Mexican standoff in the meeting room

Een half uur voor het geplande einde van een vergadering met zes anderen, stak een mannenhoofd zich onzeker om de deur. Dat hij de ruimte had gereserveerd. Waarna hij stil bleef. Hij had zijn pleit bezorgd. De voorzitter van mijn vergadering keek hem even aan en reageerde toen door te zeggen dat wij de ruimte hadden gereserveerd en haalde quasi-meewarig haar schouders op. De binnendringer bleef een tel stil en onderstreepte vervolgens zijn zaak door te herhalen dat de ruimte door hem en zijn groepje was gereserveerd. Weer een stilte. Om zijn overtuiging te laten blijken, vervolgde hij dat hij wel even in het reserveringssysteem wilde kijken. Dan zouden we allemaal zien dat hij een reservering had. Mijn voorvrouw herhaalde dat wij toch echt een reservering hadden.

Ik keek van de een naar de ander en weer terug en zei toen: ‘Wij kunnen wel even in dat hok verderop gaan zitten.’ Onder nog wat gesputter van mijn voorzitter, stonden we gezevenen op om op die andere plek onze vergadering voort te zetten.

Komisch vind ik dit. Twee volwassen mensen die in een soort Mexican standoff elkaar krachteloze kreten en stiltes toewerpen, die enkel zeggen: ik heb gelijk. Who cares wie er in zo’n situatie gelijk heeft? Het is bovendien niet meer te bewijzen. Als een van de twee partijen eerlijk zou zijn, zou die zeggen dat ie verongelijkt is dat ie niet geloofd wordt en gewoon helemaal geen zin heeft om de ruimte op te geven aan de ander. Of, als een van de twee wat nederigheid zou oefenen, zou ie de ander de ruimte geven. Maar eerlijk zijn, zou te gênant zijn. En nederig zijn is de ander laten winnen. Maar vooral zou het zorgen voor toenadering. Da’s te eng.

Dan maar liever een situatie die maar een klein beetje gênant is en waar je uiteindelijk allebei het gevoel hebt dat je een beetje verliest.

Chinese man doet lelijk tegen z’n vrouw

Alweer twee maanden geleden liep ik tegen een nieuwsbericht aan dat me opviel, zonder dat ik precies wist wat er nou mis mee was. Het is zo’n bericht dat, als je het leest of hoort, doet uitroepen: ‘Ohoh! Dat kán toch niet!,’ zonder dat je precies kunt uitleggen wát er dan niet kan.

Het gaat om een Chinees, Jian Feng, die van zijn vrouw scheidde en haar aanklaagde omdat ze hem lelijke kinderen had gegeven. ‘Ik ben met mijn vrouw getrouwd uit liefde. Maar vrijwel direct nadat onze eerste dochter werd geboren, kregen we huwelijksproblemen,’ legde hij uit. ‘Onze dochter was ongelooflijk lelijk, ik gruwelde ervan.’ Zijn andere twee kinderen konden de schade niet beperken. Ze waren volgens hem zo mogelijk nog lelijker.

Eerst beschuldigde hij haar ervan dat ze vreemd was gegaan, want zulke lelijke kinderen kónden niet van hem zijn. Toen een DNA-test uitwees dat het toch echt zijn kinderen waren, bekende zijn vrouw dat ze voor honderdduizend dollar aan zichzelf had laten versleutelen. Verbolgen heeft Jian Feng vervolgens zijn vrouw aangeklaagd, omdat hij op valse voorwendselen door haar het huwelijk in gelokt was. Hij was dan wel uit liefde getrouwd, maar wel uit liefde voor een vrouw van wie hij dacht dat ze mooi was. De rechter kon natuurlijk niet anders dan Jian Feng in het gelijk stellen. De vrouw werd verplicht haar teleurgestelde ex-man honderdtwintigduizend dollar te betalen in smartegeld.

What is wrong with this picture? Een hoop, zul je waarschijnlijk denken. En terecht. Want, waar moet je beginnen?

Bij de vrouw die zichzelf voor een ton laat opleuken? Je zou denken dat dat haar goed recht is. Maar, waar ligt de grens? Botox? Borstvergroting? Neuscorrectie? Lipcorrectie? Oogcorrectie? De vrouw had volgens mij all of the above laten fiksen. Ze had van zichzelf een heel ander mens laten maken. Maar toch, ik vind haar in het ergste geval zielig. Ze is in ieder geval slachtoffer van de vader van haar kinderen en waarschijnlijk ook van een opvoeding waarin ze niet heeft geleerd genoeg te zijn zoals ze is (was).

Of moeten we bij de man beginnen, die van zijn vrouw scheidt en haar voor de rechter sleept, omdat zij hem lelijke kinderen heeft gegeven en heeft gelogen over haar genetisch bepaalde uiterlijk? Hoe waar is je liefde als dat de deur dicht doet? Ik snap dat je denkt: ‘Zo zijn we niet getrouwd!,’ maar je moet wel een heel platte definitie van liefde hebben als dat de grens tussen liefde en onverschilligheid bepaalt. En wat te denken over de (afwezigheid van) liefde voor zijn kinderen? Je zou z’n kind maar wezen! Wat vertelt dit hun over liefde? Als je lelijk bent, ben je het niet waard om van te houden. Zoiets.

Of is de rechter, die de man gelijk geeft, het eigenlijke probleem? Dat komt voor mij wel het meest in de richting. Want, niet de personen in dit verhaal zijn het grote kwaad, maar het systeem. Ik vermoed dat de man, de vrouw en hun drie kinderen uit hun opvoeding mee hebben gekregen dat je vooral mooi moet zijn als je wilt dat mensen van je houden. Dat is een probleem, maar wel een probleem dat beperkt blijft tot de familiaire sfeer. Het feit dat een rechter hier in meegaat, geeft het probleem een upgrade, van huiselijke kring naar publieke rechtspraak.

De uitspraak zal vooral gebaseerd zijn op de eigenlijke klacht van Jian Feng, dat z’n vrouw hem had misleid, en niet over de zaak liefde vs. lelijkheid. Maar dan nog. Als rechters het als bedrog gaan bestempelen dat iemand zich mooier voordoet dan ie is, dan zou iedereen voor de rest van z’n leven aan z’n partner schadevergoeding moeten betalen.

___________

Toevoeging van 30 april 2014: het waarheidsgehalte van het nieuwsbericht is blijkbaar twijfelachtig. Ziehier.

Loquor ergo sum*

Laatst had ik een afspraak met een man in het kader van mijn werk. Ik had de man vóór het gesprek niet eerder ontmoet. Dat gebeurt me vaker. Da’s het punt niet. En zelfs, wat het punt wel is, gebeurt me ook vaker. Alleen deze keer was ik me er extreem bewust van. En dat maakte het een vreemde gewaarwording.

Vanaf het moment dat we gingen zitten aan een tafel, stak hij van wal over zijn werk. Hij vertelde heel kort iets over zichzelf – en dan vooral over zijn professionele achtergrond – en ging vervolgens loos over de projecten die hij en zijn collega’s doen en liet me er allerlei PowerPoint-slides van zien. Terwijl hij dat deed, werd ik me opeens het feit gewaar dat deze man geen idee had wie ik was. Ja, hij wist voor welk bedrijf ik werk, hij wist met welk onderwerp ik me binnen zijn organisatie bezig houdt, maar hij wist helemaal niks van wie ik bén. Ik had amper drie woorden gesproken, laat staan over mezelf.

Door deze gewaarwording was het meer of ik naar hem keek, dan dat ik met hem in gesprek was. Hij was als het ware op tv en ik was de kijker. Pas toen hij na tien minuten klaar was met zijn “inleiding”, ik een aantal persoonlijke dingen over mezelf had verteld, en hij, daardoor ook verleid was tot wat persoonlijke uitspraken, was er voor mijn gevoel sprake van een dialoog, een tweegesprek.

Het is vreemd hoe dat werkt. Ik was deze keer gezegend met het feit dat ik me er extreem bewust van was, zoals ik zei. Maar op andere keren, als ik dat niet ben, gebeurt er volgens mij op subliminaal niveau ook van alles. Zonder dat ik me dat dan realiseer, praat ik helemaal niet met iemand, maar praat iemand tegen mij en praat ik tegen die iemand aan. Tot onze tijd om is. Gewoon, omdat we op persoonlijk vlak niks gedeeld hebben. En hoe vaak gebeurt dit niet per dag tussen alle andere mensen op de wereld die praten, zonder dat ze zich er van bewust zijn? Wat betekent dat voor de waarde van, wat we dan in de volksmond “gesprekken” noemen?

Nou, we blijven wie we zijn. Een snelle Wiki-search leert ons namelijk dit: ‘Volgens Montaigne […] worden we in het gesprek ons bewust van onze eindigheid en de beperktheid van de eigen levenservaring. Door het voeren van gesprekken kunnen we deze levenservaring verruimen en kennis opdoen op welke punten we nog tekortschieten wat betreft onze levenservaring. Daardoor zijn we na het gesprek niet langer dezelfde als voor het gesprek.’ En een gesprek ‘vereist volgens Gadamer goede wil en open staan voor de gesprekspartner en is niet, zoals Schleiermacher beweert, enkel objectieve reconstructie, maar een gedachtewisseling en -integratie (horizonversmelting). Een werkelijk gesprek verandert beide partners.’

Het lijkt er dus op dat we, ondanks de vele praatjes, die door moeten gaan voor gesprekken, altijd hetzelfde blijven, dat we ons niet bewust worden van onze eindigheid en dat onze horizonten niet versmelten. Jammer de bammer. Gelukkig is er nog altijd Gottfried Benn: ‘Kom laat ons praten, wie praat is niet dood.’ Dan is het feit dat we praten, ook al is het tegen en niet met elkaar, in ieder geval een teken dat we nog leven.

* Ik spreek, dus ik ben (vrij naar: cogito ergo sum (ik denk, dus ik ben), van Descartes)