Het leven is natuurlijk een spel, net als Miljoenenjacht

Op 13 september aanstaande doet de rechter uitspraak in de zaak Van den Hurk-Endemol. Als het goed is, komt er dan na bijna drie jaar een eind aan deze miljoenenjacht. Voor ons mensen is dit een heel interessant dispuut. Maar als we ernaar kijken als elk ander dier, is dit een no-brainer: Arrold wordt geen miljonair.

Eind 2014 drukte Arrold van den Hurk als kandidaat bij Miljoenenjacht op de rode knop. Dat werd gezien als teken dat hij het bod van de bank van 125 duizend euro accepteerde. Niet mis, zou je zeggen. Hij liep daarmee alleen 39 keer zoveel geld mis. In zijn koffer zat 5 miljoen euro. Om het erger te maken, Van den Hurk had nooit op de rode knop wíllen drukken. Het ging per ongeluk. Dat zei hij ook direct erna. Maar de aanwezige notaris had dat weggewuifd.

In eerste instantie nam Arrold genoegen met zijn troostprijs. Advocaat Peter Plasman belde hem echter daags na de uitzending op en overtuigde hem een zaak aan te spannen tegen de producent van Miljoenenjacht. Sindsdien zijn de koekenbakker (Van den Hurk heeft als nine to five een baan als bakker) en de tv-producent juridisch in gevecht.

‘Stel, Arrold had iemand om het leven gebracht.

Plasman voert aan dat enkel in de spelregels staat dat de kandidaat het bod van de bank moet accepteren. Er wordt niks gezegd over een rode knop. Het feit dat Arrold direct aangaf dat hij het bod niet had willen accepteren, betekent volgens de advocaat daarom meer dan het indrukken van de knop. Dat argument is alleen niet zo sterk. Het is gebruik in het spel dat je de rode knop indrukt ten teken dat je akkoord gaat met het bod van de bank. Dat kun je niet ineens verjudiseren en zeggen dat het eigenlijk niks hoeft te betekenen.

Het gaat dus niet om de betekenis van de knop maar om het al dan niet wíllen indrukken ervan. Om dat ‘willen’ te onderzoeken kunnen we de casus-Van den Hurk vergelijken met een bekender juridisch feit.

Stel, Arrold had iemand om het leven gebracht. In een speelse bui had hij gedaan alsof hij in het circus werkte en geprobeerd een bijl naast het hoofd van een vriend te gooien. Op het moment dat hij had gemerkt dat de bijl ín het hoofd van zijn vriend stak en niet in het hout náást het hoofd, had hij geroepen: ‘Nee, dit wil ik niet!’

‘Hij had beter moeten weten: hij is immers bakker, geen circusartiest.

Volgens de wet zou Van den Hurk dan schuldig zijn aan dood door schuld omdat het ongeluk voortkwam uit verwijtbaar gedrag. Hij had beter moeten weten: hij is immers bakker, geen circusartiest. Op dood door schuld staat maximaal twee jaar cel of 19.500 euro boete.

Arrold zou dus bij Miljoenenjacht technisch gezien op de blaren moeten zitten. Hij hoeft dan wel geen 19.500 euro te betalen maar hij krijgt wel 4 miljoen 875 duizend minder dan als hij niet zo dom was geweest.

Maar Plasman gaat verder. Hij haalt aan dat het hier gaat om een koekenbakker die op een moment van hoogspanning in een voor hem abnormale omgeving een foutje maakte. Dat kún je hem niet verwijten, pleit de raadsheer.

Plasman beroept zich hier op het juridische verschil tussen schuld en verantwoordelijkheid. Iemand kan wel schuld hebben aan iets – zoals een bijl in het hoofd van een vriend gooien – maar er niet verantwoordelijk voor zijn – de vriend had een formulier getekend waarin hij alle verantwoordelijkheid voor de gevolgen van de circusact op zich nam. Iemand die schuldig is is degene die feitelijk iets heeft gedaan. Iemand die verantwoordelijk is is degene die je het feit kunt toerekenen.

‘Iemand kan wel schuld hebben aan iets maar er niet verantwoordelijk voor zijn.

Dus als Endemol inderdaad de situatie ernaar had gemaakt dat Arrold niet anders kon dan op de rode knop drukken, dan zou hij wel schuldig aan maar niet verantwoordelijk zijn voor het knopdrukken.

Dat laatste bewijzen laat ik graag aan Plasman over. Voor nu is dat bewijs ook niet relevant. Het gaat mij om iets anders.

Miljoenenjacht is een spel, net als voetbal. Ook bij voetbal zijn er veel discussies over beslissingen van de scheidsrechter, de notaris van het voetbalveld. Het grote verschil echter met de discussie tussen Van den Hurk en Endemol is dat het bij voetbal altijd gaat om de juistheid van de call; of de scheids of grensrechter het wel goed zág. Het gaat nooit over de bedóéling van de voetballer; of hij wel buitenspel wílde lopen of of hij zijn tegenstander wel omver had wíllen schoffelen.

En als een voetballer uithaalt en het doel mist, zal hij ook niet aandragen dat hij eigenlijk had willen scoren maar dat zijn been de verkeerde beweging had gemaakt. Laat staan dat de scheidsrechter dan alsnog een doelpunt toekent – ook niet als het gaat om de spits van DVS’33 Ermelo die met zijn club in de bekerfinale in de Kuip tegen Ajax speelt. Feitelijk is dat wel wat Plasman en Van den Hurk vragen van de rechter.

‘Geen leeuw of das die zich beroept op het feit dat hij misschien wel schuldig was maar niet verantwoordelijk.

We kunnen het ook vanuit het oogpunt van de natuur bekijken. Geen enkel dier speelt zoveel spelletjes als de mens. Aan de andere kant, net als in voetbal en veruit de meeste andere spellen gaat het bij andere dieren altijd om hetgeen feitelijk gedaan is. Als een leeuw een gazelle doodt omdat het prooidier de verkeerde keus had gemaakt toen het besloot naar rechts te springen, kan het zich niet beroepen op zijn intentie om naar links te springen. Als een das zijn burcht onder een boom graaft en daarmee de wortels van de boom dermate aantast dat die sterft, maakt het niks uit dat de das dat helemaal niet had gewild.

En, het belangrijkste: geen leeuw of das die zich beroept op het feit dat hij misschien wel schuldig was aan maar niet verantwoordelijk was voor de dood van de gazelle of boom. Wij mensen hebben bedacht dat er een verschil kan zijn tussen schuld en  verantwoordelijkheid. Dat is geen natuurlijk gegeven. In de natuur wordt gehandeld en die hándelingen hebben gevolgen. That’s it. Geen geleuter over intenties, toerekenbaarheid of rechtvaardigheid.

Begrijp me goed, ik gun iedereen miljoenen, dus ook Arrold van den Hurk. En ik hoop voor hem dat-ie wint van Endemol. (Het productiebedrijf heeft geld genoeg en mag zich ook wel wat grootser opstellen in plaats van zich te verbergen achter kleine lettertjes en notarisjes.) Maar we mogen allemaal wel eens wat meer denken over het leven, de dingen die we doen en de dingen die ons overkomen als een spel of, beter nog, als onderdeel van de natuur.

We doen dingen die consequenties hebben, hoe bedoeld of onbedoeld ze ook zijn. En we komen in situaties die maken dat ons dingen overkomen, hoeveel verantwoordelijkheid we ook dragen voor die situaties. De mens heeft in wezen niet meer of minder recht op vluchtroutes dan andere dieren. Die hebben er ook mee te leven. Laten we daarom minder piepen en wijzen en vaker gewoon verder leven. Dat is tenminste natuurlijk én verantwoordelijk gedrag.


Meer weten over ons natuurlijke en onnatuurlijke sociale gedrag? In Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn staat het allemaal.

Erken je vijanden. Dat zal ze leren!

Mensen hebben snel allerlei oordelen over onbekenden. Zeker als die anderen hen in de weg zitten, zijn die oordelen niet mals. Dat leidt tot allerlei onnodige vijandigheden. Maar je kunt daar iets aan doen. Als je mensen van wie je een negatief oordeel verwacht simpelweg laat zien dat je ze ziet staan, verdwijnt vijandigheid als sneeuw voor de zon.

‘Hallo!’ zei ik met het vriendelijkste gezicht dat ik tijdens het hardlopen kon trekken. De jongen en het meisje van het stel dat me tegemoet fietste hielden hun gezicht in de plooi. Geen boe of bah, laat staan hallo. Wel gingen ze nét ver genoeg aan de kant zodat we elkaar konden passeren op het smalle fietspad in het bos.

Zoiets was me een paar dagen eerder ook al overkomen. Een man had zijn auto met aanhanger half op de stoep gezet om een lading daklood in te kunnen laden die in een voortuin lag. Omdat er hierdoor nog maar een kleine doorgang was tussen de aanhangwagen en het tuinhek konden mijn dochter Loulou en ik niet over de stoep met de buggy. We gingen over de straat eromheen.

Toen we aan de andere kant weer de stoep op reden, vroeg Loulou: ‘Waarom doet die meneer dat?’ ‘Omdat hij anders zo ver moet lopen met die zware spullen,’ zei ik. De man had net weer een armvol lood in zijn wagen gegooid en had blijkbaar gehoord dat wij het over hem hadden gehad, want hij vroeg: ‘Wat zeg je?’ Terwijl hij dit zei liep hij op ons af op een manier die zei dat hij uit was op een confrontatie. Hij leek eigenlijk te zeggen: ‘Had je wat te zeiken?!’

‘Hij leek eigenlijk te zeggen: “Had je wat te zeiken?!”

Met een glimlach zei ik: ‘M’n dochter wilde weten waarom u uw auto op de stoep had gezet en ik legde uit dat u anders zo ver moet lopen met dat zware spul.’ ‘O…’ zei hij, ‘ja, dat is verdomd zwaar, dat lood…’ Hij scheen te ontspannen, in eerste instantie tegen zijn zin, alsof hij teleurgesteld was dat ik níét iets over hem te zeiken had. Daarna begon hij een enthousiast verhaal over daklood. Uiteindelijk moest ik ons verontschuldigen met het feit dat Loulou toe was aan haar avondeten. Anders hadden we er een halfuur gestaan.

Wat is de overeenkomst tussen deze twee voorvallen, vraag je je af? Nou, in beide gevallen leken vreemden geen zin te hebben in een vriendelijke ontmoeting. In het eerste geval konden de fietsers er nog onderuit, gewoon door door te fietsen. Maar in het tweede geval moest de man wel toegeven dat hij geen reden had gehad om vijandig te zijn. Ik had hem immers gelijk gegeven, al voordat hij mij vroeg wat ik tegen mijn dochter zei.

We doen vaak aannames over de mensen die we tegenkomen in het openbare leven en vaak zijn die negatief. Welke hufter heeft zijn auto zo asociaal geparkeerd? Waarom dringt die eikel voor? Waarom loopt die sukkel mij in de weg? Maar wat nou als we het mis hebben? Wat nou als de meeste mensen de meeste dingen doen met de beste intenties?

‘We praten ons eigen handelen recht door te wijzen op onze intenties en veroordelen een ander op basis van zijn handelen.

Uit allerlei onderzoek blijkt dat we last hebben van actor-observer asymmetry. Die houdt in dat degene die iets doet een heel andere lezing heeft van dat wat hij doet dan degene die hem observeert. Een vorm daarvan is dat we ons eigen handelen recht praten door te wijzen op onze intenties (‘Maar ik bedoelde het toch goed!?’) en een ander veroordelen op basis van zijn handelen (‘Als je zoiets doet, dan móét je wel een hufter zijn!’). De oordelen die we over anderen hebben zijn bovendien ook nog eens vaak minder mooi dan die over onszelf.

De fietsers en de oudijzerboer hadden vast ook last van deze actor-observatorasymmetrie. Zij zagen iemand iets doen wat in hun ogen irritant en misschien zelfs tégen hen gericht was. Vervelend om dan te merken dat die ander geen kwaad in de zin had. Dat betekent immers dat ze ongelijk hadden gehad in hun inschatting van de ander. En daar houden mensen niet van. Want achter die asymmetrie zit een diepgewortelde neiging om het eigen zelfbeeld zo positief mogelijk te houden. Ongelijk hebben is een irritante verstoring daarvan.

Plus, over onbekenden die ons links laten liggen is het gemakkelijk oordelen. Maar als zo iemand ons erkent, ontstaat er kortsluiting in ons hoofd. Iemand die ons ziet staan móét wel oog hebben voor kwaliteit, denken we. Dan móét ons eerste negatieve oordeel wel onjuist zijn. Maar hoe kan dat? Wij zitten er toch nooit naast met onze mensenkennis? Bovendien gaan we voor we het weten in op die ander. En, tja, als wij iemand erkennen, dan móét die persoon ook wel oké zijn.

‘Dring je niet-bedreigend aan vijandige mensen op.

Ik mag hier graag mee spelen. Zo geef ik in workshops graag vriendelijk doch expliciet de aandacht aan iemand die iets mompelt wat niet constructief lijkt; zeker als ik geen bekende ben voor de aanwezigen. Het helpt dan extra als ik de naam van de mompelaar er duidelijk bij zeg.

‘Wat zeg je, Gerard?’ Glimlach. ‘Sorry, ik kon niet goed verstaan wat je zei,’ waarop Gerard opeens geconfronteerd is met iemand die aandacht vraagt voor datgene waarvan hij dacht dat niemand het wilde horen op een manier die niet afkoerst op de botsing die hij verwachtte, waarop hij misschien stiekem hoopte. En hij is mij blijkbaar opgevallen, want ik hoorde hem én ik heb onthouden hou hij heet. En dat is voor mensen met een oordeel over een onbekende rete-irritant.

Zoek dus actief, expliciet en vriendelijk de mensen op van wie je een negatief oordeel verwacht. Dring je niet-bedreigend aan ze op. Maak een praatje. Zeg hun naam. Zeg hallo. Dan moeten ze wel toegeven dat je oké bent, ook al zullen ze dat nooit toegeven.


Wil je meer tips over hoe je medemens werkt? Lees Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.

 

Aardige NS-conducteurs zijn niet per se attent

Opeens bedacht ik me in de trein op station Amsterdam-Zuid dat ik niet ingecheckt was op Schiphol. Ik liep naar de conducteurs die buiten stonden te praten met een toerist en biechtte mijn stommiteit op. Ik vroeg of ik mijn koffer even bij hen kon laten staan zodat ik harder kon rennen naar de incheckpaal. Ik had namelijk nog minder dan een minuut vóór de trein weer zou vertrekken.

Een van de twee, de oudste, met een snor, zei op vriendelijke vaderlijke toon: ‘Waar moet je heen?’ ‘Baarn,’ zei ik. ‘Laat je koffer maar staan hier. Dan loop ik even met je mee,’ was zijn reactie. Verbaasd en dankbaar door zo veel service van de NS liet ik me meevoeren de roltrap af.

De conducteur was een paar denkstappen verder geweest dan ik. Dit station heeft alleen afgesloten poortjes. Zonder ingecheckt te zijn had ik hier ook niet uit gekund om in te checken. Hij gebruikte zijn conducteurschipkaart om ons beiden door de poortjes te laten. Ik checkte aan de andere kant in en liep op eigen titel weer door de doorgang.

‘Verbaasd en dankbaar door zo veel service van de NS liet ik me meevoeren de roltrap af.

Samen liepen we weer naar boven. Ik bedankte hem hartelijk en ging de trein in. Even later blies zijn jongere collega op het fluitje. Ik kon mijn reis naar huis legaal voortzetten.

Twintig minuten later kwamen we aan op station Weesp, het eindpunt van deze trein. Als dank knikte ik naar de besnorde conducteur door het glas van de eerste klas waar hij een vaste plek had ingenomen en stapte uit om over te stappen op de trein naar Amersfoort. Mijn eerste gedachte was dat die van het tegenover liggende spoor zou vertrekken. Daar stond echter geen trein noch was er een melding die iets in die richting deed vermoeden op de borden te zien.

Ik draaide me weer om en zag dat de bestemming op de trein was veranderd van Weesp naar Amersfoort. Op het bord boven het perron werd dit inmiddels bevestigd: mijn oude trein was mijn nieuwe geworden.

‘Twee mensen deden iets aardigs voor me maar dat leek geen indruk te hebben gemaakt.

Vreemd, dacht ik, dat had die vriendelijke snorremans toch kunnen vertellen? Hij wist dat ik naar Baarn moest. Ik bedacht me ook ineens dat zijn collega twee keer mijn kaartje had gecontroleerd. Schijnbaar was ook die, tot twee keer toe, vergeten dat hij mijn koffer in de gaten had gehouden toen ik met zijn maat mezelf was gaan inchecken.

Twee mensen deden iets aardigs voor me maar dat leek geen indruk op hen te hebben gemaakt. Of, beter gezegd, ík leek geen indruk op hen te hebben gemaakt. Voor hen was ik schijnbaar gewoon één van de vele reizigers die ze op een dag zien. Zelfs als die reiziger iemand is voor wie ze iets doen wat ze voor niemand of dan tenminste bijna niemand anders eerder hebben gedaan. (Wie wel eens mee heeft gemaakt dat een NS-conducteur op zijn of haar koffer heeft gepast terwijl zijn collega met hem of haar meeliep om later in te checken dan officieel toegestaan mag dat nu via de commentaarbox van deze blogpost laten weten.)

Dat die ene collega me bij een routineuze handeling als kaartjes controleren over het hoofd ziet, vind ik vanuit menselijk oogpunt al best stuitend, maar alla. Ik blijf graag naïef maar ik weet ook wel dat ik niet veel hoef te verwachten op dit vlak. Maar dat die ander me niet even wees op een stukje info waarvan hij kon weten dat ik me er gezeul met een koffer mee kon besparen, dat begrijp ik minder goed. Dat hij moeite wilde doen voor reizigers, had hij al bewezen. Dus aan zijn inborst kan het niet hebben gelegen. Of toch wel?

‘Misschien deed-ie het wel om aan zijn jongere collega te laten zien hoe je met de klantjes omgaat. Beetje stoer doen.

Was hij het type man dat mooie sier wil maken met grote gebaren, maar dan alleen als hij er zelf zin in heeft? Iemand die, eenmaal in het pluche van de eerste klas, liever zijn junior lakei het loop- en praatwerk laat oplossen? Een soort van weldoenerige snob? En misschien deed-ie het wel niet voor mij maar om aan zijn jongere collega te laten zien hoe je met de klantjes omgaat. Beetje stoer doen.

Kan. Ik denk het alleen niet. Eerder denk ik dat het iets is wat mij ook wel vaker overkomt: ik zie iemand die overduidelijk hulp nodig heeft maar ik doe niks. Ik ben simpelweg te laat of ik bevries. Als ik mentaal afwezig ben, kan ik dwars door iemand heen kijken. Dan líjkt het alsof ik hem zie maar dan zie ik eigenlijk niks. Soms detecteert het primitieve deel van mijn hersenen allerlei gevaren die komen kijken bij het helpen van anderen. Geen reële gevaren maar dat maakt voor mijn primitieve hersenen niet uit. (Voor meer over mentale afwezigheid bij eerste hulp, ziehier. En over irreële angst bij eerste hulp staat hier meer.)

Stom. Ik was echt verongelijkt over het gebrek aan attentie van deze besnorde conducteur. Maar misschien was-ie er ook gewoon even met zijn gedachten niet bij. En sowieso: wie heeft wel eens meegemaakt dat een NS-conducteur op zijn of haar koffer heeft gepast terwijl zijn collega met hem of haar meeliep om later in te checken dan officieel toegestaan? Ik bedoel maar.

Met iemand begaan zijn is niet professioneel

Drie verhalen. Eén rode draad: de betrokken professionals hebben geleerd niet te betrokken te zijn. Zou het dan een patroon zijn? En, zo ja, hoe doorbreken we dat dan?

‘Saar’, een goede bekende, zit in de bijstand. Al bijna een jaar werkt ze gratis en voor niks mee aan het opbouwen van een stichting die een doel nastreeft waar ze in gelooft. De gemeenteambtenaar die haar begeleidt heeft dat toegestaan. (Toegestaan? vraag je je nu misschien af. Mag dat dan niet? Neen. In ons land mag je geen vrijwilligerswerk doen als je in de bijstand zit.) Dat deed ze omdat Saar uitzicht had op betaald werk voor de stichting. Zo gauw zij opgericht is en cashflow heeft, kan de stichting mensen betalen. En Saar gaat waarschijnlijk een van die mensen zijn. Daarmee is haar vrijwilligerswerk een soort lange sollicitatie met goede vooruitzichten.

Maar vorige week hield het op. De ambtenaar liet weten dat Saar niet meer voor niks mocht werken voor de stichting. De werkcoach was op haar vingers getikt door haar manager. Die kon niet toestaan dat ze nog langer toestond dat een bijstandstrekker vrijwilligerswerk deed.

‘Zeven jaar later waart nog altijd het spook van de Crisis van 2010 rond.’

In de zomer van 2010 werd de hbo-opleiding Media Entertainment Management (MEM) in Haarlem berucht in Nederland. Stuwmeren aan studenten werden via de zogenaamde Theo-route geleid. Volgens out- én insiders was dit traject een oneigenlijke, te gemakkelijke weg naar een MEM-diploma. Zo waren er tentamenbriefjes ondertekend met een datum van voor de tentamendatum en hadden studenten zeven vakken op een dag gehaald. Een grote interne schoonmaak was het gevolg.

Zeven jaar later waart nog altijd het spook van de Crisis van 2010 rond. Op feestjes weet iedereen er wel iets over te vertellen, of ze nou iemand of niemand kennen van de MEM. En binnen veel hogescholen is men sindsdien bang voor niveauverlaging: niemand wil door de Inspectie – en helemaal niet door de pers – op de vingers getikt worden omdat hun diploma’s niks waard zijn.

‘Als ze horen van de bloedwaarden zegt iedereen die er een beetje verstand van heeft: “Wat moet jíj je beroerd voelen.”’

Het ijzergehalte in het bloed van mijn vriendin is extreem laag en haar Hb-waarde is gezakt naar een gevaarlijk punt. Dat leidt ertoe dat ze onder andere duizelig en erg vermoeid is en last heeft van hartkloppingen, oorsuizen en black-outs. Haar huisarts heeft haar daarom doorverwezen naar twee specialisten. Die kunnen haar verder onderzoeken en – en dat is het meeste urgente nu – haar een ijzerinfuus of een bloedtransfusie geven.

Als ze horen van de bloedwaarden zegt iedereen die er een beetje verstand van heeft, inclusief huisarts en specialisten, tegen mijn vriendin: ‘Wat moet jíj je beroerd voelen.’ Bij beide ziekenhuizen waar die specialisten zijn gevestigd kan ze echter pas over zes weken terecht. Om een basisarts te spreken, geen specialist met een afgeronde opleiding. De kans dat mijn vriendin binnen een week een infuus of transfusie krijgt daalt daarmee richting de nul. Dat gaat eerder anderhalve maand duren. En dat terwijl ze zich al weken door elke dag heen sleept.

Met iemand begaan zijn wordt afgestraft in onze maatschappij. Of je nu docent, werkcoach of arts bent. En of het nu terecht is of niet. De boodschap die betrokken professionals te horen krijgen is telkens dezelfde: help niet te veel, laat je niet meeslepen met individuele gevallen, bewaar je professionaliteit, houd afstand. En de straf voor overtreding is zwaar. Dat heeft de MEM laten zien en er zijn genoeg andere gevallen; van de zorg, waar huisartsen vervolgd worden omdat ze wanhopige patiënten helpen bij zelfdoding, tot de financiële sector, waar bankmedewerkers ontslagen worden omdat ze radeloze klanten betaaltermijnen van persoonlijke leningen laten overschrijden.

‘Je hoeft je alleen maar voor te stellen dat het je eigen kind, broer, zus, vader, moeder, opa, oma, man, vrouw, vriend of vriendin is.’

Dit systeem heeft bij scholen een onterechte angst voor een te lage lat ingeboezemd. Daardoor studeren studenten nu om onbenullige formaliteiten juist niet af. Het heeft bij gemeentes een rigiditeit opgeleverd waardoor mensen die juist goede dingen doen voor onze maatschappij uit de bijstand worden gegooid. En het heeft bij artsen een afstand tot hun patiënt veroorzaakt die ertoe leidt dat ze soms niet ver genoeg voor hun patiënten gaan die onnodig lijden.

Het is zaak dat er ruimte komt voor medeleven. Dat klinkt misschien soft en vaag, maar ik kan het praktisch maken: je hoeft je alleen maar voor te stellen dat het je eigen kind, broer, zus, vader, moeder, opa, oma, man, vrouw, vriend of vriendin is. Ik heb meerdere medici in mijn familie en vriendenkring en allemaal zijn ze meteen bereid te helpen bij de situatie met mijn vriendin. Nu het niet lukt via de huisarts, gaan we dat netwerk maar inschakelen. (Noem het onze eigen Theo-route.)

‘Met iemand begaan zijn wordt afgestraft als je een professional bent.’

Het simpele feit dat mijn vriendin een familielid of vriendin is maakt dat mensen in actie komen die in hun verdere professionele leven de afstand bewaren. De nabijheid zorgt voor de wil om meer te doen. Het is gemakkelijker om mee te voelen met iemand die we kennen. En we vertrouwen die persoon meer dan een onbekende. We zullen hem of haar eerder op zijn of haar woord geloven. (‘Hou je het niet langer vol? Dan ga ik nú hulp voor je regelen!’ vs. ‘U zegt dat u het niet langer volhoudt? Dat wil ik eerst zelf vaststellen.’)

Natuurlijk kan niet elke professional voor iedereen continu vol in actie komen. Maar een beetje meer empathie en vertrouwen zouden voor veel betere afwegingen zorgen. Als je dus een klant of patiënt met een hulpvraag voor je neus krijgt (of als je de manager, opleider, inspecteur, verslaggever of collega van iemand bent die ‘te begaan’ is met zijn of haar klanten of patiënten), stel jezelf dan eerst de checkvraag: wat zou ik doen als dit een familielid of vriend was? Kost je tien seconden. Levert heel veel op.


Wil je meer weten over hoe onze moderne samenleving op de verkeerde knoppen van onze sociale inborst drukt? Lees m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.

Een vooroordeel komt te paard en gaat te voet

Biologisch is het heel logisch om snel je oordeel over een ander klaar te hebben. Bovendien heeft het evolutionair nut om dat vooroordeel niet los te laten als blijkt dat we ongelijk hebben. Maar in hoeverre zijn biologie en evolutie nog van toepassing op een snelweg?

De A8 vlak voor de ring rond Amsterdam is over een paar kilometer vier banen breed. Twee daarvan zijn van de ‘originele A8’. De twee andere rijbanen zijn voor het verkeer dat van de A7 erbij komt.

Toen ik gisteren vanaf de A7 de A8 opreed op de linker van de twee rijbanen die vanaf de A7 komen, reed er een stukje voor mij op de rechterbaan van de twee originele A8-banen een auto. Anders gezegd, op de vier banen die de A8 daar inmiddels vormden reed de bestuurder op de tweede van links en ik op de tweede van rechts. De auto reed net iets langzamer dan ik, dus als de man niet naar rechts zou gaan of ik niet naar de meest linker baan, zou ik hem rechts inhalen.

‘Het zei hem blijkbaar niets, want hij bleef gewoon op de baan rijden waar hij voor het eerst mijn leven in was gekomen.’

Dat wilde ik voorkomen en de man bleef op de baan waar-ie was, dus ik ging snel naar de linker baan. En voelde een lichte irritatie opkomen. Waarom ging de man niet gewoon naar rechts, waar langzamer verkeer hoorde? dacht ik. Om te laten zien hoe het hoort, ging ik van de linker baan helemaal terug naar de rechter toen ik de linksrijder had ingehaald.

Het zei hem blijkbaar niets, want hij bleef gewoon op de baan rijden waar hij voor het eerst mijn leven in was gekomen.

Nu zei ik al dat de A8 maar slechts over een paar kilometer vier rijbanen telt. Al snel komt hij namelijk uit op de A10. De twee rechter banen gaan naar de west- en de twee linker banen naar de noordring. Hoe dichter we bij de splitsing kwamen, hoe duidelijker het werd dat de linksrijder naar Ring-Noord wilde. Dat wilde ik ook, overigens. Dus ik verplaatste m’n auto, na een halve kilometer op de meest rechtse rijbaan te hebben gereden, naar de baan waar de man al de hele tijd reed.

‘Ik moest bewust energie stoppen in accepteren dat deze man niet de irritante rij-in-de-weg was waarvoor ik hem had uitgemaakt.’

Ik besefte dat de man iets had gedaan wat ik zelf ook regelmatig doe: niet onnodig van baan wisselen als je weet dat de snelweg zich over niet al te lange tijd splitst. Dat is niet alleen minder gedoe voor jezelf, het geeft ook een veiliger verkeerssituatie. (Denk  bijvoorbeeld aan wat er nu gebeurt op het nieuwe knooppunt Muiderberg, waar de A6 van de A1 splitst. Daar gaan auto’s en vrachtwagens op het laatste moment nog even snel een paar banen naar links of rechts om niet de verkeerde snelweg op te rijden.) De man had dus iets gedaan waar ik eigenlijk wel achter kon staan.

En toch kostte het me moeite om de man van het ‘foute hokje’ naar het ‘goede hokje’ te verplaatsen. Ik moest bewust energie stoppen in accepteren dat deze man niet de irritante rij-in-de-weg was waarvoor ik hem mentaal had uitgemaakt. Een deel van mijn hersenen sputterde zelfs nog even tegen, merkte ik. Het was alsof het, in reactie op mijn mildere gedachten, zei: ‘Ja maar, hij had toch wel éven naar rechts gekund?!’ Een ander deel van mijn hersenen kalmeerde zijn tegensputterende collega en samen lieten ze zich naar de Ring-Noord rijden.

Zo gaat het vaak, volgens mij: op basis van een simpel voorval hebben we een oordeel over een ander en als blijkt dat dat oordeel onterecht was, kost het veel moeite om ervan af te stappen. Dat komt door twee dingen.

‘Ons theorie-instinct is z’n biologische doel ver voorbij geschoten.’

Ten eerste heeft het biologisch nut om snel je oordeel klaar te hebben. Als we te lang moesten onderzoeken en nadenken over wat dat ritselend geluid in de struikjes veroorzaakte, liepen we de kans opgegeten te worden door de tijger die in de bosjes liep. We hebben daarom een ‘theorie-instinct’ ontwikkeld, zoals de Amerikaanse journaliste Kathryn Schulz het noemt. Dat is alleen z’n biologische doel ver voorbij geschoten. Op basis van zelfs maar de kleinste feitjes ontwikkelen we hele theorieën over hoe iemand, iets of de wereld in elkaar zit.

Het tweede ding is dat we ons eigen oordeel overschatten omdat we onszelf overschatten. En dat is weer omdat onszelf geringschatten biologisch ook niet slim zou zijn. Als we namelijk continu aan onszelf twijfelen maakt dat ons minder aantrekkelijk, dus minder geschikt voor voortplanting – mensen vallen nou eenmaal niet snel op iemand die als een onzeker vogeltje door het leven gaat. En het maakt ons minder betrouwbaar, dus een slechtere kandidaat voor samenwerking, waardoor we minder kans hebben op veiligheid en voedsel – we vertrouwen iemand die zich de hele tijd ongemakkelijk achter z’n oren krabt immers niet zomaar. Het heeft zin om je eerste oordeel en jezelf heel serieus te nemen. Maar ook dat instinct is een vuistregel die in lang niet alle gevallen geldt.

Kortom, een belangrijk deel van mijn hersenen snapt niet dat ik geen oordeel moet hebben over een man die iets doet wat ik niet meteen begrijp en al helemaal niet dat het oordeel dat ik heb geveld onterecht zou kunnen zijn. We moeten het onszelf dus niet erg kwalijk nemen als we te snel oordelen en moeilijk afscheid kunnen nemen van onze eerste, onterechte indruk.

Maar we zouden er wel goed aan doen om, verrijkt met deze wetenschap, zonder morren ons foute vooroordeel in te slikken.


Wil je meer inzichten over de combi van onze biologie en onze moderne samenleving? Lees m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.


Laat je twijfel je trots inhalen

Er is een verschil tussen twijfel en onzekerheid. Iemand die onzeker is, weet niet of hij het kan. Vaak omdat hij te weinig ervaring heeft. Iemand die twijfelt, voelt dat er iets niet klopt. Vaak omdat hij genoeg ervaring heeft. Helaas halen we de twee vaak door elkaar. En dat kan ervoor zorgen dat we onnodig fouten blijven maken.

Ik was de dagvoorzitter van een seminar dat ik zelf had georganiseerd. Ik vond dat ik een inspirerende opening moest doen; eentje die de toon zette, die grappig en scherp was en die, als het even kon, ontroerde. Kortom, ik wilde indruk maken.

Toevallig was ik net De TED-methode aan het lezen van Chris Anderson, dé man achter het ideeën-imperium TED. De bottom-line van het boek is: (1) vertel jóúw verhaal en (2) bereid je megagoed voor. Die bottom-line raakte een zenuw. De vorige keren dat ik het seminar opende was ik niet zo tevreden over mezelf geweest. Ik bedacht me dat dat wel eens kon liggen aan het feit dat ik niet míjn verhaal had verteld maar een verhaal dat bestond uit verhalen van andere mensen of uit wat ik dacht dat anderen wilden horen. En de voorbereiding was oké maar ik was misschien toch te snel tevreden geweest.

‘Dagen , weken, maanden maalde het door mijn hoofd.’

Ik ging aan het werk. Dit jaar moest de opening immers echt de toon zetten en grappig, scherp en ontroerend zijn. Wat was míjn verhaal? Ik mijmerde en soulsearchte me een slag in de rondte. Meerdere onderwerpen kregen een kans en werden uiteindelijk afgeserveerd. Meerdere versies van het verhaal over verschillende onderwerpen stak ik af voor mijn proefpubliek (mijn vriendin) maar de meeste haalden de eindronde niet. Dagen (en nachten), weken, maanden maalde het door mijn hoofd. Onder het douchen, bij het ontbijt, al rijdend naar en van afspraken, voor het slapengaan… als een vlam in een cv-ketel, groot en dan weer klein, maar nooit helemaal uit.

Uiteindelijk had ik twee onderwerpen die goed overkwamen op mijn proefpubliek. Een van de twee zorgde zelfs voor tranen bij mijn testtoehoorder. (Yes!) Zelf was ik er ook niet ontevreden over. Maar daar was meteen de catch: ik was er niet ontevreden over maar ik stond ook niet te juichen. (Ondanks de tranen bij mijn focusgroep-van-één.)

De maandag voor de donderdag van het seminar stond ik met het boek van Chris Anderson in m’n hand en voelde me betrapt. Ging ik nou wel echt míjn verhaal vertellen? Of had ik me er weer in laten tuinen? Omdat ik indruk wilde maken, had ik weer een verhaal bedácht, met m’n hoofd. Het kwam niet uit m’n buik, of m’n tenen. Ik begon te twijfelen: doorgaan op de al ingeslagen weg of helemaal opnieuw beginnen en al het bloed, het zweet en (andermans) tranen voor niks laten zijn?

‘Ik voelde me betrapt. Ging ik nou wel écht míjn verhaal vertellen?’

Ik moest denken aan wat een coach ooit over mij had gezegd: ‘Als jij binnenkomt, denk je: wow, daar komt iemand binnen! Maar dan begin je te praten…’ Ze refereerde weliswaar aan de gesprekken met haar over mezelf, waarin ik mezelf wat ongemakkelijk blootgaf. Maar ik herkende het patroon in deze seminarsituatie, en in radio-interviews die ik had gegeven, en in spontane speeches geven op feesten en partijen…

Maar dat is lang niet altijd zo.

Een seminar met mensen die ik geweldig vind: organiseer ik alsof het vanzelfsprekend is. Liedjes: leer ik zo uit m’n hoofd. Een mooi concept: ik vertel er graag over. Andermans verhaal of team: ik zie de potentie en maak er iets beters van. Een groep schreeuwende of vragende mensen: ik ga met ze aan de slag. Discussiëren: kan ik. Maar geef mij (het vooruitzicht op) een leeg podium, geen agenda en een zooi starende mensen, en mijn hersenen gaan in survival mode. Ik bén er niet echt meer. Ik leun op techniekjes, ideeën van een ander en koketterie.

Ik realiseerde me dat ik de energie van anderen nodig heb om het beste uit mezelf te halen. De schijnwerper moet op een ander staan voordat ik kan stralen. Maar dat is niet hoe we hebben geleerd dat het hoort te zijn. We hebben geleerd dat je een goed verhaal klaar moet hebben, een leider moet zijn, impact moet hebben, het alleen moet kunnen redden. Mijn natuurlijke modus past niet in dat plaatje.

‘Geen geleun meer op techniekjes, ideeën van een ander en koketterie.’

Deze keer was ik me echter bewust van mijn ‘gebrek’ en hoe ik daarmee omging. Ik voelde continu twijfel omdat ik iets wilde gaan doen wat niet bij me past. Dat wilde ik niet meer. Geen geleun meer op techniekjes, ideeën van een ander en koketterie.

Het was voor mij ineens oké dat ik andermans liedjes zing, chaotische en vastgeroeste verhalen van een ander stroomlijn en vlot trek, groepen en organisaties waar ik niet bij hoor verbeter, andere mensen bij elkaar breng. Het was prima dat ik de schijnwerper liever op een ander zet.

Snel zette ik wat steekwoorden over dit inzicht op papier. En die donderdag vertelde ik erover in mijn openingsspeech. Je moet het de aanwezigen vragen, maar volgens mij zette ik de toon, was ik grappig en scherp en heb ik, al was het maar één persoon een heel klein beetje, ontroerd.

‘Mijn intuïtie probeerde me iets te vertellen: hier ben je eerder geweest, weet je nog? Dit bén jij niet.’

Het gezegde dat ik altijd vreselijk heb gevonden is waar: bij twijfel niet inhalen. Er is namelijk een verschil tussen twijfel en onzekerheid. Ik was niet onzeker. Ik heb inmiddels vaak zat op een podium een verhaal afgestoken om te weten of ik het kan of niet. Nee, ik twijfelde. Mijn intuïtie probeerde me iets te vertellen: hier ben je eerder geweest, weet je nog? Dit bén jij niet.

Iemand die onzeker is, weet niet of hij het kan. Vaak omdat hij te weinig ervaring heeft. Iemand die twijfelt, voelt dat er iets niet klopt. Vaak omdat hij genoeg ervaring heeft. Intuïtie noemen ze dat. Dat ís niet meer dan gestolde ervaring.

Dus als je iets nog nooit of te weinig hebt gedaan, wees dan lekker onzeker. En doe het toch. Maar als je op het punt staat voor de zoveelste keer iets te doen en het voelt nog steeds niet goed, doe het dan niet. Laat je twijfel je trots inhalen.

Anders ben je, om Einstein te parafraseren, de waanzin nabij: je blijft hetzelfde doen en verwacht toch een ander resultaat.

Waarom de FNV niet blij is als Jumbo-medewerkers een goede deal krijgen

Als we geconfronteerd worden met iets dat in strijd is met ons zelfbeeld, passen we niet ons zelfbeeld aan. In plaats daarvan passen we ons beeld aan van dat wat of degene die ons zelfbeeld dreigt aan te tasten. De FNV heeft dat ook weer bewezen.

Debbie van Leiden, eerste onderhandelaar Jumbo distributiecentra bij de FNV, wil weer actie gaan voeren. Dat vertelde ze gisteren op de radio. Omdat ze met het bestuur van de Jumbo om tafel wil. Ondanks dat ze zelf vindt dat in het voorstel van het bestuur voor nieuwe arbeidsvoorwaarden veel staat van wat de vakbond al de hele tijd wil. En ondanks het feit dat de Jumbo haar en haar vakbond buitenspel had gezet.

De supermarktketen heeft namelijk bekendgemaakt dat ze uit de cao stapt. Daarmee is het geen vakbondsding meer. Jumbo gaat in plaats daarvan met de eigen ondernemingsraad om tafel om een nieuw arbeidsvoorwaardenpakket samen te stellen. De nieuwe voorstellen zal zij ook voorleggen aan groepen vertegenwoordigers van werknemers om ze te toetsen.

‘Het werd duidelijk dat de FNV is uitgespeeld en tóch gaat de FNV haar leden weer tot actie aanzetten.’

Uiteraard confronteerde de radiopresentator van dienst haar met deze feiten. De reacties hierop van mevrouw Van Leiden begonnen telkens met een langgerekt ‘ehm’. En áls ze inhoudelijke antwoorden wist te formuleren, klonk het gezocht. Kortom, het werd duidelijk dat de FNV is uitgespeeld. En tóch eindigde de FNV-ster met de dreigende boodschap dat ze haar leden weer tot actie zou aanzetten.

Wat wilde Debbie nog bereiken? De werknemers krijgen een stem in de totstandkoming van het nieuwe arbeidsvoorwaardenpakket. Dus taak één van de vakbond, de stem van de werknemer vertegenwoordigen, is afgedekt. En ze krijgen aangeboden wat ook de FNV goed voor hen vindt. Daarmee is taak twee ook ingevuld, onderhandelen ten behoeve van de werknemer. En toch wilde de eerste onderhandelaar weer de barricades op. Om aan tafel te komen…

Vorig jaar viel me een soortgelijk geval op in het nieuws. Zo langzamerhand wordt het wel wat koddig, vind ik, het gewurm van belangenbehartigers om gehoord te worden. Zoals we weten, een kat in het nauw maakt rare wurmbewegingen. En instituten als vakbonden zíjn in het nauw. Het ledental bij vakbonden daalt gestaag sinds 1999.

‘We gaan steeds meer zien dat we elkaars belangen ook kunnen dienen door daar gewoon rechtstreeks met elkaar over te praten.’

We ontdekken namelijk dat het allemaal niet zo groots en negatief hoeft. Werkgevers en werknemers gaan steeds meer zien dat ze elkaars belangen ook kunnen dienen door daar gewoon rechtstreeks met elkaar over te praten. Met andere woorden, die belangen waar de mevrouwen Van Leiden van deze wereld zo hard voor willen vechten, worden tegenwoordig ook beschermd zonder dat daar een instituut tussen hoeft te zitten. Alleen dat is een wereld waar mevrouw Van Leiden en haar FNV niet voor gemaakt zijn.

Dus wat moet ze dan? Een rationeel mens zou zeggen: ‘Top! Fijn! De belangen zijn behartigd! Mission accomplished! Ik kan het wat rustiger aan gaan doen. Misschien moet ik zelf maar ‘s een andere werkgever gaan vinden.’ Maar rationele mensen, die bestaan niet. Dus we mogen ook niet verwachten van Debbie dat zij de eerste in haar soort wordt.

‘Haar ratio geeft de beurt terug aan het deel van haar hersenen waar de ratio niet woont.’

Als (fictieve) rationéle mensen geconfronteerd zouden worden met feiten die hun zelfbeeld aantasten, zouden ze hun zelfbeeld aanpassen. Maar dat doen normále mensen niet. Die passen hun beeld van de ander aan. Dus in het hoofd van Debbie zijn zij en haar FNV niet gek, het bestuur van de Jumbo moet de boel niet omdraaien! Niet met de vakbond om tafel? Zijn ze helemaal gek geworden? Zo zit de wereld niet in elkaar!

En als je haar dan vraagt waarom ze zo graag om tafel wil en haar met de feiten confronteert, dan is het niet zo gek dat ze begint met een langgerekt ‘ehm’. Dat is haar ratio die moet passen, omdat er geen zinnig antwoord op is. En die geeft de beurt terug aan het grootste deel van haar hersenen, daar waar de ratio niet woont.

Ik zou dus willen vragen aan de Debbies van deze wereld – en aan iedereen eigenlijk: als je net iets te vaak ‘ehm’ zegt als reactie op iemand die simpelweg de feiten aan je voorlegt, wees dan even stil. Ga eerst eens bij jezelf te rade waarom je niet meteen een antwoord hebt. Misschien ben je wel iets onnodigs in stand aan het houden. Je zelfbeeld bijvoorbeeld.


Weten hoe andere instituten en mensen zichzelf onnodig in stand houden? Lees m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.