Homo homini sardinis*

Volgens biologen is de mens van nature een groepsdier, een nomade, een jager én een prooidier – al is de individualisatie toegeslagen, wonen we nu vrijwel allemaal in gehuchten, dorpen en steden, jagen we tegenwoordig vooral in de supermarkt op ons vlees en hebben we onze natuurlijke vijanden over de jaren heen redelijk doeltreffend uitgemoord, opgesloten of verdreven uit ons leefgebied. De sardine is dat ook: groepsdier, nomadisch, jager en prooidier.

Een sardine zwemt in grote scholen rondjes achter andere sardines aan, zonder zich bewust te zijn van of geïnteresseerd te zijn in waar de vissen vóór hem heen gaan en waarom. Sardines migreren in groten getale om aan voedsel te komen. Dat ze van samen trekken houden blijkt wel uit het feit dat ze soms duizenden kilometers afleggen en dat sommige scholen meer dan 7 km lang, 1,5 km breed en 30 meter diep zijn. Ze jagen in groepen op plankton – voor zover drijfjacht op de gehandicapte lilliputters van de zee jagen mag heten, want plankton bestaat vooral uit minuscule schaaldiertjes die zich onhandig en traag voortbewegen. En sardines vallen ten prooi aan dieren als dolfijnen, jan-van-genten, haaien en robben.

De vele vergelijkingen tussen mens en sardine zag ik laatst tijdens de avondspits terug op knooppunt Hoevelaken, waar de A1 en de A28 elkaar kruisen. Ik kwam uit zuidelijke richting van de A28 en wilde in westelijke richting de A1 op. De A28 ligt boven de A1 en je komt via een van de vier “bladen van het klaverblad” naar beneden op de parallelweg van de A1, waar je in kunt voegen. Je komt dan op Nederlands slechtste invoegconstructie ooit. De parallelweg naar de A1 bestaat uit twee wegstroken, die een paar honderd meter verderop samenkomen in één strook, precies op het punt waar het verkeer dat uit noordelijke richting van de A28 komt ook invoegt. Je hebt drie rijstroken die op het zelfde punt één worden. Het schiet daar dus niet op. De meeste mensen die hier in de spits rijden weten dat ook.

Deze keer leken de aanwezige automobilisten gebruik te maken van die kennis en zich te beseffen dat je beter van twee dan van drie rijstroken naar één kunt gaan. Want toen ik vanaf het klaverblaadje aan kwam rijden, stonden alleen op de rechterbaan van de parallelweg auto’s in de rij te wachten. Even genoot ik van mijn medeweggebruikers en hun efficiënte vorm van zelfbeheersing. Ik sloot netjes aan in de ene rij. We reden niet hard, maar we kwamen met z’n allen gestaag vooruit.

Tót, een paar auto’s achter mij, iemand het op z’n heupen kreeg. Hij schoot naar de tweede baan en langs de lange rij wachtende auto’s, tot aan het punt waar de noordelijke automobilisten de A1 op wilden rijden. Nu heb ik geen nadrukkelijke moeite met mensen die gebruik maken van braakliggende weggedeelten en de ruimte die er is in de verkeersregels. Toch ontviel mij op dat moment een vloek. Ik wist namelijk dat dit het begin van het einde van de zelfbeheersing was. Auto’s die nieuw aangekomen waren van de zuidelijke kant van de A28 reden prompt door naar de tweede baan, maar ook mijn “vrienden” verraadden mij, door de rij vóór mij te verlaten en zich te voegen achter de stoere tweedebaners. De nieuwe rij zwol gestaag aan tot ie stil stond en de rij waar ik me in bevond, was al eerder tot een regenachtige stilstand gekomen.

Ik werd er een beetje droevig van. En niet eens van de gedachte dat ik nu nog wat later thuis zou zijn, maar van het feit dat de schoonheid van zelfbeheersing hier werd verpest. Alleen maar omdat één visje het verkeerde pad was opgeschoten, denkend dat daar meer te halen was, en de rest er gedachteloos achterna sjeesde. Als het jagende, trekkende, plankton etende groepsdier dat de sardine is, gingen mensen achter hun easy target – een paar meter dichter bij huis zijn – aan, zonder na te denken over de gevolgen van hun hersenloze daad.

* De mens is zijn mens een sardine (vrij naar ‘homo homini lupus,’ (de mens is zijn mens een wolf) dat vooral bekend is van de Engelse filosoof Thomas Hobbes)

Advertisements

Kampen in Dalfsen

Wat is belangrijker: ongestoord van de rust genieten in je Overijsselse hotel of je laten gaan bij je eerste lip dub performance, zonder je beoordeeld te voelen door chagrijnige buitenstaanders? Whose side are you on?

Op de een na laatste mooie zaterdag van dit jaar zat ik met collega’s op het volgens sommigen mooiste terras van Nederland bij Mooirivier in Dalfsen. Vraag me niet waarom, maar we waren met een stuk of 25 man bezig een lip dub op te nemen. Voor wie het geluk heeft niet belast te zijn met de kennis van wat dat is: een lip dub is playbacken op video. Heel erg ‘nu’. Vraag me ook niet waarom we dat deden op Umbrella in de versie van de vermaarde Duitse band The Baseballs. Dat was gewoon zo.

Hoe dan ook, in de herfstzon, verspreid over dit uitgestrekte terras van twee verdiepingen aan de Overijsselse Vecht, was iedereen in groepjes van vier of vijf zijn deel van het beeld- en geluidspektakel aan het oefenen. Lipdubben gaat immers niet alleen om playbacken, je moet er ook vooral ludiek bij dóen. Het idee was dat de video aan het ene eind van het terras begon om, alle playbackende en dansende groepjes langsgaand, te eindigen in de foyer van het hotel. De schrijver, regisseur en cameraman van het geheel liep de groepjes langs om aanwijzingen te geven en de muziek te laten horen middels zijn boom box. En dat is waardoor het euvel begon.

Wij waren namelijk niet de enigen op het terras. Het was zaterdagmiddag en, zoals gezegd, een van de laatste mooie zaterdagen van het jaar. De meeste mensen bekeken ons lachend – in alle varianten, van laatdunkend tot meegenietend. Een ouder koppel kon echter niet lachen. Op een zeker moment hoorde ik de vrouwelijke helft ervan zeggen: ‘Ik kom hier voor m’n rúst!,’ terwijl het paar voor de derde keer een plekje zocht op het terras.

De eerste keer had de mannelijke helft mij gevraagd of ze konden gaan zitten aan een tafeltje naast mij. Ik vermoed dat ze daar naar vroegen, omdat het deel van het terras waar ik zat wat rommelig was. Mijn collega’s en ik hadden er truien, half lege glazen en papieren achter gelaten toen ieder op zijn plek ging oefenen. Omdat er verder niet zo veel mensen zaten in dat deel, leek het alsof het was gereserveerd voor ons. Ik zei dat ze er zeker konden gaan zitten. Het kon later wel wat rumoerig worden, voegde ik er aan toe. De vrouw had mij niet aangekeken (misschien omdat ik een enorme oranje zonnebril en een gouden glitterhoedje op had, die hoorde bij mijn lip dub outfit) en was al mompelend door gelopen naar een tafeltje het verst in de hoek van het terras. De man liep er wat afwezig achter aan.

Even later, toen het stel had ontdekt dat ze op een deel van het terras terecht waren gekomen waar ze geïsoleerd zaten van de “normale mensen”, vertrokken ze naar plek nummer twee, op het lager gelegen deel van het terras. Blijkbaar waren ze ook daar verstoord, want ze kwamen even later de trap weer op lopen. Dat was het moment dat ik de vrouw hoorde zeggen dat ze voor haar rust was gekomen. Ze voegde er vervolgens iets aan toe dat klonk als: ‘Ze lopen hier met muzíek rond!’ Haar man liep weer wat dromerig achter haar aan. Het leek erop dat hij zich niet zozeer ergerde aan ons, maar vooral verlegen was met de situatie.

Op plek nummer drie aangekomen, keek de vrouw bijna onafgebroken stuurs naar onze groepjes oefenende lipdubbers. Toen een kelner hun bestelling kwam opnemen, bleek uit de paar woorden die ik opving en vooral haar gezichtsuitdrukking, houding en gebaren dat ze haar beklag deed. De ober glimlachte vriendelijk, keek wat verontschuldigend naar ons en liep naar binnen.

Aan “onze kant” was de klagende dame niet onopgemerkt gebleven. Verschillende collega’s maakten onder elkaar snerende opmerkingen: ‘O nee, we maken geluid!,’ en: ‘Verschrikkelijk! Er hebben mensen plezier op het terras!’ Ik geef toe dat mijn eerste (en tweede) reactie ook was om de vrouw een zeurpiet te vinden en me te ergeren aan haar negatieve uitdrukking. Een van mijn collega’s gaf toe dat hij waarschijnlijk net als de vrouw zou hebben gereageerd als hij in haar positie zou zijn geweest. Je wilt toch geen drukke groep als je van de zon en de lunch wilt genieten?

Later, toen ik er over na lag te denken in de zon op datzelfde terras, bleef ik de vrouw een negatief mens vinden. Helaas veranderde dát niet. Wat wel veranderde was mijn idee over wat ik had kúnnen doen: ik had op de vrouw af kunnen stappen. Niet om verhaal te halen of het mijne te doen, maar gewoon, om met haar te praten. Kennis te maken. En dan kijken wat er gebeurt.

Door haar (en ons) gedrag werden we twee kampen. En, zo gauw mensen in twee kampen zitten, vinden ze het andere kamp stom. Helemaal als beide kampen zich totaal anders gedragen en er zeer verschillend uitzien. Door letterlijk nader tot elkaar te komen, worden twee kampen minder twee kampen. Ik zeg niet dat het altijd één kamp wordt. Dat hoeft ook niet per se. Als mensen maar iets meer van hun identiteit laten zien, simpel door met elkaar te praten als mensen, worden grenzen tussen kampen vanzelf vager.

De reden dat ik niet met the happy couple ben gaan praten? Ik was te brak. De avond ervoor had íets te veel gedronken en te weinig geslapen. Maar anders…

Negeer de gevallen zak

Gisteren pakte ik een pak rigatoni uit het schap bij de Albert Heijn. Terwijl ik het pakte, duwde ik een ander pak uit zijn blijkbaar precaire balans, want het viel uit het schap. Met een vrij harde klap kwam het op de grond neer. Een meter naast me stond een meisje van eind twintig met haar hoofd naar beneden, te zoeken in een van de laagste schappen. Ondanks de harde klap van de zak pasta naast haar hoofd, keek ze niet op of om. Ze vertrok geen spier. Pas toen ik het gevallen pak met een hoorbare verontschuldigende lach oppakte, keek ze half op en glimlachte wazig.

Vreemd. Vreemd hoe normaal deze situatie eigenlijk is. Het is namelijk helemaal niet normaal. Welk ander dier staat een meter naast een onbekende soortgenoot en doet alsof er niks aan de hand is als er onverwachts met een harde klap iets in zijn ooghoek tussen hem en de ander in valt? En wie kijkt er überhaupt niet op als er vlak naast zijn hoofd iets neerploft?

Eerder (ziehier) had ik het over het elevator effect, het gedrag dat mensen vertonen als ze in een volle lift met onbekenden staan: niet praten, niet bewegen, niemand aankijken. Gedragsbioloog Frans de Waal heeft dat beschreven bij chimpansees. Hoe meer apen in een ruimte, hoe minder opvallend ze doen. En, hoe meer stress ze hebben. In een kleine ruimte zonder gemakkelijke uitgang willen ze nu eenmaal geen bonje met de buren.

Is een grote winkel als mijn Appie op een maandagmiddag dan al te krap voor de mens? Zat het meisje naast me in een stresskramp te wachten tot die enge man naast haar weg ging met z’n zak pijpjespasta? Klinkt niet logisch. En toch is het eerder dat dan dat ze écht niet de neiging had om te kijken wat er met zo’n knal neerviel. Zo blasé zag ze er niet uit. Haar centraal zenuwstelsel of tenminste haar amygdala (haar angstencentrum) móet toch wel aanstalten hebben gemaakt om haar nek- en oogspieren in werking te zetten om zich te draaien naar de gevallen zak. Dus, haar cortex (waar zelfbeheersing zetelt) móet haar primitieve aansturing hebben tegengehouden. En dat wijst erop dat ze zich inhield. Ook het feit dat ze pas opkeek toen ik een verontschuldigend geluid maakte, is bewijs dat ze zich in eerste instantie moest beheersen om niet naar me te kijken. Pas toen ik onderdanig, kalmerend gedrag vertoonde – om het biologisch te duiden – durfde ze oogcontact te maken.

Blijkbaar is zij zo getraind in het negeren van onbekenden dat ze onbewust tegen haar primaire ingeving, om zich te richten naar de vermoede onraad, in kon gaan en strak naar haar schap kon blijven kijken. En ik denk dat het veilig is om te zeggen dat de meeste mensen zo getraind zijn. Ik vermoed dat de meesten van ons zo vaak teleurgesteld zijn door of zelfs gestraft zijn voor het contact maken met onbekenden die onverwachte geluiden maakten, dat zij zichzelf maar hebben aangeleerd dat het beter is om die mensen te negeren.

Doe alsof ze niet bestaan. Dat is gemakkelijker. Gemakkelijker, ja. Maar wel eenzaam voor al die jongens met een gevallen zak.