Een vooroordeel komt te paard en gaat te voet

Biologisch is het heel logisch om snel je oordeel over een ander klaar te hebben. Bovendien heeft het evolutionair nut om dat vooroordeel niet los te laten als blijkt dat we ongelijk hebben. Maar in hoeverre zijn biologie en evolutie nog van toepassing op een snelweg?

De A8 vlak voor de ring rond Amsterdam is over een paar kilometer vier banen breed. Twee daarvan zijn van de ‘originele A8’. De twee andere rijbanen zijn voor het verkeer dat van de A7 erbij komt.

Toen ik gisteren vanaf de A7 de A8 opreed op de linker van de twee rijbanen die vanaf de A7 komen, reed er een stukje voor mij op de rechterbaan van de twee originele A8-banen een auto. Anders gezegd, op de vier banen die de A8 daar inmiddels vormden reed de bestuurder op de tweede van links en ik op de tweede van rechts. De auto reed net iets langzamer dan ik, dus als de man niet naar rechts zou gaan of ik niet naar de meest linker baan, zou ik hem rechts inhalen.

‘Het zei hem blijkbaar niets, want hij bleef gewoon op de baan rijden waar hij voor het eerst mijn leven in was gekomen.’

Dat wilde ik voorkomen en de man bleef op de baan waar-ie was, dus ik ging snel naar de linker baan. En voelde een lichte irritatie opkomen. Waarom ging de man niet gewoon naar rechts, waar langzamer verkeer hoorde? dacht ik. Om te laten zien hoe het hoort, ging ik van de linker baan helemaal terug naar de rechter toen ik de linksrijder had ingehaald.

Het zei hem blijkbaar niets, want hij bleef gewoon op de baan rijden waar hij voor het eerst mijn leven in was gekomen.

Nu zei ik al dat de A8 maar slechts over een paar kilometer vier rijbanen telt. Al snel komt hij namelijk uit op de A10. De twee rechter banen gaan naar de west- en de twee linker banen naar de noordring. Hoe dichter we bij de splitsing kwamen, hoe duidelijker het werd dat de linksrijder naar Ring-Noord wilde. Dat wilde ik ook, overigens. Dus ik verplaatste m’n auto, na een halve kilometer op de meest rechtse rijbaan te hebben gereden, naar de baan waar de man al de hele tijd reed.

‘Ik moest bewust energie stoppen in accepteren dat deze man niet de irritante rij-in-de-weg was waarvoor ik hem had uitgemaakt.’

Ik besefte dat de man iets had gedaan wat ik zelf ook regelmatig doe: niet onnodig van baan wisselen als je weet dat de snelweg zich over niet al te lange tijd splitst. Dat is niet alleen minder gedoe voor jezelf, het geeft ook een veiliger verkeerssituatie. (Denk  bijvoorbeeld aan wat er nu gebeurt op het nieuwe knooppunt Muiderberg, waar de A6 van de A1 splitst. Daar gaan auto’s en vrachtwagens op het laatste moment nog even snel een paar banen naar links of rechts om niet de verkeerde snelweg op te rijden.) De man had dus iets gedaan waar ik eigenlijk wel achter kon staan.

En toch kostte het me moeite om de man van het ‘foute hokje’ naar het ‘goede hokje’ te verplaatsen. Ik moest bewust energie stoppen in accepteren dat deze man niet de irritante rij-in-de-weg was waarvoor ik hem mentaal had uitgemaakt. Een deel van mijn hersenen sputterde zelfs nog even tegen, merkte ik. Het was alsof het, in reactie op mijn mildere gedachten, zei: ‘Ja maar, hij had toch wel éven naar rechts gekund?!’ Een ander deel van mijn hersenen kalmeerde zijn tegensputterende collega en samen lieten ze zich naar de Ring-Noord rijden.

Zo gaat het vaak, volgens mij: op basis van een simpel voorval hebben we een oordeel over een ander en als blijkt dat dat oordeel onterecht was, kost het veel moeite om ervan af te stappen. Dat komt door twee dingen.

‘Ons theorie-instinct is z’n biologische doel ver voorbij geschoten.’

Ten eerste heeft het biologisch nut om snel je oordeel klaar te hebben. Als we te lang moesten onderzoeken en nadenken over wat dat ritselend geluid in de struikjes veroorzaakte, liepen we de kans opgegeten te worden door de tijger die in de bosjes liep. We hebben daarom een ‘theorie-instinct’ ontwikkeld, zoals de Amerikaanse journaliste Kathryn Schulz het noemt. Dat is alleen z’n biologische doel ver voorbij geschoten. Op basis van zelfs maar de kleinste feitjes ontwikkelen we hele theorieën over hoe iemand, iets of de wereld in elkaar zit.

Het tweede ding is dat we ons eigen oordeel overschatten omdat we onszelf overschatten. En dat is weer omdat onszelf geringschatten biologisch ook niet slim zou zijn. Als we namelijk continu aan onszelf twijfelen maakt dat ons minder aantrekkelijk, dus minder geschikt voor voortplanting – mensen vallen nou eenmaal niet snel op iemand die als een onzeker vogeltje door het leven gaat. En het maakt ons minder betrouwbaar, dus een slechtere kandidaat voor samenwerking, waardoor we minder kans hebben op veiligheid en voedsel – we vertrouwen iemand die zich de hele tijd ongemakkelijk achter z’n oren krabt immers niet zomaar. Het heeft zin om je eerste oordeel en jezelf heel serieus te nemen. Maar ook dat instinct is een vuistregel die in lang niet alle gevallen geldt.

Kortom, een belangrijk deel van mijn hersenen snapt niet dat ik geen oordeel moet hebben over een man die iets doet wat ik niet meteen begrijp en al helemaal niet dat het oordeel dat ik heb geveld onterecht zou kunnen zijn. We moeten het onszelf dus niet erg kwalijk nemen als we te snel oordelen en moeilijk afscheid kunnen nemen van onze eerste, onterechte indruk.

Maar we zouden er wel goed aan doen om, verrijkt met deze wetenschap, zonder morren ons foute vooroordeel in te slikken.


Wil je meer inzichten over de combi van onze biologie en onze moderne samenleving? Lees m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn.


Advertisements

Laat je twijfel je trots inhalen

Er is een verschil tussen twijfel en onzekerheid. Iemand die onzeker is, weet niet of hij het kan. Vaak omdat hij te weinig ervaring heeft. Iemand die twijfelt, voelt dat er iets niet klopt. Vaak omdat hij genoeg ervaring heeft. Helaas halen we de twee vaak door elkaar. En dat kan ervoor zorgen dat we onnodig fouten blijven maken.

Ik was de dagvoorzitter van een seminar dat ik zelf had georganiseerd. Ik vond dat ik een inspirerende opening moest doen; eentje die de toon zette, die grappig en scherp was en die, als het even kon, ontroerde. Kortom, ik wilde indruk maken.

Toevallig was ik net De TED-methode aan het lezen van Chris Anderson, dé man achter het ideeën-imperium TED. De bottom-line van het boek is: (1) vertel jóúw verhaal en (2) bereid je megagoed voor. Die bottom-line raakte een zenuw. De vorige keren dat ik het seminar opende was ik niet zo tevreden over mezelf geweest. Ik bedacht me dat dat wel eens kon liggen aan het feit dat ik niet míjn verhaal had verteld maar een verhaal dat bestond uit verhalen van andere mensen of uit wat ik dacht dat anderen wilden horen. En de voorbereiding was oké maar ik was misschien toch te snel tevreden geweest.

‘Dagen , weken, maanden maalde het door mijn hoofd.’

Ik ging aan het werk. Dit jaar moest de opening immers echt de toon zetten en grappig, scherp en ontroerend zijn. Wat was míjn verhaal? Ik mijmerde en soulsearchte me een slag in de rondte. Meerdere onderwerpen kregen een kans en werden uiteindelijk afgeserveerd. Meerdere versies van het verhaal over verschillende onderwerpen stak ik af voor mijn proefpubliek (mijn vriendin) maar de meeste haalden de eindronde niet. Dagen (en nachten), weken, maanden maalde het door mijn hoofd. Onder het douchen, bij het ontbijt, al rijdend naar en van afspraken, voor het slapengaan… als een vlam in een cv-ketel, groot en dan weer klein, maar nooit helemaal uit.

Uiteindelijk had ik twee onderwerpen die goed overkwamen op mijn proefpubliek. Een van de twee zorgde zelfs voor tranen bij mijn testtoehoorder. (Yes!) Zelf was ik er ook niet ontevreden over. Maar daar was meteen de catch: ik was er niet ontevreden over maar ik stond ook niet te juichen. (Ondanks de tranen bij mijn focusgroep-van-één.)

De maandag voor de donderdag van het seminar stond ik met het boek van Chris Anderson in m’n hand en voelde me betrapt. Ging ik nou wel echt míjn verhaal vertellen? Of had ik me er weer in laten tuinen? Omdat ik indruk wilde maken, had ik weer een verhaal bedácht, met m’n hoofd. Het kwam niet uit m’n buik, of m’n tenen. Ik begon te twijfelen: doorgaan op de al ingeslagen weg of helemaal opnieuw beginnen en al het bloed, het zweet en (andermans) tranen voor niks laten zijn?

‘Ik voelde me betrapt. Ging ik nou wel écht míjn verhaal vertellen?’

Ik moest denken aan wat een coach ooit over mij had gezegd: ‘Als jij binnenkomt, denk je: wow, daar komt iemand binnen! Maar dan begin je te praten…’ Ze refereerde weliswaar aan de gesprekken met haar over mezelf, waarin ik mezelf wat ongemakkelijk blootgaf. Maar ik herkende het patroon in deze seminarsituatie, en in radio-interviews die ik had gegeven, en in spontane speeches geven op feesten en partijen…

Maar dat is lang niet altijd zo.

Een seminar met mensen die ik geweldig vind: organiseer ik alsof het vanzelfsprekend is. Liedjes: leer ik zo uit m’n hoofd. Een mooi concept: ik vertel er graag over. Andermans verhaal of team: ik zie de potentie en maak er iets beters van. Een groep schreeuwende of vragende mensen: ik ga met ze aan de slag. Discussiëren: kan ik. Maar geef mij (het vooruitzicht op) een leeg podium, geen agenda en een zooi starende mensen, en mijn hersenen gaan in survival mode. Ik bén er niet echt meer. Ik leun op techniekjes, ideeën van een ander en koketterie.

Ik realiseerde me dat ik de energie van anderen nodig heb om het beste uit mezelf te halen. De schijnwerper moet op een ander staan voordat ik kan stralen. Maar dat is niet hoe we hebben geleerd dat het hoort te zijn. We hebben geleerd dat je een goed verhaal klaar moet hebben, een leider moet zijn, impact moet hebben, het alleen moet kunnen redden. Mijn natuurlijke modus past niet in dat plaatje.

‘Geen geleun meer op techniekjes, ideeën van een ander en koketterie.’

Deze keer was ik me echter bewust van mijn ‘gebrek’ en hoe ik daarmee omging. Ik voelde continu twijfel omdat ik iets wilde gaan doen wat niet bij me past. Dat wilde ik niet meer. Geen geleun meer op techniekjes, ideeën van een ander en koketterie.

Het was voor mij ineens oké dat ik andermans liedjes zing, chaotische en vastgeroeste verhalen van een ander stroomlijn en vlot trek, groepen en organisaties waar ik niet bij hoor verbeter, andere mensen bij elkaar breng. Het was prima dat ik de schijnwerper liever op een ander zet.

Snel zette ik wat steekwoorden over dit inzicht op papier. En die donderdag vertelde ik erover in mijn openingsspeech. Je moet het de aanwezigen vragen, maar volgens mij zette ik de toon, was ik grappig en scherp en heb ik, al was het maar één persoon een heel klein beetje, ontroerd.

‘Mijn intuïtie probeerde me iets te vertellen: hier ben je eerder geweest, weet je nog? Dit bén jij niet.’

Het gezegde dat ik altijd vreselijk heb gevonden is waar: bij twijfel niet inhalen. Er is namelijk een verschil tussen twijfel en onzekerheid. Ik was niet onzeker. Ik heb inmiddels vaak zat op een podium een verhaal afgestoken om te weten of ik het kan of niet. Nee, ik twijfelde. Mijn intuïtie probeerde me iets te vertellen: hier ben je eerder geweest, weet je nog? Dit bén jij niet.

Iemand die onzeker is, weet niet of hij het kan. Vaak omdat hij te weinig ervaring heeft. Iemand die twijfelt, voelt dat er iets niet klopt. Vaak omdat hij genoeg ervaring heeft. Intuïtie noemen ze dat. Dat ís niet meer dan gestolde ervaring.

Dus als je iets nog nooit of te weinig hebt gedaan, wees dan lekker onzeker. En doe het toch. Maar als je op het punt staat voor de zoveelste keer iets te doen en het voelt nog steeds niet goed, doe het dan niet. Laat je twijfel je trots inhalen.

Anders ben je, om Einstein te parafraseren, de waanzin nabij: je blijft hetzelfde doen en verwacht toch een ander resultaat.