Het land van melk en Marokkanen

Gisteren, de dag na de avond van Geert, liep ik langs de rij kassa’s van de Albert Heijn. Een Marokkaanse man zei wat in het Arabisch tegen zijn zoon. De harde, rauwe tonen, op een wat schreeuwerige manier uitgesproken, klonken in mijn oren vrij agressief. Toen hij langs me liep, zag ik dat het jongetje een pak melk in zijn hand had. Achter me hoorde ik zijn vader, tussen de Arabische woorden door, roepen: ‘Rennen!’ Het jongetje rende voor mij de winkel uit, de melk inmiddels stevig in beide knuisten geklemd.

Buiten gekomen zag ik het jongetje honderd meter verderop over de parkeerplaats rennen. Hij hield plots stil bij een dame, die net de achterklep van haar auto dicht deed. Ik zag hoe hij haar het melkpak gaf. Ze knikte en glimlachte naar haar weldoener. Haar mond vormde de woorden ‘dank je.’

Letterlijk een beetje misselijk werd ik van het tafereel: de opruiende klanken op het podium, de kamerbrede Nederlandse vlag op de achtergrond, de melkmuilen in het zaaltje die als klapvee bij een spelshow ‘minder, minder’ scandeerden en – misschien wel het ergste – de mensen die erbij stonden en wat schaapachtig lachend om zich heen en naar elkaar keken. Ik weet het, ik ben niet de eerste. Ik ben waarschijnlijker de laatste die er iets over zegt. Maar, ik moet er iets over zeggen. En deze keer wat meer dan normaal…

Allereerst: de mensen die denken er bestand tegen te zijn, zijn er het minst tegen bestand. Op upcoming.nl staat een reactie van ene Marina op het optreden van Wilders die perfect demonstreert hoe dat werkt:

5M2pvqW

Als het je lukt alle spel- en grammaticale fouten te negeren, zie je dat iemand hier probeert, met argumenten die de gemiddelde burger in nazi-Duitsland in de jaren-dertig had gebruikt over Hitler en Joden, aan te tonen dat dit niet hetzelfde is als wat er in nazi-Duitsland werd beweerd. In een bekend experiment op een Amerikaanse highschool liet leraar Ron Jones zien dat zijn leerlingen binnen een paar weken een nazi-achtig regime konden installeren op school. Reden van het experiment: de leerlingen geloofden niet dat gewone mensen in staat waren om te doen wat de nazi’s de Joden hadden aangedaan. De leerlingen waren dus al voorbereid om beïnvloed te worden en waren ervan overtuigd dat ze niet beïnvloed konden worden.

In de tweede plaats: dit is een glijdende schaal. Dit moet je niet nuanceren. In Wakker Nederland reageerde Rob Oudkerk gisterochtend door te zeggen: ‘Dat zie je op verkiezingsavond altijd, dit soort uitspraken. […] Ik heb zelf twaalf jaar geleden […] ook gezegd dat ik schoon genoeg had van met name Marokkaanse jeugd die het met ongeveer vijftienhonderd man in Amsterdam voor 57 duizend goedwillende Marokkaanse mensen verpestten. Ik heb toen ook het halve land over me heen gehad. Als hij dat bedoelt, ja, dat hebben wij nog steeds niet goed opgelost. Als hij dat andere bedoelt, dan is het een schandalige uitspraak.’ Dit soort uitspraken is nog nooit gedaan op verkiezingsavond. En vooral, of hij het ene of het andere bedoelt, dat maakt niet uit. Het is het begin van iets dat je niet wilt beginnen. Er is een grens overschreden. Het gaat hier al lang niet meer over nuancering en duiding. Het gaat over emotie en emotie is een veel sterkere drijfveer dan de rede. Daar moet je niet over praten. Daar moet je met emotie op reageren.

Als derde: dit is hoe het gaat. Het deed me denken aan een experiment dat is gedaan in de jaren-zeventig op de Universiteit van Hawaï. Een docent vertelde aan bijna zeshonderd avondstudenten een verhaal over de bevolkingsexplosie. Met name vertelde hij dat er steeds meer mensen zijn met fysieke en psychische gebreken en over het “feit” dat zij een bedreiging vormen voor het welzijn van de maatschappij. De studenten werden uitgenodigd om mee te denken over ‘de toepassing van wetenschappelijke procedures om de fysiek en psychisch onbruikbaren te elimineren.’ Zij waren immers weldenkende, hoogopgeleide mensen. Bovendien zou de uiteindelijke oplossing, voordat die daadwerkelijk toegepast ging worden, zorgvuldig wetenschappelijk worden onderzocht.

Als eerste stap van dit “wetenschappelijke proces” moesten de studenten een paar vragen beantwoorden. De uitkomsten van deze kleine enquête gaven een informatieve inkijk in het inschattingsvermogen van deze intelligente studenten. 90% van de aanwezigen vond dat er altijd mensen zullen zijn die het evolutionair beter doen dan anderen. 79% wilde dat er één eindverantwoordelijke zou zijn voor de uitroeiing van de ‘onbruikbaren’ en dat de rest het vuile werk zou moeten doen. 64% wilde graag een anonieme beul. 89% vond dat een pijnloos medicijn de beste manier was om de dood in te leiden, met het oog op efficiëntie en humaniteit. 91% was het eens met de stelling dat ‘onder extreme omstandigheden het volstrekt gerechtvaardigd is dat zij, die het algemene belang bedreigen, geëlimineerd worden.’ En als toegift gaf 29% aan dat zij akkoord gingen dat deze “eindoplossing” voor het algemeen belang ook op hun eigen familie toegepast zou worden.

Zo simpel kan het dus zijn: laat een “autoriteit” wat feiten en fictie met ideologie over de “kwaden” vermengen, vraag hulp van mensen en bestempel hun als de “goeden” en presto, je hebt een nieuwe holocaust. En die mensen wiens hulp je inroept, hoeven dus helemaal niet dom te zijn. Dit waren universitaire studenten. (Dat de Wilders-aanhang niet per se intelligent is, kun je op upcoming.nl zien. Daar staan de “beste” reacties op Wilders’ toespraak.)

Ten vierde: ook al stonden vooral een paar jolige kerels te scanderen en waren de vrouwen vooral schaapachtig aan het lachen, er is zoiets als cognitieve dissonantiereductie. Als je iets doet wat niet past bij je zelfbeeld, ontstaat er kortsluiting in je hersenen: dissonantie tussen het beeld van wie je denkt te zijn en het beeld van wat je doet. Deze dissonantie is onprettig en moet je dus reduceren om weer in sync te komen. In plaats van dat de gemiddelde mens zijn zelfbeeld aanpast, past hij zijn beeld van de werkelijkheid aan.

Die mannen zullen daarom zeggen dat het gewoon een lolletje was of dat ze altijd al vonden dat er minder Marokkanen in Nederland moesten zijn. De lijsttrekker van de PVV in Den Haag, Léon de Jong, zei bijvoorbeeld tegen een verslaggever dat er helemaal niet geschreeuwd en gejoeld werd en dat er een hele positieve sfeer hing. En de schaapachtige vrouwen zullen zeggen dat ze er wel bij stonden, maar dat ze er niet bij wílden zijn of dat dat moet kunnen, met een paar mensen ‘minder, minder’ roepen. Ze bedoelden er toch niks verkeerds mee? Maar, het begint met dit soort “grappig bedoelde” uitspattingen, die de personen die er aan mee deden al heel snel niet meer in de hand hebben.

Tot slot: met dit soort “conclusies”, dat de Nederlander minder Marokkanen wil, doe je alle Marokkanen te kort, en niet alleen de ‘goedwillende Marokkaanse mensen’ waar Oudkerk het over had. Want ook hier hebben nuanceringen geen zin. Ene A. Hitler zei ooit: ‘Maak de leugen groot, maak haar simpel, blijf haar zeggen, en uiteindelijk zullen ze haar geloven.’ Het is leuk dat Wilders in een interview later uitlegt dat hij geen Marokkanen het land uit wil zetten, tenzij ze crimineel zijn (wat ook al discutabel is), maar dat onthoudt niemand die zich aangesproken voelt door de gedachte aan minder Marokkanen. Die onthoudt ‘minder, minder, minder…’ Dat is simpel. Dat kun je blijven zeggen.

Bovendien, mensen van Marokkaanse afkomst voldoen niet aan het plaatje van “de Marokkaan” zoals dat in het hoofd van mensen oppopt als Wilders vraagt of ze er meer of minder van willen. Geen enkele. Niemand. Ook de criminele Marokkaan is meer dan een crimineel. Dat is ook iemand die houdt van z’n moeder, die gek is op voetbal, die met lego heeft gespeeld toen ie klein was of die stiekem zijn eerste knuffelbeest bewaard heeft.

En veel Marokkanen brengen de melk naar de mevrouw die hem vergeten was bij de kassa, ook al moeten ze rennen om ervoor te zorgen dat ze niet al in haar auto is gestapt.

Advertisements

Stop, in the doggone name of love

Vanmiddag liep ik met onze hond Cisco door het bos. Als de goed gemutste Australian Shepherd die hij meestal is, sukkelde hij in z’n typische drafje voor me uit. Het was echt een topweertje. Voor het eerst dit jaar kon ik lopen in enkel een t-shirt (op m’n bovenlijf, aan m’n onderlijf had ik gewoon een lange broek en laarzen). Heerlijk.

Maar, dat terzijde.

Op een gegeven moment kwamen van de andere kant een typisch Goois echtpaar, hun (vermoedelijk) pas studerende dochter en hun twee honden aan gelopen. De ene hond was volgens mij een vuilnisbakkenschoothondje. De andere was een ongedefinieerd type met het formaat van Cisco – een medium sized hond, dus. Die tweede hond ging zo’n honderd meter vóór ons speels plat op z’n buik liggen. Cisco was al wat achter gebleven. Die vertrouwde het niet helemaal. Toen we dichtbij genoeg waren, schoot hond nummer twee op Cisco af, vermoedelijk om te spelen. Cisco – die we ook wel Sissy Boy noemen, omdat ie geen held is – maakte rechtsomkeert en schoot als een speer weg om aan zijn speelse belager te ontkomen.

De vrouw was mij tegelijk met haar speelse hond al voorbij gelopen. De man was mij inmiddels ook genaderd. Zonder iets te zeggen of me aan te kijken, passeerde hij me. Ik zei nog, niet onvriendelijk: ‘Stuurt u m’n hond weer naar me terug als u hem heeft gevonden?’ Hij liet een nonchalante lach van één korte lettergreep horen, zei op ongemeende toon: ‘Jaasgoed,’ en liep, nog steeds zonder me aan te kijken, door. Na een paar seconden riep de familie in koor de naam van hun hond: ‘Atos!’

Cisco en Atos waren al niet meer in zicht. De dochter bleef halverwege mij en haar ouders staan, samen met het schoothondje. Zij leek zich als enige bewust van het feit dat hun hond mijn hond had opgejaagd. Ze keek heen en weer naar mij en haar ouders en zei niets.

Een halve minuut later kwam Atos weer aanlopen. Cisco zag ik even later, honderden meters verderop, tevoorschijn komen op een heuveltje. ‘Kun je ervoor zorgen dat jullie hond niet weer achter de mijne aan gaat?,’ vroeg ik haar. ‘Hij zit al aan de lijn,’ antwoordde ze met neutrale stem. ‘Oké. Fijn,’ zei ik. Ik riep Cisco. Na wat aarzeling, kwam hij aanrennen. Hij hield in bij het meisje en haar kleine hond, en liep met een schuinse blik op hen gericht naar mij toe, hijgend, z’n poten onder de modder.

Qua honden was hier niks aan de hand. Ik heb geen problemen met mensen die hun speelse hond onvoldoende onder controle hebben. Cisco rent soms ook ineens achter een hert, konijn of kat aan. Een hond kun je niet altijd in de hand hebben – tenzij je Cesar Millan bent. En dat Cisco een sissy is, dat konden deze mensen ook niet weten. Waar ik wel problemen mee heb, is dat geen van de ouders naar me toe is gelopen en iets tegen me heeft gezegd.

Excuses waren niet eens nodig, wel prettig, maar niet nodig. Het gaat me om het leggen van het contact. Door door te lopen heeft het hoofd van deze familie mij de kans gegeven van alles van hem te denken. En trust me, automatisch worden dat geen positieve gedachten. Ik denk nu dat ie laf is, dat ie arrogant is en mij te min vindt – met m’n groene laarzen, groen-bruine wandelbroek en m’n schuwe hond (dat het Le Chameau-laarzen, een Fjäll Räven-broek en een rashond zijn, dat heeft ie natuurlijk niet gezien, met z’n twee vuilnisbakken) – en dat ie in het algemeen een a-sociale man is.

Als hij maar gewoon gedag had gezegd, bij me was blijven staan en gewag had gemaakt van het feit dat zijn hond de mijne aan het opjagen was. Dan hadden we het gehad over dat honden soms lastig te voorspellen zijn, een tactiek bedacht om onze beider honden ongehavend en snel terug te lokken en ze tot slot op een rustige manier aan elkaar laten wennen. Zo iets. Dan had ik hem gezien als een mens, net als ik, met een hond, net als ik. En ik had hem nog aardig gevonden ook.

Als je dus niet wilt dat anderen nare dingen van je denken, blijf dan staan voor die anderen. Het simpele feit dat de dochter halverwege bleef staan, maakte haar al een stuk sympathieker in mijn ogen. Zo simpel is ’t.