Waarom mensen niet van managers houden

Stijf hield ze haar lippen op elkaar terwijl ze me uitdagend aankeek. Ik probeerde het ding in haar mond te krijgen door hem ervoor te houden en zachtjes te duwen. Geen effect. Ik vroeg haar heel lief om mee te werken. Geen sjoege. Ik zei met iets meer volume en strengheid: ‘Kom op nou! Niet zo flauw.’ Geen reactie.

Gefrustreerd liep ik weg. Terwijl ik in de andere kamer mijn frustratie eraf probeerde te lopen, hoorde ik Loulou in de badkamer vrolijk met haar moeder verder keuvelen. Alsof er niks aan de hand was.

Tandenpoetsen, van niemand in ons gezin de favoriete bezigheid. De elektrische borstel was even een noviteit en daarom leuk voor onze driejarige dochter. Maar al snel bleek dat poetsen met stroom eigenlijk vervelender is en langer duurt dan met het klassieke ding.

‘Het is niet veel anders dan hoe medewerkers met hun managers omgaan en vice versa.

En nu kiest Loulou eens in de zo veel keer een tandenpoetsmoment uit om te protesteren tegen de ouderlijke macht.

Het is niet veel anders dan hoe medewerkers met hun managers omgaan en vice versa. Eens in de zo veel tijd laten de eersten aan de laatsten zien dat ze het niet oké vinden wat de laatsten met de eersten voorhebben. Ze gaan in discussie over voorgenomen veranderingen, ze sturen boze e-mails of ze doen gewoon alsof de neus bloedt en reageren niet op welk verzoek dan ook. En ondertussen keuvelen ze vrolijk verder bij de koffieautomaat, alsof er niks aan de hand is.

Ik ben niet de vader die zijn kind tot dingen dwingt. Ik forceer geen tandenborstels in monden en ik wrik geen kaken van elkaar. Daar voel ik me niet goed bij. Bovendien geloof ik dat het pedagogisch en didactisch niet erg verantwoord is.

En ik denk dat ook veel managers niet de manager willen zijn die hun medewerkers tot dingen dwingt.

‘Als je geen machtsmiddelen in wilt zetten of ruzie wilt, lijk je machteloos.

Maar als je geen machtsmiddelen in wilt zetten of ruzie wilt, lijk je machteloos. Je kunt proberen je mensen te veranderen door het uit te leggen, voor te doen en zachtjes te duwen. Je kunt heel lief vragen om mee te werken. Je kunt het met iets meer volume en strengheid zeggen. Maar als je mensen niet willen, krijg je waarschijnlijk regelmatig geen positieve reactie.

Je zult iets moeten bieden wat die ander wil. Of eigenlijk moet ik zeggen: wat die ander nodig heeft. In het geval van mijn dochter gaat het om iets simpels. Ze wil niet per se niet tandenpoetsen, ze heeft behoefte aan aandacht en een beetje hulp.

Zodra zij het idee heeft dat ik iets erdoorheen wil pushen, krijg ik gedoe. Zodra ik letterlijk en figuurlijk bij haar blijf in alle rust, krijg ik bijna alles gedaan. En als ik dan ook nog help bij de moeilijke stukjes door liedjes te zingen, grapjes te maken, aanwijzingen te geven, dan hebben we helemaal een bal.

‘Welk gezin is ooit beter geworden van functieprofielen, prestatieafspraken, beoordelingsgesprekken, jaarplannen en budgetrondes, laat staan ontslagrondes?

Het klinkt zo obvious en misschien te gemakkelijk om de lijn te trekken tussen ouderschap en leiderschap. Dat is niet erg. Want het ís obvious en gemakkelijk. Stop met mensen op het werk te behandelen als andere wezens dan de wezens die je ook thuis hebt rondlopen. Je kinderen, je partner, je broers en zussen, je vrienden, het zijn allemaal mensen, net als je collega’s en je medewerkers – en vergeet je eigen leidinggevende niet.

Uit talloos onderzoek blijkt dat arbeidsvoorwaarden veel minder belangrijk gevonden worden dan managers denken. Vooral blijken mensen behoefte te hebben aan aandacht en een beetje sociale ondersteuning van hun leidinggevende.

En mensen hebben een hekel aan andere mensen die controle over ze willen hebben. Gelijkheidszin noemen ze dat in de biologie.

‘Mensen hebben behoefte aan aandacht en een beetje sociale ondersteuning.

Stop dus niet alleen met collega’s en medewerkers niet als mensen te behandelen, stop ook met het managen van ze. Want welk gezin is ooit beter geworden van functieprofielen, prestatieafspraken, beoordelingsgesprekken, jaarplannen en budgetrondes, laat staan ontslagrondes?

(En als je nu denkt: nouhou, misschien moet ik die dingen júíst (weer) s gaan invoeren thuis… forget it. Want, net als managementmaatregelen op het werk, helpen managementmaatregelen thuis alleen op de korte termijn en oppervlakkig. Op de lange termijn hollen ze de onderlinge relaties en collectieve potentie uit.)


Wil je meer tips voor een gelukkig privé- en werkend leven? Lees dan m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn! Of stuur me gewoon een bericht.


 

Advertisements

Ik twijfel aan mezelf, dus ik besta

Ik vind het leven moeilijk. Daar werd ik aan herinnerd toen ik dit weekend ontdekte dat Chester Bennington, de voorman van de rockband Linkin Park, zich heeft opgehangen, in juli al – ik was op vakantie in de bergen toen en had blijkbaar het nieuws gemist. Ik was (ben) best wel fan van de muziek en zijn stem. Sinds ik weet dat hij er niet meer is luister ik elke paar uur wel naar een nummer van Linkin Park. (Tip: luister dit nummer met koptelefoon en bekijk het schermvullend voor je verder leest.)

Toen ik een puber was, heb ik gespeeld met ideeën om er een eind aan te maken. Ik ben niet goed in dit spel dat leven heet, was een zin die vaak in mijn gedachten terugkwam.

Na mijn pubertijd heb ik het lange tijd weggezet als gezever van een jochie dat bijzonder wilde zijn en niet wist hoe-ie met zijn gevoel om moest gaan. Het was de tijd van Nirvana, een band met een nummer dat I Hate Myself And I Wanna Die heet en een zanger die echt zijn kunst leefde, zal ik maar zeggen. Door hieraan mee te doen, althans in gedachten, werd ik ook een beetje een Kurt Cobain, dacht ik naderhand.

‘Misschien ben ik zelf wel m’n grootste doofpot.

Maar dankzij Chester denk ik er weer over na. Ik kom tot de conclusie dat ik het leven gewoon echt niet gemakkelijk vind. Op alle vlakken twijfel ik weleens aan mezelf: of ik m’n dochter wel goed begeleid in haar jonge leven; of ik m’n vriendin wel blij maak; hoe ik eruit zie; of m’n tinnitus toch geen hersentumor is, ook al zei de MRI van niet; of m’n ouders en zussen trots op me zijn; of ik m’n vrienden goed behandel; hoe ik me gedraag tijdens m’n werk; hoe m’n bankrekening zich ontwikkelt en of ik m’n gezin wel kan onderhouden; of ik wel genoeg of misschien te vaak opkom voor m’n overtuigingen; of het überhaupt wel ergens op slaat wat ik doe met m’n leven; wat anderen van me denken; en ga zo maar door.

Bij lange na geen redenen om zelfmoord te plegen. En wat belangrijker is, ik denk dat ik bij lange na niet de enige ben die dit soort gedachten heeft.

Waar het me om gaat: dit soort gedachten mag je niet hebben. Als ik ze aan een ander vertel, is de reactie prompt: ‘Nee, joh! Jij?! Je bent hartstikke goed bezig!’ Of, nog beter: ‘Doe niet zo zwaarmoedig, man! Het leven is toch mooi!’

En misschien ben ik zelf wel m’n grootste doofpot. Dit kan ik er nu niet bij hebben, morgen voel ik me vast beter of dit soort gedachten helpen me niet, denk ik vaak. Ik censureer mezelf continu.

‘Op gewoon het leven moeilijk vinden rust nog altijd een taboe.

De laatste jaren zijn er veel bekende namen gevallen voor de verleidingen van depressie. Denk aan acteur Robin Williams, schrijver Joost Zwagerman en zanger Chris Cornell. (De laatste was een goede vriend van Chester Bennington en maakte er niet helemaal toevallig twee maanden vóór hem een einde aan; de sterfdag van Bennington is zelfs de verjaardag van Cornell.) Deze suïcidekaravaan, gecombineerd met de openheid van internet, heeft er onder andere toe geleid dat we nu veel opener over de ziekte praten.

Maar op dat andere, gewoon het leven moeilijk vinden, rust nog altijd een taboe. Het past niet in onze samenleving van ‘succes-betekent-geluk-dus-ongeluk-betekent-geen-succes’. En dat is zonde.

‘Het ergste is dat we onszelf en anderen te kort doen.

Negatieve gedachten en emoties wegstoppen kan voor lichamelijke klachten zorgen. En we sluiten ons af voor anderen als ze ons ‘geklaag’ niet willen aanhoren. Dat is al erg genoeg. Maar het ergste is dat we onszelf en anderen te kort doen.

Als je kunt toegeven dat het leven moeilijk is en dat iedereen aan het worstelen is, kun je niet anders dan jezelf en anderen respecteren. Het leven is geen makkie voor mensen. Al dat gepieker over onszelf en gebeoordeel van elkaar, ga er maar aan staan. Als je desondanks doorzet, ben je al een held.

Vanaf nu zijn daarom mijn gepieker en getwijfel aan mezelf een teken dat ik leef. En een reden te meer om van mijn medemens te houden – en van mezelf, trouwens.

Niet de overspannen werknemer noch zijn baas, maar de verzuimspecialist is het probleem

Deze week is de week van de werkstress. Voor de gelegenheid deed Arbo Unie een onderzoek. Het Financieele Dagblad kopt erover: ‘Niet de overspannen werknemer, maar zijn baas is het probleem.’ Het onderzoek, het artikel en de mensen die erin geciteerd worden maken een hardnekkige misvatting alleen maar hardnekkiger: dat iemand ergens de schuld van moet krijgen.

40 procent van de leidinggevenden denkt dat hun werknemers nauwelijks stress ervaren en 58 procent dat werkstress voortkomt uit een te zwaar takenpakket. Bestuurder Willem van Rhenen van Arbo Unie maakt in het FD-artikel duidelijk dat de leidinggevenden het fout hebben: ‘Uit eerdere onderzoeken blijkt dat werkstress wijdverbreid is en dat niet het takenpakket, maar het gebrek aan autonomie daarvan de hoofdreden is. Ook speelt gebrek aan steun van leidinggevenden, of overmatige hiërarchie een belangrijke rol. Zaken waar hoger management directe invloed op heeft.’ En verzuimspecialist Titus Kramer doet er een schepje bovenop: ‘Het is een reflex om te focussen op degene die zich ziek meldt, maar eigenlijk zouden we ons moeten richten op het baasje. Die is vaak de veroorzaker.’

‘Vooral meneer Kramer strijkt mij tegen de haren in. En dat is niet alleen vanwege het denigrerende “baasje”.

Vooral meneer Kramer strijkt mij tegen de haren in. En dat is niet alleen vanwege het denigrerende ‘baasje’. Het is ook en vooral omdat hij ons aanzet ons op iemand te ‘richten’ die de ‘veroorzaker’ is. Daarmee is hij niet anders dan de leidinggevenden die de bal in veruit de meeste gevallen leggen bij de medewerker zelf omdat die een te zwaar takenpakket zou hebben.

Het werkstressonderzoek en de reacties van meneren Van Rhenen en Kramer storen me. Ze staan voor iets wat ik te vaak tegenkom: mensen geven elkaar de schuld. Bij falen of schandalen moeten er koppen rollen.

In de psychologie heb je iets wat bekend staat als de fundamentele attributiefout (FAF). Die komt erop neer dat mensen slecht gedrag van anderen bij voorkeur toeschrijven aan hun persoonlijkheid. Als er iets fout gaat, ligt het aan de persoon. En de beste manier om de fout op te lossen, is dan om de persoon aan te pakken.

De tegenvechters van de FAF pleiten vooral voor aandacht voor omgevingsfactoren. Titus en Willem zóúden kunnen zeggen dat zij dat soort tegenvechters zijn. Zij zien leidinggevenden immers als belangrijkste factor in de omgeving van de gestreste medewerker. Maar ook Titus en Willem trappen in de fundamentele attributieval.

‘Als een plant groter groeit in de zon dan in de schaduw, wie geef je dan de schuld? De zon of de plant?

Ook zij leggen namelijk de schuld bij een bepaalde groep mensen op basis van een eigenschap waarvan zij aannemen dat die mensen die hebben. Maar dat is onzin. Het is sowieso in de meeste gevallen onzin om het over schuld te hebben.

Als een plant groter groeit in de zon dan in de schaduw, wie geef je dan de schuld? De zon of de plant? En als een medewerker last krijgt van werkstress als zijn baasje hem onvoldoende autonomie geeft, wie geef je dán de schuld? Het baasje of de medewerker?

Praten over schuld in situaties waar er sprake is van interactie is tijdverspilling. Want dat is wat er speelt bij werkstress, en in alle situaties waarin mensen met elkaar te maken hebben: interactie. Het heeft veel meer zin om dan te kijken hoe de interactie in elkaar zit: wat in het gedrag van de een zorgt voor een ongewenste reactie bij de ander en andersom?

En daarvoor heb je… wait for it… interactie nodig. Dus medewerker en leidinggevende, zoek elkaar op. Ga in gesprek. Pluis het uit. Daar word je allebei wijzer van. En stop met vingers wijzen naar stresskippen en baasjes, want daar is – met uitzondering van misschien een onderzoeker, verzuimspecialist of journalist – niemand mee geholpen.


Wil je echt weten wie de schuld heeft van alles wat er mis is in onze maatschappij? Lees dan m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn!


 

Veel consultants doen nutteloos werk – en dat weten ze zelf allang

In Arnhem maken ze er in de gemeenteraad een zooitje van. Raadsleden en wethouders beledigen elkaar, gebruiken grove taal, intimideren en schofferen. Een enkeling bedient zich zelfs van de middelvinger.

Hoogleraar Bestuurskunde Paul Frissen deed er onderzoek naar en concludeerde onder andere dat er in de stad een cultuur is van doelen die de middelen heiligen, van altijd gelijk hebben, van voldongen feiten en van straatvechten. Het advies van de onderzoekers: ‘Wie de samenleving normen voorhoudt, moet zichzelf daaraan houden.’

‘Dachten ze nu echt dat een patroon dat zich jaren heeft ontwikkeld zou veranderen door een rapport?

De gemeenteraad wil dat het college van burgemeester en wethouders vandaag in het openbaar reageert op het rapport van Frissen. Tot nu toe heeft het college alleen per brief laten weten het rapport met de gemeenteraad in een-op-eengesprekken te willen bespreken. De raad vond die reactie teleurstellend en ook Frissen is verbaasd over de brief van het college.

Ik ben op mijn beurt teleurgesteld en verbaasd over de reacties van de raad en de hoogleraar. Wat hadden ze dan gedacht? Dachten ze echt dat een patroon dat zich jaren heeft ontwikkeld zou veranderen door een extern rapport? Ja, want in het rapport is te lezen: ‘Om deze patronen te doorbreken moeten deze bevindingen vooral als een spiegel voor reflectie worden benut.’

Dankzij de psychologie kennen we de confirmation bias al bijna zestig jaar – en dankzij de Griekse historicus  Thucydides al sinds 400 voor Christus. Het is de neiging om informatie te zoeken, te interpreteren, voor te stellen en te herinneren op een manier die iemands bestaande overtuigingen bevestigt.

‘De hoogleraar wist al dat zijn rapport geen enkele zin gaat hebben.

Maar dankzij diezelfde confirmatieneiging denken veel onderzoekers, consultants en managers dat hun rationele methodes werken. Ze zijn ervan overtuigd dat het nuttig is om mensen te vertéllen wat ze fout doen en hoe ze het beter kunnen doen, ondanks wetenschappelijke studies en waarschijnlijk hun jarenlange eigen ervaring die het tegendeel bewijzen. De informatie uit die studies en ervaring hebben ze gezocht, geïnterpreteerd, voorgesteld en herinnerd op een manier die hun bestaande overtuigingen bevestigt.

Want als zij die informatie serieus zouden nemen, zouden zij de nagel aan hun eigen professionele doodskist zijn. En zo houden hele beroepsgroepen zichzelf in stand.

‘Weten en ernaar handelen zijn twee verschillende dingen.

In een NOS-bijdrage zegt Frissen over het college: ‘Je hoeft niet te erkennen dat je iets fout hebt gedaan, maar je zou kunnen zeggen: voor zover u zich beschadigd voelt door het gedrag dat we hebben vertoond, bieden we onze verontschuldigingen aan.’ ‘De hoogleraar heeft er een hard hoofd in dat het zover gaat komen vanavond,’ voegt de journalist van dienst toe.

De hoogleraar wéét dus eigenlijk al dat zijn rapport waarschijnlijk geen enkele zin gaat hebben. Maar weten en ernaar handelen zijn twee verschillende dingen. Maar als hij dat zou erkennen, zou hij zichzelf tegenspreken. Want om patronen te doorbreken hoeven bevindingen enkel als een spiegel voor reflectie te worden benut, is zijn devies.

Benut daarom de bevindingen in dit artikel als een spiegel om je eigen patronen te doorbreken. Dan zal je in de toekomst wel twee keer uitkijken voordat je iemand van loze raad voorziet.


Meer loze raad? M’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn staat er vol mee!


 

Waarom je een ander niet moet laten uitpraten

Te vaak laten we de ander uitpraten. Omwille van beleefdheid en harmonie. Zeggen we. Maar stiekem zit er een veel minder beschaafde reden achter: luiheid. Alleen kost uit laten praten uiteindelijk vaak meer energie. Dus doe jezelf en de ander een plezier en zeg er wat van.

‘Heb je een nieuwe gadget?’ vroeg ‘Dirk’ die mijn kamer was komen binnenlopen. Hij wees naar het zwarte doosje dat aan mijn laptop was gekoppeld met een USB-kabeltje. ‘Nee, hoor,’ zei ik, ‘ik heb ’m al een tijd. Ik zou dit ding juist veel vaker moeten gebruiken.’ Het ‘ding’ was een externe harde schijf die ik (te weinig dus) gebruik om een reservekopie te maken van mijn pc.

Dirk was dichterbij gekomen. Ik legde hem uit hoe ik zo’n reservekopie maakte. Zo wees ik hem waar je moet zijn bij Systeemvoorkeuren en op het teken van Time Machine in de menubalk. Hij leek geïnteresseerd. Hij schoof zelfs de muiscursor even aan de kant om het icoontje met het klokje beter te kunnen zien.

‘Menig managementteam klaagt over de nutteloosheid van hun wekelijkse overleggen.

Nadat ik een minuut of wat uitleg had gegeven, zei hij: ‘Ja, ik heb zelf zo’n groot ding,’ hij onderbrak zichzelf om met zijn handen een wijde, draaiende beweging te maken. Uit zijn mond kwam een zoemend geluid. ‘En daarmee sla ik eens in de zoveel tijd alles op.’ ‘O, je weet dus waar ik het over heb?’ vroeg ik hem. ‘Ja. Ik wist alleen niet dat ze die dingen met één terabyte,’ hij wees op mijn externe harde schijf, ‘al zo klein maakten.’ ‘Dus al die uitleg van mij over het maken van reservekopieën was eigenlijk voor niks?’ zei ik lachend. ‘Inderdaad.’ ‘Waarom zei je dan niks?’ ‘Ik dacht: ik haal er wel uit wat nuttig is.’ Met een glimlach liep Dirk mijn kamer uit.

Ik verveel mensen regelmatig met een wedervraag als: ‘Hoe bedoel je?’ ‘Wat wil je precies weten?’ of ‘Waarom vraag je dat?’ Deze keer deed ik het een keer niet. Daar kreeg ik meteen spijt van.

Dit gesprek kostte een minuutje, maar hoe vaak zitten mensen niet een hele vergadering naar elkaar te luisteren, al meehummend en geïnteresseerd knikkend, terwijl dat wat ze horen helemaal niet interessant voor ze is, laat staan relevant? Ik ken menig managementteam waarvan de leden klagen over de nutteloosheid van hun wekelijkse overleggen of over de vaak vreemde ideeën die hun baas dan oppert. Maar zeggen ze dat ooit tíjdens zo’n overleg? Zegt iemand dan: ‘Eh, sorry, maar wat ik éígenlijk wil weten is…’? Nope.

‘Ik denk dat de belangrijkste reden luiheid is, aangeboren luiheid.

Waarom niet? Omdat we hebben geleerd dat iemand onderbreken in iets wat-ie graag vertelt onbeleefd is? Of zijn we bang dat we een onprettige discussie krijgen omdat de ander zijn punt niet kan maken? Behouden we eigenlijk liever de harmonie?

Maar hoe beleefd is het om interesse te veinzen? Hoeveel respect toon je iemand als je je echte gevoel over wat hij of zij zegt niet uit?

Ik denk dat de belangrijkste reden niks te maken heeft met beleefdheid of angst. Ik denk dat de belangrijkste reden luiheid is, aangeboren luiheid.

Geen enkel dier verspilt graag energie. En dat is logisch. Als je wilt overleven, kun je beter zo min mogelijk brandstof verbruiken. Want die zou je wel eens nodig kunnen hebben om te vluchten of te vechten of in tijden dat je geen voedsel kunt vinden.

Iemand onderbreken en leiden naar je eigenlijke interesse of vraag kost energie. Waarom je energie verspillen aan het gedoe dat ontstaat van zeggen wat je echt vindt? Je kunt tijdens een vergadering beter je e-mail checken of in gedachten verzonken zijn. Scheelt je later weer tijd.

‘Allemaal excuses om een minder geciviliseerd deel van onze dierlijke aard te maskeren.

En Dirk had vanuit evolutionair oogpunt ook gelijk: waarom zou hij de moeite nemen om mij vragen te stellen als hij erop kon vertrouwen dat ik toch wel ergens in mijn verhaal van een minuutje de info zou geven die hij zocht? Hij haalde er wel uit wat nuttig was.

Een fijne bijkomstigheid van dit alles is dat we beleefd overkomen en ogenschijnlijk de harmonie bewaren. Maar dat zijn slechts excuses om een minder geciviliseerd deel van onze dierlijke aard te maskeren. We zijn liever lui dan moe.

Dat is allemaal prima. We zijn nou eenmaal allemaal slechts mensen. Maar als je jezelf meer moeite wilt besparen in de toekomst, doe dan een kleine investering in het heden. Denk even na over je vraag voordat je er eentje stelt die nét niet is wat je bedoelde, want mensen gaan met je foute vraag aan de haal (een wedervraag stellen kost die ander immers ook weer energie). Wees eerlijk tegen je partner over dat bezoekje aan je schoonouders. Voor je het weet, zie je ze elke week.

En stop – in naam van alle lieve dingen – met nutteloze vergaderingen. Heb de moed om je collega’s te vertellen dat je er niks aan hebt. Dat scheelt iedereen, naast een hoop tijd, veel frustratie en stress. En dát zijn pas de echte energievreters.

Epiloog
Grappig: ik zocht na het schrijven van deze post voor een training de Covey-matrix – je weet wel, urgentie vs. belang. ‘Meetings’ stond op verschillende resultaten van Google Images in kwadrant 3 (urgent-niet belangrijk). In een andere versie stond bij dat kwadrant: ‘Avoid. Illusion + deception. Minimize investment.’ Kortom, we weten het dus allang maar zijn echt te lui om er iets mee te doen.


Want more? Check m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.


 

Zet een hulplijn in en vergroot je netwerk (en werk ondertussen aan je vertrouwen in de mensheid)

Als je je geloof in de mens wat op wilt beuren (of gewoon plat iets aan je netwerk wilt doen), vraag om hulp. Je zult verrast staan.

Sinds maart 2014 ga ik door het werkende leven als Fellow Man. In die drie en een half jaar heb ik een loyale ‘fanbase’ opgebouwd, mensen die graag met me samenwerken. Het is echter een relatief kleine fanbase.

Ik doe daardoor vaak voor dezelfde organisaties opdrachten. Dat is leuk en goed. Het is fijn om met mensen samen te werken die me goed kennen en vertrouwen. En omdat ik de organisaties en mensen goed ken, kan ik extra snel tot de kern van een vraagstuk komen. I count my blessings.

‘Ik ben meer van Charlie Brown en Phil Collins. (Dat is vast ook een reden dat mijn fanbase maar heel langzaam groeit.)

Tegelijkertijd is mijn bereik hiermee beperkt. Ik heb een missie met Fellow Man: het werkende leven menselijker maken. Als ik telkens door dezelfde organisaties word ingehuurd, help ik dáár misschien wel mee aan een menselijker werkend leven maar daar heeft de rest van de wereld, die ik níét help, niks aan.

Dus tijdens de zomer heb ik besloten wat aan mijn ‘bereik’ te gaan doen. Nou ben ik niet goed in reclame maken voor mezelf. En op netwerkborrels m’n kaartje rond laten slingeren is ook niet echt m’n ding. Ik ben meer van Charlie Brown (‘to know me, is to love me’) en Phil Collins (‘you can’t hurry love’). (Dat is vast ook een belangrijke reden dat mijn fanbase maar heel langzaam groeit.) Daarom heb ik besloten het anders aan te pakken.

Ik heb de zakelijke relaties die ik vertrouw, mijn fans zogezegd, gevraagd of ze me willen helpen. Met samengeknepen billen en gekruiste vingers heb ik ze de vraag gesteld of ze me wilden vertellen wat ze nou zo goed aan me vinden, en aan wie in hun netwerk ze me wilden voorstellen. In ruil daarvoor, zei ik, nam ik ze graag mee uit eten – op mijn rekening, uiteraard.

‘De reacties hebben m’n billen en vingers volledig laten ontspannen.

De reacties hebben m’n billen en vingers volledig laten ontspannen. Sterker nog, om in de lichamelijke metaforen te blijven: het was hartverwarmend. Iedereen die ik vroeg was blij verrast met mijn hulpvraag en maakte graag tijd om het over mij te hebben.

De eerste dinerdate heb ik er inmiddels op zitten. Ik werd overdonderd door hoe serieus mijn disgenoot mijn vraag behandelde. Niet alleen had hij van tevoren de antwoorden voorbereid en is hij van plan me te gaan voorstellen aan een bestuurslid van een grote Nederlandse onderneming, hij was ook nog eens heel dankbaar dat ik hem had gevraagd. Dankbaar! Dat ik hém had gevraagd!

Ik ging er niet eens van naast m’n schoenen lopen, van al die positieve aandacht. Ik werd vooral gewoon heel blij van de goedheid die een mens blijkbaar in zich heeft.

Want – belangrijker dan de handige acquisitietip die in dit verhaal zit – is dát voor mij de echte les van deze ervaring: mensen zijn over het algemeen echt blij als ze kunnen helpen. En ik ben niet de enige die dat heeft ervaren.

‘Dat anderen er in de eerste plaats voor zichzelf zijn is een hardnekkige gedachte.

Uit allerlei onderzoek blijkt dat om hulp vragen, mensen helpen en geholpen worden een positieve uitwerking heeft die verder gaat dan het simpele praktische feit dat je niet langer met een probleem zit. Zo is een leuk feitje uit dit soort onderzoeken dat mensen positiever denken over mensen die hun hulp vragen dan over mensen die dat niet doen.

Het stomme is dat we allemaal impliciet of expliciet het tegenovergestelde hebben geleerd: dat anderen er in de eerste plaats voor zichzelf zijn en dat we onszelf moeten kunnen redden. En dat zijn hardnekkige gedachten. Al jaren weet ik van die onderzoeken hierboven en toch voelde ik me kwetsbaar toen ik die hulpvraag stelde.

Gelukkig ben ik ook een mens en had ik de erváring nodig die me ervan overtuigde dat ik ongelijk had. Want dat wijzen de feiten ook uit: mensen worden niet overtuigd door feiten, ook al denken ze vaak van wel, maar door hun eigen ervaring.


Nog meer feiten én tips voor ervaringen die je vertrouwen in de mensheid vergroten? Check m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.


 

Hoe Harari mijn smartphone (bijna) afpakte

Ik vroeg historicus Yuval Noah Harari, schrijver van onder andere Sapiens, hoe hij in zijn persoonlijke leven omgaat met wat hij weet. Harari is immers zijn hele werkende leven bezig met de vraag waar de mens evolutionair vandaan komt, hoe de mens zich historisch ontwikkeld heeft en hoe de mens nu leeft. En er zit nogal een verschil tussen waar ons leven twaalfduizend jaar geleden uit bestond en waar het nu uit bestaat.

Het antwoord: Yuval mediteert elke dag, hij is veganistisch en hij heeft geen smartphone.

Mediteren heb ik meermalen geprobeerd. Niks voor mij. In een veganistisch dieet geloof ik niet. Lang verhaal. Maar die smartphone, die zat me een paar dagen dwars.

Het antwoord van Harari kwam goed getimed. Na (en helaas ook tijdens) de vakantie viel het me op hoeveel ik op onzinnige momenten de pushberichten van alle verschillende socialmedia-apps checkte. En hoe ik me daardoor zo latent verbonden voelde met al die honderden mensen die ‘ergens’ waren en die ik ‘ergens’ van kende. En vooral, hoe ik daardoor eigenlijk minder verbonden was met de mensen die op dat moment om me heen waren.

‘Met een smartphone in m’n hand komen er alleen al tijdens een wc-bezoek de verhalen en gezichten van honderdvijftig mensen voorbij.

Het deed me denken aan het getal honderdvijftig. Wetenschappers denken dat onze hersenen gemaakt zijn om niet meer dan honderdvijftig betekenisvolle relaties te hebben. Gedurende de evolutie bleek dat voldoende te zijn. Groter werden de groepen waar we ons hele leven mee doorbrachten niet.

Met een smartphone in m’n hand komen er alleen al tijdens een wc-bezoek de verhalen en gezichten van honderdvijftig mensen voorbij.

Dát is waarom het antwoord van Harari me bezighield: iemand die ervoor doorgeleerd heeft, heeft besloten om niet mee te doen met een trend die evolutionair gezien gekkenwerk is. En niet zomaar een trend, nee, misschien wel de grootste van de eeuw.

Uiteindelijk heb ik alle media-apps met pushberichten van mijn telefoon gegooid… met uitzondering van mail en WhatsApp. E-mail hield ik omdat ik op een of andere manier mijn berichten niet definitief kan deleten via Mac Mail, alleen via mijn iPhone. En WhatsApp omdat ik het niet handig vond om het meest gebruikte korteberichtenprogramma ter wereld te boycotten. Ik zou mezelf dan niet populair maken bij familie en vrienden (en alle andere bekenden, eigenlijk).

Maar we weten natuurlijk allemaal dat dit drogredenen zijn, bedacht door mijn zelfbeschermende brein.

‘We hebben geleerd om continu het midden te kiezen tussen rockster en accountant, tussen paria en deurmat.

Dat is evolutionair gezien namelijk ook gekkenwerk, jezelf buiten een groep zetten. Zoals oud-Denker des Vaderlands René Gude ooit zei: iedereen wil aardig zijn. Dat bedoelde hij met twee betekenissen: (1) iedereen wil aardig gevonden worden en (2) iedereen wil een eigen aard hebben. We willen dus wel anders zijn (‘Ik? Ik heb geen Facebook meer op m’n smartphone.’) maar er niet helemaal uit liggen (‘Heb je dat niet gelezen op m’n WordPress-blog?’).

Ik wil dus wel een stapje uit het smartphoneleven zetten maar er niet helemaal uitstappen.

Want die middenweg heeft zin. Als we op de savanne vroeger geen zichtbare waarde toevoegden aan de groep, werden we al snel verdacht. Maar als we ons té opvallend gedroegen, werden we dat ook. En dat geldt nog steeds. We hebben dus geleerd om continu het midden te kiezen tussen rockster en accountant, tussen paria en deurmat.

Maar die middenweg heeft ook een prijs. Want al hebben die twee dagen zonder al te veel opdringerige apps me al heel wat rust en concentratievermogen teruggegeven, het is me ook duidelijk geworden dat je verder moet gaan als je écht een deuk in een pakje universum wil slaan. Want het verschil tussen iemand die bíjna alle socialmedia-apps heeft verwijderd van zijn smartphone en iemand die überhaupt geen smartphone heeft, is het verschil tussen iemand die een in Nederland aardig verkopend boek heeft geschreven en iemand die een wereldwijde bestseller heeft geproduceerd.