Facebookfelicitaties: echt iets voor perfectionisten

Laatdunkend praten over het gemak van mensen feliciteren via Facebook en WhatsApp, iedereen doet het wel ’s. Maar wat nou als die mensen juist te moeilijk omgaan met hun digitale sociale contacten?

Ik was gisteren jarig. Dat heb ik niet gevierd. Wel vulden Facebook- en WhatsApp-berichten de hele dag mijn telefoon. Dankzij die berichten (en natuurlijk het zelfgemaakte kunstwerk van mijn vriendin en dochter) voelde ik me best wel jarig. Wat mensen ook zeggen over de correlatie tussen de moeite van een felicitatie en de waarde ervan, ik vind het fijn. En dat verkondig ik al jaren. Dan is het maar gemakzucht die regeert. Ik word er wel blij van.

‘Tussen al die facebookende en whatsappende bekenden zaten mensen die me in eerdere instanties digitaal hadden genegeerd.’

Maar… dit fenomeen legt ook iets anders bloot. Tussen al die facebookende en whatsappende bekenden zaten mensen die me in eerdere instanties digitaal hadden genegeerd. Zo facebookfeliciteerde iemand mij met allerlei plaatjes erbij terwijl ze mij eerder geen gehoor gaf. Ze had mij ooit zelf uitgenodigd Facebook-vriend te worden. Ik ken haar van lang geleden dus ik had het verzoek geaccepteerd. Meteen daarop had ik een berichtje gestuurd om te vragen hoe het met haar ging na al die jaren. Geen reactie. Ook iemand die vorig jaar meerdere zakelijke telefoontjes, whatsappjes en e-mails van mij wist te niet-beantwoorden feliciteerde mij gisteren vrolijk via WhatsApp. Met een leuk emojietje erbij.

Ten enenmale: ik waardeer hun felicitaties. Ook al is het voor hen amper een moeite geweest, toch dachten ze gisteren blijkbaar even aan me en vonden ze het leuk om dat aan me te laten weten. Dat ís toch aardig?

Mijn ervaring gister doet me denken aan andere mensen. Zo is er iemand die ik voor elke editie van mijn jaarlijkse seminar Making Business Human heb uitgenodigd, die nooit op mijn vragen reageert naar hoe het met haar gaat. Ze laat altijd enkel weten dat ze komt. Ook andere berichten van mij negeert ze. En dat terwijl zij en ik het vroeger echt goed konden vinden.

‘Dit is geen zure observatie, het is verwondering.’

En zo zijn er nog meer mensen die ik ooit eens of meerdere keren via stem- of tekstbericht iets heb gevraagd die dáárop niet reageerden die enkel iets van zich lieten horen als er voor hén een aanleiding was.

Dit is geen zure observatie van mij, het is verwondering. Hoe werkt dat voor deze mensen?

Ik hoor wel eens de verklaring dat mensen zo veel mail krijgen tegenwoordig, dat ze het niet meer bij kunnen benen of bewuste keuzes maken in wat ze wel en niet beantwoorden. Voor de mensen die ik in gedachten heb, lijkt me dat geen excuus. Ik ken andere mensen die meer in de spotlight staan. Die krijgen honderden berichten per dag van onbekenden in hun mailbox. Dan snap ik dat je kritisch wordt. Maar als je er tientallen krijgt en ook nog van bekenden, dan snap ik dat minder goed.

Een andere verklaring zou kunnen zijn dat ‘dit soort mensen’ hun digitale berichten als niet meer ziet dan dat: digitale berichten. Het gevoel dat het hier om een mens gaat dat hen aanspreekt is er niet meer, of is althans zo onopvallend aanwezig dat het te negeren valt. Er zal in dit geval dan ook geen of veel minder sprake zijn van schuldgevoel of gêne. Ik denk sowieso dat dit eigenlijk bij ons allemaal speelt als we niet diréct met mensen te maken hebben. (Zie ook hier.) Maar dit zou niet verklaren waarom ze dan ineens wel op een verjaardag paraat staan.

‘Waarom zou je iemand blij feliciteren met z’n verjaardag als je hem stom vindt?’

Die felicitaties maken trouwens ook meteen het idee onklaar dat ze niets van zich laten horen omdat ze me niet aardig vinden. Waarom zou je iemand blij feliciteren met z’n verjaardag als je hem stom vindt?

Ik mag graag denken dat ‘dit soort mensen’ het té goed wil doen. Ze zien een bericht met een vraag en denken: o jee, daar heb ik nu geen tijd voor. Ze willen er goed voor gaan zitten of moeten er nog iets voor uitzoeken. Ze laten het bericht staan en gaan over tot de orde van de dag. Aan het eind van de werkdag zien ze het bericht weer staan en denken: shit, vergeten, en beloven zichzelf het de volgende dag te doen. Zo gaan dagen voorbij waarin het goed willen doen steeds verder vermengd wordt met schuldgevoel en de last alleen maar groter wordt. Tot het moment dat ze denken: tja, nu is het te laat, en het bericht met een laatste vlaag schuldgevoel deleten.

Als dan opeens de verjaardag of een simpele vraag van de genegeerde voorbij komt, zien ze – ik denk onbewust – hun kans schoon en feliciteren of antwoorden ze meteen. Dat dit bij de ontvanger tot verwarring leidt, snappen ze niet. Zij hadden toch immers al die tijd het beste met hem voor? Het kwam er gewoon niet van.

‘Sorry, ik geef je geen antwoord op je vraag want ik wil het te goed doen.’

Hoe het ook zij, precies weten hoe het werkt voor deze mensen doe ik niet. Het weinige wat ik weet is dat ze het niet onaardig bedoelen. Anders zouden ze geen felicitaties sturen of op sociale events komen. En ik weet ook dat een belegen spreekwoord kan zorgen voor minder verwarring en meer verbinding: stel niet uit tot morgen wat je vandaag ook kunt doen.

Werk dus elke dag je inbox weg en wees daarbij eens niet perfectionistisch. Wees menselijk, voor jezelf én de persoon achter de digitale berichten. Stuur desnoods iedereen het bericht: ‘Sorry, ik geef je geen antwoord op je vraag want ik wil het te goed doen.’


Can’t get enough? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn heb ik nog veel meer verklaringen voor ons moderne sociale gedrag gevonden.


Zonder zelfoverschatting geen betere wereld

Een mailwisseling naar aanleiding van een artikel in Het Parool over mijn boek Hufters & helden.

Op 16 mei 2016 om 12:00 heeft R het volgende geschreven:

dag heer De Maat

Leuk interviewtje in het parool

Ik stoor mij erg aan mensen die onderweg zijn en dan steeds whatsappen, BAH.
en mensen die met je in gesprek zijn en op hun foon kijken. bah
en het stiekem doen, bah
En dan naar de jeugd wijzen, terwijl ze zelf – 40plus – voortdurend met die foon in de weer zijn.

maar eh, u geeft wel erg makkelijk de schuld aan de omgeving hoor.
Ik bedoel: ik heb geen smartphone. Ik ga niet een boek lezen als ik met mensen praat Ik ben – in dat opzicht geen aso. Als het de omgeving was… dan zou ik ook zo zijn, ik leef in dezelfde omgeving als anderen.

Benieuwd wat u vindt.

graag verneem ik van u
hartelijks
R

Op 16 mei 2016 19:52 schreef Olav de Maat:

Geachte heer R,

Dank voor uw bericht (en zeg maar je tegen me).

Het verslag in Het Parool is van een interview dat een uur duurde. Het punt dat ik daarin maakte was genuanceerder dan Mark Kruiswijk het weer heeft gegeven (ruimtegebrek, vermoed ik).

Maar, ja: ik vind dat de huidige omgeving veel kenmerken heeft die mensen verleiden zich als hufter te gedragen. Daarmee zeg ik dat door onze huidige omgeving de kans groot is dat veel mensen zich meer dan eens publiekelijk asociaal zullen gedragen maar niet dat dat voor iedereen in elke situatie geldt.

Dat u zich dus niet ten koste van sociaal contact verliest in een smartphone of een boek, is dus lovenswaardig maar geen falsificatie van mijn verhaal. Ik ken u niet, maar ik vermoed dat u om wat voor reden dan ook (opvoeding, (zelf)training, het leven, anders nl. …) er op dat vlak goede gewoonten op nahoudt. En (nogmaals ik ken u niet) het zou zomaar kunnen dat de moderne omgeving op andere vlakken wel een iets minder vriendelijke kant van u aanboort.

Mensen laten nu eenmaal in verschillende omgevingen verschillende kanten van zichzelf zien. Het is aan het karakter van een mens in welke mate ze consistent blijven in hun gedrag in verschillende omgevingen. Maar Philip Zimbardo (u vast bekend, als ik uw schrijfwerk zie) zei al dat als je een handjevol zoete komkommers in een vat azijn gooit en ze, vlak vóór je ze erin gooit, zegt dat ze zoet moeten blijven, ze er toch allemaal zuur uit zullen komen. Als de omgeving maar zuur genoeg is, is niemand ertegen bestand.

Geeft dit een duidelijk beeld van wat ik vind? En, zo ja, benieuwd wat u daar dan weer van vindt!

Hartelijke groet,
Olav

Op 17 mei 2016 om 11:56 heeft R het volgende geschreven:

Dag Olav, je en jij is prima, maar ik dacht ‘ ik begin beleefd’ . Dat is mijn formele kant.
Tuurlijk heb ik ook mindere kanten.

Maar gevolg van wat je zegt is dat mensen nu niets meer hoeven te doen. Het is de schuld van de omgeving. Zie je dat in?
Zo hebben ze een excuus
Wat doen we dan olav?

Verder: zelfbeheersing enzo zal ik wel hebben.
Maar het is iets anders vooral denk ik: ik heb gewoon geen zin in de hele dag aan de baarmoeder geklonken zijn met een navelstreng.
Ik zie daar de lol niet van in
andere mensen wel. Ze zijn ook zo afhankelijk. Als hun tel het niet hebben, kunnen ze niets. NIet de weg vinden, geen recept vinden, geen boodschappen doen.

Ik snap dat niet.
echt niet
Zal aan mij liggen 😉

hartelijks
R
(die je uitleg wel snapt, maar dus kanttekeningen plaatst! ;-))

Op 17 mei 2016 20:47 schreef Olav de Maat:

Dag R,

Ik begrijp wat je bedoelt met die smartphone. Ben zelf een gematigd gebruiker omdat ik me daadwerkelijk minder lekker voel als ik te veel met dat apparaat bezig ben. Goed dat jij er, zo te lezen, nog verder vanaf staat.

Voor wat betreft de schuld geven aan de omgeving, dat is niet wat ík zeg, en zeker niet wat ik in mijn boek betoog. Sowieso heeft de mens (te) veel invloed gehad op zijn omgeving in de afgelopen tienduizend jaar en zíjn we nu zelf een belangrijk deel van de omgeving van anderen. In mijn boek (en in het artikel in Het Parool ook, volgens mij) geef ik ons dan ook geen vrijbrief voor hufterig gedrag en stimuleer ik juist mensen om weerstand te bieden tegen hun omgeving en haar zelfs positief te beïnvloeden.

Ik ben bovendien niet zo bang dat mensen door het lezen van dit soort artikelen of boeken een goed excuus vinden om hun hufterkant eens lekker de vrije teugel te geven. Ik denk eerder (en merk uit reacties erop) dat het hen bewust maakt van hun omgeving. En dat is volgens mij de start van positieve eerder dan negatieve ontwikkelingen.

Ik ben daarom benieuwd wat je van m’n boek vindt. 🙂

Hartelijke groet,
Olav

Op 21 mei 2016, om 10:43 heeft R het volgende geschreven:

hi olav,
dank voor je mail.
Nee, het is niet jouw bedoeling. Maar je overschat de mens hoor. Die geeft graag de schuld aan anderen… en aan zijn omgeving. Dat is een feit.

Bewustmaking is leuk. Kijken ze al echt minder?
Ik ben niet zo van de woordjes Olav.
Ik ben van GEDRAG. Woorden zijn goedkoop.

Daarom ben ik ook niet zo populair.
te hard voor velen. haha. mooi toch?
R

Op 30 mei 2016 om 13:25 heeft Olav de Maat het volgende geschreven:

Dag R,

Het valt me op dat je aan de hand van een interview voor Het Parool en een tweetal mails van mij aannames doet over mij die het gemakkelijk maken je punt te maken: ik overschat de mens en ik ben van de woordjes vs. jij bent hard (en daarmee bedoel je vast: realistisch) en van GEDRAG. Wat mij betreft toon je daarmee vooral aan dat je een mens bent. Ook jij hebt waarschijnlijk last van de almenselijke behoefte om je zelfbeeld positief te laten zijn en het liefst positiever dan het beeld dat je van anderen hebt.

Daarnaast, het feit dat ik een boek heb geschreven en een blog bijhoud betekent niet dat ik per se of alleen van de woorden ben. Dan zou ik namelijk hetzelfde van jou kunnen zeggen: jij hebt ook een boek en een blog en op internet zie ik zo snel niet iets terug waaruit blijkt dat je ‚van GEDRAG’ bent. Net als jij, vermoed ik, ben ik meer dan iemand die woorden opschrijft en hoopt op wereldverbetering. Naast schrijven, dat slechts 10 procent van m’n werktijd in beslag neemt, ben ik vooral bezig om in directe interactie met mensen hun gedrag en hun organisaties (hun omgeving, dus) zo te veranderen dat de wereld er een beetje beter van wordt. Dat daar geen interviews over in Het Parool staan, zal wel liggen aan het feit dat ook ik mezelf overschat, net als jij dat waarschijnlijk met jezelf doet.

Maar, als niemand zichzelf overschat, wordt de wereld helemaal nooit beter. En als iedereen anderen met goede bedoelingen wegzet als naïevelingen komen we ook geen stap verder.

Ik hoop in ieder geval dat jouw werk met GEDRAG ertoe leidt dat de wereld een beetje beter wordt. Het ga je goed!

Hartelijke groet,
Olav

Op 30 mei 2016, om 16:02 heeft R het volgende geschreven:

ha Olav

daar heb je ook weer gelijk in.
Ik stelde het wat hard ja. Ik zeg ook niet dat woorden niet mogen, maar meer dat we aan alleen woorden niets hebben.
Maar misschien zijn die woorden wel een begin.

Dit als nuance aan mijn verhaal 😉
OK?

Groet!
R


Als je dit blog waardeert, laat dat dan zien: volg dit blog of like Fellow Man op Facebook. En, koop nu mijn nieuwe boek Hufters & helden. Waarom we allemaal aardiger moeten zijn.

De open deur van de loodgieter intrappen

Gisteren had ik een mail getypt naar de loodgieter die een lek in ons dak had geprobeerd te repareren, een man die mijn vriendin en ik nog nooit hadden gezien. Ik had alleen contact met hem gehad via de telefoon en e-mail. Hij had tot drie keer toe mannen langs gestuurd en drie keer hadden ze iets gedaan op het dak. Het was mij en mijn vriendin nooit helemaal duidelijk wat ze precies hadden gedaan want hun werkstijl was: aankomen, het dak opgaan, iets op het dak doen en weer weggaan. Praten met klanten hoorde niet bij hun standaardrepertoire. Als er al met ons gepraat werd, dan was het door ons geïnitieerd en als we vragen stelden, werden ze beantwoord met retoriek: ‘Wij hebben zo onze eigen visie,’ en: ‘Laat ons ons vak maar uitvoeren.’ Van overleg was nooit echt sprake. En als het ging over wat ze hadden gedaan of wat de situatie was, verwezen ze door naar hun baas, de loodgieter voor wie de gisteren getypte mail bestemd was.

Door die manier van werken wisten we dus niet wat ze op ons dak hadden uitgespookt. Het belangrijkste is het feit dat onze keukenmuur nog steeds nat is van het lekwater. Met andere woorden, wat ze ook gedaan hadden, het lijkt niet te hebben geholpen.

De slotboodschap in de mail aan de loodgieter was dat ik waarschijnlijk een andere ging zoeken. Begrijp me niet verkeerd, ik heb eigenlijk nooit getwijfeld aan het vakmanschap van de mannen. Dat doe ik nu nog steeds niet. Ondanks dat ze het euvel niet hadden verholpen. Ze hebben eigenlijk altijd de indruk gewekt dat ze echt wel wisten wat ze deden, júíst door hun doegerichte gedrag. De reden dat ik een andere wilde zoeken was hun manier van communiceren. Als ik niet weet wat mensen doen en ik constateer alleen dat het niet helpt, dan geeft dat geen goed gevoel. Woorden van gelijke strekking stonden in het elektronische bericht.

Dat bericht was overigens een reactie op een mail die de loodgieter eerder had gestuurd met de boodschap dat zijn mannen voor de derde keer op het dak waren geweest – iets waar mijn vriendin getuige van was geweest maar waarvan ze weer niet goed wist wat daar gepasseerd was. Het feit dat ik daarop reageerde mét een mail was eigenlijk vooral vanwege het feit dat ik reageerde óp een e-mail. Gelukkig viel me dat op toen ik op het punt stond in Mac Mail op het papieren vliegtuigje te klikken. Ik pauzeerde mijn verzendactie en gebruikte de pauze om me te bedenken dat ik me had voorgenomen geen dingen meer via e-mail te doen die beter via de telefoon kunnen. Ik zuchtte omdat ik wist wat er ging komen en belde de loodgieter.

Het begin van het telefoongesprek kwam erop neer dat ik de tekst uit mijn netbericht* voorlas met tussenpozen waarin de loodgieter reageerde met (verbaasde) vragen die telkens onbedoeld een mooi opstapje vormde voor de volgende alinea in mijn e-post*. Daarna kwam de echte reactie van de loodgieter. Die was direct en werd matter of factly uitgesproken, zonder dat daarmee zijn afkeer van mijn boodschap onder het kleed verdween. De loodgieter had dit nog nooit meegemaakt, dat iemand hem aan de kant zette. Hij vond het prima als ik een ander zou zoeken, maar dan moest ik hem niet meer bellen. Dan was het ook meteen klaar. Op zich deden deze woorden me niet zoveel. Ik vond het vervelend dat iemand zo kil reageerde maar ik snapte het ook wel.

Wat me wel wat deed was een ander punt dat hij maakte: hij had nog nooit meegemaakt dat hij geen kans kreeg om een fout te herstellen. Ik besefte dat ik van plan was geweest hem geen kans te geven. En ik merkte dat een punt dat ik maakte het lijntje van hem naar mij intact hield: het contact met hem vond ik goed maar ik had moeite met de manier van communiceren van zijn mannen. Volgens mij voelde hij dat het probleem niet bij hem persoonlijk lag.

Al pratende kwamen we tot de oplossing dat ze nog een keer langs zouden komen, deze keer met de loodgieter himself erbij. Op die manier zouden we samen het probleem kunnen analyseren en bespreken en, zo zei de loodgieter, ‘leren ze er ook nog wat van, want we moeten altijd blijven leren, hè?’

Ik ben er blij mee, met deze oplossing. Toegegeven, ik durf mijn voetbalplaatjes er niet om te verwedden dat deze keer het lek wel meteen boven komt en dezelfde dag nog definitief gedicht wordt. Maar dat is omdat het verleden heeft aangetoond dat het een nogal lastig te dichten lek is, niet omdat ik denk dat deze mannen geen dak kunnen repareren. Ik ben blij omdat we een eerlijk gesprek hebben gehad en we elkaar een eerlijke kans geven. Had ik de e-mail verstuurd, dan was dat er nooit van gekomen. Dan had de loodgieter aan de andere kant van het internet tegen zijn pc gezegd: ‘Dit heb ik nog nooit meegemaakt, dat iemand me aan de kant zet! Prima als die lul een ander zoekt, maar dan moet-ie me niet meer bellen!’ Dan was het ook meteen klaar geweest. Nu leren we er allemaal wat van. En we moeten altijd blijven leren, hè?

Wat ik ervan leer: e-mail is echt een eenrichtingsmedium, niet geschikt voor dingen die twee kanten hebben. En als je niet beide kanten een kans geeft, kun je niet hopen op een betere uitkomst. Dat is soms een bewuste keuze, als je bijvoorbeeld de deur echt dicht wilt gooien, maar vaker is het gewoonte en gemakzucht. En dan vind ik het zonde. Gewoon, omdat ik van open deuren hou.


* Alternatief voor e-mail, volgens ‘Woordenlijst 2400 × liever Nederlands’.


Als je dit blog waardeert, laat dat dan zien: volg dit blog of like Fellow Man op Facebook. Dank je!

 

Een gouden vondst

De oma van mijn vriendin kwam gisteren met een enorme verzameling Gouden Boekjes. Ze kwam ze officieel overdragen aan onze dochter Loulou. Alle boekjes, van nummer 1 tot en met 84, staan nu in onze kast. Nou ja, álle boekjes. Nummer 44, Tobias zoekt plezier, zit er niet tussen. Oma had daar met haar man stad en land voor afgezocht, maar het boekje nooit gevonden.

Maar oma en opa hebben nooit gebruik gemaakt van internet, dus toen ik vijf minuten op marktplaats.nl had gezocht, had ik het boekje gevonden. In licht beschadigde staat was het te koop. Je kon er op bieden. Ik bood 25 euro, want ik had gezien dat zo’n zeldzaam boekje vaak voor meer over de digitale toonbank gaat.

Voor wat er daarna gebeurde schaam ik me een beetje én ik ben blij dat het gelopen is zoals het gelopen is.

Nog geen half uur nadat ik het bod had gedaan op marktplaats, kreeg ik een reactie.

Hoi Olav,

Hartelijk dank voor uw bod!

Bij nader inzien is het boekje toch meer beschadigd dan ik dacht:
Ook de omslaglijn van de achterzijde is gescheurd én er zit een bladzijde los.

MAAR ik heb zelf ook een zo goed als nieuw exemplaar!

Ik heb het volgende voorstel:
– U mag het beschadigde boekje kopen voor €10,- OF
– Het onbeschadigde exemplaar voor de uw voorgestelde €25,- (excl. verzendkosten)

Ik hoor graag van u.

Met vriendelijke groet,

Ik vond het vreemd. De reactie kwam snel en was ongewoon voordelig voor mij. Na er een nachtje over te hebben geslapen, schreef ik rond de lunch een mail terug. Teruglezend vind ik hem bijna gênant direct, maar ik ben blij dat ik het heb gedaan, omdat ik gewoon eens wilde weten wat voor mens er aan de andere kant van de mailserver zat.

Beste …,

Dank voor je snelle reactie.

Ik moet zeggen dat ie me een beetje verwart. Het voelt bijna too good to be true. Ik leg graag uit waarom:

  1. Je komt opeens tot de conclusie dat het boekje toch meer beschadigd is. Waarom besefte je dat niet toen je het op marktplaats zette?
  2. Je blijkt opeens een z.g.a.n. exemplaar te hebben. Waarom staat die niet (ook) op marktplaats?
  3. Dit boekje is, zoals je zelf zegt, zeldzaam. De opa en oma van mijn vriendin hebben er praktisch hun hele leven naar gezocht en het nooit gevonden. Hoe kan het dat jij er twee blijkt te hebben?
  4. Dit boekje is zeldzaam. Waarom bied je er dan twee aan voor (samen) slechts 35 euro?
  5. Je hóéft me niet te vertellen dat je ook een z.g.a.n. exemplaar hebt. Je had me gewoon de beschadigde versie kunnen sturen en 25 euro kunnen vangen. Waarom zou je hier open kaart over spelen?
  6. Je begint je bericht met ‚Hoi Olav,’ (heel informeel) en vervolgt met me aan te spreken als ‚u’. Daardoor lijkt het alsof het bericht copy-paste is en je dit dus vaker hebt gestuurd.

Ik kan me voorstellen dat al deze vragen je overvallen. Ik probeer altijd uit te gaan van het goede en mijn vragen lijken daar helemaal niet van uit te gaan. Maar, ik geloof juist dat het ook goed is om eerlijk te zijn over eventuele twijfels richting een ander. Op deze manier geef ik ons beiden een eerlijke kans. Ik had ook gewoon m’n twijfels voor mezelf kunnen houden en sowieso niet met je in zee kunnen gaan.

Kortom, ik ben benieuwd! Dank alvast voor je antwoord(en)!

Hartelijke groet,
Olav

De rest van de dag bleef het stil. Ik denk dat ik, na de eerste, weer een snelle reactie had verwacht. Stilletjes begon ik te denken dat ik de aanbieder had afgeschrikt. Maar, iets na zessen werd ik verrast met een lange mail van de marktplaatsverkoopster.

Beste Olav,

Wat vind ik DAT vervelend, dat mijn goedheid overkomt als niet te vertrouwen…

Ik kan met een gerust hart zeggen dat ik een héél eerlijk mens, en zeker te vertrouwen ben en u de aanbieding heb gedaan vanuit mijn goede hart. Ik zal u antwoord geven op al uw vragen.

1. Ik heb het boekje blijkbaar niet goed genoeg bekeken voordat ik het op Marktplaats zette. Ik geef toe dat het slordig is van mezelf. Een fout van mijn kant die ik inmiddels op Marktplaats heb rechtgezet. Daarentegen kijk ik het boekje altijd nog helemaal na, voordat ik hem verzend. Dat ik dit doe blijkt wel uit het feit dat ik u van de meerdere beschadigingen op de hoogte heb gesteld. Ja, ik had hem inderdaad aan u kunnen verkopen met meerdere beschadigingen, maar dit kan ik niet over mijn hart verkrijgen. Hierover meer bij de beantwoording van vraag 5.

2. Ik heb inderdaad ook een z.g.a.n. exemplaar. Mijn verzameling bevat alle delen van de Gouden Boekjes van de Bezige Bij. Ik ben mijn verzameling begonnen vanuit sentiment uit vroegere jaren toen ik als kind van 4 in de bibliotheek de Gouden Boekjes doorbladerde. Doordat ik veel boekjes op Marktplaats heb gekocht en ook boekjes die in ‚bulken’ werden verkocht, heb ik heel veel dubbele exemplaren. De mooiste exemplaren heb ik in mijn Gouden Taxi (boekenkast voor de Gouden Boekjes) als verzameling staan. Hierbij zit dus ook de z.g.a.n. Tobias zoekt plezier. In principe verkoop ik mijn verzamel exemplaren niet.
Doordat u zo’n reëel bedrag bood, vind ik dat u daarvoor ook een mooi exemplaar verdient. Ik ben niet iemand die het onderste uit de kan wil, dus een beschadigd boekje verkopen voor €25,- kan ik niet over mijn hart verkrijgen. Hiervoor wil ik dus een uitzondering maken en dan hoop ik zelf ooit nog eens een mooi exemplaar ergens te vinden (eerlijk gezegd hoopte ik ook dat u voor de beschadigde versie zou kiezen, zodat ik mijn verzamel exemplaar zou kunnen behouden). U ziet: het is een kwestie van gunnen.

3. Ik heb er twee omdat ik een tijd lang dagelijks op Marktplaats heb gezocht naar het boekje. Ik was er als de kippen bij als ik het boekje bij een ‚bulk’ zag liggen. Ik vroeg de verkoper dan het boekje apart te verkopen voor €10,-. Dit is het beschadigde boekje (en ik wist niet meer dat dit boekje meerdere beschadigingen had). Het mooie exemplaar heb ik later kunnen kopen.

4. Ik bied er ZEKER geen twee aan voor €35,-. Ik heb u voorgesteld OF het ene OF het andere boekje te kopen. Ik citeer:

Ik heb het volgende voorstel:
– U mag het beschadigde boekje kopen voor €10,- OF
– Het onbeschadigde exemplaar voor de uw voorgestelde €25,- (excl. verzendkosten)

Ik wil ZEKER 1 exemplaar zelf behouden als verzamel exemplaar.

5. Ik speel hier open kaart over omdat ik een eerlijk mens ben en een beschadigd boekje niet kan verkopen voor €25,-. Dat voelt gewoon niet goed. Het gaat over sentiment. Dan speelt de gun factor ook een grote rol voor mij. Als iemand zijn hele leven al op zoek is naar het boekje, zoals u zegt, dan ben ik blij dat ik degene ben die die persoon blij kan maken. Zo heeft iemand mij ook blij gemaakt. En daar hoef ik dan niet de hoofdprijs voor te hebben. Ik weet dat de boekjes ook voor €60,- worden aangeboden, maar dat gaat mij echt te ver…

6. Olav is een voornaam, dus dat komt mij informeler over dan een achternaam. Als 50-er ben ik gewend mensen aan te spreken met u. Gezien de voornaam heb ik voor ‚hoi Olav’ gekozen en ben vervolgens in mijn oude gewoonte vervallen.
Er is absoluut geen sprake van copy-paste en is zeker niet vaker verstuurd.

Het is heel goed van u dat u eerlijk bent over uw twijfels en hier vragen over stelt. Helaas ben ik ook een aantal keren opgelicht op Marktplaats, ook omdat ik altijd van het goede uitga.

U had idd niet met me in zee kunnen gaan, en dat kunt u alsnog niet doen, maar ik denk dat u uzelf en de opa en oma van uw vriendin daarmee tekort doet. Mijn aanbieding is er een vanuit een goed hart die zelfs ten koste gaat van mijn eigen verzameling. Gewoon omdat ik een aardig mens ben. Het klinkt misschien raar om dit van jezelf te zeggen, maar ik vind dat ik dat gewoon moet kunnen zeggen omdat het zo is.

Ik hoop dat ik uw vragen naar tevredenheid heb beantwoord. Mocht er nog twijfel bestaan of heeft u nog vragen, dan ben ik altijd bereid het e.e.a. telefonisch uit te leggen (06-……….).

Ik ben heel benieuwd of ik verder iets voor u kan betekenen.

Hartelijke groet terug,

Ik kon hierop niet anders dan een blije reactie sturen.

Beste …,

Ik ben fan van u! Wat ben ik blij verrast dat u zo’n antwoord stuurt op mijn mail. (Ik ben ook maar weer overgegaan op vousvoyeren, zoals u merkt.)

Uw bericht geeft een mooi inkijkje in uw persoon. Dat geeft mij het gevoel dat ik met een mens te maken heb en niet met een anoniem iemand via een internetsite. Ik voel me nu bijna schuldig over mijn nogal directe vragen. Maar, ik ben ook blij dat ik het heb gedaan, anders had ik zo’n mooie reactie niet gehad.

Ik wil u (nu zeker) niet uw verzamelexemplaar afhandig maken. Ik vind het heel bijzonder dat u hem had willen geven. Graag koop ik het beschadigde exemplaar van u voor elk bedrag tussen de 10 en 25 euro. U mag het zeggen.

Dank voor de tijd die u heeft genomen voor uw antwoord. Dank voor uw bereidheid om anderen die u niet kent blij te maken. Dank voor uw goedheid. You made my day, om het in goed Nederlands te zeggen!

Hartelijke groet,
Olav de Maat

Wat ik hiervan leer? Dat ik me liever schaam voor stomme, gênant-directe vragen die leiden tot een heerlijke ontdekking, dan dat ik stiekem onbekende lieve mensen ga zitten verdenken.


Als je dit blog waardeert, laat dat dan zien: volg dit blog of like Fellow Man op Facebook. Dank je!

Response-ability

Op 20 april lanceerde ik mijn boekdebuut Ik vind u een eikel. Om hier aandacht voor te vragen stuurde ik een persbericht naar 420 redacties en mensen in de media wiens e-mail-adressen op een perslijst stonden, die ik van een vriend had ontvangen. Het persbericht had ik opgesteld op basis van een paar tips en voorbeelden van uitgevers, dus dat moest goed komen, dacht ik. Nou ja, dat dacht ik niet echt. Ik dacht dat, als 1% reageert, dan is dat toch best wat. Wat kon ik immers verwachten? Niemand van die 420 ontvangers kende mij en ik kende geen van hen.

De respons was 0,2%. Eén persoon reageerde. Zij wilde wel een stukje voor me schrijven, als ik haar het boek wilde sturen. De andere 419 bleven akelig stil. Al kreeg ik van een stuk of dertig redacties automatische antwoorden dat ze heel veel mail ontvangen en daarom op z’n best laat en waarschijnlijk niet gingen reageren.

Na twee weken vond ik het welletjes. Zo wilde ik niet ten onder gaan. Ik had een boek geschreven over hoe onze maatschappij er telkens weer voor zorgt dat we ons anoniem en alleen voelen en daardoor niet-sociaal gedragen. Dan was dit toch wel hét voorbeeld, van hoe we tegenwoordig anoniem kunnen blijven, om iets mee te doen. Ik schreef alle 419 niet-reageerders een tweede mail (zie hier) met de opzet van een column zoals ik er meer heb geschreven. Daarin sprak ik hen aan als de andere 99,8%.

Binnen een dag had ik vijftien reacties en na een week nog eens tien. De respons was ineens geen 0,2% meer, maar 6%. Een van de reacties was één woord en één leesteken: ‘Eikel!’ Een paar anderen waren ook niet direct positief, omdat ze zich onprettig aangesproken voelde. Maar veruit het grootste deel van de mensen die reageerden had een vriendelijke uitleg, een goede raad of zelfs een compliment voor me over. Een redelijk aantal van hen heeft in deze tweede instantie ook echt iets in hun medium gedeeld over mijn boek.

Het leek dus te werken. Door mensen persoonlijk aan te spreken en attent te maken op het achterliggende mechanisme dat er voor zorgt dat we elkaar negeren negeerden ze me minder. Leuke les voor als je iets met marketing wilt. Wat ik van de beledigde mensen heb geleerd is dat je mensen in een column in algemene termen kunt beschrijven en dat het dan als interessant en grappig wordt ervaren, maar dat je dat niet kunt doen in een mail die gericht is aan specifieke mensen en over hen gaat, ook al bedoel je het overdrachtelijk. Dan voelen sommigen zich als een karikatuur weggezet. Bovendien, als de zendende partij voelde ik me opeens heel kwetsbaar toen ik voor de verandering wél hoorde wat de “andere kant” nou eigenlijk dacht.

Kortom, het lijkt erop, dat als je onbekenden persoonlijk aanspreekt, ze opeens gaan voelen wat je mailt. Zo laten ze zich schijnbaar uit de anonimiteit trekken. Dat gold voor de 419 mensen die ik mailde. En dat gold voor mij, toen sommigen van die 420 mij “opeens” terug gingen mailen.

Maar wat me ook bijblijft is het tragikomische aan het geheel. Een van de mensen die reageerden zei me dat je blij mag zijn met een respons van 1% op een persbericht. Dan moet 6% een topprestatie zijn. Maar, waar zou ik dan blij om moeten zijn? Wat heb ik dan zo goed gedaan? Ik probeer me wel ’s voor te stellen dat ik 420 onbekenden op straat gedag zou zeggen, en dat 395 van hen me straal zouden negeren. Zou ik dan nog steeds blij zijn met 6% respons…?


Als je mijn blog waardeert, laat dat dan zien: meld je aan als e-mail-volger of like Fellow Man op Facebook. En/of koop m’n boek Ik vind u een eikel – waarom we supersociaal zijn op bol.comDank je! 

Strikt persoonlijk

Het gebeurt wel eens dat iemand die ik niet ken via LinkedIn contact met me zoekt. In de meeste gevallen is de “uitnodiging” dan: ‘I’d like to add you to my professional network on LinkedIn.’ In die gevallen is mijn reactie dan iets als onderstaand:

LinkedIn invite

In de meeste gevallen krijg ik daar dan geen reactie meer op. Alsof ik de uitnodiger heb afgeschrikt met een al te directe en persoonlijke vraag. Ik weet dat er staat: ‘I’d like to add you to my professional network on LinkedIn,’ en niet: ‘I’d like to add you to my personal network on LinkedIn,’ maar toch. Wat dit aan gaat, sta ik graag in het leven zoals Michael Corleone: ‘It’s all personal, every bit of business.’

Maar, om niet op een hoog paard te gaan zitten, ik doe soortgelijke dingen “verkeerd”. Laatst had ik tot twee keer toe een mailwisseling met een dame, die eindigde met de vraag van mijn kant hoe het met iets stond – wat dat iets is, doet niet ter zake (strictly business, zal ik maar zeggen). In beide gevallen kreeg ik daarop geen antwoord. Tot twee keer toe kwam ik die dame terloops tegen op het kantoor waar zij werkt. We zeiden elkaar gedag en verder niks.

Iets langer geleden mailde ik een bestuurder die ik redelijk goed ken met een vraag – ook weer strictly business. Ook hij gaf geen antwoord. En ook hem kwam ik terloops tegen op de gang ergens. Ook wij zeiden elkaar gedag. En ook deze keer herinnerde ik hem niet aan mijn vraag.

Het is alsof er parallelle universa zijn, een waarin je elkaar vrijelijk benadert en een waarin je elkaar snel passeert. Datgene dat de overgang tussen beide universa markeert is schijnbaar dat het persoonlijk wordt; van een geautomatiseerde uitnodiging naar een persoonlijke vraag respectievelijk van een e-mail-adres op een computerscherm naar een gezicht in een kantoorgebouw.

In het geval van de LinkedIn-uitnodiging vind ik de grens wel heel subtiel. Het medium blijft immers hetzelfde. Het is de inhoud en de intentie ervan die veranderen. Als het gaat om mijn e-mail-vragen, dan verandert het medium wel degelijk, en het moment is anders. Voor een e-mail ga ik zitten. Ik bedenk me dat ik iemand iets wil vragen en stop daar tijd in. Bij een onverwachte ontmoeting ben ik niet voorbereid en is het moment al voorbij voor ik goed en wel bedacht heb dat ik iets wil vragen. Tegelijkertijd is er een milde vorm van een verlammende, zichzelf versterkende schaamte die voortkomt uit twee dingen. Het eerste is dat ik de ander een vraag heb gesteld, die ik ook live of via de telefoon had kunnen stellen. Het tweede is dat ik bang ben dat ik in de ogen van de ander niet bij machte lijk om haar of hem de vraag direct te stellen als het moment zich aandient. En, er is altijd mijn moeder die in dit soort gevallen in m’n oor fluistert: ‘Als het belangrijk is, dan kom je er wel weer op terug.’ Vrij vertaald, als ik iets onbelangrijks heb gevraagd, dan is het ook niet de moeite van het sociale discomfort waard.

Is dat het dan misschien? Is het het feit dat ik de ander met iets confronteer waar hij niet op voorbereid is en dat hij zich een beetje schaamt voor het gemak waarmee hij me heeft uitgenodigd? Heeft ie eigenlijk niet echt een goede reden om met specifiek mij te linken en wilde hij gewoon wat meer connections? Is linken met mij eigenlijk niet belangrijk genoeg en de moeite van het beantwoorden van mijn waarom-vraag niet waard?

Misschien zit de waarheid tussen deze opties, misschien niet. In ieder geval is het zo dat ik niet in alle gevallen geen reactie kreeg op mijn persoonlijke en directe waarom-vraag. Ik mag daarom graag geloven dat m’n moeder gelijk had: als ze het echt belangrijk vinden, dan geven ze me wel een antwoord. Dan krijg ik uiteindelijk alleen connecties die echt met me gelinkt willen zijn. En dat is wat ik wilde.

Als ik nou dan ook stop met vragen via de e-mail stellen die blijkbaar niet belangrijk genoeg zijn, dan ben ik helemaal goed bezig.


Als je mijn blog waardeert, laat dat dan zien: meld je aan als e-mail-volger of like Fellow Man op Facebook. En/of koop m’n boek Ik vind u een eikel – waarom we supersociaal zijn op bol.comDank je! 

De pleonastische samenleving

Ik maak er geen gewoonte van om me met de politiek te bemoeien. Dat doe ik ook deze keer niet. Maar, ik kan het niet laten om te reageren op iets uit de politiek.

Volgens mij leven we in een pleonastische samenleving. Voor degenen die het woord niet meer herkennen van Nederlands op de middelbare school: een pleonasme is het expliciet vermelden (met een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord) en daardoor benadrukken van een eigenschap die reeds in een zelfstandig naamwoord of werkwoord besloten ligt. Klassieke voorbeelden zijn witte sneeuw en ronde bal. Een nieuw voorbeeld is participatiesamenleving.

Vorige week sprak de regering, bij monde van onze koning, dit woord uit tijdens de Troonrede. Voor wie onder een rots heeft geleefd de afgelopen week, dit is de passage waar het woord zijn intrede deed: ‘Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.’

Een paar dagen lang werd er non-stop over gepraat, op tv, aan de lunchtafel, in vergaderingen, op de radio, op internet. Iedereen maakte een laatdunkend grapje over de participatiesamenleving of besprak het alsof het een nieuw ding was. Belangrijkste boodschap van de commentatoren: de regering probeert ons met mistig taalgebruik iets in de maag te splitsen. De een vond dat terecht, de ander onterecht.

Ik snapte het vooral niet. Het klonk mij allemaal nogal dubbelop, nogal voor de hand liggend in de oren.

Participatie betekent letterlijk deelname en samenleving impliceert dat mensen samen leven. Van oudsher is de mens een groepsdier. Op de ongastvrije savannes van tweehonderdduizend jaar geleden bleek het voordeliger om een paar andere mensen te vinden en met hen groepsgewijs het leven door te brengen. Van de jagers-verzamelaars is bekend dat de meeste mensen grofweg de zelfde sociale status hadden. In zijn boek De derde chimpansee zegt fysioloog, antropoloog, ecoloog, geograaf en evolutionair bioloog Jared Diamond dat iedereen in hun samenlevingen zijn steentje bijdroeg. ‘In hun gemeenschap is er dus geen plek voor koningen, managers en sociale parasieten die zich te goed doen aan het voedsel dat anderen vergaren,’ vertelt Diamond.

Kortom, bij het samenleven hóórt dat je deelneemt, dat je je steentje bijdraagt. Anders is het geen samenleving. Dan is het living apart together. Zeggen dat we een participatiesamenleving zijn is dus duur klinken, maar niks zeggen met een pleonasme. Wie niet participeert, leeft niet samen. Die leeft enkel én alleen. En voor de eerste mens op de savanne betekende niet participeren vroeger trouwens niet eens leven. Niet participeren was dood gaan.

De tekst uit de Troonrede wekt de indruk dat de normale situatie is dat mensen niet mondig zijn, dat we in een verzorgingsstaat leven en dat mensen geen verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen leven en omgeving. Ja, dat is misschien de situatie die we zelf de afgelopen eeuw hebben gecreëerd, maar het is zeker niet de situatie die bij ons als mens hoort door de duizenden jaren dat we bestaan. Mensen zijn gemaakt om samen te leven en (dus) te participeren. We hebben in korte tijd zelf onze cultuur zo gemaakt dat we los van elkaar leven en zo min mogelijk deelnemen. Het goede nieuws is dat mensen hun cultuur gemakkelijker kunnen veranderen dan hun natuur.

En helemaal vind ik het kul om zo’n niksig woord, dat volledig onterecht de indruk wekt dat we iets totaal nieuws gaan doen, in te zetten om een bezuinigingsagenda erdoor te krijgen. Samenleven begint niet door de bekende broekriem aan te halen. Minder geld dwingt niemand om waar dan ook aan deel te nemen. Samenleven begint met voelen dat je met andere mensen leeft. Dat er andere “ikken” zijn met wie je het dagelijks leven deelt. Dat blijkt telkens weer uit onderzoek naar de effecten van anonimiteit.

En dat voel je niet als een BN’er op een troon in Den Haag in de derde persoon praat over niemand in het algemeen en iedereen in het bijzonder. Dat voel je alleen als echte mensen je aanspreken. Ik vind daarom dat ik en jij, waarde lezer, degenen moeten zijn die anderen aanspreken. En dan bedoel ik niet dat we hangjongeren moeten aanspreken op hun rustverstoring, geweldplegers op hun geweldpleging of dieven op hun stelerij. Nee, ik bedoel dat ik en jij gewoon iedereen die we tegenkomen op straat, in de wandelgangen en in de winkel en elke onbekende die we aan de lijn krijgen gedag zeggen. Dat is een klein en simpel, maar daarom juist volgens mij het beste begin. (Zie ook dit hier.)

Dus, stop het pleonasme. Leef samen. Participeer. Zeg hallo.