NS-conducteurs in 0,002 procent van gevallen geconfronteerd met geweld

‘NS-conducteurs circa vier keer per jaar geconfronteerd met geweld.’ ‘Strijd tegen geweld in en rond treinen gaat moeizaam.’ ‘Hevige agressie in de treinen: geweld en spuug tegen treinpersoneel.’ Zomaar wat koppen van internet.

Als je de media mag geloven is het een groot strijdtoneel op en om het spoor.

Als je de media mag geloven is het een groot strijdtoneel op en om het spoor.

Sinds een paar weken ga ik weer regelmatig met de trein. Ik kijk mijn ogen uit door de dingen die je mag verwachten van een moderne treinreis: drommen mensen die zich, (bijna) allemaal even netjes verzorgd, in net-niet-te-krappe ruimtes proppen terwijl ze vrijwel continu in hun telefoon en/of laptop kijken.

Maar laatst viel me iets op wat eigenlijk erg voor de hand ligt maar helemaal niet zo normaal is: het gaat allemaal goed.

Ik heb er misschien nog geen twintig spitsritjes op zitten deze maand maar tijdens die reizen zijn er al wel duizenden mensen met mij mee gereisd. En níémand sloeg een ander op zijn bek of schold een ander zelfs maar uit.

Het belangrijkste negatieve wat er in sociale zin gebeurd is is dat ik en een jongen samen een snurkende man uitlachten. En dat was in sociale zin ook positief want het schiep meteen een bandje tussen die jongen en mij.

‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving.’

Sterker nog, ik heb juist best wat vriendelijke uitwisselingen gehoord en gezien tussen treinreizigers. Vanochtend nog maakten de jongen naast me en ik een grapje over plastic bladeren op de rails – niet echt een goeie grap, zelfs als je erbij was, maar wel vriendelijk bedoeld.

In 2017 reisden er ruim 470 miljoen mensen met de trein. Als je dat afzet tegen de vier keer per jaar dat een conducteur met geweld geconfronteerd wordt, komt dat neer op 0,002 procent van alle reizigers waar de 2.800 conducteurs van de NS mee in aanraking komen. Dat is nog altijd een factor duizend minder dan het percentage mensen dat in aanraking komt met huiselijk geweld.

Ooit kreeg ik van een bekende gedragsbioloog – wiens naam ik heb beloofd niet te noemen – te horen dat wij het zo slecht nog niet doen, omdat andere dieren het nóg veel slechter doen. Ik was bezig met onderzoek voor mijn eerste boek en had hem gevraagd waarom hij denkt dat mensen zo naar doen tegen elkaar.

Zijn letterlijke antwoord was: ‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving, zelfs al zijn we niet zo aardig als u graag zou zien. Er zijn namelijk talloze dieren die alleen maar vijandig tegen vreemden kunnen zijn. Dus mijn antwoord zou zijn te benadrukken hoe goed we het doen gezien de omstandigheden, in plaats van hoe slecht.’

In een beroep waarbij je gemiddeld een kleine 170 duizend mensen per jaar tegenkomt krijg je de mens in al zijn verschijningsvormen te zien.

Destijds was dit voor mij geen bevredigend antwoord. Wat hij me gaf was een beschrijving van ons gedrag ten opzichte van dat van andere dieren. Maar het was geen verklaring en dáár was ik toen naar op zoek.

Maar als je er goed over nadenkt, ís het enorm opmerkelijk. We zijn niet die ‘talloze dieren’ maar we zijn wel dieren. En in het dierenrijk is vijandig en ontwijkend gedrag tegen onbekenden normaal. Er is geen enkel ander dier dat elke dag weer vrijwillig onbekende soortgenoten opzoekt, zonder de bedoeling ze te bevechten – en in 99,998 procent van de gevallen ze ook daadwerkelijk niet bevecht.

Ik kijk daarom tegenwoordig met plezier naar voortbewegende mensenmassa’s in de stad, glimlachende ontmoetingen aan receptiebalies en vriendelijke uitwisselingen tussen toevallige passanten. Het is als een niet-geregisseerde en intuïtief en gracieus uitgevoerde dans.

Dat NS-conducteurs daar anders naar kijken, dat snap ik. Maar in een beroep waarbij je gemiddeld een kleine 170 duizend mensen per jaar tegenkomt gaan andere wetten spelen. Dan krijg je de mens in zijn talloze verschijningsvormen te zien. Ook mooi.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een dochter, een hond, een vriendin, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina.


 

Advertisements

Iedereen wil en iedereen heeft een identiteit – maar die zijn niet hetzelfde

Een hoofdje stak nog net boven het stuur uit van de Mercedes die, zo leek het, aan mijn bumper vast zat. Ik reed iets meer dan de maximumsnelheid op de linker baan van de A1 naar Amsterdam. Ik haalde een paar auto’s in.

Niet snel genoeg, denk ik, volgens het Mercedes-meneertje. Toen een verdrijvingsvlak aankondigde dat de snelweg er nog een baan bij kreeg, hield het mannetje het niet meer. Hij haalde me in met razende motor, over de schuine witte strepen.

Achter hem aan en net zo gejaagd kwamen een Golf en een busje. De bestuurder van de laatste toeterde, alsof-ie het punt van het Mercedes-mannetje wilde onderstrepen.

‘When we walk, we become a pack.’

Bumperklevers kennen we allemaal. En auto’s die in stoet-met-weinig-afstand achter elkaar aan over de snelweg sjezen ook. Maar ik had nog niet meegemaakt dat leden van zo’n stoet, met toch heel verschillende types, aan de auto’s te zien, zich als één druk maakten over mensen die hun in de weg zaten.

Vooral het toetertje van de chauffeur van het busje vond ik koddig. Als de dommige hulp van een gangster die, nadat zijn baas iemand heeft geïntimideerd, terwijl hij wegloopt nog even met zijn schouder opbotst tegen de schouder van het slachtoffer.

‘When we walk, we become a pack,’ zegt hondenfluisteraar Cesar Millan altijd. Samen dezelfde kant op bewegen, dat verbroedert. Voor elkaar onbekende honden voelen zich opeens als één als ze samen op pad gaan.

Dat wat voor honden geldt, geldt ook voor mensen. Als je maar hetzelfde doet, voel je je verbonden. Zeker als je omgeven bent door mensen die niet hetzelfde doen en helemaal als die in de weg zitten van wat jullie samen aan het doen zijn.

Dan maakt het niet uit hoe goed je elkaar kent of hoe zeer je verder op elkaar lijkt. Je hebt samen dat ene.

Als je iets doet waardoor je je identiteit deels of volledig verliest, ben je heel ontvankelijk voor dingen die je een identiteit geven.

Helemaal als je in een auto op de snelweg zit, waar je je met hoge snelheid voortbeweegt. Je voelt je anoniem en machtig, met dat stalen beest met vele paardenkrachten dat jij onder controle hebt. Je anonimiteit ontneemt je van alles wat jou normaal jou maakt. Het enige wat je op dat moment een identiteit geeft is je auto en dat wat je ermee doet.

Hard en gejaagd rijden vernauwt je bewustzijn tot een tunnel waarin alleen de mensen die ook hard en gejaagd rijden je vrienden zijn omdat alleen zij iets doen waar jij je mee identificeert. De rest is je vijand.

Stom, hè, die bumperklevers? Maar dit geldt voor alle roedels, niet alleen voor een roedel bumperklevers.

Als je iets doet waardoor je je identiteit deels of volledig verliest, ben je heel ontvankelijk voor dingen die je een identiteit geven.

Je kunt eensklaps een bondje hebben met iemand met wie je op een andere plek bonje zou krijgen over politieke voorkeuren.

Door een internetverbinding verlies je je identiteit. Een opmerking op een forum waar je het mee eens bent geeft je er een. Zo kun je je ineens verbonden voelen met iemand waar je op straat met een boog omheen zou lopen.

Als je bij een bushalte gaat staan, ben je vrij anoniem, gereduceerd tot je uiterlijk. Als je toevallig de enige van twee veertigers bent tussen allemaal tieners, is het niet gek dat je een blik van verstandhouding wisselt met die andere volwassene – wat een druktemakers, zeg je zwijgend tegen elkaar. Op die manier kun je eensklaps een bondje hebben met iemand met wie je op een andere plek bonje zou krijgen over politieke voorkeuren.

Een functietitel ontneemt je wat je verder ook nog bent in het leven – want wat heeft je persoonlijkheid te maken met je functiebeschrijving? En hij geeft je nieuwe vrienden in de mensen die ook die functie hebben. Daardoor sta je plots schouder aan schouder met mensen met wie je het geen minuut uit zou houden in de kroeg, en sta je vaak tegenover mensen, met andere functietitels, met wie je bij de buurtborrel de hele avond zou staan kletsen.

We bepalen vaak niet op basis van persoonlijkheid tegen wie we aardig doen en wie we uitfoeteren.

Wat ik wil zeggen: we bepalen vaak niet op basis van persoonlijkheid tegen wie we aardig doen en wie we uitfoeteren – of uittoeteren. We doen dat op basis van heel basale kenmerken, vooral in situaties waarin we gedeïndividueerd zijn, dus van onze individualiteit beroofd.

Dit gegeven kán positieve effecten hebben. Het kan mensen van heel verschillende pluimage bij elkaar brengen. Het kan dus verbroederen.

Als je wilt dat mensen stoppen met ruziën, kun je hun iets gezamenlijks te doen geven, liefst in een situatie waarin ze zich niet verbonden voelen met hun ‘verdere ik’. Gooi ze in een anonimiserende of onbekende situatie en laat ze samen iets doen.

Dat is waarom survivaltrips zo goed werken als teambuildingmiddel.

Liever een ondiep kopje heet water dat elk theezakje toelaat dan een eenzaam water met diepe gronden.

Het kan ook negatieve effecten hebben. Het zorgt immers voor oppervlakkige binding en actie die niet gebaseerd is op overtuiging maar op ‘dat wat de groep nou eenmaal doet’. Daarom zijn pubers bijvoorbeeld zo ontvankelijk voor groepsdruk: in een periode waarin ze geen idee hebben wie ze zijn, pakken ze alles aan om ergens bij te horen.

Maar ook volwassenen ontkomen hier niet aan. Ik noemde al de functietitels. Managers in een managementteam gedragen zich als managers, simpelweg omdat ze zo heten, net als die anderen in dat team. Dat ze een identiteit hebben die minder weg heeft van die van hun collega-managers en meer van die van hun medewerkers, dat maakt niet uit. ‘Je bent manager van deze tent! Gedraag je er dan ook naar!’

Zo hollen we onszelf en onze identiteit uit. En dat vinden we prima. Liever een ondiep kopje heet water dat elk theezakje toelaat dan een eenzaam water met diepe gronden. Want zo zijn we gemaakt: we willen ergens bij horen. Niet ergens bij horen is niet bestaan. Niet meedoen is niet bestaan.

Lekker dus, voor die mannen in de Mercedes, de Golf en het busje, dat ze het gevoel kregen dat ze bestonden. Gewoon, door hard achter elkaar aan te rijden en anderen van de linker baan te tuteren.

Dat ze op een andere plek elkaars bloed wel konden drinken, dat zagen ze dan wel weer.

Als jij wel echt iemands mening wilt horen, echt commitment wilt voor een idee of echte verbinding met iemand wilt, spreek hem of haar dan niet aan op z’n socialemediaprofiel, z’n uiterlijk of z’n functietitel, maar als persoon, met diepe gronden.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een bedrijf, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Snelwegaso’s hebben een kleine piemel

Zaterdag reed ik met het gezin terug van een heerlijke vakantie in Oostenrijk. We waren ergens op de A3 tussen Oberhausen en Arnhem. Ik reed op de linker baan. Net daarvoor had ik een auto ingehaald, een paar honderd meter voor mij reed een vrachtwagen en ik dacht dat er niemand achter me zat.

Voor mijn gevoel dook uit het niets opeens een VW Golf met Nederlands kenteken op in mijn buitenspiegel. (Door mijn binnenspiegel kon ik de weg achter me niet zien omdat de achterbak vol was gepropt met koffers en tassen.) De auto zat zowat op mijn bumper.

Snel ging ik naar rechts. Het duurde even voordat de wagen langszij kwam – het was een wat oudere Golf type 4 met erin vier mannen. Alle vier lieten ze me met nijdige kale koppen hun middelvinger zien.

Meteen daarna voelde ik een stoot adrenaline door mijn lijf gaan.

Ik zwaaide met een vrolijk gezicht terug en gaf ze een bemoedigende duim omhoog. ‘Goed bezig, jongens,’ zeiden mijn lippen geluidloos maar met uitvergrote bewegingen, zodat ook de mindere liplezers in de Golf het zouden kunnen snappen.

Meteen daarna voelde ik een stoot adrenaline door mijn lijf gaan. Ik maak er al een tijd een gewoonte van om met overdreven vrolijkheid en bemoediging naar asociale rijders te reageren. Maar erna voel ik altijd een flinke dosis irritatie en frustratie.

Ik kan er niet tegen als mensen wegkomen met asociaal gedrag. En niks is erger dan asociaal gedrag op de snelweg omdat er altijd blik en hoge snelheden tussen mij en die asociale rijders in zitten. Ik kan niet even verhaal gaan halen. Laat staan dat ik ervoor kan zorgen dat ‘dat soort mensen’ voor eens en voor altijd ophoudt met dat agressieve gedoe.

Dus ben ik het laatste stuk naar huis gaan nadenken over manieren om wel iets terug te kunnen doen.

Het eerste wat in me opkwam was een pistool trekken.

In ieder geval, bedacht ik, moest ik iets doen wat de aandacht trekt op een snelweg. Een goed gesprek met argumenten en nuance viel dus af.

Het eerste wat in me opkwam was een pistool trekken. Vanaf nu zou ik een niet-van-echt-te-onderscheiden nepgun in m’n handschoenenvakje hebben liggen. Het gaf me even een lekker gevoel. Go ahead, punk, make my day, dacht ik.

Maar al snel kreeg ik angstbeelden van rechtshandhavers die dit blog zouden lezen en me zouden aanklagen voor aanzetten tot geweld.

Bovendien moest ik wel iets doen waar ‘dat soort mensen’ ontzag voor heeft maar ik moest me niet verlagen. ‘When they go low, we go high,’ zei Michelle Obama al.

Ik was wanhopig. Ik wilde beleefd blijven. En ik wilde hun respect.

Wat me wel aanstond in het pistool is dat het iets is wat agressieve mensen respecteren. Want als je mensen wilt aanspreken, moet je contact met ze maken. Toen dacht ik, dankzij dat idee van contact maken én Michelle Obama, aan een mooie uitspraak: l’humour est la politesse du désespoir.

Humor is de beleefdheid van wanhoop. Ik was wanhopig. Ik wilde beleefd blijven. En ik wilde hun respect. Humor!

Daarom ga ik binnenkort borden laten maken met snedige replieken erop. Die leg ik dan in de auto, klaar voor de eerstvolgende snelwegaso.

De eerste ideeën: ‘Ik weet jouw huis te wonen,’ ‘Je hebt vast een heel kleine piemel,’ (oké, niet zo heel beleefd) en: ‘Voor elke middelvinger doneer ik 1.000 euro aan Natuurmonumenten.’

Ik hou me aanbevolen voor betere ideeën in de comments! Van de beste drie ga ik echt borden laten maken.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een bedrijf, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Nederlanders klagen bozig en lafhartig – en da’s oké, vinden Nederlanders

Dreetje Hazes schalde ‘wie kan mij vertellen wat ik gisteren heb gedaan’ door onze achtertuin. De stem van de jonge volkszanger kwam me tegemoet toen ik de tuin in liep om mijn vader te helpen de achtergevel van ons nieuwe huis in de grondverf te zetten.

‘Hallo! Kan die radio wat zachter?! Het is door het hele bos te horen!’

Het kwam van het silhouet van een man dat te zien was door de rieten schutting van onze achtertuin. ‘Natuurlijk!’ riep ik terug. ‘Sorry! Mijn vader is al wat ouder. Hij hoort niet meer zo goed,’ zei ik er nog snel met een lachje achteraan. Het silhouet verdween zonder verder iets te zeggen uit het zicht.

De radio hadden we tussen de huisraad van de vorige bewoners gevonden. Terwijl ik de ramen aan de zijkant aan het verven was had ik al gehoord dat mijn vader het oude Philips-ding, waar hij alleen 100% NL op had kunnen vinden, nogal hard had gezet.

Als je er wél over nadenkt is dit eigenlijk gewoon raar gedrag.

Het silhouet had gelijk, dus. Maar was het niet een beetje te kortaf geweest?

Als je er niet over nadenkt, is dit een gangbaar ritueel: radio staat hard, buurman is boos, buurman roept. Maar als je er wél over nadenkt is dit eigenlijk gewoon raar gedrag.

We wonen nog maar drie weken in dit huis. Met onze achterburen hadden we nog niet kennisgemaakt. Dit was dus onze eerste ontmoeting met een van hen.

Een bruusk ‘hallo!’ was het eerste woord dat hij koos om die ontmoeting in te luiden. Een kort retorisch verzoek was zijn tweede zin en een insinuerende overdrijving zijn derde. En als slot koos hij ervoor om zonder meer weg te lopen. Nogal onbeschoft.

Ik denk dat er meerdere dingen speelden die ervoor zorgden dat het silhouet zich zo gedroeg.

Dit is hoe we het doen. In onze cultuur praat je nou eenmaal kort en to-the-point met onbekenden.

Allereerst denk ik dat mijn achterbuurman zich al een tijdje op had zitten vreten. Hij moet hebben zitten luisteren en op een gegeven moment gedacht hebben: nu is het klaar, het is door het hele bos te horen! Dat dat fysiek onmogelijk was, maakte niet uit. In zijn hoofd was het inmiddels zo. Hierdoor had hij vol adrenaline gezeten toen hij bij de schutting aan was gekomen.

Daarnaast moet er angst in het spel zijn geweest. De man zal nooit toegeven dat hij bang was geweest en hij had vast niet staan trillen als een rietje. Maar íéts van angst speelde zeker een rol.

We hadden elkaar immers nog nooit ontmoet. De belangrijkste info die hij over ons had was dat we heel hard 100% NL luisteren. Wist hij veel wat voor toeren een paar onbekende oer-Hollandse herriemakers zouden uithalen als hij ze zou aanspreken?

En als je bang bent voor iemand, kun je maar beter niet te dichtbij komen.

Tot slot, en wat mij betreft het erg(erlijk)ste: dit is hoe we het doen. In onze cultuur praat je nou eenmaal kort en to-the-point met onbekenden.

Het is schijnbaar oké als je bozig en lafhartig je ongenoegen uit.

Of het nou de kijk-uit-je-doppen is naar de voetganger die het fietspad oversteekt, de ssssjt naar de pratende tieners in de stiltecoupé of de claxon naar iemand die in de weg staat met zijn auto: het gaat allemaal met zo min mogelijk woorden en contact.

Ook aan dit gebruik liggen de frustratie en angst ten grondslag die mijn silhouetbuurman moet hebben gevoeld. Het punt is, de uiting van die frustratie en angst is geaccepteerd. Het is schijnbaar oké als je bozig en lafhartig klaagt. Niemand zegt daar immers wat van. Dát maakt er iets aan doen zoveel moeilijker.

En daarom wil ik juist iedereen oproepen om iets te doen wat ingaat tegen deze gewoonte: als iemand iets doet wat je niet zint, maak er een ontmoeting van.

Bel aan bij die nieuwe buurman met die schallende radio en stel je voor en maak een praatje. Stop voor die voetganger, kijk hem aan en zeg met een glimlach: ‘Ga je gang! En de volgende keer oppassen, hè?’ Loop naar die herriemakers in de stiltecoupé toe, en gebruik woorden met klinkers erin. Stap uit je auto en vraag of je kan helpen met het uitladen van de auto die midden op de weg staat.

En als iemand bozig en lafhartig zijn ongenoegen uit, maak dan ook daar een ontmoeting van.

Ik bel in ieder geval vanavond aan bij de onbekende silhouetbuurman. Dan stel ik me voor en maak ik een praatje. Dat begint met: ‘We hebben elkaar zaterdag al ontmoet, toen u vroeg of de radio zachter kon…’


Olav de Maat is schrijver, sociaalgedragscoach en organisatieadviseur (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Erken je vijanden. Dat zal ze leren!

Mensen hebben snel allerlei oordelen over onbekenden. Zeker als die anderen hen in de weg zitten, zijn die oordelen niet mals. Dat leidt tot allerlei onnodige vijandigheden. Maar je kunt daar iets aan doen. Als je mensen van wie je een negatief oordeel verwacht simpelweg laat zien dat je ze ziet staan, verdwijnt vijandigheid als sneeuw voor de zon.

‘Hallo!’ zei ik met het vriendelijkste gezicht dat ik tijdens het hardlopen kon trekken. De jongen en het meisje van het stel dat me tegemoet fietste hielden hun gezicht in de plooi. Geen boe of bah, laat staan hallo. Wel gingen ze nét ver genoeg aan de kant zodat we elkaar konden passeren op het smalle fietspad in het bos.

Zoiets was me een paar dagen eerder ook al overkomen. Een man had zijn auto met aanhanger half op de stoep gezet om een lading daklood in te kunnen laden die in een voortuin lag. Omdat er hierdoor nog maar een kleine doorgang was tussen de aanhangwagen en het tuinhek konden mijn dochter Loulou en ik niet over de stoep met de buggy. We gingen over de straat eromheen.

Toen we aan de andere kant weer de stoep op reden, vroeg Loulou: ‘Waarom doet die meneer dat?’ ‘Omdat hij anders zo ver moet lopen met die zware spullen,’ zei ik. De man had net weer een armvol lood in zijn wagen gegooid en had blijkbaar gehoord dat wij het over hem hadden gehad, want hij vroeg: ‘Wat zeg je?’ Terwijl hij dit zei liep hij op ons af op een manier die zei dat hij uit was op een confrontatie. Hij leek eigenlijk te zeggen: ‘Had je wat te zeiken?!’

‘Hij leek eigenlijk te zeggen: “Had je wat te zeiken?!”

Met een glimlach zei ik: ‘M’n dochter wilde weten waarom u uw auto op de stoep had gezet en ik legde uit dat u anders zo ver moet lopen met dat zware spul.’ ‘O…’ zei hij, ‘ja, dat is verdomd zwaar, dat lood…’ Hij scheen te ontspannen, in eerste instantie tegen zijn zin, alsof hij teleurgesteld was dat ik níét iets over hem te zeiken had. Daarna begon hij een enthousiast verhaal over daklood. Uiteindelijk moest ik ons verontschuldigen met het feit dat Loulou toe was aan haar avondeten. Anders hadden we er een halfuur gestaan.

Wat is de overeenkomst tussen deze twee voorvallen, vraag je je af? Nou, in beide gevallen leken vreemden geen zin te hebben in een vriendelijke ontmoeting. In het eerste geval konden de fietsers er nog onderuit, gewoon door door te fietsen. Maar in het tweede geval moest de man wel toegeven dat hij geen reden had gehad om vijandig te zijn. Ik had hem immers gelijk gegeven, al voordat hij mij vroeg wat ik tegen mijn dochter zei.

We doen vaak aannames over de mensen die we tegenkomen in het openbare leven en vaak zijn die negatief. Welke hufter heeft zijn auto zo asociaal geparkeerd? Waarom dringt die eikel voor? Waarom loopt die sukkel mij in de weg? Maar wat nou als we het mis hebben? Wat nou als de meeste mensen de meeste dingen doen met de beste intenties?

‘We praten ons eigen handelen recht door te wijzen op onze intenties en veroordelen een ander op basis van zijn handelen.

Uit allerlei onderzoek blijkt dat we last hebben van actor-observer asymmetry. Die houdt in dat degene die iets doet een heel andere lezing heeft van dat wat hij doet dan degene die hem observeert. Een vorm daarvan is dat we ons eigen handelen recht praten door te wijzen op onze intenties (‘Maar ik bedoelde het toch goed!?’) en een ander veroordelen op basis van zijn handelen (‘Als je zoiets doet, dan móét je wel een hufter zijn!’). De oordelen die we over anderen hebben zijn bovendien ook nog eens vaak minder mooi dan die over onszelf.

De fietsers en de oudijzerboer hadden vast ook last van deze actor-observatorasymmetrie. Zij zagen iemand iets doen wat in hun ogen irritant en misschien zelfs tégen hen gericht was. Vervelend om dan te merken dat die ander geen kwaad in de zin had. Dat betekent immers dat ze ongelijk hadden gehad in hun inschatting van de ander. En daar houden mensen niet van. Want achter die asymmetrie zit een diepgewortelde neiging om het eigen zelfbeeld zo positief mogelijk te houden. Ongelijk hebben is een irritante verstoring daarvan.

Plus, over onbekenden die ons links laten liggen is het gemakkelijk oordelen. Maar als zo iemand ons erkent, ontstaat er kortsluiting in ons hoofd. Iemand die ons ziet staan móét wel oog hebben voor kwaliteit, denken we. Dan móét ons eerste negatieve oordeel wel onjuist zijn. Maar hoe kan dat? Wij zitten er toch nooit naast met onze mensenkennis? Bovendien gaan we voor we het weten in op die ander. En, tja, als wij iemand erkennen, dan móét die persoon ook wel oké zijn.

‘Dring je niet-bedreigend aan vijandige mensen op.

Ik mag hier graag mee spelen. Zo geef ik in workshops graag vriendelijk doch expliciet de aandacht aan iemand die iets mompelt wat niet constructief lijkt; zeker als ik geen bekende ben voor de aanwezigen. Het helpt dan extra als ik de naam van de mompelaar er duidelijk bij zeg.

‘Wat zeg je, Gerard?’ Glimlach. ‘Sorry, ik kon niet goed verstaan wat je zei,’ waarop Gerard opeens geconfronteerd is met iemand die aandacht vraagt voor datgene waarvan hij dacht dat niemand het wilde horen op een manier die niet afkoerst op de botsing die hij verwachtte, waarop hij misschien stiekem hoopte. En hij is mij blijkbaar opgevallen, want ik hoorde hem én ik heb onthouden hou hij heet. En dat is voor mensen met een oordeel over een onbekende rete-irritant.

Zoek dus actief, expliciet en vriendelijk de mensen op van wie je een negatief oordeel verwacht. Dring je niet-bedreigend aan ze op. Maak een praatje. Zeg hun naam. Zeg hallo. Dan moeten ze wel toegeven dat je oké bent, ook al zullen ze dat nooit toegeven.


Wil je meer tips over hoe je medemens werkt? Lees Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.

 

Aardige NS-conducteurs zijn niet per se attent

Opeens bedacht ik me in de trein op station Amsterdam-Zuid dat ik niet ingecheckt was op Schiphol. Ik liep naar de conducteurs die buiten stonden te praten met een toerist en biechtte mijn stommiteit op. Ik vroeg of ik mijn koffer even bij hen kon laten staan zodat ik harder kon rennen naar de incheckpaal. Ik had namelijk nog minder dan een minuut vóór de trein weer zou vertrekken.

Een van de twee, de oudste, met een snor, zei op vriendelijke vaderlijke toon: ‘Waar moet je heen?’ ‘Baarn,’ zei ik. ‘Laat je koffer maar staan hier. Dan loop ik even met je mee,’ was zijn reactie. Verbaasd en dankbaar door zo veel service van de NS liet ik me meevoeren de roltrap af.

De conducteur was een paar denkstappen verder geweest dan ik. Dit station heeft alleen afgesloten poortjes. Zonder ingecheckt te zijn had ik hier ook niet uit gekund om in te checken. Hij gebruikte zijn conducteurschipkaart om ons beiden door de poortjes te laten. Ik checkte aan de andere kant in en liep op eigen titel weer door de doorgang.

‘Verbaasd en dankbaar door zo veel service van de NS liet ik me meevoeren de roltrap af.

Samen liepen we weer naar boven. Ik bedankte hem hartelijk en ging de trein in. Even later blies zijn jongere collega op het fluitje. Ik kon mijn reis naar huis legaal voortzetten.

Twintig minuten later kwamen we aan op station Weesp, het eindpunt van deze trein. Als dank knikte ik naar de besnorde conducteur door het glas van de eerste klas waar hij een vaste plek had ingenomen en stapte uit om over te stappen op de trein naar Amersfoort. Mijn eerste gedachte was dat die van het tegenover liggende spoor zou vertrekken. Daar stond echter geen trein noch was er een melding die iets in die richting deed vermoeden op de borden te zien.

Ik draaide me weer om en zag dat de bestemming op de trein was veranderd van Weesp naar Amersfoort. Op het bord boven het perron werd dit inmiddels bevestigd: mijn oude trein was mijn nieuwe geworden.

‘Twee mensen deden iets aardigs voor me maar dat leek geen indruk te hebben gemaakt.

Vreemd, dacht ik, dat had die vriendelijke snorremans toch kunnen vertellen? Hij wist dat ik naar Baarn moest. Ik bedacht me ook ineens dat zijn collega twee keer mijn kaartje had gecontroleerd. Schijnbaar was ook die, tot twee keer toe, vergeten dat hij mijn koffer in de gaten had gehouden toen ik met zijn maat mezelf was gaan inchecken.

Twee mensen deden iets aardigs voor me maar dat leek geen indruk op hen te hebben gemaakt. Of, beter gezegd, ík leek geen indruk op hen te hebben gemaakt. Voor hen was ik schijnbaar gewoon één van de vele reizigers die ze op een dag zien. Zelfs als die reiziger iemand is voor wie ze iets doen wat ze voor niemand of dan tenminste bijna niemand anders eerder hebben gedaan. (Wie wel eens mee heeft gemaakt dat een NS-conducteur op zijn of haar koffer heeft gepast terwijl zijn collega met hem of haar meeliep om later in te checken dan officieel toegestaan mag dat nu via de commentaarbox van deze blogpost laten weten.)

Dat die ene collega me bij een routineuze handeling als kaartjes controleren over het hoofd ziet, vind ik vanuit menselijk oogpunt al best stuitend, maar alla. Ik blijf graag naïef maar ik weet ook wel dat ik niet veel hoef te verwachten op dit vlak. Maar dat die ander me niet even wees op een stukje info waarvan hij kon weten dat ik me er gezeul met een koffer mee kon besparen, dat begrijp ik minder goed. Dat hij moeite wilde doen voor reizigers, had hij al bewezen. Dus aan zijn inborst kan het niet hebben gelegen. Of toch wel?

‘Misschien deed-ie het wel om aan zijn jongere collega te laten zien hoe je met de klantjes omgaat. Beetje stoer doen.

Was hij het type man dat mooie sier wil maken met grote gebaren, maar dan alleen als hij er zelf zin in heeft? Iemand die, eenmaal in het pluche van de eerste klas, liever zijn junior lakei het loop- en praatwerk laat oplossen? Een soort van weldoenerige snob? En misschien deed-ie het wel niet voor mij maar om aan zijn jongere collega te laten zien hoe je met de klantjes omgaat. Beetje stoer doen.

Kan. Ik denk het alleen niet. Eerder denk ik dat het iets is wat mij ook wel vaker overkomt: ik zie iemand die overduidelijk hulp nodig heeft maar ik doe niks. Ik ben simpelweg te laat of ik bevries. Als ik mentaal afwezig ben, kan ik dwars door iemand heen kijken. Dan líjkt het alsof ik hem zie maar dan zie ik eigenlijk niks. Soms detecteert het primitieve deel van mijn hersenen allerlei gevaren die komen kijken bij het helpen van anderen. Geen reële gevaren maar dat maakt voor mijn primitieve hersenen niet uit. (Voor meer over mentale afwezigheid bij eerste hulp, ziehier. En over irreële angst bij eerste hulp staat hier meer.)

Stom. Ik was echt verongelijkt over het gebrek aan attentie van deze besnorde conducteur. Maar misschien was-ie er ook gewoon even met zijn gedachten niet bij. En sowieso: wie heeft wel eens meegemaakt dat een NS-conducteur op zijn of haar koffer heeft gepast terwijl zijn collega met hem of haar meeliep om later in te checken dan officieel toegestaan? Ik bedoel maar.

Een vooroordeel komt te paard en gaat te voet

Biologisch is het heel logisch om snel je oordeel over een ander klaar te hebben. Bovendien heeft het evolutionair nut om dat vooroordeel niet los te laten als blijkt dat we ongelijk hebben. Maar in hoeverre zijn biologie en evolutie nog van toepassing op een snelweg?

De A8 vlak voor de ring rond Amsterdam is over een paar kilometer vier banen breed. Twee daarvan zijn van de ‘originele A8’. De twee andere rijbanen zijn voor het verkeer dat van de A7 erbij komt.

Toen ik gisteren vanaf de A7 de A8 opreed op de linker van de twee rijbanen die vanaf de A7 komen, reed er een stukje voor mij op de rechterbaan van de twee originele A8-banen een auto. Anders gezegd, op de vier banen die de A8 daar inmiddels vormden reed de bestuurder op de tweede van links en ik op de tweede van rechts. De auto reed net iets langzamer dan ik, dus als de man niet naar rechts zou gaan of ik niet naar de meest linker baan, zou ik hem rechts inhalen.

‘Het zei hem blijkbaar niets, want hij bleef gewoon op de baan rijden waar hij voor het eerst mijn leven in was gekomen.’

Dat wilde ik voorkomen en de man bleef op de baan waar-ie was, dus ik ging snel naar de linker baan. En voelde een lichte irritatie opkomen. Waarom ging de man niet gewoon naar rechts, waar langzamer verkeer hoorde? dacht ik. Om te laten zien hoe het hoort, ging ik van de linker baan helemaal terug naar de rechter toen ik de linksrijder had ingehaald.

Het zei hem blijkbaar niets, want hij bleef gewoon op de baan rijden waar hij voor het eerst mijn leven in was gekomen.

Nu zei ik al dat de A8 maar slechts over een paar kilometer vier rijbanen telt. Al snel komt hij namelijk uit op de A10. De twee rechter banen gaan naar de west- en de twee linker banen naar de noordring. Hoe dichter we bij de splitsing kwamen, hoe duidelijker het werd dat de linksrijder naar Ring-Noord wilde. Dat wilde ik ook, overigens. Dus ik verplaatste m’n auto, na een halve kilometer op de meest rechtse rijbaan te hebben gereden, naar de baan waar de man al de hele tijd reed.

‘Ik moest bewust energie stoppen in accepteren dat deze man niet de irritante rij-in-de-weg was waarvoor ik hem had uitgemaakt.’

Ik besefte dat de man iets had gedaan wat ik zelf ook regelmatig doe: niet onnodig van baan wisselen als je weet dat de snelweg zich over niet al te lange tijd splitst. Dat is niet alleen minder gedoe voor jezelf, het geeft ook een veiliger verkeerssituatie. (Denk  bijvoorbeeld aan wat er nu gebeurt op het nieuwe knooppunt Muiderberg, waar de A6 van de A1 splitst. Daar gaan auto’s en vrachtwagens op het laatste moment nog even snel een paar banen naar links of rechts om niet de verkeerde snelweg op te rijden.) De man had dus iets gedaan waar ik eigenlijk wel achter kon staan.

En toch kostte het me moeite om de man van het ‘foute hokje’ naar het ‘goede hokje’ te verplaatsen. Ik moest bewust energie stoppen in accepteren dat deze man niet de irritante rij-in-de-weg was waarvoor ik hem mentaal had uitgemaakt. Een deel van mijn hersenen sputterde zelfs nog even tegen, merkte ik. Het was alsof het, in reactie op mijn mildere gedachten, zei: ‘Ja maar, hij had toch wel éven naar rechts gekund?!’ Een ander deel van mijn hersenen kalmeerde zijn tegensputterende collega en samen lieten ze zich naar de Ring-Noord rijden.

Zo gaat het vaak, volgens mij: op basis van een simpel voorval hebben we een oordeel over een ander en als blijkt dat dat oordeel onterecht was, kost het veel moeite om ervan af te stappen. Dat komt door twee dingen.

‘Ons theorie-instinct is z’n biologische doel ver voorbij geschoten.’

Ten eerste heeft het biologisch nut om snel je oordeel klaar te hebben. Als we te lang moesten onderzoeken en nadenken over wat dat ritselend geluid in de struikjes veroorzaakte, liepen we de kans opgegeten te worden door de tijger die in de bosjes liep. We hebben daarom een ‘theorie-instinct’ ontwikkeld, zoals de Amerikaanse journaliste Kathryn Schulz het noemt. Dat is alleen z’n biologische doel ver voorbij geschoten. Op basis van zelfs maar de kleinste feitjes ontwikkelen we hele theorieën over hoe iemand, iets of de wereld in elkaar zit.

Het tweede ding is dat we ons eigen oordeel overschatten omdat we onszelf overschatten. En dat is weer omdat onszelf geringschatten biologisch ook niet slim zou zijn. Als we namelijk continu aan onszelf twijfelen maakt dat ons minder aantrekkelijk, dus minder geschikt voor voortplanting – mensen vallen nou eenmaal niet snel op iemand die als een onzeker vogeltje door het leven gaat. En het maakt ons minder betrouwbaar, dus een slechtere kandidaat voor samenwerking, waardoor we minder kans hebben op veiligheid en voedsel – we vertrouwen iemand die zich de hele tijd ongemakkelijk achter z’n oren krabt immers niet zomaar. Het heeft zin om je eerste oordeel en jezelf heel serieus te nemen. Maar ook dat instinct is een vuistregel die in lang niet alle gevallen geldt.

Kortom, een belangrijk deel van mijn hersenen snapt niet dat ik geen oordeel moet hebben over een man die iets doet wat ik niet meteen begrijp en al helemaal niet dat het oordeel dat ik heb geveld onterecht zou kunnen zijn. We moeten het onszelf dus niet erg kwalijk nemen als we te snel oordelen en moeilijk afscheid kunnen nemen van onze eerste, onterechte indruk.

Maar we zouden er wel goed aan doen om, verrijkt met deze wetenschap, zonder morren ons foute vooroordeel in te slikken.


Wil je meer inzichten over de combi van onze biologie en onze moderne samenleving? Lees m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.