Erken je vijanden. Dat zal ze leren!

Mensen hebben snel allerlei oordelen over onbekenden. Zeker als die anderen hen in de weg zitten, zijn die oordelen niet mals. Dat leidt tot allerlei onnodige vijandigheden. Maar je kunt daar iets aan doen. Als je mensen van wie je een negatief oordeel verwacht simpelweg laat zien dat je ze ziet staan, verdwijnt vijandigheid als sneeuw voor de zon.

‘Hallo!’ zei ik met het vriendelijkste gezicht dat ik tijdens het hardlopen kon trekken. De jongen en het meisje van het stel dat me tegemoet fietste hielden hun gezicht in de plooi. Geen boe of bah, laat staan hallo. Wel gingen ze nét ver genoeg aan de kant zodat we elkaar konden passeren op het smalle fietspad in het bos.

Zoiets was me een paar dagen eerder ook al overkomen. Een man had zijn auto met aanhanger half op de stoep gezet om een lading daklood in te kunnen laden die in een voortuin lag. Omdat er hierdoor nog maar een kleine doorgang was tussen de aanhangwagen en het tuinhek konden mijn dochter Loulou en ik niet over de stoep met de buggy. We gingen over de straat eromheen.

Toen we aan de andere kant weer de stoep op reden, vroeg Loulou: ‘Waarom doet die meneer dat?’ ‘Omdat hij anders zo ver moet lopen met die zware spullen,’ zei ik. De man had net weer een armvol lood in zijn wagen gegooid en had blijkbaar gehoord dat wij het over hem hadden gehad, want hij vroeg: ‘Wat zeg je?’ Terwijl hij dit zei liep hij op ons af op een manier die zei dat hij uit was op een confrontatie. Hij leek eigenlijk te zeggen: ‘Had je wat te zeiken?!’

‘Hij leek eigenlijk te zeggen: “Had je wat te zeiken?!”

Met een glimlach zei ik: ‘M’n dochter wilde weten waarom u uw auto op de stoep had gezet en ik legde uit dat u anders zo ver moet lopen met dat zware spul.’ ‘O…’ zei hij, ‘ja, dat is verdomd zwaar, dat lood…’ Hij scheen te ontspannen, in eerste instantie tegen zijn zin, alsof hij teleurgesteld was dat ik níét iets over hem te zeiken had. Daarna begon hij een enthousiast verhaal over daklood. Uiteindelijk moest ik ons verontschuldigen met het feit dat Loulou toe was aan haar avondeten. Anders hadden we er een halfuur gestaan.

Wat is de overeenkomst tussen deze twee voorvallen, vraag je je af? Nou, in beide gevallen leken vreemden geen zin te hebben in een vriendelijke ontmoeting. In het eerste geval konden de fietsers er nog onderuit, gewoon door door te fietsen. Maar in het tweede geval moest de man wel toegeven dat hij geen reden had gehad om vijandig te zijn. Ik had hem immers gelijk gegeven, al voordat hij mij vroeg wat ik tegen mijn dochter zei.

We doen vaak aannames over de mensen die we tegenkomen in het openbare leven en vaak zijn die negatief. Welke hufter heeft zijn auto zo asociaal geparkeerd? Waarom dringt die eikel voor? Waarom loopt die sukkel mij in de weg? Maar wat nou als we het mis hebben? Wat nou als de meeste mensen de meeste dingen doen met de beste intenties?

‘We praten ons eigen handelen recht door te wijzen op onze intenties en veroordelen een ander op basis van zijn handelen.

Uit allerlei onderzoek blijkt dat we last hebben van actor-observer asymmetry. Die houdt in dat degene die iets doet een heel andere lezing heeft van dat wat hij doet dan degene die hem observeert. Een vorm daarvan is dat we ons eigen handelen recht praten door te wijzen op onze intenties (‘Maar ik bedoelde het toch goed!?’) en een ander veroordelen op basis van zijn handelen (‘Als je zoiets doet, dan móét je wel een hufter zijn!’). De oordelen die we over anderen hebben zijn bovendien ook nog eens vaak minder mooi dan die over onszelf.

De fietsers en de oudijzerboer hadden vast ook last van deze actor-observatorasymmetrie. Zij zagen iemand iets doen wat in hun ogen irritant en misschien zelfs tégen hen gericht was. Vervelend om dan te merken dat die ander geen kwaad in de zin had. Dat betekent immers dat ze ongelijk hadden gehad in hun inschatting van de ander. En daar houden mensen niet van. Want achter die asymmetrie zit een diepgewortelde neiging om het eigen zelfbeeld zo positief mogelijk te houden. Ongelijk hebben is een irritante verstoring daarvan.

Plus, over onbekenden die ons links laten liggen is het gemakkelijk oordelen. Maar als zo iemand ons erkent, ontstaat er kortsluiting in ons hoofd. Iemand die ons ziet staan móét wel oog hebben voor kwaliteit, denken we. Dan móét ons eerste negatieve oordeel wel onjuist zijn. Maar hoe kan dat? Wij zitten er toch nooit naast met onze mensenkennis? Bovendien gaan we voor we het weten in op die ander. En, tja, als wij iemand erkennen, dan móét die persoon ook wel oké zijn.

‘Dring je niet-bedreigend aan vijandige mensen op.

Ik mag hier graag mee spelen. Zo geef ik in workshops graag vriendelijk doch expliciet de aandacht aan iemand die iets mompelt wat niet constructief lijkt; zeker als ik geen bekende ben voor de aanwezigen. Het helpt dan extra als ik de naam van de mompelaar er duidelijk bij zeg.

‘Wat zeg je, Gerard?’ Glimlach. ‘Sorry, ik kon niet goed verstaan wat je zei,’ waarop Gerard opeens geconfronteerd is met iemand die aandacht vraagt voor datgene waarvan hij dacht dat niemand het wilde horen op een manier die niet afkoerst op de botsing die hij verwachtte, waarop hij misschien stiekem hoopte. En hij is mij blijkbaar opgevallen, want ik hoorde hem én ik heb onthouden hou hij heet. En dat is voor mensen met een oordeel over een onbekende rete-irritant.

Zoek dus actief, expliciet en vriendelijk de mensen op van wie je een negatief oordeel verwacht. Dring je niet-bedreigend aan ze op. Maak een praatje. Zeg hun naam. Zeg hallo. Dan moeten ze wel toegeven dat je oké bent, ook al zullen ze dat nooit toegeven.


Wil je meer tips over hoe je medemens werkt? Lees Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.

 

Aardige NS-conducteurs zijn niet per se attent

Opeens bedacht ik me in de trein op station Amsterdam-Zuid dat ik niet ingecheckt was op Schiphol. Ik liep naar de conducteurs die buiten stonden te praten met een toerist en biechtte mijn stommiteit op. Ik vroeg of ik mijn koffer even bij hen kon laten staan zodat ik harder kon rennen naar de incheckpaal. Ik had namelijk nog minder dan een minuut vóór de trein weer zou vertrekken.

Een van de twee, de oudste, met een snor, zei op vriendelijke vaderlijke toon: ‘Waar moet je heen?’ ‘Baarn,’ zei ik. ‘Laat je koffer maar staan hier. Dan loop ik even met je mee,’ was zijn reactie. Verbaasd en dankbaar door zo veel service van de NS liet ik me meevoeren de roltrap af.

De conducteur was een paar denkstappen verder geweest dan ik. Dit station heeft alleen afgesloten poortjes. Zonder ingecheckt te zijn had ik hier ook niet uit gekund om in te checken. Hij gebruikte zijn conducteurschipkaart om ons beiden door de poortjes te laten. Ik checkte aan de andere kant in en liep op eigen titel weer door de doorgang.

‘Verbaasd en dankbaar door zo veel service van de NS liet ik me meevoeren de roltrap af.

Samen liepen we weer naar boven. Ik bedankte hem hartelijk en ging de trein in. Even later blies zijn jongere collega op het fluitje. Ik kon mijn reis naar huis legaal voortzetten.

Twintig minuten later kwamen we aan op station Weesp, het eindpunt van deze trein. Als dank knikte ik naar de besnorde conducteur door het glas van de eerste klas waar hij een vaste plek had ingenomen en stapte uit om over te stappen op de trein naar Amersfoort. Mijn eerste gedachte was dat die van het tegenover liggende spoor zou vertrekken. Daar stond echter geen trein noch was er een melding die iets in die richting deed vermoeden op de borden te zien.

Ik draaide me weer om en zag dat de bestemming op de trein was veranderd van Weesp naar Amersfoort. Op het bord boven het perron werd dit inmiddels bevestigd: mijn oude trein was mijn nieuwe geworden.

‘Twee mensen deden iets aardigs voor me maar dat leek geen indruk te hebben gemaakt.

Vreemd, dacht ik, dat had die vriendelijke snorremans toch kunnen vertellen? Hij wist dat ik naar Baarn moest. Ik bedacht me ook ineens dat zijn collega twee keer mijn kaartje had gecontroleerd. Schijnbaar was ook die, tot twee keer toe, vergeten dat hij mijn koffer in de gaten had gehouden toen ik met zijn maat mezelf was gaan inchecken.

Twee mensen deden iets aardigs voor me maar dat leek geen indruk op hen te hebben gemaakt. Of, beter gezegd, ík leek geen indruk op hen te hebben gemaakt. Voor hen was ik schijnbaar gewoon één van de vele reizigers die ze op een dag zien. Zelfs als die reiziger iemand is voor wie ze iets doen wat ze voor niemand of dan tenminste bijna niemand anders eerder hebben gedaan. (Wie wel eens mee heeft gemaakt dat een NS-conducteur op zijn of haar koffer heeft gepast terwijl zijn collega met hem of haar meeliep om later in te checken dan officieel toegestaan mag dat nu via de commentaarbox van deze blogpost laten weten.)

Dat die ene collega me bij een routineuze handeling als kaartjes controleren over het hoofd ziet, vind ik vanuit menselijk oogpunt al best stuitend, maar alla. Ik blijf graag naïef maar ik weet ook wel dat ik niet veel hoef te verwachten op dit vlak. Maar dat die ander me niet even wees op een stukje info waarvan hij kon weten dat ik me er gezeul met een koffer mee kon besparen, dat begrijp ik minder goed. Dat hij moeite wilde doen voor reizigers, had hij al bewezen. Dus aan zijn inborst kan het niet hebben gelegen. Of toch wel?

‘Misschien deed-ie het wel om aan zijn jongere collega te laten zien hoe je met de klantjes omgaat. Beetje stoer doen.

Was hij het type man dat mooie sier wil maken met grote gebaren, maar dan alleen als hij er zelf zin in heeft? Iemand die, eenmaal in het pluche van de eerste klas, liever zijn junior lakei het loop- en praatwerk laat oplossen? Een soort van weldoenerige snob? En misschien deed-ie het wel niet voor mij maar om aan zijn jongere collega te laten zien hoe je met de klantjes omgaat. Beetje stoer doen.

Kan. Ik denk het alleen niet. Eerder denk ik dat het iets is wat mij ook wel vaker overkomt: ik zie iemand die overduidelijk hulp nodig heeft maar ik doe niks. Ik ben simpelweg te laat of ik bevries. Als ik mentaal afwezig ben, kan ik dwars door iemand heen kijken. Dan líjkt het alsof ik hem zie maar dan zie ik eigenlijk niks. Soms detecteert het primitieve deel van mijn hersenen allerlei gevaren die komen kijken bij het helpen van anderen. Geen reële gevaren maar dat maakt voor mijn primitieve hersenen niet uit. (Voor meer over mentale afwezigheid bij eerste hulp, ziehier. En over irreële angst bij eerste hulp staat hier meer.)

Stom. Ik was echt verongelijkt over het gebrek aan attentie van deze besnorde conducteur. Maar misschien was-ie er ook gewoon even met zijn gedachten niet bij. En sowieso: wie heeft wel eens meegemaakt dat een NS-conducteur op zijn of haar koffer heeft gepast terwijl zijn collega met hem of haar meeliep om later in te checken dan officieel toegestaan? Ik bedoel maar.

Een vooroordeel komt te paard en gaat te voet

Biologisch is het heel logisch om snel je oordeel over een ander klaar te hebben. Bovendien heeft het evolutionair nut om dat vooroordeel niet los te laten als blijkt dat we ongelijk hebben. Maar in hoeverre zijn biologie en evolutie nog van toepassing op een snelweg?

De A8 vlak voor de ring rond Amsterdam is over een paar kilometer vier banen breed. Twee daarvan zijn van de ‘originele A8’. De twee andere rijbanen zijn voor het verkeer dat van de A7 erbij komt.

Toen ik gisteren vanaf de A7 de A8 opreed op de linker van de twee rijbanen die vanaf de A7 komen, reed er een stukje voor mij op de rechterbaan van de twee originele A8-banen een auto. Anders gezegd, op de vier banen die de A8 daar inmiddels vormden reed de bestuurder op de tweede van links en ik op de tweede van rechts. De auto reed net iets langzamer dan ik, dus als de man niet naar rechts zou gaan of ik niet naar de meest linker baan, zou ik hem rechts inhalen.

‘Het zei hem blijkbaar niets, want hij bleef gewoon op de baan rijden waar hij voor het eerst mijn leven in was gekomen.’

Dat wilde ik voorkomen en de man bleef op de baan waar-ie was, dus ik ging snel naar de linker baan. En voelde een lichte irritatie opkomen. Waarom ging de man niet gewoon naar rechts, waar langzamer verkeer hoorde? dacht ik. Om te laten zien hoe het hoort, ging ik van de linker baan helemaal terug naar de rechter toen ik de linksrijder had ingehaald.

Het zei hem blijkbaar niets, want hij bleef gewoon op de baan rijden waar hij voor het eerst mijn leven in was gekomen.

Nu zei ik al dat de A8 maar slechts over een paar kilometer vier rijbanen telt. Al snel komt hij namelijk uit op de A10. De twee rechter banen gaan naar de west- en de twee linker banen naar de noordring. Hoe dichter we bij de splitsing kwamen, hoe duidelijker het werd dat de linksrijder naar Ring-Noord wilde. Dat wilde ik ook, overigens. Dus ik verplaatste m’n auto, na een halve kilometer op de meest rechtse rijbaan te hebben gereden, naar de baan waar de man al de hele tijd reed.

‘Ik moest bewust energie stoppen in accepteren dat deze man niet de irritante rij-in-de-weg was waarvoor ik hem had uitgemaakt.’

Ik besefte dat de man iets had gedaan wat ik zelf ook regelmatig doe: niet onnodig van baan wisselen als je weet dat de snelweg zich over niet al te lange tijd splitst. Dat is niet alleen minder gedoe voor jezelf, het geeft ook een veiliger verkeerssituatie. (Denk  bijvoorbeeld aan wat er nu gebeurt op het nieuwe knooppunt Muiderberg, waar de A6 van de A1 splitst. Daar gaan auto’s en vrachtwagens op het laatste moment nog even snel een paar banen naar links of rechts om niet de verkeerde snelweg op te rijden.) De man had dus iets gedaan waar ik eigenlijk wel achter kon staan.

En toch kostte het me moeite om de man van het ‘foute hokje’ naar het ‘goede hokje’ te verplaatsen. Ik moest bewust energie stoppen in accepteren dat deze man niet de irritante rij-in-de-weg was waarvoor ik hem mentaal had uitgemaakt. Een deel van mijn hersenen sputterde zelfs nog even tegen, merkte ik. Het was alsof het, in reactie op mijn mildere gedachten, zei: ‘Ja maar, hij had toch wel éven naar rechts gekund?!’ Een ander deel van mijn hersenen kalmeerde zijn tegensputterende collega en samen lieten ze zich naar de Ring-Noord rijden.

Zo gaat het vaak, volgens mij: op basis van een simpel voorval hebben we een oordeel over een ander en als blijkt dat dat oordeel onterecht was, kost het veel moeite om ervan af te stappen. Dat komt door twee dingen.

‘Ons theorie-instinct is z’n biologische doel ver voorbij geschoten.’

Ten eerste heeft het biologisch nut om snel je oordeel klaar te hebben. Als we te lang moesten onderzoeken en nadenken over wat dat ritselend geluid in de struikjes veroorzaakte, liepen we de kans opgegeten te worden door de tijger die in de bosjes liep. We hebben daarom een ‘theorie-instinct’ ontwikkeld, zoals de Amerikaanse journaliste Kathryn Schulz het noemt. Dat is alleen z’n biologische doel ver voorbij geschoten. Op basis van zelfs maar de kleinste feitjes ontwikkelen we hele theorieën over hoe iemand, iets of de wereld in elkaar zit.

Het tweede ding is dat we ons eigen oordeel overschatten omdat we onszelf overschatten. En dat is weer omdat onszelf geringschatten biologisch ook niet slim zou zijn. Als we namelijk continu aan onszelf twijfelen maakt dat ons minder aantrekkelijk, dus minder geschikt voor voortplanting – mensen vallen nou eenmaal niet snel op iemand die als een onzeker vogeltje door het leven gaat. En het maakt ons minder betrouwbaar, dus een slechtere kandidaat voor samenwerking, waardoor we minder kans hebben op veiligheid en voedsel – we vertrouwen iemand die zich de hele tijd ongemakkelijk achter z’n oren krabt immers niet zomaar. Het heeft zin om je eerste oordeel en jezelf heel serieus te nemen. Maar ook dat instinct is een vuistregel die in lang niet alle gevallen geldt.

Kortom, een belangrijk deel van mijn hersenen snapt niet dat ik geen oordeel moet hebben over een man die iets doet wat ik niet meteen begrijp en al helemaal niet dat het oordeel dat ik heb geveld onterecht zou kunnen zijn. We moeten het onszelf dus niet erg kwalijk nemen als we te snel oordelen en moeilijk afscheid kunnen nemen van onze eerste, onterechte indruk.

Maar we zouden er wel goed aan doen om, verrijkt met deze wetenschap, zonder morren ons foute vooroordeel in te slikken.


Wil je meer inzichten over de combi van onze biologie en onze moderne samenleving? Lees m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.


Wees niet de úítzondering op de regel maar máák de regel

Als we ten prooi vallen aan mensen die ons als nummer zien, kunnen we daar iets aan doen. We kunnen hen van de automatische piloot halen of, nog beter, zorgen dat ze ons zien als het speciale geval dat we zijn.

Ik reed op de linkerbaan van de Houtribweg in de Flevopolder. Voor de mensen die de Houtribweg niet kennen, hij heeft twee banen in beide richtingen en tussen de twee rijrichtingen ligt een brede grasstrook. Verder is er niet iets te zien wat de speciale aandacht trekt: vlakke polderweiden, verdwaalde stilstaande treinen, nietsende bouwmachines en relatief nieuwe bomen die her en der op een kluitje staan.

Ik vroeg me net af: is dit nou een autoweg of niet? toen een man met een opvallend gele horizontale streep op zijn jas de weg opliep. Het duurde even, eigenlijk tot het moment dat hij naar mij wees, tot ik doorhad dat deze man een politieagent was.

De man wees naar rechts, naar een straat. Ik remde af, ging naar de rechterbaan en sloeg af. Niet veel verderop stonden twee auto’s waarvan de bestuurders duidelijk geverbaliseerd werden. Naast beide auto’s stond een agent licht voorovergebogen te praten door het bijrijdersraam.

‘Ik vroeg me net af: is dit nou een autoweg of niet? toen een man de weg opliep.’

Mijn voorgangers keerden om de Houtribweg weer op te draaien, waarna ik met een handgebaar gesommeerd werd naar voren te rijden. Ik deed mijn rechter voorraam open en een mannelijke agent begon, schouders en hoofd een beetje naar voren en beneden, digitaal bonnenboekje in de hand: ‘U bent zojuist staande gehouden omdat u een gemeten snelheid had van 102 kilometer per uur.’ Ik loog niet toen ik antwoordde met: ‘Ik vroeg me net af of dit nu een autoweg was.’ De beambte legde uit dat dat niet zo was. We raakten in een gesprekje over de kenmerken van een autoweg en het feit dat ik het nog netjes had gedaan omdat anderen hier met 140 langs raasden, terwijl hij wat administratiefs deed op z’n politiepalmtop.

‘Respect, trouwens, voor uw collega die de weg oploopt om ons aan te houden. Dat doet-ie ook niet zonder gevaar voor eigen leven,’ zei ik nadat het even stil was geweest tussen ons. ‘Ja, en dat is nu precies waar het fout gaat: wandelaars denken dat mensen hier 80 kilometer per uur rijden en schatten het verkeerd in. Met alle gevolgen van dien…’ reageerde de politieman onheilspellend.

Nog even vroeg ik wat de schade ging worden. De vriendelijke verkeersagent noemde het boetebedrag en zei, niet zonder medeleven in zijn stem: ‘Tja, dat is een dure les voor u.’ Vervolgens mocht ook ik gaan. Inmiddels waren er drie wachtenden achter me aangesloten.

‘Als mensen lopendebandwerk doen, gebeuren er twee dingen.’

Ik vond het een vriendelijke man, deze diender. En hij vond mij ook geen onprettige overtreder, denk ik. Dankzij het gekeuvel over en weer werd de sfeer bijna gemoedelijk. Inmiddels weet ik wel dat het geen zin heeft om in de weerstand te gaan. Het beste effect krijg je als je je fout meteen toegeeft of je tenminste van de domme houdt. Bovendien is het tegenwoordig voor mij een gewoonte om een praatje te maken met iedereen met wie ik noodgedwongen een paar minuten van mijn leven moet delen – een agent, een winkelbediende, iemand bij de koffieautomaat. Het maakt die paar minuten leuker én het zorgt ervoor dat mijn tijdelijke relatie beter wordt.

Ik dénk dus dat mijn relatie met deze agent beter werd door mijn opstelling. Het had alleen nul effect. Waarom? Ik was nummer zoveel in de rij. In vijf minuten had dit team gerechtsdienaren zes bestuurders aangehouden en beboet. In een uur zijn dat er zo’n zeventig. Dit was lopendebandwerk. En als mensen lopendebandwerk doen, gebeuren er twee dingen: (1) ze gaan op de automatische piloot en (2) ze dulden geen uitzonderingen.

Aan dat eerste heb ik iets kunnen doen, denk ik, door mijn gebabbel. De man leek oprecht in gesprek met mij. Dat tweede was echter de motherfucker. Was ik deze diender in z’n uppie tegengekomen tijdens een toevallige staandehouding, dan had hij me vrijwel zeker laten gaan met een waarschuwing – dat is me vaker wel dan niet gelukt. Maar nu ik de uitzondering zou worden op de regel die in real time werd bevestigd door alle auto’s vóór mij, draaide het rechtvaardigheidsgevoel van oom agent op volle toeren.

‘Zorg dat je ’s ochtends als eerste te hard rijdt, of anders vlak na de lunchpauze.’

Helaas. In dit geval was ik kansloos. En misschien wel terecht. Ik reed immers te hard. Ik had beter op moeten letten.

Besef dat je in veel gevallen, bijvoorbeeld voor ambtenaren achter loketjes, ook lopendebandwerk bent. Doorbreek dan in ieder geval hun automatische piloot als je gezien wilt worden voor wie je bent: een individueel geval. En probeer net iets alerter te zijn dan ik. Bedenk waarom je anders bent dan al die anderen en zorg dat je terecht als de uitzondering op de regel gezien wordt.

En als je geen goede reden kunt bedenken, zorg dan dat je ’s ochtends als eerste voor dat loket staat (of te hard rijdt), of anders vlak na de lunchpauze. Dan ben jij de eerste in de rij en dus degene die de toon zet en daarmee de regel máákt.


Wil je meer tips om meer contact te krijgen met ambtenaren en andere mensen? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn vertel ik je over nog meer van onze automatismen.


De gefileerde middelvinger

Tijd voor een klassieker: de middelvinger in het verkeer. En tijd om die eens te fileren, want gek genoeg is dat met dit cliché nog nooit gebeurd.

Niet zo lang geleden had ik er een te pakken. Op de snelweg. De reden voor de automobilist die ’m mij gaf: ik naderde hem wat dicht toen hij langzamer dan ik had verwacht van de meest linker baan naar rechts ging. Toen ik hem inhaalde, verscheen er een kaarsrechte middelvinger in de linker onderhoek van z’n zijraam en kreeg ik een strakke norse blik van de bestuurder die aan de vinger vast zat.

De reden dat ik te dicht achter de beste man reed was dat ik m’n cruisecontrol aan had gezet op het moment dat zijn licht naar rechts knipperde. Daardoor vermeerderde mijn auto snelheid. Maar dat ging te snel ten opzichte van zijn naar-rechts-gaan, waardoor ik even kort dicht achter hem reed. Mijn fout. Niet netjes gedaan.

Maar, de obvious vraag is natuurlijk waarom de man dát reden genoeg vond om een onbekende op een van de meest laatdunkende manieren non-verbaal te bejegenen.

Sowieso vind ik dat je een middelvinger alleen als grapje hoort te gebruiken en ook bij de grootste ruzies met bekenden blijft-ie ongepast, als je het mij vraagt. Bovendien vind ik onbekenden uitschelden niet kunnen. En zelfs iemand terechtwijzen die je niet kent is iets dat je met de grootste voorzichtigheid moet doen. Hoe dan ook, ik ben er niet van, middelvingers.

En zelfs als ik er wel van zou zijn, klopt het niet. Want waarom zou je een vreemde die iets doet dat je niet zint waarvan je de reden niet kent überhaupt een veroordelend gebaar toewerpen? Daar zitten, naast het veroordelende gebaar, dat ik zojuist al heb veroordeeld, twee dingen in die mijn veroordeling rechtvaardigen: (1) je kent de ander niet en (2) je weet niets van de ander.

Als je een ander kent, heb je een relatie met die persoon – en niet in de vorm van een romantische relatie, maar in de vorm van contact, interactie, elkaar (leren) kennen. Je hebt een geschiedenis samen. Je kunt een potje breken bij elkaar. Je weet hoe de ander tikt. Heb je die niet, dan weet je niet hoe de ander reageert op jouw gedrag. Dan weet je niet of je kunt doen wat je thuis ook doet. Het kan best dat die meneer in die auto zijn vrienden regelmatig zijn middelste vinger laat zien en dat het weinig om het lijf heeft voor hem, maar dat weet ik niet. Net zo goed als hij niet weet hoe ik denk over middelvingers.

Als je iets van een ander weet, dan ken je zijn historie. Dan weet je waarom-ie dingen doet. Dan ken je de voorgeschiedenis van zijn daden. Dan weet je bijvoorbeeld hoe hij kwam tot een te dichte nadering van jouw voertuig. Dan zeg je in zo’n geval (waarschijnlijk): ‘Kan gebeuren.’ En als je echt je punt wilt maken: ‘Let de volgende keer wel een beetje op, hè?’

Nu kan het zo zijn dat het heerschap dat mij vermanend de vinger gaf met zichzelf heeft afgesproken dat hij niemand – maar dan ook níémand – meer zou tolereren die hem op de snelweg dicht zou naderen. En misschien had hij er een heftige reden voor. Misschien is een vriend van hem wel verongelukt door bumperkleven en wil hij sinds dat moment iedereen (op zijn eigen manier) waarschuwen voor de gevaren ervan. Maar ook dan moet hij beseffen dat we elkaar niet kennen en niets van elkaar weten. Hij moet zich realiseren dat ik niet kan weten dat hij iemand is die zijn frustratie doorgaans uit door zijn middelvinger te laten zien en dat hij gefrustreerd is door mensen die elkaar te dicht naderen op de snelweg vanwege zijn vriend die verongelukt is.

Maar goed, dit is (wellicht) allemaal heel interessant, maar het zegt alleen maar hoe onterecht een middelvinger in het verkeer is (volgens mij). Het zegt nog niks over waarom deze beste man het desalniettemin deed.

Allereerst denk ik dat hij niet zo denkt als ik. Sterker, hij denkt  waarschijnlijk überhaupt niet na over dit soort interacties. Hij doet. Als zijn middelvinger iets aantoont is dat hij niet van gedachten maar van acties is. Anders had ik hem wel peinzend aan mijn rechterkant voorbij zien gaan, turend naar de horizon, toen ik hem inhaalde, in gedachten verzonken over de vraag waarom iemand hem zo dicht naderde.

Daarnaast denk ik dat hij, zij het onbewust, oprecht iets duidelijk wilde maken. Wat dat iets is, dat weet ik niet, omdat ik niets van hem weet. Ik kan alleen maar raden. Een paar gokken. Hij voelt zich king of the road en niemand – maar dan ook níémand – fuckt met hem. Hij heeft een hekel aan mensen zoals ik (blanke mannen met een baard en een zwarte Renault Mégane). Hij had een rotdag gehad en vervloekte iedereen die daar alleen nog maar een rottiger dag van maakte. Hij heeft echt slechte ervaringen met bumperklevende mensen. Hij had net een peperkoek op en was zijn vinger aan het aflikken.

Mijn hele punt is precies dat: ik kan blijven gokken tot ik een ons weeg. Want wat weten we nou van elkaar als we op de snelweg zitten? Net zoals ik vind dat hij niet het recht heeft om mij op wat voor manier dan ook te verwensen, vind ik ook dat ik niet het recht heb om hem op wat voor manier dan ook te veroordelen. Zelfs niet als hij mij bejegent op een manier die ik écht niet vind kunnen. Wat weet ik nou van hem?


Als je dit blog waardeert, laat dat dan zien: volg dit blog of like Fellow Man op Facebook. Dank je!

Concessies doen

Afgelopen vrijdag zorgde een ongeval op de Afsluitdijk voor problemen voor vakantiegangers. Aan het begin van de avond botsten twee auto’s op elkaar op de A7 richting Friesland. Het achteropkomende verkeer kwam vervolgens enkele uren muurvast te staan. Even voor half negen werd de weg weer vrijgegeven. Maar op dat moment was de laatste veerboot naar Terschelling al vertrokken. De pech voor de vakantiegangers was dubbel, want de hotels in Harlingen zaten allemaal vol.

Via Twitter vroegen sommige vakantiegangers Rederij Doeksen de afvaart van de laatste boot van 19:55 uur uit te stellen. (Saillant detail: op nos.nl staat een gesprek via Twitter van 10 juli tussen de rederij en een van de ongelukkige filerijders, maar nu, een paar dagen later, is er geen enkel bericht van afgelopen vrijdag te zien op de Twitter-pagina van Doeksen.) Maar dat gebeurde niet. ‘Ik weet niet hoe veel mensen vanavond de boot hebben gemist,’ zei directeur Paul Melles van Rederij Doeksen, ‘maar wij moeten nu eenmaal onze concessieverplichting nakomen: de mensen die wel aan boord zijn moeten op een bepaalde tijd aankomen. Daarom moeten onze boten op tijd vertrekken. Onze kapiteins weten dat en handelen daar ook naar.’

PR-technish en menselijk maakt meneer Melles een paar foutjes. Natuurlijk is fout nummer 1 dat ie niets uit dat op verontschuldigingen of medelijden lijkt. Medeleven tonen is gratis. Je kunt meeleven zonder iets te doen aan je gekozen oplossing. Bovendien houden mensen van openbare spijtbetuigingen. Dat vinden ze vaak zelfs chique. Fout 2 is niet-logisch redeneren. Ik weet ook niet hoe veel mensen die avond de boot hebben gemist. Hadden Paul en ik het wel geweten, dan hadden we misschien een afweging kunnen maken: zo veel mensen die in de file staan en met de boot mee willen vs. zo veel mensen die al op de boot zitten en later aankomen als ze moeten wachten op de filerijders.* Zeggen dat je niet weet hoe veel mensen de boot hebben gemist en verder niks, is impliceren dat je je niet interesseert voor het welzijn van je klanten, of ze nou aan of van boord zijn. Ik ben geen utilitarist (iemand die de kwaliteit van leven in een maatschappij afmeet door de hoeveelheid pijn van de hoeveelheid plezier af te trekken), maar rekening houden met hoe veel mensen je een plezier doet en hoe veel je er verdrietig maakt, is toch het minste dat je kunt doen als dienstverlener bij het maken van lastige keuzes.

Fout 3 is wel de grootste – en bij dienstverleners in het algemeen de meest voorkomende, trouwens. Wat Paul Melles namelijk doet is voorbij gaan aan medeleven en logica en direct kiezen voor het bureaucratistische antwoord: ‘…wij moeten nu eenmaal onze concessieverplichting nakomen.’ Een concessieverplichting is iets tussen twee organisaties; business-to-business noemen ze dat ook wel. Daar hebben individuele klanten (a.k.a. mensen) geen boodschap aan. Als je dit human-to-human beschouwt, is het heel raar om te horen van iemand die mensen van de ene kaai naar de andere brengt. Net zo raar als dat Paul zei: ‘…de mensen die wel aan boord zijn moeten op een bepaalde tijd aankomen.’ Van wie? Die mensen zelf? Heeft iemand van Rederij Doeksen een enquête gehouden onder de mensen die wel aan boord waren met de vraag: ‘Klopt het dat u om ca. 21:55 aan móet komen op Terschelling?’** De kans is groot dat de meeste mensen dan hadden gezegd: ‘Moeten niet, maar het zou wel fijn zijn.’ Als in de enquête ook de vraag: ‘Vindt u het erg om anderhalf uur later te vertrekken, en dus om ca. 23:25 aan te komen, zodat een aantal andere mensen, die nu in de file staan, nog mee kan en niet in zijn auto hoeft te overnachten?’ zou worden gesteld, zou ik helemaal benieuwd zijn naar de antwoorden. En trouwens, moeten de mensen die niet aan boord zijn, maar dat wel hadden willen zijn, dan niet ook op een “bepaalde tijd” aankomen? Blijkbaar voelt meneer Melles zich enkel verantwoordelijk voor klanten die aan boord zijn.***

Nu kan ik nog een heel stuk schrijven over waar concessieverplichtingen eigenlijk voor zijn (om het niveau van dienstverlening op peil te houden), maar dan kom je in een oninteressante discussie over wat je dan moet verstaan onder “goede dienstverlening”. Bovendien, daar gaat het helemaal niet om. Waar het wel om gaat is dat een bedrijf dat bestaat om mensen van van A naar B te verplaatsen als reden geeft dat hij dat met sommigen niet kan doen, omdat hij een stuk papier heeft dat hem en zijn kapiteins dicteert dat de boot op een “bepaalde tijd” aan moet komen op Terschelling. Het stuk papier schakelt hun denken uit. En dat niet alleen, het geeft hun schijnbaar daar ook een alibi voor, dat je zonder schaamte in de nationale media kunt verkondigen.

En nogmaals, als meneer Melles of de dienstdoende kaptein wel had nagedacht, was hij misschien tot dezelfde conclusie gekomen en waren er nog steeds een paar vakantiegangers gestrand op het vasteland. Maar, hij had zich dan tenminste een weldenkend mens getoond, dat handelt naar de situatie en niet naar de letter.


Als je mijn blog waardeert, laat dat dan zien: meld je aan als e-mail-volger of like Fellow Man op Facebook. En/of koop m’n boek Ik vind u een eikel – waarom we supersociaal zijn op bol.comDank je! 


*   Waarom noemen we trouwens de mensen die in de file staan ‘filerijders’?
**  De laatste boot vertrok op vrijdag om 19:55 en Doeksen geeft aan dat de veerdienst er ca. twee uur over doet.
*** Bij Doeksen moet je doorgaans van tevoren boeken en betalen, omdat de boot vaak vol zit.

Tank you very much

Uitgepraat kan ik er niet over raken: anonimiteit, en vooral het effect van het wegvallen ervan. Daarom, om het af te leren, een anekdote over precies dat.

Ik moest tanken. Het was echt hoog tijd, dus toen ik bij een tankstation kwam, liet ik me niet afleiden door het feit dat ik aan de telefoon was. Ik reed mijn auto ter hoogte van de tankdop tot aan de pomp, doofde de motor, maar stapte nog niet uit. Ik wilde eerst mijn gesprek, dat het einde naderde, rustig afmaken. Er was nog één andere pomp vrij, dus ik had niet het idee dat ik anderen van het tanken afhield.

Vrij snel na mijn aankomst stopte een auto achter mij. Ik legde de persoon aan de andere kant van de lijn de situatie uit en stapte uit om de man te laten weten dat er nog een andere pomp vrij was. Voordat ik goed en wel mijn auto had verlaten, zag ik de man in de auto achter mij een wegwerpgebaar maken met zijn hand. Als wilde hij zeggen: ‘Wat maak je me nou?! Ik dacht dat je weg zou gaan!’ Ik zei tegen mijn belgenoot: ‘Wacht even. Ik moet geloof ik even wat goed maken. Ik bel je zo terug,’ en hing op.

Voordat ik verder ga, is het goed om te vertellen dat het tankstation drie doe-het-zelf-pompen heeft, waarvan er twee links en één rechts staan. Voor mensen als ik, wiens auto de tankdop aan de rechterkant heeft, is het handig om de rechter te nemen.

Ik stapte op de auto af en zei door het inmiddels geopende autoraam: ‘Voor dat busje is er nog een vrij,’ terwijl ik naar de voorste linker pomp wees. ‘Maar mijn tankdop zit rechts,’ reageerde de man. ‘Oké,’ zei ik, ‘dan neem ik die wel.’ Ik reed mijn auto naar linksvoor en vervolgens linksachter, deed wat je moet doen om een doe-het-zelf-pomp te activeren, trok de slang zo ver mogelijk uit en achter mijn auto langs, propte het tankpistool in de brandstoftank en tankte mijn auto vol.

Voordat ik klaar was, kwam de man met rechter-pomp-behoefte naar me toe. ‘Dank je wel. En sorry, hoor,’ zei hij, ‘ik wist niet dat de slang dat haalt.’ ‘Geen probleem, hoor,’ zei ik. Na een korte pauze, waarin hij volgens mij zocht naar iets om de boel netjes mee af te ronden, zei de man: ‘Dan weet ik dat voor de volgende keer.’ Ik zei: ‘Zo is ’t.’ ‘Fijne dag,’ zei hij. Ik: ‘Ook zo.’

Ik reageerde vrij neutraal. Maar dat was alleen maar om street credibility te hebben. Ik wilde cool overkomen. Van binnen juichte ik. En toen ik eenmaal weer in de auto zat, juichte ik hardop. Verrast was ik door deze ommezwaai. Deze meneer en ik hadden het samen gemaakt van wegwerpgebaar tot spontane dankbetuiging!

Ik wil mezelf hier niet als sociale held neerzetten, met m’n op-de-onbekende-man-afstappen en m’n bereidwilligheid-om-de-andere-pomp-te-nemen. Ik denk dat ik gewoon door eerdere ervaringen heb geleerd dat het helpt om om het blik op de weg, dat ons omhult en anoniem maakt, heen te stappen. Het heeft me vermoedelijk de moed gegeven om me niets aan te trekken van de wegwerpgebaren, omdat ik inmiddels wéét dat die zelfde meneer die mij wegwerpt een meneer is die aardig wil zijn. Het punt is, hij wil aardig zijn voor de medemensen die hij als medemens (h)erkent. Door iets tegen hem te zeggen (en vast ook door hem zijn favoriete pompje te geven) werd ik opeens zo iemand.

Nu maar hopen dat ik hiermee niet alleen zijn en mijn wereld een beetje gezelliger heb gemaakt, maar ook de wachttijd bij de pomp met een derde heb verminderd…


Als je mijn blog waardeert, laat dat dan zien: meld je aan als e-mail-volger of like Fellow Man op Facebook. En/of koop m’n boek Ik vind u een eikel – waarom we supersociaal zijn op bol.comDank je!