Wie mooi wil gaan, laat zich afleiden

Een week of drie geleden liep ik door de Oostenrijkse Alpen. Ik had een route gevonden door een dal annex hoogvlakte op een hoogte van een meter of zestienhonderd met struiken, rotsen en een watervalletje. In twee uur tijd was ik twee mensen tegengekomen. Zij daalden, ik steeg, dus we waren elkaar ook weer snel uit het oog verloren. Het weer was heerlijk: strak blauwe lucht, lekker briesje, graad of 23. Ik zat in m’n knollentuintje.

Halverwege het pad in het hoog gelegen dal, dat aan het eind een paar honderd meter vrij steil stijgt, kreeg ik twee mensen in het vizier. Een jongen en een meisje. Ze liepen voor me uit. Ik loop altijd vrij snel in de bergen, in ieder geval altijd sneller dan de meeste wandelaars. Niet om stoer te doen. Het is nou eenmaal zo. Dus ook dit koppel haalde ik binnen een paar minuten in.

Toen ik ze bijna in had gehaald, maar zij mij nog niet hadden zien aankomen, haalde de jongen een camera uit zijn zak en ging klaar staan om zijn vriendin in het lieflijke dal te vereeuwigen. Maar, voordat hij dat kon doen, liep ik het stel voorbij. ‘Hallo, servus,’ zei ik zo casual mogelijk. ‘Hallo,’ zeiden beiden in koor, niet onvriendelijk, maar ook zeker niet hartelijk. Met verende tred liep ik verder het pad op.

Na tien seconden bedacht ik me iets: ik liep midden in het tot dan toe volledig verlaten dal van het stel. En misschien erger nog, ik liep dwars door de foto heen die beiden waarschijnlijk zo mooi had geleken. Het plaatje, waar zij in haar rode korte broekje met haar blonde haar zo mooi zou afsteken tegen het groen van de struiken, het grijs van de rotsen en het wit van de laatste sneeuw, was opeens verpest, omdat er nu ook een kerel met een groen t-shirt en rode rugzak op zou staan. En dat kwam door mij. Ik was die kerel.

Ik had ook gewoon kunnen blijven staan, totdat ze klaar waren met hun fotomomentje. Of beter nog, ik had kunnen aanbieden een foto van hen beiden te maken. Dan zou niet alleen zij mooi af staan te steken tegen de idyllische achtergrond, maar dan zouden ze er samen romantisch op kunnen staan. Helemaal alleen, in hún dal.

Maar ik moest laten zien hoe casual ik tegen de berg opliep, hoe weinig moeite het me kostte en hoe relaxed ik wel niet was. Ik was bezig met posing, zoals je dat in goed Nederlands zegt. Te druk was ik met mezelf. Te druk met er goed uit zien en laten horen hoe goed ik de plaatselijk begroeting kon uitspreken, dat ik geen acht sloeg op hen en wat zij eigenlijk aan het doen waren.

Ik bedacht me dat ik dat vaker doe. Te vaak ligt m’n aandacht bij de indruk die ik maak, waardoor ik onvoldoende oog heb voor wat anderen nodig hebben. Zo waren er de keren dat een zwerver me om geld vroeg en ik hem dat niet gaf. Niet omdat ik geen geld had of hem dat niet gunde, maar omdat ik me drukker maakte om wat die anderen, die de zwerver voorbij liepen met een air van totale desinteresse, van me dachten als ik stopte en de man geld gaf. Ook ben ik niet trots op de keren dat ik in een gesprek zo druk was met mijn eigen punt te maken, dat ik me niet realiseerde dat er mensen waren die helemaal niet aan het woord kwamen, omdat ze dat niet durfden of konden. En zo zijn er nog veel meer van dit soort momentjes van self-absorption.

Zonde eigenlijk. En niet eens om die anderen die ik niet hielp, maar omdat ik zo onnodig bezig ben met die statusangst. Het haalt de aandacht weg van wat er echt om me heen gebeurt. Moet ik er maar niet zo goed bij willen lopen…

Laf of vertederd

Waarom groeten totaal onbekenden mijn hond, terwijl ze mij links laten liggen? Volgens velen is het lafheid van de hedendaagse mens. Ik geloof daar niet in. Een mysterie in twee voorbeelden.

Een maand of wat geleden liet ik onze hond uit in ons park. Een dame die ik niet kende had net haar bezoek uitgezwaaid op de parkeerplaats en liep het pad op waar ik ook net in was geslagen. We liepen dus ongewild min of meer met elkaar op, zij een meter of twee achter mij en Cisco. ‘Hallo,’ zei ze op een toon die te lief was voor een vrouw die ik niet kende. Ik draaide me om en zag dat ze naar de hond keek. ‘Wat een mooie hond,’ ging ze verder, deze keer wel tegen mij. ‘Dank je,’ antwoordde ik namens Cisco. ‘Wat een fijne plek, hè?! Ik woon sinds kort hier op de hoek,’ zei ze, terwijl ze naar een bungalow verderop wees. Dit was het begin van een koetjes-en-kalfjes-gesprek, waarvan de transcriptie niet interessant genoeg is voor het doel van deze column.

Voorbeeld twee. Vorige week stond ik op de Biltstraat in Utrecht met Cisco, te wachten tot mijn vriendin de Jumbo uit kwam, waar ze een paar boodschappen aan het halen was. In de tien minuten die we daar stonden telde ik drie momenten waarop voorbijgangers dingen tegen m’n hond zeiden: ‘Wat ben jij een lieverd!,’ ‘Hai, hai,’ en: ‘Hallo, hondje.’ De laatste opmerking was afkomstig van een man die ik niet anders kan typeren dan een zwerver (vieze kleding, een zompig shaggie in de mondhoek, de verweerde gelaatstrekken van een ongezond leven, een alcoholwalm). Het was grappig te zien hoe zijn norse, afwezige gezicht kortstondig veranderde door een glimlach en een bijna liefdevolle blik naar mijn hond. Verder keken tientallen mensen met een afwezige glimlach in de richting van Cisco.

Mij werd geen blik waardig gegund.

Begrijp me niet verkeerd, mijn ego is niet zo klein (of zo groot) dat ik moeite heb met het feit dat mensen mij niet aankijken op straat. Wat ik niet begrijp, is dat mensen een onbekende hond aanspreken alsof ie om een compliment verlegen zit, terwijl ze het mens dat er naast staat (die van een meer gelijke diersoort is en best wel ’s om een compliment verlegen zit) negeren. Waarom niet beiden, hond en mens, tegelijkertijd als eenheid aanspreken, of negeren? Of waarom niet het mens aanspreken en de hond negeren? De hond spreekt geen mensentaal, het mens wel. Waarom is de hond de focus van de interactie?

Een populaire hypothese over dit fenomeen is dat mensen te laf zijn om een ander direct aan te spreken. Via een hond communiceren is gemakkelijker. Die praat niet terug en de kans dat ie riposteert met een lullige opmerking is dus nogal klein. Bovendien heb je zo een laagdrempelige ingang naar de eigenaar te pakken. Het voorbeeld met de dame in ons park zou die hypothese kunnen onderbouwen. Uiteindelijk heeft ze me vijf minuten aan de praat gehouden, terwijl alleen de eerste zin die ze uitte aan Cisco gericht was. Maar de voorbijgangers op de Biltstraat wilden mij echt niet via mijn hond laten weten dat ik een lieverd was. Ook wilden ze niet een gesprek met me aangaan of zelfs maar een positief gebaar naar mij maken. Nee, ze hadden het echt tegen de hond. Ze liepen meteen door en gunden mij, zoals gezegd, geen blik waardig. Ik denk dan ook niet dat de lafheidshypothese klopt. Wat op zich fijn is, want daarmee hebben de cynischen onder ons (weer) eens een keer geen gelijk over de maatschappij.

Nee, ikzelf ben een aanhanger van de vertederingshypothese: mensen spreken honden (en baby’s) gemakkelijker en zelfs met graagte aan, omdat ze vertederd zijn door het diertje. Honden (en baby’s) zijn daarvoor gemaakt. Ze zijn geprogrammeerd om de (volwassen) mens tot zorgend gedrag aan te zetten.

In een Russisch experiment, dat rond 1950 is gestart, worden vossen generatie op generatie gedomesticeerd. Het uiterlijk en gedrag van deze tamme vossen zijn zo veranderd dat ze kunnen overleven onder mensen. Ze hebben een pluizige vacht met witte, grijze en zwarte vlekken, hun ogen zijn groter en opvallender van kleur, hun staarten staan meer rechtop, ze zoeken actief contact met mensen, ze janken om aandacht te krijgen, ze likken mensen en ze kwispelen met hun staart. En dat terwijl hun voorouders egaal donkergrijs, onopvallend en schuw zijn. De rode draad door al deze veranderde kenmerken: aaibaarheid. Aaibaarheid an sich zegt nog niet zo veel. Het gaat om wat aaibaarheid oproept, namelijk de behoefte om te zorgen. Die aaibaarheid lokt een schuwe buurvrouw uit haar tent en tovert een glimlach op een norse zwerver.

Het feit dus, dat ik het moet doen met de kille aandacht van mijn mobiel als ik op straat sta te wachten en Cisco van alle kanten bestookt wordt met liefde, ligt aan de vertederende aanblik van het braaf wachtende hondje met zijn grijs-bruin-wit-zwarte pluizige vachtje dat de voorbijgangers met zijn drie-kwart-bruine en een-kwart-blauwe ogen onderdanig en licht smekend aankijkt. Aan mij ligt het niet. Ik zie er gewoon te zelfstandig en zelfverzekerd uit. Jammer voor mij.

Dat zo’n schattig dierenbeestje mij uiteindelijk meer benaderbaar maakt, da’s pure winst. Zo kan Cisco mijn kwetsbare kant laten zien, terwijl ik stoer en zelfverzekerd in mijn mobiel sta te turen.