Strikt persoonlijk

Het gebeurt wel eens dat iemand die ik niet ken via LinkedIn contact met me zoekt. In de meeste gevallen is de “uitnodiging” dan: ‘I’d like to add you to my professional network on LinkedIn.’ In die gevallen is mijn reactie dan iets als onderstaand:

LinkedIn invite

In de meeste gevallen krijg ik daar dan geen reactie meer op. Alsof ik de uitnodiger heb afgeschrikt met een al te directe en persoonlijke vraag. Ik weet dat er staat: ‘I’d like to add you to my professional network on LinkedIn,’ en niet: ‘I’d like to add you to my personal network on LinkedIn,’ maar toch. Wat dit aan gaat, sta ik graag in het leven zoals Michael Corleone: ‘It’s all personal, every bit of business.’

Maar, om niet op een hoog paard te gaan zitten, ik doe soortgelijke dingen “verkeerd”. Laatst had ik tot twee keer toe een mailwisseling met een dame, die eindigde met de vraag van mijn kant hoe het met iets stond – wat dat iets is, doet niet ter zake (strictly business, zal ik maar zeggen). In beide gevallen kreeg ik daarop geen antwoord. Tot twee keer toe kwam ik die dame terloops tegen op het kantoor waar zij werkt. We zeiden elkaar gedag en verder niks.

Iets langer geleden mailde ik een bestuurder die ik redelijk goed ken met een vraag – ook weer strictly business. Ook hij gaf geen antwoord. En ook hem kwam ik terloops tegen op de gang ergens. Ook wij zeiden elkaar gedag. En ook deze keer herinnerde ik hem niet aan mijn vraag.

Het is alsof er parallelle universa zijn, een waarin je elkaar vrijelijk benadert en een waarin je elkaar snel passeert. Datgene dat de overgang tussen beide universa markeert is schijnbaar dat het persoonlijk wordt; van een geautomatiseerde uitnodiging naar een persoonlijke vraag respectievelijk van een e-mail-adres op een computerscherm naar een gezicht in een kantoorgebouw.

In het geval van de LinkedIn-uitnodiging vind ik de grens wel heel subtiel. Het medium blijft immers hetzelfde. Het is de inhoud en de intentie ervan die veranderen. Als het gaat om mijn e-mail-vragen, dan verandert het medium wel degelijk, en het moment is anders. Voor een e-mail ga ik zitten. Ik bedenk me dat ik iemand iets wil vragen en stop daar tijd in. Bij een onverwachte ontmoeting ben ik niet voorbereid en is het moment al voorbij voor ik goed en wel bedacht heb dat ik iets wil vragen. Tegelijkertijd is er een milde vorm van een verlammende, zichzelf versterkende schaamte die voortkomt uit twee dingen. Het eerste is dat ik de ander een vraag heb gesteld, die ik ook live of via de telefoon had kunnen stellen. Het tweede is dat ik bang ben dat ik in de ogen van de ander niet bij machte lijk om haar of hem de vraag direct te stellen als het moment zich aandient. En, er is altijd mijn moeder die in dit soort gevallen in m’n oor fluistert: ‘Als het belangrijk is, dan kom je er wel weer op terug.’ Vrij vertaald, als ik iets onbelangrijks heb gevraagd, dan is het ook niet de moeite van het sociale discomfort waard.

Is dat het dan misschien? Is het het feit dat ik de ander met iets confronteer waar hij niet op voorbereid is en dat hij zich een beetje schaamt voor het gemak waarmee hij me heeft uitgenodigd? Heeft ie eigenlijk niet echt een goede reden om met specifiek mij te linken en wilde hij gewoon wat meer connections? Is linken met mij eigenlijk niet belangrijk genoeg en de moeite van het beantwoorden van mijn waarom-vraag niet waard?

Misschien zit de waarheid tussen deze opties, misschien niet. In ieder geval is het zo dat ik niet in alle gevallen geen reactie kreeg op mijn persoonlijke en directe waarom-vraag. Ik mag daarom graag geloven dat m’n moeder gelijk had: als ze het echt belangrijk vinden, dan geven ze me wel een antwoord. Dan krijg ik uiteindelijk alleen connecties die echt met me gelinkt willen zijn. En dat is wat ik wilde.

Als ik nou dan ook stop met vragen via de e-mail stellen die blijkbaar niet belangrijk genoeg zijn, dan ben ik helemaal goed bezig.


Als je mijn blog waardeert, laat dat dan zien: meld je aan als e-mail-volger of like Fellow Man op Facebook. En/of koop m’n boek Ik vind u een eikel – waarom we supersociaal zijn op bol.comDank je! 

Addicted to love

Cisco, onze hond, is geboren in Florida, maar opgegroeid in het Thüringer Wald in de voormalige DDR. Niet dat je daar iets uit mag afleiden, maar het is toevallig wel zo dat hij een nogal strikte opvoeding heeft gehad. Op zich waren zijn baasjes daar goed voor hem en de elf andere Aussies of Australian Shepherds (of Australische herders, zo je wilt), maar de vrijheid die hij kreeg om te doen wat hij wilde was beperkt. Ook moest hij het doen met weinig aandacht van zijn baas en bazin, omdat hij die moest delen met elf andere honden en omdat zijn Duitse baasjes er überhaupt niet zo scheutig mee waren.

Op z’n vijfde mochten wij hem overnemen. Cisco had zijn familiebedrijf, gespecialiseerd in het bevruchten van vrouwelijke Aussies, overgedaan aan zijn zoon en mocht met pensioen. Hij is nu ruim zes en een half. In de anderhalf jaar dat wij hem hebben, heeft hij steeds meer vrijheid gekregen. Durfde hij eerst niet van z’n matje af als ie binnen was, nu loopt hij vrolijk achter ons aan als we door het huis gaan en ploft ie overal op de grond neer waar wij gaan zitten. Als we ons dansmomentje hebben met onze dochter Loulou veert Cisco meteen op en “danst” hij enthousiast mee rond onze benen.

Wat ook sterker is geworden, is zijn aanhankelijkheid. Hij is wat je noemt een lovesick puppy geworden. Een jaar geleden bleef hij braaf liggen als je bij hem in de buurt ging zitten. Nu is het zo, dat als hij maar even het idee heeft dat je zijn richting op kijkt, hij gaat staan, z’n kopje scheef, met een houding die wil zeggen: mag ik nu geaaid worden? Als je dan maar even een woord zegt dat in de verste verte lijkt op ‘oké,’ dan komt hij van voorpret niezend op je af lopen en draait z’n lichaam in de beste aaipositie tegen je aan.

Hoe dat zo gekomen is? We hebben hem gewoon meer liefde gegeven. Dat was nogal gemakkelijk, aangezien hij de liefde nu niet meer met elf andere honden hoeft te delen. Bovendien, we vinden aaien ook best fijn. En daar is Cisco helemaal van open gegaan, als een bloem die te lang in de knop heeft gezeten. Misschien is ie nu een beetje doorgeschoten, als een Amerikaanse 21-jarige die te lang geen alcohol mocht drinken, maar we might as well face it, he’s addicted to love.

Dit deed me denken aan de periode nadat ik bij een workshop was geweest van de oprichters van Challenge Day (of Over de Streep, zoals Arie Boomsma het noemt). Een van de dingen die je tijdens zo’n workshop veel doet is knuffelen, of huggen, in goed Nederlands. Toen ik daarvan terug kwam, heb ik veel mensen in mijn directe omgeving gehugd; vrienden en familie, maar ook collega’s en klanten. Bij mijn toenmalige werkgever was het niet gewoon dat mensen elkaar een knuffel gaven, maar toen ik daar eenmaal begon met huggen, kreeg ik snel navolging. Natuurlijk heb je altijd een paar notoire geheelonthouders en knuffelt het grootste deel alleen als iemand hun spontaan een knuffel geeft, maar een aanzienlijke groep begroette elkaar op regelmatige basis met een stevige hug. Ook hier leek er iets aan gezet, dat in een bloemknopje stil had zitten wezen, wachtend om te “ontluiken in het zonlicht van de liefde”.

En dit doet me dan weer denken aan al die mensen (en honden) die elkaar stilletjes voorbij gaan, of erger nog, stilletjes in elkaars buurt vertoeven en nooit een arm uit steken, nooit een vriendelijk woord uitspreken of elkaar zelfs nooit gedag zeggen. Da’s jammer. Want wat bovenstaande voorbeelden van Cisco en mijn collega’s mij vertellen, is dat (tenminste) alle zoogdieren een bloemknopje hebben dat, eenmaal uitgekomen, niet meer dicht wil gaan.

Het is dan misschien vandaag Dodenherdenking en we horen te denken aan hoe erg het is dat mensen elkaar dood maken. Maar laten we ook herdenken wat we ook zijn: sociale dieren die behoefte hebben aan contact. We love to love. Laat die behoefte niet dood gaan in de knop.


Als je mijn blog waardeert, laat dat dan zien: meld je aan als e-mail-volger of like Fellow Man op Facebook. Dank je!