Wie het eerste ruikt moet het zeggen tegen degene die z’n kontje heeft gebruikt

Uit onderzoek blijkt dat schaamte afneemt wanneer de schamers zichzelf kunnen verplaatsen in de waarnemers van de situatie. Als je dus getuige bent van een gênante situatie, laat weten hoe je die ervaart. Dan doe je de daders van gênante acties een plezier.

Ik neem dit jaar geen vakantie. Te veel dingen die ik wil doen. Als gevolg hiervan zit ik veelal alleen op kantoor, een kantoor dat ik – buiten vakantietijd – deel met andere ondernemers.

Nu hebben niet al te lang geleden een paar dames zich bij ons groepje huurders gevoegd. Tot die tijd waren we met vier à vijf mannen. En tot die tijd maakten we geen onderscheid tussen het heren-, invaliden- en damestoilet.

Daardoor mag ik nog altijd graag ook eens in de zoveel tijd gebruik maken van het damestoilet om een grote boodschap te doen. Niet om een bijzondere reden. Gewoon, om niet elke dag op dezelfde wc te zitten (en omdat de mannen-wc gewoon veel vaker gebruikt wordt en daarom niet zo schoon is – oké, daarom ook).

Ik ga natuurlijk wel alleen als er geen dames aanwezig zijn die dag.

Toen ik net vijf minuten weer op m’n plek zat, kwam Sara voorbij.

Zo ook vandaag. Ik had in het eerste uur dat ik op kantoor was niemand gezien dus ik waande mij alleen voor de rest van de dag. Daarom durfde ik het ervan te nemen.

Toen ik net vijf minuten weer op m’n plek zat, kwam ‘Sara’ voorbij. ‘Goeiemorgen!’ zei ze opgewekt. ‘Goeiemorgen!’ zei ik, in een poging ook opgewekt te klinken. Ik hoopte dat ze niet merkte dat ik het wat warm kreeg en van binnen een klein beetje in elkaar kroop.

Want wat als Sara snel naar het toilet moet? Dan merkt ze geheid dat er iemand voor haar was geweest. En dan kan ze alleen maar concluderen dat ik op ‘haar wc’ moet hebben zitten…

En het lijkt erop dat ze binnen ‘afruikbare tijd’ na mij is gegaan.

Nu wens ik al de hele dag dat het gesprek op een of andere manier komt op mijn damestoiletbezoek.

Nu wens ik al de hele dag dat het gesprek op een of andere manier komt op mijn damestoiletbezoek. Dan kan ik Sara mijn excuses aanbieden en vertellen dat ik niet wist dat ze er zou zijn vandaag, dat ik het toilet altijd netjes achterlaat en dat ik haar toilet gebruikt heb omdat de mannen nou eenmaal niet zo fris is als de vrouwen.

En dan zou zij niet van me kunnen denken dat ik een vieze man ben en zou ik me niet zo opgelaten voelen.

Maar dat is natuurlijk een onmogelijke wens. Zo werkt het niet.

Want hoe vaak confronteren we elkaar met een gênante situatie die iedereen stiekem allang kent? Als de adem van je buurman stinkt, je gesprekspartner een scheetje laat of je baas niemand kan boeien met zijn presentaties, doe je daar dan wat mee?

Uit onderzoek blijkt dat schaamte afneemt wanneer de schamers zichzelf kunnen verplaatsen in de waarnemers van de situatie.

Als je maar een beetje op een mens lijkt zal je antwoord ‘nee’ of tenminste ‘bijna nooit’ moeten zijn. En dat is jammer.

Want uit onderzoek blijkt dat schaamte afneemt wanneer de schamers zichzelf kunnen verplaatsen in de waarnemers van de situatie. Als je als waarnemer laat weten hoe je de situatie ziet dan doe je de daders van gênante acties dus een plezier.

Plus, als je benoemt wat de ander deed krijg je meestal een verklaring voor het gedrag. Die verklaring zorgt ervoor dat jij meer begrip krijgt voor de schamer.

Zo breng je dader en waarnemer, schamer en oordeler of gewoon mens en mens – weer wat dichter bij elkaar. En dat is, behalve in een toilet, altíjd een goede zaak.


Olav de Maat is schrijver, sociaalgedragscoach en organisatieadviseur (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Advertisements

Leidinggevenden zorgen voor onveilige werksituaties, dankzij compromitment

Er zit een wetmatigheid in hoe mensen omgaan met het falen van anderen: het compromitmenteffect. En dit effect bepaalt sterk hoe we vooruitkomen (of niet) in ons werk.

In ons werk worden we vaak beoordeeld op en beloond voor gedrag. Dit gaat ervan uit dat leidinggevenden voldoende in staat zijn om het gedrag van hun medewerkers op waarde te schatten. Bovendien weten veel leidinggevenden tegenwoordig dat mensen vrijheid nodig hebben en leren van fouten. Dus is zelfstandigheid het devies en het motto: fouten maken mag.

Maar de beoordeling van fouten wordt bepaald door de mate van compromitment: de mate waarin iemand zich gecommitteerd heeft aan een ander, gecombineerd met de mate waarin iemand gecompromitteerd wordt door die ander. Als er van beide veel sprake is, dan zit je in een awkward situatie aan elkaar vast. Maar als er laag commitment is, kan een gecompromitteerd iemand de ander zomaar laten vallen als een baksteen.

De vrijheid in ons moderne werk maakt beoordelen en belonen daarom vaak onbetrouwbaar en psychologisch onveilig. Vandaar dat medewerkers en leidinggevenden elkaar juist méér moeten opzoeken naarmate ze mínder met elkaar te maken hebben.

Medewerkers en leidinggevenden moeten elkaar meer opzoeken naarmate ze minder met elkaar te maken hebben.

Ik mocht ter viering van het dertigjarig bestaan van een bedrijf een groep van ongeveer negentig mensen iets vertellen naar aanleiding van mijn boek. Dat doe ik vaker. Deze keer ging ik echter faliekant de mist in. Het was pijnlijk. En het was leerzaam te zien hoe verschillende mensen daar verschillend mee omgingen.

Ik had bedacht dat ik mijn optreden zou beginnen met een experiment. Vier vrijwilligers zouden op het podium met behulp van een online pollprogramma vragen beantwoorden.

Dat kwam er alleen amper van.

De internetverbinding was langzaam. En een van de vrijwilligers kwam met haar telefoon niet op de juiste pagina. Als gevolg daarvan stonden we met z’n vijven wat te prutsen en te mompelen terwijl negentig mensen eerst geïntrigeerd toen geamuseerd en toen onrustig werden. En sommigen raakten tenslotte geïrriteerd.

Degenen die ik het meest geïrriteerd zag worden waren de twee organisatoren van het event. Op de voorste rij spraken ze met elkaar met handen voor de mond en steelse blikken mijn kant op.

Zonder me aan te kijken klopte hij me afwezig op de schouder en liep naar de borrellocatie.

Na een half uur – waarin ik het met humor gered heb, zoals iemand later zei – plofte ik neer op de stoel naast een van de twee organisatoren, ‘Frits’. Frits keek me niet aan en zei niets. Hij bleef met zijn rug van me afgewend zitten terwijl hij naar zijn collega luisterde die het woord van me over had genomen. (Die laatste begon overigens zijn verhaal met de woorden: ‘Gaaf, gaaf…’ waarmee hij leek te doelen op mijn optreden.)

Toen het plenaire gedeelte afgelopen was en het tijd was op te staan, wist Frits een ‘dankjewel’ te mompelen. Zonder me aan te kijken klopte hij me afwezig op de schouder en liep naar de borrellocatie.

Op de borrel sprak ik ook de tweede organisator, ‘Philip’ – die van ‘gaaf, gaaf…’ Hij leek een stuk minder moeite te hebben met mij. Hij bedankte me voor mijn bijdrage en zei lachend dat hij eerst dacht dat mijn blunder bij de act hoorde. ‘Klote,’ zei Philip, ‘maar dat kan nou eenmaal gebeuren.’

Thuis aangekomen vertelde ik het verhaal van mijn optreden. Mijn vriendin zei dat ze voor me baalde maar ervan overtuigd was dat ik het goed had gedaan. Ze had het verhaal eerder van me gehoord en ze zei te weten dat het echt een mooie boodschap was. Ze twijfelde niet aan mijn kunnen.

Compromitment is de mate waarin iemand zich gecommitteerd heeft aan een ander, gecombineerd met de mate waarin iemand gecompromitteerd wordt door die ander.

Drie mensen, drie reacties. Natuurlijk is het verschil in reactie voor een deel te verklaren door het verschil in persoonlijkheid: Frits leek me al een wat stiller type, Philip is in mijn ogen de wat meer positief ingestelde man en mijn vriendin Kim heeft altijd een pleister op de wonde klaar.

Maar persoonlijkheid is maar een déél van de verklaring. Compromitment is een even zo belangrijk of misschien wel het belangrijkste deel.

Compromitment is de mate waarin iemand zich gecommitteerd heeft aan een ander, gecombineerd met de mate waarin iemand gecompromitteerd wordt door die ander.

Hoe meer gecommitteerd, hoe meer ondersteunend. Neem Kim. Haar ken ik al zeventien jaar en ze helpt me altijd met mijn presentaties. Dat zij me blijft steunen mag geen wonder heten.

Interessanter is het verschil tussen Frits en Philip.

Ik was de dronken neef die op het familiefeestje op tafel klimt.

Ik kende Frits en Philip allebei niet vóór dit avontuur. De kennismaking en de intake voor het praatje had ik eind maart met hen beiden gedaan. Tot half juni, tijdens de verdere voorbereidingen, had ik alleen contact gehad met Philip. Met hem was er daardoor een soort gelegenheidsverbond ontstaan. We gingen dit samen regelen. Toen het uiteindelijk op het moment suprême fout ging, was dat commitment niet meteen verdwenen.

Met Frits had ik echter amper een relatie. Was voor Philip mijn optreden vermoedelijk in eerste instantie een gezamenlijke onderneming die fout ging, voor Frits was ik vooral een gênante vertoning op zíjn feestje.

Want dat was het compromitterende deel: met mijn mislukte experiment creëerde ik een ongemakkelijke situatie voor Frits en Philip. Ik was de dronken neef die op tafel klimt op het familiefeestje waar je net je vriend(innet)je voor het eerst mee naartoe neemt.

Voor beiden was het awkward. Maar voor Frits was ik een vaag bekende achterneef, terwijl Philip als het ware daags daarvoor nog met neef Olav de kroeg in was geweest.

Het vreemde aan compromitment: je zou verwachten dat mensen zich meer schamen voor iemand met wie ze nauwer verbonden zijn. Je schaamt je immers meer voor je moeder die gek staat de dansen op je zestiende verjaardag dan voor een wildvreemde die dat doet. Maar de grap is dat je hersenen je schaamte corrigeren voor de mate waarin je je verbonden hébt – vs. de mate waarin je verbonden bént.

Het is een kwestie van commitment.

Is het commitment laag, dan laat iemand de ander voor het minste of geringste vallen als een baksteen.

Speaking of dronken op tafels staan: op een hockeyfeestje waar ik ooit, lang geleden, was klom een jolige en dronken hockeyer op een statafel. Zijn ploeggenoten moedigden hem juichend en springend aan. Tot hij zijn sport- én onderbroek uittrok.

Wat hij (hopelijk) niet wist was dat hij in z’n broek gepoept had. Zijn vrienden wisten het tot op dat moment ook niet. Toen ze de over zijn billen geveegde diarreesporen zagen verstomde hun gejuich, verstilde hun springen en keerden ze zich van hem af.

De gêne en het risico om gecompromitteerd te worden waren te groot. En het commitment met hun teamgenoot was, na een bier of twintig, niet groot genoeg meer.

En dus is het compromitmenteffect: de mate waarin iemand zich afkeert van een ander is afhankelijk van de mate waarin iemand gecommitteerd is aan en de mate waarin hij gecompromitteerd wordt door die ander.

Is iemand meer gecommitteerd dan is er een grotere mate van ‘compromise’ nodig voordat hij zich afkeert van de ander die faalt. Is het commitment laag, dan laat iemand de ander voor het minste of geringste vallen als een baksteen.

De kans op compromitment is grillig en wordt steeds groter. Dit zorgt soort voor onveilige werksituaties. En een paradox.

En het is precies die afhankelijkheid van de mate van compromitment die beoordelingen van en beloningen voor ons werk onbetrouwbaar maakt.

Want wat als je als medewerker zelfstandig werkt? Dan is je leidinggevende weinig betrokken bij wat je doet, dus in de regel minder gecommitteerd. En wat als je dan ook nog iets doet waardoor je leidinggevende zich geneert? Dan voelt hij of zij zich gecompromitteerd.

Maar wat de een oké vindt, vindt de ander gênant. Dacht jij bijvoorbeeld dat je best mag zeggen tegen een klant dat jullie een deadline niet gaan halen? Het kan best zijn dat je baas dat he-le-maal geen goed idee vindt. Of vind jij het oké om tijdens een vergadering je meerdere tegen te spreken? Wie weet is dat iets waar zijn tenen net iets te lang voor zijn.

Medewerkers en leidinggevenden moeten elkaar meer opzoeken naarmate ze minder met elkaar te maken hebben.

De kans op compromitment is dus onvoorspelbaar door persoonlijke verschillen. Daar komt bij dat steeds meer mensen in zelfstandige functies werken. Dat is nou eenmaal de trend: medewerkers verdienen vrijheid, is de gedachte.

Dus de kans op compromitment wás al grillig en wordt óók nog eens steeds groter door de neiging naar vrijheid. Dit zorgt soort voor onveilige werksituaties. En een paradox.

De paradox is namelijk dat medewerkers en leidinggevenden elkaar meer moeten opzoeken naarmate ze minder met elkaar te maken hebben. Op die manier blijft het commitment hoog en weet je van elkaar wat de ander oké vindt en wat gênant.

Want iemand zelfstandig laten werken is één ding, iemand laten vallen iets heel anders.


Olav de Maat is schrijver en consultant (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.


 

What to do when friends don’t pay up

Last Thursday, the finale took place of two and a half years of fuss about a twelve-thousand-euro loan. At least, I hope so. Because it seems that the end was already in sight two and a half years ago.

Share your opinion on how I handled this with the poll at the bottom of this post. 

Meanwhile, it’s been twenty months. I still don’t have my money back.

At the beginning of September 2016, ‘Oz’, an acquaintance who was up to his neck in a huge construction project, asked if my girlfriend and I knew someone who could temporarily help him out. With twelve thousand euros he would get the biggest creditors off his back. And he expected he needed three months to get things sorted out with the bank for a multimillion-euro deal for the project. So the loan would be repaid before the end of the year.

At that moment, I could do without such an amount for a few months. And I supported Oz’s initiative. Moreover, I trusted him. So I told him he could count on me.

At the insistence of Oz, we had a contract drawn up. Among other things, it stated: ‘Repayment of the loan is made by full repayment, the first and only term of which expires on 31 December 2016.’

Meanwhile, it’s been twenty months. I still don’t have my money back. And since we are renovating a house we just bought, we now need it ourselves.

Since January 2017, we’ve tried to reach Oz regularly. Sometimes, after months of insisting, we got a result. At moments like these, he would tell us that the money would shortly come. Then, this wouldn’t happen. So, after some time, we tried to reach him again in vain. After which he would let us know very briefly that everything would almost be finished. And then he would disappear from the radar, again.

We thought that we would take a different approach. We were going to turn to the people around him.

It was March the last time I spoke to him.

Since his promises turned out to be empty again and again, and especially because we could not elicit a response via email, WhatsApp and telephone, a week ago, we thought we would take a different approach. We were going to turn to the people around him.

First, my girlfriend called his company. He turned out not to be there at that moment. So she asked for his business partner. She was there. She had an appointment with Oz that day, she said. My girlfriend asked her to ask him to call us. She also explained why she wanted to reach him. His business partner promised to tell him.

After a few days Oz still had not contacted us. In the end, we decided to approach his girlfriend.

He was mad. At us.

I called her and got her voicemail. I left a message with explanations and apologies. Assuming that she would be surprised by this news, I also emailed her with our predicament. That way, she could read it, in case she couldn’t believe her ears.

My girlfriend sent a last, desperate WhatsApp in which she almost begged Oz for contact. This time, we got a reaction. Oz wrote that he had understood that we had approached his business partner and girlfriend. That was all he wrote. No excuses. No promises.

He did put six dots between the name of his business partner and that of his girlfriend.

He was mad. At us.

My girlfriend decided to call him. She actually got him on the phone right away. After she had briefly tried to make it clear to him that she was baffled by his response, he took over the conversation. How could I involve his girlfriend in this? Approaching his business partner was one thing. But his romantic partner? That really went too far, he said.

After my girlfriend hung up, she asked me for the number of my business account and the amount that Oz owed me by now. He had said he would transfer it as soon as he had that information. (BTW: it’s been two business days since then, and the money still isn’t in my account.)

He doesn’t have to face his own lack of decency. He is not wrong. I am the bad guy here, if you ask him.

I felt a bit ashamed when Oz turned out to be angry with me. Had I indeed gone too far?

We had decided to approach the people who see him the most and who have the most influence on him, because, time and time again, he turned out not to be approachable or influenced by us.

What’s more, if I had not told her about the situation, his girlfriend had gone and asked him if he wanted to call a certain Olav de Maat. That would elicit the same response as always: nothing.

And we wanted to elicit something. Because, it wasn’t even the fact he wouldn’t pay up, it was the fact he would categorically ignore us for months at a time that had bothered us most.

Moreover, on principle and out of respect for the friendship with him, we did not want to make this a legal issue. Of course we could have sent formal letters and threatened him with bailiffs. But that’s not in our nature. We wanted to avoid stuff like that for as long as possible.

If a human sees a chance to keep his self-image clean, he must be strong-willed not to grab it.

What I hate the most about this whole episode is that Oz is angry with me. In his eyes I am the a-hole who has his girlfriend involved in this. And with that, he does not have to face his own lack of decency. He is not wrong. I am the bad guy here, if you ask him.

And why would he not think so? He’s only human. And if a human sees a chance to keep his self-image clean, he must be strong-willed not to grab it. Especially when it comes to something that simply has no good reason. For what good reason is there to go mute when someone who loaned you a considerable sum is trying to reach you with all his might?

But maybe now I’m also polishing my self-image. Who knows.

Eventually we sent Oz a final WhatsApp before we went to bed Thursday night: “The only thing we wanted with the loan to you was to make the world a little better and let the good guys win. We think it’s a real (really real) pity that we have now given each other the feeling that the other person is the bad guy and the world has not gotten better for it.”


I’m curious: what do you think of this? Am I also suffering from self-deception in this case? Give your opinion in the poll below.

Makelaars zijn gebaat bij onmenselijke relaties

Twee weken geleden zegde ik de huur op van ons huis. Eerst telefonisch, in een gesprek met de eigenaar. Daarna, op zijn verzoek, nog een keertje via een kort e-mailtje. Vorige week kreeg ik het verzoek om het nogmaals te doen via een brief. Onzin natuurlijk, maar ik heb het wel gedaan. Want mensen worden nou eenmaal gedreven door het in stand houden van relaties, niet door het maximaliseren van nut.

We gaan verhuizen. Over een maand of twee, drie. Naar een huis dat we hebben gekocht, zoals ik eerder schreef. Het wordt flink verbouwd dus we kunnen er pas per 1 juli in.

Ik vertelde de eigenaar dat telefonisch. Die vroeg me om het nog even kort op de mail te zetten want ‘dat gaat het verhuurbureau ons natuurlijk vragen’. De eigenaars verhuren hun huis namelijk via een makelaar. Na mijn mail mailde de eigenaresse me vorige week of ik dus nogmaals de huur schriftelijk wilde opzeggen.

‘Wij adviseren een verhuurder altijd om van een huurder te verlangen dat deze de huurovereenkomst officieel en schriftelijk per brief opzeggen.’

In de berichtgeschiedenis stond een e-mail van het verhuurbureau die verklaarde waarom ze dat deed.

Wij adviseren een verhuurder altijd om van een huurder te verlangen dat deze de huurovereenkomst officieel en schriftelijk per brief opzeggen. Een en ander volgens onder meer artikel 3.1 van de huurovereenkomst […]. Een kopie van de brief stuurt de huurder i de meeste gevallen eveneens naar onze postbus, zoals gevraagd in 3.1. Verhuurders sturen ons zo wie zo een kopie als pdf. Aan de hand van de ontvangen opzegging controleren wij altijd of de juiste opzegtermijn etc. is gehanteerd. Ook starten wij dan de verdere communicatie m.b.t. de eindinspectie op.

Een paar dingen gingen hier mis – los van de grappige combinatie van formeel taalgebruik en schrijffouten.

Ten eerste hadden wij onze huurovereenkomst al schriftelijk opgezegd. Ik heb het even opgezocht en vond dat een e-mail rechtsgeldig en net zo hard als een papieren document is zolang er niet wordt ontkend dat hij is ontvangen of dat de inhoud echt is. Op mijn eerste opzeggingse-mail had ik een bevestiging gekregen van de verhuurder. Dus van ontkenning van ontvangst of de echtheid van de inhoud was geen sprake.

Dat er tussen begin april en 1 juli meer dan een maand zit kan iedereen uit het hoofd uitrekenen.

Juridisch was er dus geen reden voor deze dubbele bevestiging van opzegging. Maar dat boeit me eigenlijk nog het minst.

Het tweede en veel belangrijkere dat hier fout ging is dat onze relatie met de verhuurders gedevalueerd werd. Die relatie is namelijk erg goed. Door te ‘verlangen’ dat wij de huurovereenkomst ‘officieel en schriftelijk per brief’ opzeggen vermaakte het verhuurbureau onze relatie tot een van huurder-verhuurder. Terwijl we elkaar al jaren bij de voornaam noemen.

En, fout nummer 3, waar onze onderlinge relatie werd gedevalueerd, promoveerde het verhuurbureau onterecht zijn eigen rol juist. Want wat had dat nog te doen?

De opzegtermijn controleren? Die is een maand. Dat wisten wij en de eigenaars vast ook. En dat er tussen begin april en 1 juli meer dan een maand zit kan iedereen uit het hoofd uitrekenen.

Loos papierwerk, devaluatie van onze relatie met de eigenaars en zelfpromotie van de makelaar.

Of is de eindinspectie dan echt een makelaarsding? Neen. Want gisteren is de eigenaresse zelf met mijn vriendin door het huis gegaan en hebben ze vastgesteld wat er aan het huis verbeterd moet worden. Niet om die ‘schade’ in te houden van onze borgsom, maar om een en ander te laten verbouwen voor de volgende huurders.

Tenslotte, en daarmee is ook meteen het laatste wat je van een verhuurbureau zou kúnnen verwachten om zeep: wij hebben zelf de volgende huurders aangedragen. Die liepen gisteren mee door het huis met de eigenaresse en mijn vriendin. En die gaan zelf de verbouwing doen.

Kortom, loos papierwerk, devaluatie van onze relatie met de eigenaars en onterechte zelfpromotie van de makelaar. Drie onnodige gevolgen van één mailtje. Maar er zat nog een staartje aan dit verhaal dat me misschien nog wel het meest aan het hart gaat.

Wat hierboven staat heb ik in (veel) minder woorden ook aan de eigenaars gezegd. Ik schreef dat we een briefje op zouden stellen maar dat het me wel tegenstond. Hierop reageerden zij dat ze me gelijk gaven. Én dat ze het heel fijn vonden dat we onze huur per brief zouden opzeggen.

Mensen worden veel meer gedreven door het in stand houden van een relatie dan door het maximaliseren van nut.

De reden die ze daarvoor gaven was eigenlijk vooral dat ze de relatie met het bureau in stand wilden houden. Met nut of logica had het weinig te maken.

En daarin zit wat mij betreft de les van deze ervaring: mensen worden veel meer gedreven door het in stand houden van een relatie dan door het maximaliseren van nut.

En laat dat ook helder zijn: ik ben ook een mens. Ook ik ben overstag gegaan. Onder loos protest – en de melding dat ik hoopte dat hij zijn procedures zou aanpassen voor de volgende huurder die opzegt – heb ik een brief opgesteld, ondertekend, ingescand en als pdf verstuurd naar de makelaar. Ook ik wilde niet mijn relatie met de verhuurders op het spel zetten om een punt te maken.

Toch hoop ik dat we allemaal scherper zijn op die kleine kansen om de núttige menselijke relatie weer bovenaan te zetten. Er is altijd wel iets wat je minder of niet kunt doen om daarvoor te zorgen.

Want juist door op de korte termijn te kiezen voor het behouden van een relatief onbelangrijke relatie kunnen we op de langere termijn echt waardevolle relaties devalueren.


Meer? Dan heb ik nog de rest van dit blog, een boek, een Facebookpagina en een site.


 

Economen kennen geen win-winsituatie, mensen wel

We hebben een huis gekocht. Van een dame van 87. Voor een prijs die lager lag dan wat zij haar man op zijn sterfbed had beloofd. En dat voelt goed.

Vorig jaar hadden we ons oog laten vallen op het huis in het bos. Een bungalow uit de jaren zeventig waar sinds de verbouwing van 1986 niks meer aan gedaan was. En waar het echtpaar dat er eigenaar van was al meer dan vijf jaar niet meer was geweest. Te oud. En sinds een jaar was de mannelijke helft er niet meer.

Insiders hadden ons verteld dat we het voor een redelijke prijs zouden kunnen kopen. Op die manier zouden we een flink bedrag overhouden om het huis te verbouwen naar de maatstaven van de eenentwintigste eeuw.

Desalniettemin wilden we een poging wagen. We besloten mevrouw Vis een brief te schrijven.

Ons eerste bod was daarom tachtigduizend onder de vraagprijs. Het tegenbod van de eigenaresse kwam snel: dertigduizend boven het onze. Binnen twee slagen waren we dus al een eind gezakt. Maar dat was ons niet genoeg. Als je flink wilt verbouwen, is elke paar duizend euro immers meegenomen.

Haar makelaar vertelde ons dat de eigenaresse, mevrouw Vis, al meerdere potentiële kopers zich stuk had laten bijten op het bedrag waar ze nu, met haar tegenbod, mee was gekomen. Ze wilde nooit lager zakken. Dit was blijkbaar een heilige grens waar ze niet onder wilde. ‘Het is een nogal principieel type, weet je,’ zei de makelaar, ‘niet de gemakkelijkste.’

Desalniettemin wilden we een poging wagen. We besloten mevrouw Vis een brief te schrijven.

We vertelden dat we in haar huis de mogelijkheid zagen om een grote wens in vervulling te laten gaan.

We begonnen: ‘Graag willen wij u persoonlijk uitleggen waarom wij uw bungalow zo graag willen kopen. En waarom we daar het bod van [zoveel] euro op hebben gedaan.’

We legden uit dat we waren gaan houden van het bos waar de bungalow in ligt toen we twee en een half jaar geleden in datzelfde bos in een huurhuis woonden. We vertelden dat we in haar huis de mogelijkheid zagen om een grote wens in vervulling te laten gaan. Dat we ons heel goed konden voorstellen hoe onze dochter daar kan opgroeien in een heerlijke omgeving; en hoe wij daar zelf ook kunnen genieten van het bos en de grote tuin.

Bovendien zagen we de potentie van het huis, schreven we: ‘In de basis een solide huis waar u, naar het zich laat aanzien, iets heel eigens van heeft gemaakt destijds. Maar het is ook zo dat er het een en ander moet gebeuren om het huis weer geschikt te maken voor bewoning.’ We legden uit dat op alle vlakken achterstallig onderhoud was. En dat we daarvoor een flink budget nodig hadden. En dat dat de achtergrond van ons bod was.

We sloten af: ‘We snappen dat u anders naar uw huis kijkt dan wij. Maar wij hopen ook dat u begrip heeft voor onze situatie en inschatting en dat u ons tegemoet wilt komen. Wij zijn in ieder geval bereid ons eerste bod te verhogen met 10.000 euro.’

We verstuurden de brief naar de makelaar. En wachtten.

We vielen even stil. Schaamrood kwam op onze kaken.

Anderhalve week later kregen we reactie. In een lange brief liet mevrouw Vis ons weten dat ze de onze erg had gewaardeerd. En dat ze haar vorige bod wilde handhaven.

Ze vertelde ook waarom. Ze had haar man beloofd niet minder dan dat bedrag voor het huis te krijgen. Ooit hadden ze het huis namelijk gekocht als zomerhuis. In de winters wilden ze in Californië wonen, waar hun zoon had gestudeerd en werk had gevonden.

Niet lang na dat besluit werd hij echter ziek. Een jaar later overleed hij.

Het huis in Nederland stond dus voor hun overleden zoon. En, omdat ze hadden ervaren hoe belangrijk het was om bij je zieke kind te zijn, hadden ze zich voorgenomen de inkomsten van de verkoop van het huis aan het Ronald McDonald Kinderfonds te doneren. En die donatie moest de hoogte van haar laatste bod hebben.

We vielen even stil. Schaamrood kwam op onze kaken.

Mevrouw Vis ging tóch over haar magische grens.

Een paar dagen later hadden we onze gedachten weer op een rijtje. We besloten de laatste wens van meneer Vis te respecteren. En om er een win-winsituatie van te proberen te maken: wij aanvaardden haar bod maar wilden het huis pas in eigendom krijgen als het geheel verbouwd was.

Daarmee zouden we dubbele woonlasten vermijden en dat zou duizenden euro’s schelen. En mevrouw Vis zou er geen last van hebben want ze woonde er toch niet meer en de hypotheek was afbetaald.

We zetten ons voorstel in een brief, verstuurden die en wachtten weer.

Weer een week later. Weer een reactie. Dit keer via een telefoontje van de makelaar. Mevrouw Vis ging niet akkoord met ons voorstel. Ze verlaagde haar prijs wel met tienduizend euro. Daarmee ging mevrouw Vis over haar magische grens.

Waarom maken mensen geen contact van mens tot mens in situaties waarin ze afhankelijk zijn van onbekenden?

Een paar weken later stond de makelaar bij ons voor de deur. Hij had het koopcontract onder zijn arm. En een knuffelbeertje. Hij was bij mevrouw Vis geweest om haar het contract te laten tekenen. Bij het afscheid had ze hem het beertje gegeven. Of hij het aan onze dochter wilde geven.

Hoe kan het toch dat anderen stuk waren gelopen op de magische grens van mevrouw Vis en wij niet? En waarom geeft iemand die getypeerd wordt als principieel en niet de gemakkelijkste een beertje als bezegeling van de onderhandeling?

Mijn simpele, wellicht voor de hand liggende verklaring: we hadden contact gemaakt, van mens tot mens.

Maar als het zo simpel is, waarom zijn anderen dan toch stuk gelopen? Waarom hebben zij niet contact gemaakt van mens tot mens? En waarom doen mensen dat in allerlei andere onderhandelingssituatie dat niet? Of überhaupt in situaties waarin ze afhankelijk zijn van onbekenden?

Laat je brein, economen en je trots een poepie ruiken.

Mijn (misschien niet zo simpele, voor de hand liggende) verklaringen: (1) omdat mensen onbekenden niet zien als mensen (ons brein kán ze daadwerkelijk niet zo zien), (2) omdat de meeste mensen ervan overtuigd zijn dat je onbekenden niet moet vertrouwen als je afhankelijk van ze bent (economen hebben ons geleerd dat mensen berekenend en op eigen belang gericht door het leven gaan) en (3) omdat mensen te trots zijn om zich afhankelijk op te stellen (de meeste sociale zoogdieren zijn belast met iets wat biologen gelijkheidszin noemen, dat zegt dat anderen niet zomaar hoger in rang mogen staan).

Ik stel voor dat je je brein, economen en je trots een poepie laat ruiken: maak contact van mens tot mens in situaties waarin je afhankelijk bent van iemand. Of je die ander nu kent of niet. De win-winsituatie ligt dan veel meer voor de hand dan je nu zult denken.


Want more? Check dit blog, m’n boek, m’n Facebookpagina of m’n site. Of stel me gewoon een vraag.


 

Intercoms maken nare stresskippen van lieve receptionistes

‘Receptie, goedemorgen!’ ‘Goedemorgen! Olav de Maat hier!’ riep ik terug door intercom. ‘U bent te vroeg, want u heeft een plek van kwart voor tien tot elf uur.’ Het was half tien. ‘Het spijt me, maar ik had de pech dat ik geen files had,’ probeerde ik het ijs te breken. Het hielp niet: ‘En hoe weet ik dat u om elf uur weer weggaat?’ kwam er uit het paaltje naast de slagboom.

‘Nou, dat voelt welkom!’ zei ik terug met een lach. ‘Ik heb een afspraak tot elf uur en daarna ben ik meteen weer weg.’ ‘Ja, dat zeggen ze allemaal en dan blijven ze de hele dag staan,’ was de volgende opmerking van de receptioniste. ‘Hoe weet u dat ik dat ook doe? U kent me niet,’ antwoordde ik. ‘Weet u wat? Als ik mijn auto heb geparkeerd kom ik naar u toe en dan kom ik u een hand geven en dat doe ik ook om elf uur, als ik het pand weer verlaat. Dan kunt u zien dat ik te vertrouwen ben.’

De paal bleef even stil. Ik dacht dat ik verloren had. De slagboom ging open.

‘Een niet onvriendelijk maar verhit bebrild hoofd keek me aan. In de vijftig, twee puberkinderen, gokte ik.

Toen ik mijn auto had geparkeerd bleef ik even zitten. Ik maakte een notitie in mijn telefoon over dit voorval, zoals ik vaker doe als ik voer voor mijn blog heb. ‘Ongelooflijk!’ mompelde ik terwijl ik de lift naar de receptie in stapte.

Achter de receptie zat de mevrouw van het pratende paaltje. Een niet onvriendelijk maar verhit bebrild hoofd keek me aan. In de vijftig, twee puberkinderen, gokte ik.

Ze stak haar hand uit. ‘Sorry, hoor,’ zei ze. ‘Het was echt niet mijn bedoeling om zo lelijk te doen. Vanaf acht uur vanochtend al gaat dit zo. Auto na auto wil binnen. En ik wil niet zo lelijk doen maar het gebeurt gewoon!’

We praatten nog even door over het reserveringssysteem (een papieren uitdraai, toegetakeld met strepen van markeerstiften en pen) en de ruimte die er toch nog was in de parkeerplaats (nog vijftien plekken, ondanks wat haar reserveringsvelletje zei). We zeiden elkaar gedag met een glimlach. En om vijf over elf nog een keer – ik was net iets te laat, ik geef het toe.

‘Voor haar was ik auto-nummer-zoveel-met-een-lulverhaal.

‘Wat een schat!’ dacht ik toen ik de lift naar de parkeerkelder in stapte.

Het maakt een enorm verschil of je iemand kunt zien of niet en of je iemand kent of niet. De combi niet-zien-niet-kennen is een killer combo. Anonimiteit maakt onverantwoordelijk. Ze maakt van mensen lompe horken en soms zelfs moorddadige monsters. Dat weten we allang.

Maar dit voorval wees me heel charmant op de alledaagse vormen die anonimiteit aanneemt. Die mevrouw had mij ontmenselijkt voordat ik mijn mond kon open trekken. Voor haar was ik auto-nummer-zoveel-met-een-lulverhaal. En ik had haar ingebeeld als weer-zo’n-bureaucratische-dichtgetikte-stresskip.

Ze bleek een lieve, onzekere stresskip te zijn, die heel goed beseft wat ze doet. Een schat die mij er weer aan herinnert dat achter elk praatpaaltje, callcentertelefoontje en mailtje-op-hoge-poten een echt mens zit met goede bedoelingen en een páár verbeterpunten.


Meer belangrijke inzichten? Check de rest van m’n blog, m’n boek, m’n Facebookpagina of m’n site. Of stel me gewoon een vraag.


 

Waarom mensen niet van managers houden

Stijf hield ze haar lippen op elkaar terwijl ze me uitdagend aankeek. Ik probeerde het ding in haar mond te krijgen door hem ervoor te houden en zachtjes te duwen. Geen effect. Ik vroeg haar heel lief om mee te werken. Geen sjoege. Ik zei met iets meer volume en strengheid: ‘Kom op nou! Niet zo flauw.’ Geen reactie.

Gefrustreerd liep ik weg. Terwijl ik in de andere kamer mijn frustratie eraf probeerde te lopen, hoorde ik Loulou in de badkamer vrolijk met haar moeder verder keuvelen. Alsof er niks aan de hand was.

Tandenpoetsen, van niemand in ons gezin de favoriete bezigheid. De elektrische borstel was even een noviteit en daarom leuk voor onze driejarige dochter. Maar al snel bleek dat poetsen met stroom eigenlijk vervelender is en langer duurt dan met het klassieke ding.

‘Het is niet veel anders dan hoe medewerkers met hun managers omgaan en vice versa.

En nu kiest Loulou eens in de zo veel keer een tandenpoetsmoment uit om te protesteren tegen de ouderlijke macht.

Het is niet veel anders dan hoe medewerkers met hun managers omgaan en vice versa. Eens in de zo veel tijd laten de eersten aan de laatsten zien dat ze het niet oké vinden wat de laatsten met de eersten voorhebben. Ze gaan in discussie over voorgenomen veranderingen, ze sturen boze e-mails of ze doen gewoon alsof de neus bloedt en reageren niet op welk verzoek dan ook. En ondertussen keuvelen ze vrolijk verder bij de koffieautomaat, alsof er niks aan de hand is.

Ik ben niet de vader die zijn kind tot dingen dwingt. Ik forceer geen tandenborstels in monden en ik wrik geen kaken van elkaar. Daar voel ik me niet goed bij. Bovendien geloof ik dat het pedagogisch en didactisch niet erg verantwoord is.

En ik denk dat ook veel managers niet de manager willen zijn die hun medewerkers tot dingen dwingt.

‘Als je geen machtsmiddelen in wilt zetten of ruzie wilt, lijk je machteloos.

Maar als je geen machtsmiddelen in wilt zetten of ruzie wilt, lijk je machteloos. Je kunt proberen je mensen te veranderen door het uit te leggen, voor te doen en zachtjes te duwen. Je kunt heel lief vragen om mee te werken. Je kunt het met iets meer volume en strengheid zeggen. Maar als je mensen niet willen, krijg je waarschijnlijk regelmatig geen positieve reactie.

Je zult iets moeten bieden wat die ander wil. Of eigenlijk moet ik zeggen: wat die ander nodig heeft. In het geval van mijn dochter gaat het om iets simpels. Ze wil niet per se niet tandenpoetsen, ze heeft behoefte aan aandacht en een beetje hulp.

Zodra zij het idee heeft dat ik iets erdoorheen wil pushen, krijg ik gedoe. Zodra ik letterlijk en figuurlijk bij haar blijf in alle rust, krijg ik bijna alles gedaan. En als ik dan ook nog help bij de moeilijke stukjes door liedjes te zingen, grapjes te maken, aanwijzingen te geven, dan hebben we helemaal een bal.

‘Welk gezin is ooit beter geworden van functieprofielen, prestatieafspraken, beoordelingsgesprekken, jaarplannen en budgetrondes, laat staan ontslagrondes?

Het klinkt zo obvious en misschien te gemakkelijk om de lijn te trekken tussen ouderschap en leiderschap. Dat is niet erg. Want het ís obvious en gemakkelijk. Stop met mensen op het werk te behandelen als andere wezens dan de wezens die je ook thuis hebt rondlopen. Je kinderen, je partner, je broers en zussen, je vrienden, het zijn allemaal mensen, net als je collega’s en je medewerkers – en vergeet je eigen leidinggevende niet.

Uit talloos onderzoek blijkt dat arbeidsvoorwaarden veel minder belangrijk gevonden worden dan managers denken. Vooral blijken mensen behoefte te hebben aan aandacht en een beetje sociale ondersteuning van hun leidinggevende.

En mensen hebben een hekel aan andere mensen die controle over ze willen hebben. Gelijkheidszin noemen ze dat in de biologie.

‘Mensen hebben behoefte aan aandacht en een beetje sociale ondersteuning.

Stop dus niet alleen met collega’s en medewerkers niet als mensen te behandelen, stop ook met het managen van ze. Want welk gezin is ooit beter geworden van functieprofielen, prestatieafspraken, beoordelingsgesprekken, jaarplannen en budgetrondes, laat staan ontslagrondes?

(En als je nu denkt: nouhou, misschien moet ik die dingen júíst (weer) s gaan invoeren thuis… forget it. Want, net als managementmaatregelen op het werk, helpen managementmaatregelen thuis alleen op de korte termijn en oppervlakkig. Op de lange termijn hollen ze de onderlinge relaties en collectieve potentie uit.)


Wil je meer tips voor een gelukkig privé- en werkend leven? Lees dan m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn! Of stuur me gewoon een bericht.