. Op de voorste rij spraken ze met elkaar met handen voor de mond en steelse blikken mijn kant op.

Zonder me aan te kijken klopte hij me afwezig op de schouder en liep naar de borrellocatie.

Na een half uur – waarin ik het met humor gered heb, zoals iemand later zei – plofte ik neer op de stoel naast een van de twee organisatoren, ‘Frits’. Frits keek me niet aan en zei niets. Hij bleef met zijn rug van me afgewend zitten terwijl hij naar zijn collega luisterde die het woord van me over had genomen. (Die laatste begon overigens zijn verhaal met de woorden: ‘Gaaf, gaaf…’ waarmee hij leek te doelen op mijn optreden.)

Toen het plenaire gedeelte afgelopen was en het tijd was op te staan, wist Frits een ‘dankjewel’ te mompelen. Zonder me aan te kijken klopte hij me afwezig op de schouder en liep naar de borrellocatie.

Op de borrel sprak ik ook de tweede organisator, ‘Philip’ – die van ‘gaaf, gaaf…’ Hij leek een stuk minder moeite te hebben met mij. Hij bedankte me voor mijn bijdrage en zei lachend dat hij eerst dacht dat mijn blunder bij de act hoorde. ‘Klote,’ zei Philip, ‘maar dat kan nou eenmaal gebeuren.’

Thuis aangekomen vertelde ik het verhaal van mijn optreden. Mijn vriendin zei dat ze voor me baalde maar ervan overtuigd was dat ik het goed had gedaan. Ze had het verhaal eerder van me gehoord en ze zei te weten dat het echt een mooie boodschap was. Ze twijfelde niet aan mijn kunnen.

Compromitment is de mate waarin iemand zich gecommitteerd heeft aan een ander, gecombineerd met de mate waarin iemand gecompromitteerd wordt door die ander.

Drie mensen, drie reacties. Natuurlijk is het verschil in reactie voor een deel te verklaren door het verschil in persoonlijkheid: Frits leek me al een wat stiller type, Philip is in mijn ogen de wat meer positief ingestelde man en mijn vriendin Kim heeft altijd een pleister op de wonde klaar.

Maar persoonlijkheid is maar een déél van de verklaring. Compromitment is een even zo belangrijk of misschien wel het belangrijkste deel.

Compromitment is de mate waarin iemand zich gecommitteerd heeft aan een ander, gecombineerd met de mate waarin iemand gecompromitteerd wordt door die ander.

Hoe meer gecommitteerd, hoe meer ondersteunend. Neem Kim. Haar ken ik al zeventien jaar en ze helpt me altijd met mijn presentaties. Dat zij me blijft steunen mag geen wonder heten.

Interessanter is het verschil tussen Frits en Philip.

Ik was de dronken neef die op het familiefeestje op tafel klimt.

Ik kende Frits en Philip allebei niet vóór dit avontuur. De kennismaking en de intake voor het praatje had ik eind maart met hen beiden gedaan. Tot half juni, tijdens de verdere voorbereidingen, had ik alleen contact gehad met Philip. Met hem was er daardoor een soort gelegenheidsverbond ontstaan. We gingen dit samen regelen. Toen het uiteindelijk op het moment suprême fout ging, was dat commitment niet meteen verdwenen.

Met Frits had ik echter amper een relatie. Was voor Philip mijn optreden vermoedelijk in eerste instantie een gezamenlijke onderneming die fout ging, voor Frits was ik vooral een gênante vertoning op zíjn feestje.

Want dat was het compromitterende deel: met mijn mislukte experiment creëerde ik een ongemakkelijke situatie voor Frits en Philip. Ik was de dronken neef die op tafel klimt op het familiefeestje waar je net je vriend(innet)je voor het eerst mee naartoe neemt.

Voor beiden was het awkward. Maar voor Frits was ik een vaag bekende achterneef, terwijl Philip als het ware daags daarvoor nog met neef Olav de kroeg in was geweest.

Het vreemde aan compromitment: je zou verwachten dat mensen zich meer schamen voor iemand met wie ze nauwer verbonden zijn. Je schaamt je immers meer voor je moeder die gek staat de dansen op je zestiende verjaardag dan voor een wildvreemde die dat doet. Maar de grap is dat je hersenen je schaamte corrigeren voor de mate waarin je je verbonden hébt – vs. de mate waarin je verbonden bént.

Het is een kwestie van commitment.

Is het commitment laag, dan laat iemand de ander voor het minste of geringste vallen als een baksteen.

Speaking of dronken op tafels staan: op een hockeyfeestje waar ik ooit, lang geleden, was klom een jolige en dronken hockeyer op een statafel. Zijn ploeggenoten moedigden hem juichend en springend aan. Tot hij zijn sport- én onderbroek uittrok.

Wat hij (hopelijk) niet wist was dat hij in z’n broek gepoept had. Zijn vrienden wisten het tot op dat moment ook niet. Toen ze de over zijn billen geveegde diarreesporen zagen verstomde hun gejuich, verstilde hun springen en keerden ze zich van hem af.

De gêne en het risico om gecompromitteerd te worden waren te groot. En het commitment met hun teamgenoot was, na een bier of twintig, niet groot genoeg meer.

En dus is het compromitmenteffect: de mate waarin iemand zich afkeert van een ander is afhankelijk van de mate waarin iemand gecommitteerd is aan en de mate waarin hij gecompromitteerd wordt door die ander.

Is iemand meer gecommitteerd dan is er een grotere mate van ‘compromise’ nodig voordat hij zich afkeert van de ander die faalt. Is het commitment laag, dan laat iemand de ander voor het minste of geringste vallen als een baksteen.

De kans op compromitment is grillig en wordt steeds groter. Dit zorgt soort voor onveilige werksituaties. En een paradox.

En het is precies die afhankelijkheid van de mate van compromitment die beoordelingen van en beloningen voor ons werk onbetrouwbaar maakt.

Want wat als je als medewerker zelfstandig werkt? Dan is je leidinggevende weinig betrokken bij wat je doet, dus in de regel minder gecommitteerd. En wat als je dan ook nog iets doet waardoor je leidinggevende zich geneert? Dan voelt hij of zij zich gecompromitteerd.

Maar wat de een oké vindt, vindt de ander gênant. Dacht jij bijvoorbeeld dat je best mag zeggen tegen een klant dat jullie een deadline niet gaan halen? Het kan best zijn dat je baas dat he-le-maal geen goed idee vindt. Of vind jij het oké om tijdens een vergadering je meerdere tegen te spreken? Wie weet is dat iets waar zijn tenen net iets te lang voor zijn.

Medewerkers en leidinggevenden moeten elkaar meer opzoeken naarmate ze minder met elkaar te maken hebben.

De kans op compromitment is dus onvoorspelbaar door persoonlijke verschillen. Daar komt bij dat steeds meer mensen in zelfstandige functies werken. Dat is nou eenmaal de trend: medewerkers verdienen vrijheid, is de gedachte.

Dus de kans op compromitment wás al grillig en wordt óók nog eens steeds groter door de neiging naar vrijheid. Dit zorgt soort voor onveilige werksituaties. En een paradox.

De paradox is namelijk dat medewerkers en leidinggevenden elkaar meer moeten opzoeken naarmate ze minder met elkaar te maken hebben. Op die manier blijft het commitment hoog en weet je van elkaar wat de ander oké vindt en wat gênant.

Want iemand zelfstandig laten werken is één ding, iemand laten vallen iets heel anders.


Olav de Maat is schrijver en consultant (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Emailing can be a stupid idea, and you need someone else to point that out

This blog post is about something as mundane as writing an email. Actually, it is about writing an email. Since, because it is so mundane, it’s sometimes almost impossible to not email. Therefore, every opportunity is a good one to put the spotlight on that fact.

The other day, I received an email from someone I shall call ‘Bob’. It didn’t have a particularly pleasant tone. It bugged me. And I immediately sat down to write a reply.

Bob’s message was a reply to an email I had sent earlier. In his response, Bob pointed out the mistakes he thought I had made in my message. He did so in statements that seemed to try to underline my apparent inattention. And, of course, Bob had cc’d his entire project team in his email.

Naturally, I didn’t think I made any mistakes. And, like I said, the tone didn’t please me either. Besides, it matched his behavior in a meeting I had had with him earlier.

Bob got under my skin.

“Call him,” was all she said.

After half an hour of writing, reading, rewriting and rereading my reply email, my girlfriend called. It was about an unrelated event, but at the end I asked her: “What do you think I should do?” I explained the situation with Bob.

“Call him,” was all she said.

I paused. Thought about it. And said: “You’re absolutely right!”

So, I called Bob. He answered. We talked. It was a perfectly friendly talk. In a calm manner I could ask for Bob’s intentions and explain mine. I hung up relieved.

I had to think of the ‘end scene’ of the 1971 Stanford Prison Experiment, led by social psychologist Philip Zimbardo. In the experiment, twenty students were assigned the role of either guard or prisoner. After six days of mental torment, Zimbardo ended the experiment prematurely.

We need others to point out how abnormal our behavior sometimes is

It took Zimbardo’s girlfriend, who came by to visit on day six, to point out to him how badly the guards were behaving and how miserable the inmates were. Zimbardo was too much involved to see this himself. But it felt like waking from a dream, he said.

This may be an extreme parallel, but the two events are parallel. We get sucked into things that seem normal so easily. And we need others to point out how abnormal they actually are and wake up.

And once we wake up and see the abnormality of things, it’s not that hard to do things normally.

We get sucked into emailing others about sensitive stuff, when picking up the phone or walking over to that other person’s desk is so much more effective and relieving. But most of the times we can’t get out of the tunnel we’re sucked into.

At least, we can’t get out by ourselves.

So, next time you’re about to hit “send” on the top of that overheated email, tell about your plan to someone you trust. It’ll probably turn out to be a cockamamie plan.


Olav de Maat is author and consultant. He has a book, a Facebook page, a website, a daughter, a dog and a girlfriend.


 

What to do when friends don’t pay up

Last Thursday, the finale took place of two and a half years of fuss about a twelve-thousand-euro loan. At least, I hope so. Because it seems that the end was already in sight two and a half years ago.

Share your opinion on how I handled this with the poll at the bottom of this post. 

Meanwhile, it’s been twenty months. I still don’t have my money back.

At the beginning of September 2016, ‘Oz’, an acquaintance who was up to his neck in a huge construction project, asked if my girlfriend and I knew someone who could temporarily help him out. With twelve thousand euros he would get the biggest creditors off his back. And he expected he needed three months to get things sorted out with the bank for a multimillion-euro deal for the project. So the loan would be repaid before the end of the year.

At that moment, I could do without such an amount for a few months. And I supported Oz’s initiative. Moreover, I trusted him. So I told him he could count on me.

At the insistence of Oz, we had a contract drawn up. Among other things, it stated: ‘Repayment of the loan is made by full repayment, the first and only term of which expires on 31 December 2016.’

Meanwhile, it’s been twenty months. I still don’t have my money back. And since we are renovating a house we just bought, we now need it ourselves.

Since January 2017, we’ve tried to reach Oz regularly. Sometimes, after months of insisting, we got a result. At moments like these, he would tell us that the money would shortly come. Then, this wouldn’t happen. So, after some time, we tried to reach him again in vain. After which he would let us know very briefly that everything would almost be finished. And then he would disappear from the radar, again.

We thought that we would take a different approach. We were going to turn to the people around him.

It was March the last time I spoke to him.

Since his promises turned out to be empty again and again, and especially because we could not elicit a response via email, WhatsApp and telephone, a week ago, we thought we would take a different approach. We were going to turn to the people around him.

First, my girlfriend called his company. He turned out not to be there at that moment. So she asked for his business partner. She was there. She had an appointment with Oz that day, she said. My girlfriend asked her to ask him to call us. She also explained why she wanted to reach him. His business partner promised to tell him.

After a few days Oz still had not contacted us. In the end, we decided to approach his girlfriend.

He was mad. At us.

I called her and got her voicemail. I left a message with explanations and apologies. Assuming that she would be surprised by this news, I also emailed her with our predicament. That way, she could read it, in case she couldn’t believe her ears.

My girlfriend sent a last, desperate WhatsApp in which she almost begged Oz for contact. This time, we got a reaction. Oz wrote that he had understood that we had approached his business partner and girlfriend. That was all he wrote. No excuses. No promises.

He did put six dots between the name of his business partner and that of his girlfriend.

He was mad. At us.

My girlfriend decided to call him. She actually got him on the phone right away. After she had briefly tried to make it clear to him that she was baffled by his response, he took over the conversation. How could I involve his girlfriend in this? Approaching his business partner was one thing. But his romantic partner? That really went too far, he said.

After my girlfriend hung up, she asked me for the number of my business account and the amount that Oz owed me by now. He had said he would transfer it as soon as he had that information. (BTW: it’s been two business days since then, and the money still isn’t in my account.)

He doesn’t have to face his own lack of decency. He is not wrong. I am the bad guy here, if you ask him.

I felt a bit ashamed when Oz turned out to be angry with me. Had I indeed gone too far?

We had decided to approach the people who see him the most and who have the most influence on him, because, time and time again, he turned out not to be approachable or influenced by us.

What’s more, if I had not told her about the situation, his girlfriend had gone and asked him if he wanted to call a certain Olav de Maat. That would elicit the same response as always: nothing.

And we wanted to elicit something. Because, it wasn’t even the fact he wouldn’t pay up, it was the fact he would categorically ignore us for months at a time that had bothered us most.

Moreover, on principle and out of respect for the friendship with him, we did not want to make this a legal issue. Of course we could have sent formal letters and threatened him with bailiffs. But that’s not in our nature. We wanted to avoid stuff like that for as long as possible.

If a human sees a chance to keep his self-image clean, he must be strong-willed not to grab it.

What I hate the most about this whole episode is that Oz is angry with me. In his eyes I am the a-hole who has his girlfriend involved in this. And with that, he does not have to face his own lack of decency. He is not wrong. I am the bad guy here, if you ask him.

And why would he not think so? He’s only human. And if a human sees a chance to keep his self-image clean, he must be strong-willed not to grab it. Especially when it comes to something that simply has no good reason. For what good reason is there to go mute when someone who loaned you a considerable sum is trying to reach you with all his might?

But maybe now I’m also polishing my self-image. Who knows.

Eventually we sent Oz a final WhatsApp before we went to bed Thursday night: “The only thing we wanted with the loan to you was to make the world a little better and let the good guys win. We think it’s a real (really real) pity that we have now given each other the feeling that the other person is the bad guy and the world has not gotten better for it.”


I’m curious: what do you think of this? Am I also suffering from self-deception in this case? Give your opinion in the poll below.