Mensen hebben laffe, gemakzuchtige, zelfgenoegzame hersens – en da’s lastig op kantoor

Om vijf voor negen liep ik naar de ruimte waar ik om half tien een workshop zou leiden. Vlak voor ik het zaaltje had bereikt schoot een man naar binnen. Hij ging zitten aan de vergadertafel, mobiel in de aanslag.

‘Ik moet bellen,’ zei de man toen hij mij in de deuropening zag staan. ‘Ik heb hier zo meteen een werksessie en ik wilde even een en ander voorbereiden,’ was mijn openingszin. ‘Hoe laat is die sessie?’ vroeg de man afgemeten. ‘Half tien,’ zei ik. ‘Dan kom je om half tien terug.’

Ik gaf niet meteen op. ‘Sorry dat ik aandring, maar hoe lang hebt u nodig, voor het bellen?’ ‘Tien minuten,’ antwoordde de man. ‘Dan kom ik over tien minuten wel weer terug,’ zei ik terwijl hij de deur voor mijn neus dichtdeed.

‘Er zit een chagrijnige meneer te bellen.’

Mompelend over zoveel onvriendelijkheid liep ik de lange gang naar de afdeling van mijn opdrachtgever om daar de tijd te doden.

Een van haar secretaresses stond op toen ze mij zag, beamer in de aanslag. ‘Zullen we?’ vroeg ze, ‘we kunnen deze het beste zo snel mogelijk aansluiten.’ ‘We kunnen de vergaderzaal nog niet in.’ Ik kon het niet laten eraan toe te voegen: ‘Er zit een chagrijnige meneer te bellen.’

‘O…’ zei de secretaresse, ‘maar ik heb de zaal vanaf negen uur gereserveerd.’ ‘Hij is over tien minuten klaar, zei hij, dus ik wacht wel even,’ zei ik met nonchalante nobelheid. ‘Oké,’ en ze ging weer zitten.

Hoe snel is mijn mond om mijn oordeel te delen met anderen.

Om vijf over negen liepen we met z’n tweeën naar het zaaltje. De man was nog altijd aan het bellen. Kordaat deed de secretaresse de deur open: ‘Wij hebben deze ruimte gereserveerd vanaf negen uur.’ Zonder zijn telefoongesprek te onderbreken liep de man de kamer uit.

Toen de beamer aangesloten was, de secretaresse me alleen had gelaten en ik de rest ook klaar had gezet, kwam de man weer terug. ‘Excuus voor zojuist. Dat was niet mijn bedoeling,’ zei hij. ‘O… ja… dank u. En ik wist niet dat de zaal al om negen uur voor mij was gereserveerd…’ reageerde ik wat onhandig, vooral om iets terug te zeggen.

Hoe snel is mijn brein toch met oordelen. En dat niet alleen. Hoe snel is mijn mond om mijn oordeel te delen met anderen. Ik kón niet anders dan deze meneer onvriendelijk vinden en ik móést mijn mening over deze meneer ventileren bij de eerste die ik tegenkwam. Gaf me een goed gevoel.

Het enige wat ik weet is dat hij naderhand zijn excuus aanbood. En dat moet genoeg zijn.

Natuurlijk, deze man had me wel iets vriendelijker te woord kunnen staan. Maar wie weet waar zijn telefoontje over ging? Misschien had hij wel een grote fout bij zijn opdrachtgever gemaakt en kon hij die goedmaken. Misschien had hij ruzie gemaakt met zijn vrouw en probeerden zij het bij te leggen. Of wie weet belde zijn arts met de uitslag van een belangrijk onderzoek.

Point is, ik wist het toen niet en ik weet het nog steeds niet. Het enige wat ik weet is dat hij naderhand zijn excuus aanbood. En dat moet genoeg zijn.

Genoeg om hem te vergeven. En vooral genoeg voor mij om de volgende keer dat iemand iets dóét wat lomp lijkt, mezelf ervan te proberen te weerhouden te denken dat hij lomp ís.

En ik zeg met nadruk ‘proberen’ me ervan te weerhouden. Ik blijf immers een mens met een stel laffe, gemakzuchtige, zelfgenoegzame hersens.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een dochter, een hond, een vriendin, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina.


 

 

Advertisements

NS-conducteurs in 0,002 procent van gevallen geconfronteerd met geweld

‘NS-conducteurs circa vier keer per jaar geconfronteerd met geweld.’ ‘Strijd tegen geweld in en rond treinen gaat moeizaam.’ ‘Hevige agressie in de treinen: geweld en spuug tegen treinpersoneel.’ Zomaar wat koppen van internet.

Als je de media mag geloven is het een groot strijdtoneel op en om het spoor.

Als je de media mag geloven is het een groot strijdtoneel op en om het spoor.

Sinds een paar weken ga ik weer regelmatig met de trein. Ik kijk mijn ogen uit door de dingen die je mag verwachten van een moderne treinreis: drommen mensen die zich, (bijna) allemaal even netjes verzorgd, in net-niet-te-krappe ruimtes proppen terwijl ze vrijwel continu in hun telefoon en/of laptop kijken.

Maar laatst viel me iets op wat eigenlijk erg voor de hand ligt maar helemaal niet zo normaal is: het gaat allemaal goed.

Ik heb er misschien nog geen twintig spitsritjes op zitten deze maand maar tijdens die reizen zijn er al wel duizenden mensen met mij mee gereisd. En níémand sloeg een ander op zijn bek of schold een ander zelfs maar uit.

Het belangrijkste negatieve wat er in sociale zin gebeurd is is dat ik en een jongen samen een snurkende man uitlachten. En dat was in sociale zin ook positief want het schiep meteen een bandje tussen die jongen en mij.

‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving.’

Sterker nog, ik heb juist best wat vriendelijke uitwisselingen gehoord en gezien tussen treinreizigers. Vanochtend nog maakten de jongen naast me en ik een grapje over plastic bladeren op de rails – niet echt een goeie grap, zelfs als je erbij was, maar wel vriendelijk bedoeld.

In 2017 reisden er ruim 470 miljoen mensen met de trein. Als je dat afzet tegen de vier keer per jaar dat een conducteur met geweld geconfronteerd wordt, komt dat neer op 0,002 procent van alle reizigers waar de 2.800 conducteurs van de NS mee in aanraking komen. Dat is nog altijd een factor duizend minder dan het percentage mensen dat in aanraking komt met huiselijk geweld.

Ooit kreeg ik van een bekende gedragsbioloog – wiens naam ik heb beloofd niet te noemen – te horen dat wij het zo slecht nog niet doen, omdat andere dieren het nóg veel slechter doen. Ik was bezig met onderzoek voor mijn eerste boek en had hem gevraagd waarom hij denkt dat mensen zo naar doen tegen elkaar.

Zijn letterlijke antwoord was: ‘Het is enorm opmerkelijk dat we met vreemden overweg kunnen binnen een samenleving, zelfs al zijn we niet zo aardig als u graag zou zien. Er zijn namelijk talloze dieren die alleen maar vijandig tegen vreemden kunnen zijn. Dus mijn antwoord zou zijn te benadrukken hoe goed we het doen gezien de omstandigheden, in plaats van hoe slecht.’

In een beroep waarbij je gemiddeld een kleine 170 duizend mensen per jaar tegenkomt krijg je de mens in al zijn verschijningsvormen te zien.

Destijds was dit voor mij geen bevredigend antwoord. Wat hij me gaf was een beschrijving van ons gedrag ten opzichte van dat van andere dieren. Maar het was geen verklaring en dáár was ik toen naar op zoek.

Maar als je er goed over nadenkt, ís het enorm opmerkelijk. We zijn niet die ‘talloze dieren’ maar we zijn wel dieren. En in het dierenrijk is vijandig en ontwijkend gedrag tegen onbekenden normaal. Er is geen enkel ander dier dat elke dag weer vrijwillig onbekende soortgenoten opzoekt, zonder de bedoeling ze te bevechten – en in 99,998 procent van de gevallen ze ook daadwerkelijk niet bevecht.

Ik kijk daarom tegenwoordig met plezier naar voortbewegende mensenmassa’s in de stad, glimlachende ontmoetingen aan receptiebalies en vriendelijke uitwisselingen tussen toevallige passanten. Het is als een niet-geregisseerde en intuïtief en gracieus uitgevoerde dans.

Dat NS-conducteurs daar anders naar kijken, dat snap ik. Maar in een beroep waarbij je gemiddeld een kleine 170 duizend mensen per jaar tegenkomt gaan andere wetten spelen. Dan krijg je de mens in zijn talloze verschijningsvormen te zien. Ook mooi.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een dochter, een hond, een vriendin, een boek, een bedrijf en een Facebookpagina.


 

Iedereen wil en iedereen heeft een identiteit – maar die zijn niet hetzelfde

Een hoofdje stak nog net boven het stuur uit van de Mercedes die, zo leek het, aan mijn bumper vast zat. Ik reed iets meer dan de maximumsnelheid op de linker baan van de A1 naar Amsterdam. Ik haalde een paar auto’s in.

Niet snel genoeg, denk ik, volgens het Mercedes-meneertje. Toen een verdrijvingsvlak aankondigde dat de snelweg er nog een baan bij kreeg, hield het mannetje het niet meer. Hij haalde me in met razende motor, over de schuine witte strepen.

Achter hem aan en net zo gejaagd kwamen een Golf en een busje. De bestuurder van de laatste toeterde, alsof-ie het punt van het Mercedes-mannetje wilde onderstrepen.

‘When we walk, we become a pack.’

Bumperklevers kennen we allemaal. En auto’s die in stoet-met-weinig-afstand achter elkaar aan over de snelweg sjezen ook. Maar ik had nog niet meegemaakt dat leden van zo’n stoet, met toch heel verschillende types, aan de auto’s te zien, zich als één druk maakten over mensen die hun in de weg zaten.

Vooral het toetertje van de chauffeur van het busje vond ik koddig. Als de dommige hulp van een gangster die, nadat zijn baas iemand heeft geïntimideerd, terwijl hij wegloopt nog even met zijn schouder opbotst tegen de schouder van het slachtoffer.

‘When we walk, we become a pack,’ zegt hondenfluisteraar Cesar Millan altijd. Samen dezelfde kant op bewegen, dat verbroedert. Voor elkaar onbekende honden voelen zich opeens als één als ze samen op pad gaan.

Dat wat voor honden geldt, geldt ook voor mensen. Als je maar hetzelfde doet, voel je je verbonden. Zeker als je omgeven bent door mensen die niet hetzelfde doen en helemaal als die in de weg zitten van wat jullie samen aan het doen zijn.

Dan maakt het niet uit hoe goed je elkaar kent of hoe zeer je verder op elkaar lijkt. Je hebt samen dat ene.

Als je iets doet waardoor je je identiteit deels of volledig verliest, ben je heel ontvankelijk voor dingen die je een identiteit geven.

Helemaal als je in een auto op de snelweg zit, waar je je met hoge snelheid voortbeweegt. Je voelt je anoniem en machtig, met dat stalen beest met vele paardenkrachten dat jij onder controle hebt. Je anonimiteit ontneemt je van alles wat jou normaal jou maakt. Het enige wat je op dat moment een identiteit geeft is je auto en dat wat je ermee doet.

Hard en gejaagd rijden vernauwt je bewustzijn tot een tunnel waarin alleen de mensen die ook hard en gejaagd rijden je vrienden zijn omdat alleen zij iets doen waar jij je mee identificeert. De rest is je vijand.

Stom, hè, die bumperklevers? Maar dit geldt voor alle roedels, niet alleen voor een roedel bumperklevers.

Als je iets doet waardoor je je identiteit deels of volledig verliest, ben je heel ontvankelijk voor dingen die je een identiteit geven.

Je kunt eensklaps een bondje hebben met iemand met wie je op een andere plek bonje zou krijgen over politieke voorkeuren.

Door een internetverbinding verlies je je identiteit. Een opmerking op een forum waar je het mee eens bent geeft je er een. Zo kun je je ineens verbonden voelen met iemand waar je op straat met een boog omheen zou lopen.

Als je bij een bushalte gaat staan, ben je vrij anoniem, gereduceerd tot je uiterlijk. Als je toevallig de enige van twee veertigers bent tussen allemaal tieners, is het niet gek dat je een blik van verstandhouding wisselt met die andere volwassene – wat een druktemakers, zeg je zwijgend tegen elkaar. Op die manier kun je eensklaps een bondje hebben met iemand met wie je op een andere plek bonje zou krijgen over politieke voorkeuren.

Een functietitel ontneemt je wat je verder ook nog bent in het leven – want wat heeft je persoonlijkheid te maken met je functiebeschrijving? En hij geeft je nieuwe vrienden in de mensen die ook die functie hebben. Daardoor sta je plots schouder aan schouder met mensen met wie je het geen minuut uit zou houden in de kroeg, en sta je vaak tegenover mensen, met andere functietitels, met wie je bij de buurtborrel de hele avond zou staan kletsen.

We bepalen vaak niet op basis van persoonlijkheid tegen wie we aardig doen en wie we uitfoeteren.

Wat ik wil zeggen: we bepalen vaak niet op basis van persoonlijkheid tegen wie we aardig doen en wie we uitfoeteren – of uittoeteren. We doen dat op basis van heel basale kenmerken, vooral in situaties waarin we gedeïndividueerd zijn, dus van onze individualiteit beroofd.

Dit gegeven kán positieve effecten hebben. Het kan mensen van heel verschillende pluimage bij elkaar brengen. Het kan dus verbroederen.

Als je wilt dat mensen stoppen met ruziën, kun je hun iets gezamenlijks te doen geven, liefst in een situatie waarin ze zich niet verbonden voelen met hun ‘verdere ik’. Gooi ze in een anonimiserende of onbekende situatie en laat ze samen iets doen.

Dat is waarom survivaltrips zo goed werken als teambuildingmiddel.

Liever een ondiep kopje heet water dat elk theezakje toelaat dan een eenzaam water met diepe gronden.

Het kan ook negatieve effecten hebben. Het zorgt immers voor oppervlakkige binding en actie die niet gebaseerd is op overtuiging maar op ‘dat wat de groep nou eenmaal doet’. Daarom zijn pubers bijvoorbeeld zo ontvankelijk voor groepsdruk: in een periode waarin ze geen idee hebben wie ze zijn, pakken ze alles aan om ergens bij te horen.

Maar ook volwassenen ontkomen hier niet aan. Ik noemde al de functietitels. Managers in een managementteam gedragen zich als managers, simpelweg omdat ze zo heten, net als die anderen in dat team. Dat ze een identiteit hebben die minder weg heeft van die van hun collega-managers en meer van die van hun medewerkers, dat maakt niet uit. ‘Je bent manager van deze tent! Gedraag je er dan ook naar!’

Zo hollen we onszelf en onze identiteit uit. En dat vinden we prima. Liever een ondiep kopje heet water dat elk theezakje toelaat dan een eenzaam water met diepe gronden. Want zo zijn we gemaakt: we willen ergens bij horen. Niet ergens bij horen is niet bestaan. Niet meedoen is niet bestaan.

Lekker dus, voor die mannen in de Mercedes, de Golf en het busje, dat ze het gevoel kregen dat ze bestonden. Gewoon, door hard achter elkaar aan te rijden en anderen van de linker baan te tuteren.

Dat ze op een andere plek elkaars bloed wel konden drinken, dat zagen ze dan wel weer.

Als jij wel echt iemands mening wilt horen, echt commitment wilt voor een idee of echte verbinding met iemand wilt, spreek hem of haar dan niet aan op z’n socialemediaprofiel, z’n uiterlijk of z’n functietitel, maar als persoon, met diepe gronden.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een bedrijf, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Snelwegaso’s hebben een kleine piemel

Zaterdag reed ik met het gezin terug van een heerlijke vakantie in Oostenrijk. We waren ergens op de A3 tussen Oberhausen en Arnhem. Ik reed op de linker baan. Net daarvoor had ik een auto ingehaald, een paar honderd meter voor mij reed een vrachtwagen en ik dacht dat er niemand achter me zat.

Voor mijn gevoel dook uit het niets opeens een VW Golf met Nederlands kenteken op in mijn buitenspiegel. (Door mijn binnenspiegel kon ik de weg achter me niet zien omdat de achterbak vol was gepropt met koffers en tassen.) De auto zat zowat op mijn bumper.

Snel ging ik naar rechts. Het duurde even voordat de wagen langszij kwam – het was een wat oudere Golf type 4 met erin vier mannen. Alle vier lieten ze me met nijdige kale koppen hun middelvinger zien.

Meteen daarna voelde ik een stoot adrenaline door mijn lijf gaan.

Ik zwaaide met een vrolijk gezicht terug en gaf ze een bemoedigende duim omhoog. ‘Goed bezig, jongens,’ zeiden mijn lippen geluidloos maar met uitvergrote bewegingen, zodat ook de mindere liplezers in de Golf het zouden kunnen snappen.

Meteen daarna voelde ik een stoot adrenaline door mijn lijf gaan. Ik maak er al een tijd een gewoonte van om met overdreven vrolijkheid en bemoediging naar asociale rijders te reageren. Maar erna voel ik altijd een flinke dosis irritatie en frustratie.

Ik kan er niet tegen als mensen wegkomen met asociaal gedrag. En niks is erger dan asociaal gedrag op de snelweg omdat er altijd blik en hoge snelheden tussen mij en die asociale rijders in zitten. Ik kan niet even verhaal gaan halen. Laat staan dat ik ervoor kan zorgen dat ‘dat soort mensen’ voor eens en voor altijd ophoudt met dat agressieve gedoe.

Dus ben ik het laatste stuk naar huis gaan nadenken over manieren om wel iets terug te kunnen doen.

Het eerste wat in me opkwam was een pistool trekken.

In ieder geval, bedacht ik, moest ik iets doen wat de aandacht trekt op een snelweg. Een goed gesprek met argumenten en nuance viel dus af.

Het eerste wat in me opkwam was een pistool trekken. Vanaf nu zou ik een niet-van-echt-te-onderscheiden nepgun in m’n handschoenenvakje hebben liggen. Het gaf me even een lekker gevoel. Go ahead, punk, make my day, dacht ik.

Maar al snel kreeg ik angstbeelden van rechtshandhavers die dit blog zouden lezen en me zouden aanklagen voor aanzetten tot geweld.

Bovendien moest ik wel iets doen waar ‘dat soort mensen’ ontzag voor heeft maar ik moest me niet verlagen. ‘When they go low, we go high,’ zei Michelle Obama al.

Ik was wanhopig. Ik wilde beleefd blijven. En ik wilde hun respect.

Wat me wel aanstond in het pistool is dat het iets is wat agressieve mensen respecteren. Want als je mensen wilt aanspreken, moet je contact met ze maken. Toen dacht ik, dankzij dat idee van contact maken én Michelle Obama, aan een mooie uitspraak: l’humour est la politesse du désespoir.

Humor is de beleefdheid van wanhoop. Ik was wanhopig. Ik wilde beleefd blijven. En ik wilde hun respect. Humor!

Daarom ga ik binnenkort borden laten maken met snedige replieken erop. Die leg ik dan in de auto, klaar voor de eerstvolgende snelwegaso.

De eerste ideeën: ‘Ik weet jouw huis te wonen,’ ‘Je hebt vast een heel kleine piemel,’ (oké, niet zo heel beleefd) en: ‘Voor elke middelvinger doneer ik 1.000 euro aan Natuurmonumenten.’

Ik hou me aanbevolen voor betere ideeën in de comments! Van de beste drie ga ik echt borden laten maken.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een bedrijf, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Mensen nemen het liefst geen verantwoordelijkheid

Mede verantwoordelijk zijn is niet verantwoordelijk zijn. Als het onduidelijk is wie iets zou moeten doen, gebeurt er vaak niets. Het probleem is alleen, in elke situatie waar meer dan één persoon aanwezig is is niemand honderd procent verantwoordelijk. Gevolg, er gebeurt te weinig en we wachten te veel op elkaar.

‘Pardon,’ zei ik en deed de tweede deur open van een koeling bij de groenteafdeling van de Albert Heijn. De dame naast me, die de eerste deur open had gedaan, reageerde amper tot niet op mijn verontschuldiging.

Ik vond snel wat ik zocht, sneller dan mijn winkelgenoot. Om de tweede deur bij het dichtdoen niet tegen haar aan te gooien liet ik hem open. Al snel vond de dame ook wat ze zocht en ze sloot de deur. Haar deur. De mijne liet ze open.

Een klein voorbeeld. Maar erin verscholen liggen heel veel andere voorbeelden.

Het komt zo vaak voor dat je je af kunt vragen of het nou typisch menselijk is of typisch Nederlands.

Het bordje waarvan je broertje of zusje had gegeten en waarover je moeder vraagt of je het naar de keuken wil brengen – ‘Ik heb het toch niet vies gemaakt?!’ De verpakking die iemand voor je vlak naast de prullenbak gooit – je voelt wel de neiging er iets van te zeggen maar niet de aandrang om het zelf op te rapen. De collega die niet doet wat was afgesproken – ‘Zijn leidinggevende zou hem eens moeten aanspreken!’ Of de medewerker die iets niet doet wat hij wel zou kúnnen doen – ‘Dat is toch niet míjn verantwoordelijkheid?’

Het komt zo vaak voor dat je je af kunt vragen of het nou typisch menselijk is of typisch Nederlands. Is het onze natuur of onze cultuur?

Maar misschien voel je nu allereerst de neiging om op te komen voor de vrouw van de koelingdeur. Misschien vind je dat ik mijn eigen deur had moeten dicht maken. Ik had hem toch ook open gemaakt?

Maar zit er niet altijd ambiguïteit in de voorbeelden hierboven en in al die andere voorbeelden die je zelf kunt bedenken? Van welke situatie waar meer dan één persoon aanwezig is kun je zeggen dat één van hen honderd procent verantwoordelijk is?

Wat maakt dan dat het voor ons zo moeilijk is om dan toch maar honderd procent verantwoordelijkheid te némen als de ander dat niet doet?

Niemand maakt zich continu zorgen om al het leed in de wereld en zelfs niet om alle mensen in hun directe omgeving. Dat is gewoon te veel.

Het antwoord is dat het zowel onze natuur als onze cultuur is.

Allereerst is het typisch menselijk om je zo beperkt mogelijk verantwoordelijk te voelen. Mensen die zich mentaal en fysiek druk maakten om alles en iedereen in de gemeenschap hebben het in de evolutie niet gered. Die verspilden hun energie. Choose your battles is niet voor niks een spreekwoord.

(Nu zijn er vast mensen aan wie je meteen moet denken van wie je vindt dat die zich druk maken om alles en iedereen. Maar ik durf te wedden dat dat reuze meevalt als je naar de feiten kijkt. Niemand maakt zich continu zorgen om al het leed in de wereld en zelfs niet om alle mensen in hun directe omgeving. Dat is gewoon te veel.)

We willen niet meegetrokken worden in de slipstream van andermans gêne.

Het is óók typisch Nederlands om ons op deze manier en in deze mate te onttrekken aan medeverantwoordelijkheid. Beter gezegd, het is typisch westers. Er zijn culturen, en vooral de Aziatische staan daarom bekend, waarin het veel normaler is om je te bekommeren om de mensen om je heen, om je druk te maken over de vraag of iedereen wel doet wat-ie zou moeten doen en om iets te doen wat een ander nalaat.

Wij zijn opgegroeid met de gedachte dat het individu verantwoordelijk is voor zijn daden, voor zijn successen en zijn miskleunen. Dan kunnen we er maar beter voor zorgen dat we niet te veel betrokken zijn bij de ander. We zouden zomaar meegetrokken kunnen worden in zijn slipstream van gêne.

Voor de duidelijkheid, deze typisch westerse mentaliteit kon alleen maar ontstaan omdat we als dier hier dus voor geprogrammeerd waren. In onze cultuur is de volumeknop alleen wat hoger gezet dan in andere.

Niemand van ons wordt ooit een fulltime weldoener.

Weer terug naar de koeling. Was deze westerse vrouw bezig met de vraag of ik iets deed waar zij sociaal gezien last van zou ondervinden? Nee, niet bewust, nee. Maar haar aangeboren talent en aangeleerde gewoonte zich te onttrekken aan wat anderen doen leidden er wel toe dat ze automatisch niet met mijn deel van de wereld bezig was.

Het slechte nieuws is: niemand van ons wordt ooit een fulltime weldoener. (Maar goed, je kunt je afvragen voor wie het goed nieuws zou zijn als dat wel in het verschiet lag. Doodmoe zouden we ervan worden, de weldoener én de welgedanen. De evolutie heeft het niet voor niets uitgesloten.)

Het goede nieuws is: we kunnen wel léren om ons parttime te bekommeren om de vage gebieden van medeverantwoordelijkheid. De Chinezen hebben het bewezen.

Zoek elke dag tenminste één ding wat je kunt oppakken wat een ander ook had kunnen doen.

Maar hoe dan? vraag je je nu wellicht af. Welaan, klein beginnen, zou ik zeggen. Begin bij een koeling van de Appie. Of sta sowieso even stil voor je een winkel in loopt en neem je dan voor op de anderen in de winkel te letten. Kijk wat je kunt doen. Doe hetzelfde thuis of op je werk.

Zoek elke dag tenminste één ding wat je kunt oppakken wat een ander ook had kunnen doen. Alleen al het zoeken zal je anders doen kijken en daarom anders doen handelen.

En vergeet je kinderen niet, als je die hebt. Geef hun soortgelijke opdrachtjes: het bordje van hun broertje of zusje naar de keuken brengen, een (niet te vies) papiertje van straat in de prullenbak gooien, een onbekende voor laten gaan de winkel in, speelgoed weggeven, en vooral zelf laten nadenken wat ze vandaag voor een ander kunnen doen.

En maak daar een leuk spelletje van. Daag ze uit. Beloon ze. Doe mee.

Uiteindelijk heb ik de koeling maar dicht gedaan. Dat was mijn kleine oefening voor die dag. Mijn volgende oefening wordt om geen mening te hebben over de mevrouw die de deur open liet…


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een bedrijf, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Feedback geven is nutteloos als er geen vertrouwen is

‘Mensen spreken elkaar hier niet aan.’ ‘Ik heb hem er al vaak feedback over gegeven maar hij verandert gewoon niet.’ ‘We praten te veel óver elkaar en niet mét elkaar.’ Dit soort uitspraken hoor ik vaak. De oplossing voor veel problemen lijkt elkaar aanspreken. Maar daar los je meestal niks mee op. 

Onze hond Cisco loopt aan het eind van zijn rondje altijd voorop, als een paard dat de stal ruikt. Hij staat dan vaak bij het hek, dat ons huis van het bos scheidt, te wachten tot ik het open doe.

Laatst kwam er een groepje wandelaars voorbij, net voordat ik bij het hek was aangekomen waar ons hondje braaf stond te wachten. Ik zag dat een man die in de achterhoede liep het klokhuis van zijn appel naar Cisco gooide.

Cisco houdt van appels, dus je zóú dit kunnen opvatten als een vriendelijke daad. Maar Cisco braakt appels doorgaans later weer uit. Zijn maag verdraagt ze niet. Bovendien vind ik het ongepast om je eigen GFT-afval – of wat dan ook – te gooien naar andermans hond.

Daarom riep ik: ‘Zou u dat niet willen doen?!’

‘Mijn hond moet ervan kotsen,’ verklaarde ik mijzelf nader. ‘Ik ook,’ reageerde de man, ‘daarom gooi ik ’m weg.’

De voorste leden van de wandelgroep waren mij inmiddels dicht genaderd. Ze hadden niet gezien wat hun groepsgenoot had gedaan en keken me geschrokken aan. Ze keken alsof ze rekening hielden met de mogelijkheid dat ze met een gek te maken hadden.

Ik liep langs hen en kwam bij de appelgooier aan. ‘Mijn hond moet ervan kotsen,’ verklaarde ik mijzelf nader. ‘Ik ook,’ reageerde de man, ‘daarom gooi ik ’m weg.’ Het klonk als een grap maar hij lachte er niet bij. Ook bij de andere vijf leden van de wandelstoet bleef het gezicht strak terwijl iedereen doormarcheerde.

Op branieachtige spitsvondigheid en algehele onverschilligheid had ik niet gerekend. Vertwijfeld liep ik ook maar door en riep ten besluit (en een beetje kinderachtig): ‘Fijne dag verder!’

Een reactie bleef uit. Niemand draaide zich naar me om. Nog wat verbluft ging ik met Cisco, die de appelresten allang naar binnen had gewerkt, het hek door.

Sowieso laten mensen zich niet snel op hun fouten wijzen maar als een onbekende dat doet wordt de kans om je aangesproken te voelen helemaal klein.

Als iemand die je niet kent je aanspreekt op je gedrag zorgt dat in de regel niet voor een erkenning van je fout. Mensen zijn namelijk vooral geneigd om informatie te accepteren die hun – vaak te positieve – zelfbeeld bevestigt.

Sowieso laten mensen zich niet snel op hun fouten wijzen maar als een onbekende dat doet wordt de kans om je aangesproken te voelen helemaal klein.

Om fouten toe te geven moet er namelijk sprake zijn van een gevoel van veiligheid, dat niemand aan de haal gaat met je zwakte. Onbekenden zijn per definitie niet veilig volgens het primitieve deel van je hersenen. Het beste wat je dan kunt doen is het gevaar afweren op de manier waarvan je hebt geleerd dat die effectief is.

Voor de appelgooier leek dat een snedige opmerking te zijn. Hiermee weerde hij niet alleen onwelgevallige informatie af, hij liet er ook nog mee aan z’n vrienden zien dat-ie mij de baas was.

Wat dacht die man wel? Een beetje mijn hond zum kotzen voeren en dan ook nog bijdehand gaan lopen doen?

Bij de groep gebeurde eigenlijk hetzelfde als bij hun appelgooiende vriend: ze werden geconfronteerd met een onbekende die onverklaarbaar gedrag vertoonde. Een per definitie onveilige onbekende die zomaar begint te roepen, wie deinst daar niet even voor terug?

En toch voelde ik me onheus bejegend. Wat dacht die man wel? Een beetje mijn hond zum kotzen voeren en dan ook nog bijdehand gaan lopen doen? En die laffe groep vrienden? Niet eens een sorry-hij-bedoelt-het-niet-zo-hoor of dan tenminste een verontschuldigende glimlach?

Maar ík had beter moeten weten. Ik had kunnen bedenken dat het kansloos was om hier op deze manier iets van te zeggen, dat ik niet op applaus, omhelzingen of het-spijt-me-bloemen had kunnen rekenen.

Want als je iemand aanspreekt om moreel besef te implanteren, werkt dat alleen maar als die persoon zich veilig bij je voelt. Er moet vertrouwen zijn.

Als je er de tijd of het geduld niet voor hebt, laat het zitten.

Helaas gebeurt dat te weinig.

Managers lijken te denken dat hun medewerkers ‘het eindelijk snappen’ als ze hen aanspreken, terwijl zij verder geen oprechte interesse in hen tonen. Agenten verwachten dat burgers zich opeens verantwoordelijk gaan gedragen als ze hen bekeuren, terwijl de politie onvoldoende doet aan criminaliteit waar diezelfde burger zich al jaren aan stoort. (‘Ga toch boeven vangen!’) En automobilisten denken dat ze hun morele verontwaardiging effectief overbrengen door te toeteren naar een medeweggebruiker die niet oplet, terwijl bijna iedereen in het verkeer anoniem is.

Stap niet in dezelfde valkuil. Maak eerst een connectie met de ander, zorg ervoor dat hij doorheeft dat je het beste met hem voorhebt en maak pas dan je punt. En als je daar de tijd of het geduld niet voor hebt, laat het zitten. Dan vind je het vast niet belangrijk genoeg.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een bedrijf, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Stoom jezelf klaar voor het heldendom, val vaker op

Te vaak houden we ons koppie onder het maaiveld. Terwijl we juist zouden moeten oefenen met opvallen. Daarmee doen we anderen een plezier als het er echt om gaat.

Vlak na de zomervakantie had ik een sessie met een man of twintig. Het waren bijna allemaal collega’s die elkaar redelijk tot goed kennen en een paar nieuwelingen.

Om luchtig te beginnen en nog even dat vakantiegevoel vast te houden had ik voorgesteld om een rondje te doen: naam, rol, locatie en het leukste van de afgelopen vakantie. De eerste hield zich, nadat ik hem er nog eens aan herinnerd had, netjes aan de opdracht. Antwoord op de laatste vraag: ‘Dat ik tot gister zonder kleren heb kunnen rondlopen.’

Natuurlijk bedoelde hij in korte broek, al dan niet met t-shirt erboven. De verspreking zorgde voor wat gelach en melige opmerkingen. Dat begint goed, dacht ik, hoopvol naar de volgende in rij.

Het rondje werd afgemaakt volgens de conventie: naam, rol, locatie en ‘ik heb ook een goeie vakantie gehad’.

Bij de volgende kwamen naam, rol en locatie er zonder haperen uit. De vraag naar het leukste van de vakantie werd vrij automatisch beantwoord met: ‘Ik heb ook een heerlijke vakantie gehad,’ zei hij.

Dit zette de toon voor de volgenden die aan de beurt waren. Eerst gaf men nog allerlei variaties op ‘heerlijk’. Mensen bleken bijvoorbeeld een ‘fantastische’, ‘hele goede’, ‘zeer fijne’ en ‘gelukkige’ vakantie te hebben gehad. Vanaf nummer tien zakte ook op dat vlak de creativiteit weg en werd het rondje afgemaakt volgens de conventie: naam, rol, locatie en ‘ik heb ook een goeie vakantie gehad’.

Typisch. En jammer. Want hoeveel leuker en energieker zou het zijn geweest als iedereen écht een inkijkje had gegeven in zijn vakantie en, vooral, in datgene waar-ie van geniet?

Teken eens iets op je voorhoofd met watervaste stift of trek een zuurstokroze trui aan (en houd hem aan).

Maar zo zijn mensen over het algemeen niet. Opvallen is niet ons ding. Ondanks de toon die de eerste spreker – die ook al een nudge van mij nodig had gehad – had gezet, koos de rest voor een veiliger optie. En toen nummer tien de veiligste optie had voorgedaan, deed de rest hem met graagte na.

Tijdens een conferentie over heldendom gaf een spreker het advies: ‘Practise being conspicuous.’ Teken eens iets op je voorhoofd met watervaste stift, praat iets harder dan normaal in een lift (praat überhaupt eens in een lift) of trek een zuurstokroze trui aan (en houd hem aan op straat).

Als we kleine oefeningen doen om op te vallen en daarmee onszelf buiten de massa plaatsen, stomen we onszelf klaar voor de momenten waarop we echt onder groepsdruk uit moeten komen. Bijvoorbeeld wanneer iemand op straat in elkaar geslagen wordt of dreigt te verdrinken en iedereen toekijkt.

Ook in minder heftige situaties kan het helpen om gewend te zijn aan anders zijn.

Maar ook in minder heftige situaties kan het helpen om gewend te zijn aan anders zijn. Als je team bijvoorbeeld op het punt staat een beslissing te nemen waar je geen goed gevoel bij hebt. Of als iemand voordringt bij de bakker en niemand er iets van zegt. Of wanneer een collega wordt uitgelachen door andere collega’s.

Als je dan al hebt geoefend met uit de toon vallen, zul je gemakkelijker voor die beslissing gaan liggen, die voordringer tot de orde roepen of je collega steunen.

Als je dus de volgende keer tijdens een meeting de vraag krijgt iets over jezelf te vertellen, denk dan eens echt na over die vraag.

Of, beter nog, vertel eens zomaar, ongevraagd, uit het niets in een meeting iets wat je gewoon kwijt wilt. Gewoon, om te oefenen.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.