Te sloom om goed te zijn

Een tijdje terug zat ik in de bus. Terwijl we weg reden van een halte, kwamen er twee mensen aan rennen, gebarend dat ze wilden dat de bus stopte. De buschauffeur zag het niet. Ik wel. Toen we al een eindje van de halte waren weg gereden, bedacht ik me: ik had de chauffeur kunnen vragen om te stoppen…

Gek is dat. Ik dácht er helemaal niet aan dat ík iets kon doen toen die mensen aan kwamen hollen. Ik zat gewoon een beetje voor me uit te staren toen het gebeurde. Het overkwám me. Mijn synapsen waren de cerebrale versie van de spiercellen van een luiaard. Met andere woorden, ik was te sloom.

Terwijl het schaamrood van m’n kaken verdween, bedacht ik me dat dit symbool staat voor veel momenten waarop ik niks deed en wel iets had kunnen doen. Ik dacht aan die keer dat ik te laat opstond in de bus voor een oude dame, waardoor ze helemaal naar achteren moest lopen, waar wél een plekje vrij was. Ik herinnerde me een bedelaar die ik voorbij liep, waarna ik achteraf besefte dat ik hem wel wat kleingeld had gegund. En, ook in die meeting waar iemand dingen zei die eigenlijk niet konden, had ik het gewoon laten gebeuren (en vond ik er achteraf van alles van), omdat ik op dat moment erdoor overvallen was.

Waar ik óók aan dacht waren al die mensen die ik stiekem had veroordeeld, omdat ze iets niet deden, terwijl ze dat wel hadden kunnen doen. Kijk toch uit je doppen, doe dan wat, zie je dat dan niet, heb ik vaak gedacht.

Misschien was ik toen kortzichtiger dan de mensen die ik veroordeelde.


Als je dit blog waardeert, laat dat dan zien: volg dit blog of like Fellow Man op Facebook. Dank je!

Of je thuis ook schizofreen bent

Mijn vriendin had een afspraak bij een specialist en ik vergezelde haar. Iets na het tijdstip van de afspraak kwam de arts voorbij de wachtkamer lopen waar wij zaten te wachten. We waren de enige personen in de wachtkamer en we waren de eerste afspraak van de dag. Het moest voor de arts duidelijk zijn dat wij voor haar kwamen. Ze liep voorbij, zonder ons aan te kijken, laat staan gedag te zeggen, naar de kamer van haar secretaresse, die grensde aan de wachtkamer. Vlak daarna liep ze weer voorbij, naar haar eigen kamer en sloot de deur. Weer geen woord.

Vijf minuten later kwam ze de wachtruimte in lopen en zei: ‘Mevrouw De Groot?’ en keek vragend naar ons alsof ze ons voor het eerst zag zitten.

Op mij kwam het hele gebeuren een beetje absurdistisch over. Het was alsof de arts in twee werelden leeft; een waarin ze geen patiënten ziet en een waarin ze wel patiënten ziet. Als ze nog even met haar eigen ding bezig is, is ze blind voor de mensen die ze even later net zo gemakkelijk wel kan zien. (Ik snap ineens wat artsen bedoelen als ze bijvoorbeeld zeggen: ‘Ik moet vandaag nog vijf patiënten zien.’ Het is letterlijk bedoeld: ze moeten ze zien, omdat ze een afspraak hebben. Daarna kunnen ze weer blind voor hen zijn.) Als een robot: artsmodus aan, artsmodus uit.

Begrijp me niet verkeerd, ik snap best dat iemand nog even met z’n hoofd met iets anders bezig kan zijn en daarom minder alert is op anderen. Maar als je op het punt staat om in gesprek te gaan met iemand en die iemand zit in je wachtkamer, dan valt je dat toch op en dan zeg je toch even hallo-ik-kom-zo-bij-u?

En begrijp me ook niet verkeerd omdat ik het hier over een arts heb. Ik scheer niet alle artsen over één kam. Dit doen niet alle artsen. En, dit doen niet alleen artsen. Dat is vooral waarom dit me opviel: het gebeurt zo vaak dat mensen andere mensen zien vanuit hun functie en alleen vanuit hun functie. In het geval van deze specialist was het letterlijk. Ze leek ons echt fysiek niet te zien. We waren letterlijk, op een neutrale manier, lucht voor haar. Maar in veel andere gevallen is het niet zo letterlijk en obvious.

Het zijn ook de portieren van het pretpark die niet praten met of kijken naar gasten die twee minuten vóór openingstijd op nog geen twee meter van hen vandaan staan te wachten tot ze naar binnen mogen (pas geleden nog real-life meegemaakt bij safaripark de Beekse Bergen). Het zijn de buschauffeurs die net doen alsof ze de persoon niet zien die vraagt of ie toch nog mee mag als de bus op het punt staat te vertrekken. Het zijn ook de docenten die hun leerlingen niet aanspreken op asociaal gedrag op de gang van een groot schoolgebouw. Het zijn allerlei andere mensen die hun functie zien als iets dat de grens markeert tussen wel en geen menselijk contact, bij wie iets aan of uit gezet wordt als ze in of uit functie gaan.

Aan al die mensen zou ik willen vragen: doe je dat thuis ook?


Als je dit blog waardeert, laat dat dan zien: volg dit blog of like Fellow Man op Facebook. Dank je!