Niet de overspannen werknemer noch zijn baas, maar de verzuimspecialist is het probleem

Deze week is de week van de werkstress. Voor de gelegenheid deed Arbo Unie een onderzoek. Het Financieele Dagblad kopt erover: ‘Niet de overspannen werknemer, maar zijn baas is het probleem.’ Het onderzoek, het artikel en de mensen die erin geciteerd worden maken een hardnekkige misvatting alleen maar hardnekkiger: dat iemand ergens de schuld van moet krijgen.

40 procent van de leidinggevenden denkt dat hun werknemers nauwelijks stress ervaren en 58 procent dat werkstress voortkomt uit een te zwaar takenpakket. Bestuurder Willem van Rhenen van Arbo Unie maakt in het FD-artikel duidelijk dat de leidinggevenden het fout hebben: ‘Uit eerdere onderzoeken blijkt dat werkstress wijdverbreid is en dat niet het takenpakket, maar het gebrek aan autonomie daarvan de hoofdreden is. Ook speelt gebrek aan steun van leidinggevenden, of overmatige hiërarchie een belangrijke rol. Zaken waar hoger management directe invloed op heeft.’ En verzuimspecialist Titus Kramer doet er een schepje bovenop: ‘Het is een reflex om te focussen op degene die zich ziek meldt, maar eigenlijk zouden we ons moeten richten op het baasje. Die is vaak de veroorzaker.’

‘Vooral meneer Kramer strijkt mij tegen de haren in. En dat is niet alleen vanwege het denigrerende “baasje”.

Vooral meneer Kramer strijkt mij tegen de haren in. En dat is niet alleen vanwege het denigrerende ‘baasje’. Het is ook en vooral omdat hij ons aanzet ons op iemand te ‘richten’ die de ‘veroorzaker’ is. Daarmee is hij niet anders dan de leidinggevenden die de bal in veruit de meeste gevallen leggen bij de medewerker zelf omdat die een te zwaar takenpakket zou hebben.

Het werkstressonderzoek en de reacties van meneren Van Rhenen en Kramer storen me. Ze staan voor iets wat ik te vaak tegenkom: mensen geven elkaar de schuld. Bij falen of schandalen moeten er koppen rollen.

In de psychologie heb je iets wat bekend staat als de fundamentele attributiefout (FAF). Die komt erop neer dat mensen slecht gedrag van anderen bij voorkeur toeschrijven aan hun persoonlijkheid. Als er iets fout gaat, ligt het aan de persoon. En de beste manier om de fout op te lossen, is dan om de persoon aan te pakken.

De tegenvechters van de FAF pleiten vooral voor aandacht voor omgevingsfactoren. Titus en Willem zóúden kunnen zeggen dat zij dat soort tegenvechters zijn. Zij zien leidinggevenden immers als belangrijkste factor in de omgeving van de gestreste medewerker. Maar ook Titus en Willem trappen in de fundamentele attributieval.

‘Als een plant groter groeit in de zon dan in de schaduw, wie geef je dan de schuld? De zon of de plant?

Ook zij leggen namelijk de schuld bij íémand op basis van een eigenschap waarvan zij aannemen dat een bepaalde groep mensen die heeft. Maar dat is onzin. Want het is over het algemeen onzin om het over schuld te hebben. Als een plant groter groeit in de zon dan in de schaduw, wie geef je dan de schuld? De zon of de plant?

En als een medewerker last krijgt van werkstress als zijn baasje hem onvoldoende autonomie geeft, wie geef je dán de schuld? Het baasje of de medewerker?

Praten over schuld in situaties waar er sprake is van interactie is tijdverspilling. Want dat is wat er speelt bij werkstress, en in alle situaties waarin mensen met elkaar te maken hebben: interactie. Het heeft veel meer zin om dan te kijken hoe de interactie in elkaar zit: wat in het gedrag van de een zorgt voor een ongewenste reactie bij de ander en andersom?

En daarvoor heb je… wait for it… interactie nodig. Dus medewerker en leidinggevende, zoek elkaar op. Ga in gesprek. Pluis het uit. Daar word je allebei wijzer van. En stop met vingers wijzen naar stresskippen en baasjes, want daar is – met uitzondering van misschien een onderzoeker, verzuimspecialist of journalist – niemand mee geholpen.


Wil je echt weten wie de schuld heeft van alles wat er mis is in onze maatschappij? Lees dan m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn!


 

Advertisements

Veel consultants doen nutteloos werk – en dat weten ze zelf allang

In Arnhem maken ze er in de gemeenteraad een zooitje van. Raadsleden en wethouders beledigen elkaar, gebruiken grove taal, intimideren en schofferen. Een enkeling bedient zich zelfs van de middelvinger.

Hoogleraar Bestuurskunde Paul Frissen deed er onderzoek naar en concludeerde onder andere dat er in de stad een cultuur is van doelen die de middelen heiligen, van altijd gelijk hebben, van voldongen feiten en van straatvechten. Het advies van de onderzoekers: ‘Wie de samenleving normen voorhoudt, moet zichzelf daaraan houden.’

‘Dachten ze nu echt dat een patroon dat zich jaren heeft ontwikkeld zou veranderen door een rapport?

De gemeenteraad wil dat het college van burgemeester en wethouders vandaag in het openbaar reageert op het rapport van Frissen. Tot nu toe heeft het college alleen per brief laten weten het rapport met de gemeenteraad in een-op-eengesprekken te willen bespreken. De raad vond die reactie teleurstellend en ook Frissen is verbaasd over de brief van het college.

Ik ben op mijn beurt teleurgesteld en verbaasd over de reacties van de raad en de hoogleraar. Wat hadden ze dan gedacht? Dachten ze echt dat een patroon dat zich jaren heeft ontwikkeld zou veranderen door een extern rapport? Ja, want in het rapport is te lezen: ‘Om deze patronen te doorbreken moeten deze bevindingen vooral als een spiegel voor reflectie worden benut.’

Dankzij de psychologie kennen we de confirmation bias al bijna zestig jaar – en dankzij de Griekse historicus  Thucydides al sinds 400 voor Christus. Het is de neiging om informatie te zoeken, te interpreteren, voor te stellen en te herinneren op een manier die iemands bestaande overtuigingen bevestigt.

‘De hoogleraar wist al dat zijn rapport geen enkele zin gaat hebben.

Maar dankzij diezelfde confirmatieneiging denken veel onderzoekers, consultants en managers dat hun rationele methodes werken. Ze zijn ervan overtuigd dat het nuttig is om mensen te vertéllen wat ze fout doen en hoe ze het beter kunnen doen, ondanks wetenschappelijke studies en waarschijnlijk hun jarenlange eigen ervaring die het tegendeel bewijzen. De informatie uit die studies en ervaring hebben ze gezocht, geïnterpreteerd, voorgesteld en herinnerd op een manier die hun bestaande overtuigingen bevestigt.

Want als zij die informatie serieus zouden nemen, zouden zij de nagel aan hun eigen professionele doodskist zijn. En zo houden hele beroepsgroepen zichzelf in stand.

‘Weten en ernaar handelen zijn twee verschillende dingen.

In een NOS-bijdrage zegt Frissen over het college: ‘Je hoeft niet te erkennen dat je iets fout hebt gedaan, maar je zou kunnen zeggen: voor zover u zich beschadigd voelt door het gedrag dat we hebben vertoond, bieden we onze verontschuldigingen aan.’ ‘De hoogleraar heeft er een hard hoofd in dat het zover gaat komen vanavond,’ voegt de journalist van dienst toe.

De hoogleraar wéét dus eigenlijk al dat zijn rapport waarschijnlijk geen enkele zin gaat hebben. Maar weten en ernaar handelen zijn twee verschillende dingen. Maar als hij dat zou erkennen, zou hij zichzelf tegenspreken. Want om patronen te doorbreken hoeven bevindingen enkel als een spiegel voor reflectie te worden benut, is zijn devies.

Benut daarom de bevindingen in dit artikel als een spiegel om je eigen patronen te doorbreken. Dan zal je in de toekomst wel twee keer uitkijken voordat je iemand van loze raad voorziet.


Meer loze raad? M’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn staat er vol mee!


 

Waarom je een ander niet moet laten uitpraten

Te vaak laten we de ander uitpraten. Omwille van beleefdheid en harmonie. Zeggen we. Maar stiekem zit er een veel minder beschaafde reden achter: luiheid. Alleen kost uit laten praten uiteindelijk vaak meer energie. Dus doe jezelf en de ander een plezier en zeg er wat van.

‘Heb je een nieuwe gadget?’ vroeg ‘Dirk’ die mijn kamer was komen binnenlopen. Hij wees naar het zwarte doosje dat aan mijn laptop was gekoppeld met een USB-kabeltje. ‘Nee, hoor,’ zei ik, ‘ik heb ’m al een tijd. Ik zou dit ding juist veel vaker moeten gebruiken.’ Het ‘ding’ was een externe harde schijf die ik (te weinig dus) gebruik om een reservekopie te maken van mijn pc.

Dirk was dichterbij gekomen. Ik legde hem uit hoe ik zo’n reservekopie maakte. Zo wees ik hem waar je moet zijn bij Systeemvoorkeuren en op het teken van Time Machine in de menubalk. Hij leek geïnteresseerd. Hij schoof zelfs de muiscursor even aan de kant om het icoontje met het klokje beter te kunnen zien.

‘Menig managementteam klaagt over de nutteloosheid van hun wekelijkse overleggen.

Nadat ik een minuut of wat uitleg had gegeven, zei hij: ‘Ja, ik heb zelf zo’n groot ding,’ hij onderbrak zichzelf om met zijn handen een wijde, draaiende beweging te maken. Uit zijn mond kwam een zoemend geluid. ‘En daarmee sla ik eens in de zoveel tijd alles op.’ ‘O, je weet dus waar ik het over heb?’ vroeg ik hem. ‘Ja. Ik wist alleen niet dat ze die dingen met één terabyte,’ hij wees op mijn externe harde schijf, ‘al zo klein maakten.’ ‘Dus al die uitleg van mij over het maken van reservekopieën was eigenlijk voor niks?’ zei ik lachend. ‘Inderdaad.’ ‘Waarom zei je dan niks?’ ‘Ik dacht: ik haal er wel uit wat nuttig is.’ Met een glimlach liep Dirk mijn kamer uit.

Ik verveel mensen regelmatig met een wedervraag als: ‘Hoe bedoel je?’ ‘Wat wil je precies weten?’ of ‘Waarom vraag je dat?’ Deze keer deed ik het een keer niet. Daar kreeg ik meteen spijt van.

Dit gesprek kostte een minuutje, maar hoe vaak zitten mensen niet een hele vergadering naar elkaar te luisteren, al meehummend en geïnteresseerd knikkend, terwijl dat wat ze horen helemaal niet interessant voor ze is, laat staan relevant? Ik ken menig managementteam waarvan de leden klagen over de nutteloosheid van hun wekelijkse overleggen of over de vaak vreemde ideeën die hun baas dan oppert. Maar zeggen ze dat ooit tíjdens zo’n overleg? Zegt iemand dan: ‘Eh, sorry, maar wat ik éígenlijk wil weten is…’? Nope.

‘Ik denk dat de belangrijkste reden luiheid is, aangeboren luiheid.

Waarom niet? Omdat we hebben geleerd dat iemand onderbreken in iets wat-ie graag vertelt onbeleefd is? Of zijn we bang dat we een onprettige discussie krijgen omdat de ander zijn punt niet kan maken? Behouden we eigenlijk liever de harmonie?

Maar hoe beleefd is het om interesse te veinzen? Hoeveel respect toon je iemand als je je echte gevoel over wat hij of zij zegt niet uit?

Ik denk dat de belangrijkste reden niks te maken heeft met beleefdheid of angst. Ik denk dat de belangrijkste reden luiheid is, aangeboren luiheid.

Geen enkel dier verspilt graag energie. En dat is logisch. Als je wilt overleven, kun je beter zo min mogelijk brandstof verbruiken. Want die zou je wel eens nodig kunnen hebben om te vluchten of te vechten of in tijden dat je geen voedsel kunt vinden.

Iemand onderbreken en leiden naar je eigenlijke interesse of vraag kost energie. Waarom je energie verspillen aan het gedoe dat ontstaat van zeggen wat je echt vindt? Je kunt tijdens een vergadering beter je e-mail checken of in gedachten verzonken zijn. Scheelt je later weer tijd.

‘Allemaal excuses om een minder geciviliseerd deel van onze dierlijke aard te maskeren.

En Dirk had vanuit evolutionair oogpunt ook gelijk: waarom zou hij de moeite nemen om mij vragen te stellen als hij erop kon vertrouwen dat ik toch wel ergens in mijn verhaal van een minuutje de info zou geven die hij zocht? Hij haalde er wel uit wat nuttig was.

Een fijne bijkomstigheid van dit alles is dat we beleefd overkomen en ogenschijnlijk de harmonie bewaren. Maar dat zijn slechts excuses om een minder geciviliseerd deel van onze dierlijke aard te maskeren. We zijn liever lui dan moe.

Dat is allemaal prima. We zijn nou eenmaal allemaal slechts mensen. Maar als je jezelf meer moeite wilt besparen in de toekomst, doe dan een kleine investering in het heden. Denk even na over je vraag voordat je er eentje stelt die nét niet is wat je bedoelde, want mensen gaan met je foute vraag aan de haal (een wedervraag stellen kost die ander immers ook weer energie). Wees eerlijk tegen je partner over dat bezoekje aan je schoonouders. Voor je het weet, zie je ze elke week.

En stop – in naam van alle lieve dingen – met nutteloze vergaderingen. Heb de moed om je collega’s te vertellen dat je er niks aan hebt. Dat scheelt iedereen, naast een hoop tijd, veel frustratie en stress. En dát zijn pas de echte energievreters.

Epiloog
Grappig: ik zocht na het schrijven van deze post voor een training de Covey-matrix – je weet wel, urgentie vs. belang. ‘Meetings’ stond op verschillende resultaten van Google Images in kwadrant 3 (urgent-niet belangrijk). In een andere versie stond bij dat kwadrant: ‘Avoid. Illusion + deception. Minimize investment.’ Kortom, we weten het dus allang maar zijn echt te lui om er iets mee te doen.


Want more? Check m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.


 

Zet een hulplijn in en vergroot je netwerk (en werk ondertussen aan je vertrouwen in de mensheid)

Als je je geloof in de mens wat op wilt beuren (of gewoon plat iets aan je netwerk wilt doen), vraag om hulp. Je zult verrast staan.

Sinds maart 2014 ga ik door het werkende leven als Fellow Man. In die drie en een half jaar heb ik een loyale ‘fanbase’ opgebouwd, mensen die graag met me samenwerken. Het is echter een relatief kleine fanbase.

Ik doe daardoor vaak voor dezelfde organisaties opdrachten. Dat is leuk en goed. Het is fijn om met mensen samen te werken die me goed kennen en vertrouwen. En omdat ik de organisaties en mensen goed ken, kan ik extra snel tot de kern van een vraagstuk komen. I count my blessings.

‘Ik ben meer van Charlie Brown en Phil Collins. (Dat is vast ook een reden dat mijn fanbase maar heel langzaam groeit.)

Tegelijkertijd is mijn bereik hiermee beperkt. Ik heb een missie met Fellow Man: het werkende leven menselijker maken. Als ik telkens door dezelfde organisaties word ingehuurd, help ik dáár misschien wel mee aan een menselijker werkend leven maar daar heeft de rest van de wereld, die ik níét help, niks aan.

Dus tijdens de zomer heb ik besloten wat aan mijn ‘bereik’ te gaan doen. Nou ben ik niet goed in reclame maken voor mezelf. En op netwerkborrels m’n kaartje rond laten slingeren is ook niet echt m’n ding. Ik ben meer van Charlie Brown (‘to know me, is to love me’) en Phil Collins (‘you can’t hurry love’). (Dat is vast ook een belangrijke reden dat mijn fanbase maar heel langzaam groeit.) Daarom heb ik besloten het anders aan te pakken.

Ik heb de zakelijke relaties die ik vertrouw, mijn fans zogezegd, gevraagd of ze me willen helpen. Met samengeknepen billen en gekruiste vingers heb ik ze de vraag gesteld of ze me wilden vertellen wat ze nou zo goed aan me vinden, en aan wie in hun netwerk ze me wilden voorstellen. In ruil daarvoor, zei ik, nam ik ze graag mee uit eten – op mijn rekening, uiteraard.

‘De reacties hebben m’n billen en vingers volledig laten ontspannen.

De reacties hebben m’n billen en vingers volledig laten ontspannen. Sterker nog, om in de lichamelijke metaforen te blijven: het was hartverwarmend. Iedereen die ik vroeg was blij verrast met mijn hulpvraag en maakte graag tijd om het over mij te hebben.

De eerste dinerdate heb ik er inmiddels op zitten. Ik werd overdonderd door hoe serieus mijn disgenoot mijn vraag behandelde. Niet alleen had hij van tevoren de antwoorden voorbereid en is hij van plan me te gaan voorstellen aan een bestuurslid van een grote Nederlandse onderneming, hij was ook nog eens heel dankbaar dat ik hem had gevraagd. Dankbaar! Dat ik hém had gevraagd!

Ik ging er niet eens van naast m’n schoenen lopen, van al die positieve aandacht. Ik werd vooral gewoon heel blij van de goedheid die een mens blijkbaar in zich heeft.

Want – belangrijker dan de handige acquisitietip die in dit verhaal zit – is dát voor mij de echte les van deze ervaring: mensen zijn over het algemeen echt blij als ze kunnen helpen. En ik ben niet de enige die dat heeft ervaren.

‘Dat anderen er in de eerste plaats voor zichzelf zijn is een hardnekkige gedachte.

Uit allerlei onderzoek blijkt dat om hulp vragen, mensen helpen en geholpen worden een positieve uitwerking heeft die verder gaat dan het simpele praktische feit dat je niet langer met een probleem zit. Zo is een leuk feitje uit dit soort onderzoeken dat mensen positiever denken over mensen die hun hulp vragen dan over mensen die dat niet doen.

Het stomme is dat we allemaal impliciet of expliciet het tegenovergestelde hebben geleerd: dat anderen er in de eerste plaats voor zichzelf zijn en dat we onszelf moeten kunnen redden. En dat zijn hardnekkige gedachten. Al jaren weet ik van die onderzoeken hierboven en toch voelde ik me kwetsbaar toen ik die hulpvraag stelde.

Gelukkig ben ik ook een mens en had ik de erváring nodig die me ervan overtuigde dat ik ongelijk had. Want dat wijzen de feiten ook uit: mensen worden niet overtuigd door feiten, ook al denken ze vaak van wel, maar door hun eigen ervaring.


Nog meer feiten én tips voor ervaringen die je vertrouwen in de mensheid vergroten? Check m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.


 

Hoe Harari mijn smartphone (bijna) afpakte

Ik vroeg historicus Yuval Noah Harari, schrijver van onder andere Sapiens, hoe hij in zijn persoonlijke leven omgaat met wat hij weet. Harari is immers zijn hele werkende leven bezig met de vraag waar de mens evolutionair vandaan komt, hoe de mens zich historisch ontwikkeld heeft en hoe de mens nu leeft. En er zit nogal een verschil tussen waar ons leven twaalfduizend jaar geleden uit bestond en waar het nu uit bestaat.

Het antwoord: Yuval mediteert elke dag, hij is veganistisch en hij heeft geen smartphone.

Mediteren heb ik meermalen geprobeerd. Niks voor mij. In een veganistisch dieet geloof ik niet. Lang verhaal. Maar die smartphone, die zat me een paar dagen dwars.

Het antwoord van Harari kwam goed getimed. Na (en helaas ook tijdens) de vakantie viel het me op hoeveel ik op onzinnige momenten de pushberichten van alle verschillende socialmedia-apps checkte. En hoe ik me daardoor zo latent verbonden voelde met al die honderden mensen die ‘ergens’ waren en die ik ‘ergens’ van kende. En vooral, hoe ik daardoor eigenlijk minder verbonden was met de mensen die op dat moment om me heen waren.

‘Met een smartphone in m’n hand komen er alleen al tijdens een wc-bezoek de verhalen en gezichten van honderdvijftig mensen voorbij.

Het deed me denken aan het getal honderdvijftig. Wetenschappers denken dat onze hersenen gemaakt zijn om niet meer dan honderdvijftig betekenisvolle relaties te hebben. Gedurende de evolutie bleek dat voldoende te zijn. Groter werden de groepen waar we ons hele leven mee doorbrachten niet.

Met een smartphone in m’n hand komen er alleen al tijdens een wc-bezoek de verhalen en gezichten van honderdvijftig mensen voorbij.

Dát is waarom het antwoord van Harari me bezighield: iemand die ervoor doorgeleerd heeft, heeft besloten om niet mee te doen met een trend die evolutionair gezien gekkenwerk is. En niet zomaar een trend, nee, misschien wel de grootste van de eeuw.

Uiteindelijk heb ik alle media-apps met pushberichten van mijn telefoon gegooid… met uitzondering van mail en WhatsApp. E-mail hield ik omdat ik op een of andere manier mijn berichten niet definitief kan deleten via Mac Mail, alleen via mijn iPhone. En WhatsApp omdat ik het niet handig vond om het meest gebruikte korteberichtenprogramma ter wereld te boycotten. Ik zou mezelf dan niet populair maken bij familie en vrienden (en alle andere bekenden, eigenlijk).

Maar we weten natuurlijk allemaal dat dit drogredenen zijn, bedacht door mijn zelfbeschermende brein.

‘We hebben geleerd om continu het midden te kiezen tussen rockster en accountant, tussen paria en deurmat.

Dat is evolutionair gezien namelijk ook gekkenwerk, jezelf buiten een groep zetten. Zoals oud-Denker des Vaderlands René Gude ooit zei: iedereen wil aardig zijn. Dat bedoelde hij met twee betekenissen: (1) iedereen wil aardig gevonden worden en (2) iedereen wil een eigen aard hebben. We willen dus wel anders zijn (‘Ik? Ik heb geen Facebook meer op m’n smartphone.’) maar er niet helemaal uit liggen (‘Heb je dat niet gelezen op m’n WordPress-blog?’).

Ik wil dus wel een stapje uit het smartphoneleven zetten maar er niet helemaal uitstappen.

Want die middenweg heeft zin. Als we op de savanne vroeger geen zichtbare waarde toevoegden aan de groep, werden we al snel verdacht. Maar als we ons té opvallend gedroegen, werden we dat ook. En dat geldt nog steeds. We hebben dus geleerd om continu het midden te kiezen tussen rockster en accountant, tussen paria en deurmat.

Maar die middenweg heeft ook een prijs. Want al hebben die twee dagen zonder al te veel opdringerige apps me al heel wat rust en concentratievermogen teruggegeven, het is me ook duidelijk geworden dat je verder moet gaan als je écht een deuk in een pakje universum wil slaan. Want het verschil tussen iemand die bíjna alle socialmedia-apps heeft verwijderd van zijn smartphone en iemand die überhaupt geen smartphone heeft, is het verschil tussen iemand die een in Nederland aardig verkopend boek heeft geschreven en iemand die een wereldwijde bestseller heeft geproduceerd.

Denk als Schrödinger en ruim die poep op

Loulou wilde even zitten. Naar het water kijken, was het idee. ‘Maar daar ligt poep, Lou,’ zei ik. ‘We worden vies als we daar gaan zitten.’ Mijn dochter keek naar de hard geworden hondendrollen en zei: ‘Dan gaan we hier zitten,’ en ze wees naar een plekje een paar meter ernaast. ‘Dan worden we niet vies.’

Daar kon ik niet tegenop. Dus ik zette de buggy op de rem, ging in het gras naast de vijver een paar meter van de uitwerpselen zitten en zei hond Cisco dat-ie naast me moest komen liggen. Loulou was inmiddels aan m’n andere kant gaan zitten, verkreukelde bloemetjes in de hand. Samen keken we naar de fontein in het midden van de vijver en bespraken we de mogelijkheden om erop te gaan staan.

Toen het tijd was geworden om verder te gaan, keek Loulou weer naar de hondenpoep. ‘Die moeten we opruimen,’ verkondigde ze.  ‘Eh… ja, dat is wel zo netjes,’ reageerde ik.

‘Blijkbaar had mijn interne etischegeschillencommissie deze vraag nog nooit behandeld.

Met een kleine tegenzin trok ik de inmiddels aan het gras gekoekte drollen met een poepzakje van het gras. Maar al snel voelde ik naast de weerstand ook een scheutje trots. Ik was te spreken over mijn goede daad en vooral over de goede mores van mijn drie jaar oude dochter. Fier rechtop lopend vervolgde ik onze weg.

Een halve vijver verder lag er weer niet-opgeruimde ontlasting in het gras. Ik, die voorop liep, liet het links liggen. Mijn kleine meid wees mij echter snel op de slordigheid: ‘Iemand heeft weer hondenpoep niet opgeruimd.’ ‘Da’s ook niet netjes,’ antwoordde ik. ‘Die moeten wij ook opruimen.’ ‘Eh… ja, ook dat is wel zo netjes,’ was het enige wat ik weer uit kon brengen.

Ik pakte een poepzakje uit de dichtstbijzijnde Belloo-vuilnisbak en raapte de andermanshondendrollen weer op. Onder toeziend oog van Loulou.

Beide keren dat Loulou me op onze opruimplicht wees, merkte ik een twijfel. Waarom zou ik de poep van een andere hond dan de mijne opruimen? En waarom zou ik de poep van een andere hond dan de mijne níét opruimen? Blijkbaar had mijn interne etischegeschillencommissie deze vraag nog nooit behandeld.

‘Er is geen goede reden om andermanshondenpoep niet op te ruimen.

Inmiddels dus wel. En de commissie is eruit: er is geen goede reden om andermanshondenpoep niet op te ruimen. Loulou had gelijk. Met haar drie jaar was ze verder dan ik. Of, beter gezegd, met haar drie jaar heeft ze nog niet geleerd waar ik in mijn bijna veertig jaar mee doordrenkt ben: het begrip individuele verantwoordelijkheid. En dat zat een helder begrip van de situatie dwars.

Van jongs af aan worden wij in onze samenleving erop gewezen dat je verantwoordelijk bent voor je eigen handelen. Als jíj iets stoms doet, is het jouw schuld. Als jíj iets geweldigs doet, is het jouw verdienste. En dus zijn het jouw blaren respectievelijk jouw lauweren waar je op mag zitten. Daar zit weinig grijs tussen. De optie dat we iets doen omdat de situatie ernaar is gaat wel door ons hoofd maar is altijd ondergeschikt aan de als-je-vriendje-van-het-dak-springt-doe-jij-dat-dan-ook-regel. Het idee dat we altijd een keus hebben zit diep in onze cultuur gebakken.

Dus als iemand de kak van zijn hond niet opruimt, is daar eigenlijk geen excuus voor. Bovendien: het is de kak van zíjn hond, dus het opruimen ervan is zíjn verantwoordelijkheid. Wij zijn gekke henkie niet.

‘Zonder dat Loulou ooit van Schrödingers kat, laat staan zijn poep, had gehoord, had ze het al feilloos door.

Maar wat nou als de hondeneigenaar in kwestie helemaal niet door had gehad dat zijn hond had gepoept? Wat als hij niet wist dat het opgeruimd moest worden? Wat als het ging om een rolstoeler die niemand in de buurt had gevonden om hem te helpen met het verwijderen van de drollen? En zo zijn er nog veel meer redenen te bedenken waarom de poep was blijven liggen.

Het punt is dat we niet weten wat de reden was. En dat maakt het Schrödingers poep: zolang we niet getuige waren van de situatie waarin de poep niet werd opgeruimd, kan de reden voor het niet-opruimen zowel ethisch juist als ethisch onjuist zijn. Daarmee werd de reden irrelevant, want niet achterhaalbaar. Wij werden enkel geconfronteerd met de uitkomst ervan en hadden enkel daarmee te dealen.

Zonder dat Loulou ooit van Schrödingers kat, laat staan zijn poep, had gehoord, had ze al feilloos door dat we enkel met de uitkomst te dealen hadden. Er lag poep bij de vijver. En dat was niet oké. Wij waren in een positie om het op te ruimen. Dus moesten we dat doen. Poep bij de vijver ruim je op.

Later, onderweg naar huis, kwamen we tot twee keer toe containers tegen die bij het legen waren omgevallen. ‘Die moeten we overeind zetten,’ was Loulou’s simpele wijsheid in beide gevallen. Zonder al te veel nadenken en met de energie van een kind zette ik de kliko’s weer rechtop, met het vaste voornemen het goede te blijven doen, ook zonder Loulou in de buurt.


Na Schrödingers poep ook benieuwd naar de Vriendelijke Vijf en de Wet van De Maat? Check m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn!


 

Sociaaleconomische welvaart zorgt niet per se voor sociaal welzijn

Drie kinderen springen wat ongemakkelijk op een trampoline. Twee andere kinderen staan ernaast en roepen naar hun vader en moeder dat zij oooook willen. Drie mensen steken tegelijkertijd op verschillende plekken op het terras weifelend hun hand omhoog om contact te krijgen met de serveerster – tevergeefs. Een jongetje wordt door z’n moeder terechtgewezen omdat hij in de stellage van de schommel was geklommen. De serveerster rekent snel af met één stel terwijl ze tegen het andere zegt dat ze er meteen aankomt. Een meisje huilt omdat ze zand in haar ogen heeft gekregen. Een ander meisje roept dat ze nóg hoger wil met de schommel. Dezelfde serveerster – er is er maar één – rent naar binnen met een verhit hoofd en haar handen vol lege glazen om de volgende bestelling door te geven en een andere op te halen. Twee kinderen rennen tussen de stoelen door achter elkaar aan. Een jongetje huilt omdat hij geen ijsje krijgt. Twee stellen lopen tegelijkertijd op dezelfde twee vrijkomende plekken af en proberen awkward en met zo min mogelijk woorden te bepalen wie op de plekken mag gaan zitten. Een hond hijgt zenuwachtig. Een andere trekt blaffend aan de lijn van zijn baas.

‘Het voelt misschien als ongewoon hectisch en ongemakkelijk maar dat is het niet.

Lunchtijd op een terras van een hut in de Oostenrijkse bergen in de zomer. Een alledaags tafereel. Als je het zo achter elkaar zet, voelt het misschien als een ongewoon hectisch en ongemakkelijk gebeuren. Maar dat is het niet. Het is gewoon voor dit terras rond lunchtijd in de zomer in deze Oostenrijkse bergen. En ook niet veel anders dan een terras rond lunchtijd aan een Spaanse costa, een kinderspeelparadijs in het weekend of een strand in Nederland tijdens een warme dag.

Het boeiende is dat, ondanks de hectiek van al die tientallen mensen die bovenop elkaar zitten en elkaar nog nooit eerder hebben gezien, er niks fout gaat. Dat líjkt gewoon maar ís bijzonder, al realiseren we ons dat niet vaak.

Een bekende gedragsbioloog schreef mij ooit via de mail: ‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving, zelfs al zijn we niet zo aardig als u graag zou zien. Er zijn talloze dieren die alleen maar vijandig tegen vreemden kunnen zijn. Dus [ik zou] benadrukken hoe goed we het doen gezien de omstandigheden, in plaats van hoe slecht.’

‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving.

De mens is een groepsdier, geëvolueerd om van zijn eigen, bekende mensen te houden en andere, onbekende mensen (in het beste geval) te wantrouwen. Als je dit beseft, kun je zelfs genieten van die door en om elkaar heen hannesende mensen. Het lukt ons toch maar om te genieten van een hapje en een drankje terwijl we direct en indirect met allerlei vreemden moeten dealen. Goed, het geeft ons – al dan niet ongemerkt – stress. (Uit onderzoek van diezelfde gedragsbioloog blijkt dat met anderen in een beperkte ruimte zitten leidt tot een verhoogd niveau van het stresshormoon cortisol.) Maar we doen het. Zonder bang in een hoekje weg te kruipen of elkaar de hersens in te slaan.

De vraag die dan opkomt is: gaan we naar zo’n plek ondanks of dankzij al die onbekenden? Zoeken we zo’n terras op omdat daar het voedsel, het drinken en de speeltuin zijn? Of zijn die versnaperingen een excuus om ergens te zijn waar anderen zijn?

Veel mensen zouden desgevraagd hebben gezegd dat ze ook voor ontspanning naar het terras waren gekomen. Ik wás daar op dat terras van die hut in de Oostenrijkse bergen. Mijn vriendin en ik hadden stevig gewandeld, ik met dochter in een rugzak op m’n rug. We waren toe aan eten en rust. En daarom kozen we deze plek.

‘Als je het puur biologisch bekijkt, slaat zo’n verklaring nergens op.

Maar we waren net neergeploft op een ligstoel toen onze dochter al naar de trampoline rende (zij wilde oooook). En ik was een van die drie mensen die zijn hand omhoog stak omdat-ie tevergeefs contact zocht met de serveerster. Kwamen we hier inderdaad voor onze rust, net als al die andere tientallen mensen?

Als je het puur biologisch bekijkt, slaat zo’n verklaring nergens op: het dier de mens is graag bij zijn eigen mensen en ontwijkt onbekenden. Eten en drinken konden we prima zelf regelen. Ontspannen hadden we ook ergens in een verlaten bergweide kunnen doen. En een zandbak, trampoline en schommel stonden ook bij ons vakantiehuis.

Dit is dan ook niet biologisch maar cultureel te verklaren. Het is een teken van welvaart als je op een terrasje met mooi uitzicht lekker kunt eten en drinken. Vroeger hoorde het bij bergwandelen als je je eigen bammetjes meenam met een homp kaas. Die kon je dan op een rotspunt weghappen. Net als dat ik vroeger op het strand van m’n ouders lauwe frisdrank en slappe voorgesmeerde boterhammen uit de koelbox kreeg.

‘Met de almaar groeiende middenklasse is de terrassenwelvaart tegenwoordig voor bijna iedereen bereikbaar.

Met de almaar groeiende middenklasse is de terrassenwelvaart tegenwoordig voor bijna iedereen bereikbaar en ben je dus een nerd of stumper als je voor je eigen natje en droogje zorgt. Nu hoor je er alleen nog bij als je die bij een berghut of strandtent haalt. En als je je kinderen dan even ‘lekker’ daar laat spelen.

We doen onszelf geweld aan (lees: geven onszelf onnodig hoge cortisolshots) door te doen wat we nou eenmaal doen. En niet alleen op terrassen, in speelparadijzen en op stranden. Denk maar aan de IKEA op Tweede Paasdag – tussen onbekenden je nieuwe bed uitproberen, je kind ophalen bij de ballenbak en in lange rijen staan bij de kassa. Aan winkelen op zaterdag – in de winkelstraat in de weg gelopen worden door vreemde mensen. Of aan tussen negen en vijf werken – in de file of de trein staan tussen allemaal mensen die je niet kent.

Laten we dus maar benadrukken hoe goed we het doen gezien de omstandigheden die we voor onszelf creëren.


Meer verklaringen voor hectische en ongemakkelijke situaties? Check m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn!