Mensen nemen het liefst geen verantwoordelijkheid

Mede verantwoordelijk zijn is niet verantwoordelijk zijn. Als het onduidelijk is wie iets zou moeten doen, gebeurt er vaak niets. Het probleem is alleen, in elke situatie waar meer dan één persoon aanwezig is is niemand honderd procent verantwoordelijk. Gevolg, er gebeurt te weinig en we wachten te veel op elkaar.

‘Pardon,’ zei ik en deed de tweede deur open van een koeling bij de groenteafdeling van de Albert Heijn. De dame naast me, die de eerste deur open had gedaan, reageerde amper tot niet op mijn verontschuldiging.

Ik vond snel wat ik zocht, sneller dan mijn winkelgenoot. Om de tweede deur bij het dichtdoen niet tegen haar aan te gooien liet ik hem open. Al snel vond de dame ook wat ze zocht en ze sloot de deur. Haar deur. De mijne liet ze open.

Een klein voorbeeld. Maar erin verscholen liggen heel veel andere voorbeelden.

Het komt zo vaak voor dat je je af kunt vragen of het nou typisch menselijk is of typisch Nederlands.

Het bordje waarvan je broertje of zusje had gegeten en waarover je moeder vraagt of je het naar de keuken wil brengen – ‘Ik heb het toch niet vies gemaakt?!’ De verpakking die iemand voor je vlak naast de prullenbak gooit – je voelt wel de neiging er iets van te zeggen maar niet de aandrang om het zelf op te rapen. De collega die niet doet wat was afgesproken – ‘Zijn leidinggevende zou hem eens moeten aanspreken!’ Of de medewerker die iets niet doet wat hij wel zou kúnnen doen – ‘Dat is toch niet míjn verantwoordelijkheid?’

Het komt zo vaak voor dat je je af kunt vragen of het nou typisch menselijk is of typisch Nederlands. Is het onze natuur of onze cultuur?

Maar misschien voel je nu allereerst de neiging om op te komen voor de vrouw van de koelingdeur. Misschien vind je dat ik mijn eigen deur had moeten dicht maken. Ik had hem toch ook open gemaakt?

Maar zit er niet altijd ambiguïteit in de voorbeelden hierboven en in al die andere voorbeelden die je zelf kunt bedenken? Van welke situatie waar meer dan één persoon aanwezig is kun je zeggen dat één van hen honderd procent verantwoordelijk is?

Wat maakt dan dat het voor ons zo moeilijk is om dan toch maar honderd procent verantwoordelijkheid te némen als de ander dat niet doet?

Niemand maakt zich continu zorgen om al het leed in de wereld en zelfs niet om alle mensen in hun directe omgeving. Dat is gewoon te veel.

Het antwoord is dat het zowel onze natuur als onze cultuur is.

Allereerst is het typisch menselijk om je zo beperkt mogelijk verantwoordelijk te voelen. Mensen die zich mentaal en fysiek druk maakten om alles en iedereen in de gemeenschap hebben het in de evolutie niet gered. Die verspilden hun energie. Choose your battles is niet voor niks een spreekwoord.

(Nu zijn er vast mensen aan wie je meteen moet denken van wie je vindt dat die zich druk maken om alles en iedereen. Maar ik durf te wedden dat dat reuze meevalt als je naar de feiten kijkt. Niemand maakt zich continu zorgen om al het leed in de wereld en zelfs niet om alle mensen in hun directe omgeving. Dat is gewoon te veel.)

We willen niet meegetrokken worden in de slipstream van andermans gêne.

Het is óók typisch Nederlands om ons op deze manier en in deze mate te onttrekken aan medeverantwoordelijkheid. Beter gezegd, het is typisch westers. Er zijn culturen, en vooral de Aziatische staan daarom bekend, waarin het veel normaler is om je te bekommeren om de mensen om je heen, om je druk te maken over de vraag of iedereen wel doet wat-ie zou moeten doen en om iets te doen wat een ander nalaat.

Wij zijn opgegroeid met de gedachte dat het individu verantwoordelijk is voor zijn daden, voor zijn successen en zijn miskleunen. Dan kunnen we er maar beter voor zorgen dat we niet te veel betrokken zijn bij de ander. We zouden zomaar meegetrokken kunnen worden in zijn slipstream van gêne.

Voor de duidelijkheid, deze typisch westerse mentaliteit kon alleen maar ontstaan omdat we als dier hier dus voor geprogrammeerd waren. In onze cultuur is de volumeknop alleen wat hoger gezet dan in andere.

Niemand van ons wordt ooit een fulltime weldoener.

Weer terug naar de koeling. Was deze westerse vrouw bezig met de vraag of ik iets deed waar zij sociaal gezien last van zou ondervinden? Nee, niet bewust, nee. Maar haar aangeboren talent en aangeleerde gewoonte zich te onttrekken aan wat anderen doen leidden er wel toe dat ze automatisch niet met mijn deel van de wereld bezig was.

Het slechte nieuws is: niemand van ons wordt ooit een fulltime weldoener. (Maar goed, je kunt je afvragen voor wie het goed nieuws zou zijn als dat wel in het verschiet lag. Doodmoe zouden we ervan worden, de weldoener én de welgedanen. De evolutie heeft het niet voor niets uitgesloten.)

Het goede nieuws is: we kunnen wel léren om ons parttime te bekommeren om de vage gebieden van medeverantwoordelijkheid. De Chinezen hebben het bewezen.

Zoek elke dag tenminste één ding wat je kunt oppakken wat een ander ook had kunnen doen.

Maar hoe dan? vraag je je nu wellicht af. Welaan, klein beginnen, zou ik zeggen. Begin bij een koeling van de Appie. Of sta sowieso even stil voor je een winkel in loopt en neem je dan voor op de anderen in de winkel te letten. Kijk wat je kunt doen. Doe hetzelfde thuis of op je werk.

Zoek elke dag tenminste één ding wat je kunt oppakken wat een ander ook had kunnen doen. Alleen al het zoeken zal je anders doen kijken en daarom anders doen handelen.

En vergeet je kinderen niet, als je die hebt. Geef hun soortgelijke opdrachtjes: het bordje van hun broertje of zusje naar de keuken brengen, een (niet te vies) papiertje van straat in de prullenbak gooien, een onbekende voor laten gaan de winkel in, speelgoed weggeven, en vooral zelf laten nadenken wat ze vandaag voor een ander kunnen doen.

En maak daar een leuk spelletje van. Daag ze uit. Beloon ze. Doe mee.

Uiteindelijk heb ik de koeling maar dicht gedaan. Dat was mijn kleine oefening voor die dag. Mijn volgende oefening wordt om geen mening te hebben over de mevrouw die de deur open liet…


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een bedrijf, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Advertisements

Feedback geven is nutteloos als er geen vertrouwen is

‘Mensen spreken elkaar hier niet aan.’ ‘Ik heb hem er al vaak feedback over gegeven maar hij verandert gewoon niet.’ ‘We praten te veel óver elkaar en niet mét elkaar.’ Dit soort uitspraken hoor ik vaak. De oplossing voor veel problemen lijkt elkaar aanspreken. Maar daar los je meestal niks mee op. 

Onze hond Cisco loopt aan het eind van zijn rondje altijd voorop, als een paard dat de stal ruikt. Hij staat dan vaak bij het hek, dat ons huis van het bos scheidt, te wachten tot ik het open doe.

Laatst kwam er een groepje wandelaars voorbij, net voordat ik bij het hek was aangekomen waar ons hondje braaf stond te wachten. Ik zag dat een man die in de achterhoede liep het klokhuis van zijn appel naar Cisco gooide.

Cisco houdt van appels, dus je zóú dit kunnen opvatten als een vriendelijke daad. Maar Cisco braakt appels doorgaans later weer uit. Zijn maag verdraagt ze niet. Bovendien vind ik het ongepast om je eigen GFT-afval – of wat dan ook – te gooien naar andermans hond.

Daarom riep ik: ‘Zou u dat niet willen doen?!’

‘Mijn hond moet ervan kotsen,’ verklaarde ik mijzelf nader. ‘Ik ook,’ reageerde de man, ‘daarom gooi ik ’m weg.’

De voorste leden van de wandelgroep waren mij inmiddels dicht genaderd. Ze hadden niet gezien wat hun groepsgenoot had gedaan en keken me geschrokken aan. Ze keken alsof ze rekening hielden met de mogelijkheid dat ze met een gek te maken hadden.

Ik liep langs hen en kwam bij de appelgooier aan. ‘Mijn hond moet ervan kotsen,’ verklaarde ik mijzelf nader. ‘Ik ook,’ reageerde de man, ‘daarom gooi ik ’m weg.’ Het klonk als een grap maar hij lachte er niet bij. Ook bij de andere vijf leden van de wandelstoet bleef het gezicht strak terwijl iedereen doormarcheerde.

Op branieachtige spitsvondigheid en algehele onverschilligheid had ik niet gerekend. Vertwijfeld liep ik ook maar door en riep ten besluit (en een beetje kinderachtig): ‘Fijne dag verder!’

Een reactie bleef uit. Niemand draaide zich naar me om. Nog wat verbluft ging ik met Cisco, die de appelresten allang naar binnen had gewerkt, het hek door.

Sowieso laten mensen zich niet snel op hun fouten wijzen maar als een onbekende dat doet wordt de kans om je aangesproken te voelen helemaal klein.

Als iemand die je niet kent je aanspreekt op je gedrag zorgt dat in de regel niet voor een erkenning van je fout. Mensen zijn namelijk vooral geneigd om informatie te accepteren die hun – vaak te positieve – zelfbeeld bevestigt.

Sowieso laten mensen zich niet snel op hun fouten wijzen maar als een onbekende dat doet wordt de kans om je aangesproken te voelen helemaal klein.

Om fouten toe te geven moet er namelijk sprake zijn van een gevoel van veiligheid, dat niemand aan de haal gaat met je zwakte. Onbekenden zijn per definitie niet veilig volgens het primitieve deel van je hersenen. Het beste wat je dan kunt doen is het gevaar afweren op de manier waarvan je hebt geleerd dat die effectief is.

Voor de appelgooier leek dat een snedige opmerking te zijn. Hiermee weerde hij niet alleen onwelgevallige informatie af, hij liet er ook nog mee aan z’n vrienden zien dat-ie mij de baas was.

Wat dacht die man wel? Een beetje mijn hond zum kotzen voeren en dan ook nog bijdehand gaan lopen doen?

Bij de groep gebeurde eigenlijk hetzelfde als bij hun appelgooiende vriend: ze werden geconfronteerd met een onbekende die onverklaarbaar gedrag vertoonde. Een per definitie onveilige onbekende die zomaar begint te roepen, wie deinst daar niet even voor terug?

En toch voelde ik me onheus bejegend. Wat dacht die man wel? Een beetje mijn hond zum kotzen voeren en dan ook nog bijdehand gaan lopen doen? En die laffe groep vrienden? Niet eens een sorry-hij-bedoelt-het-niet-zo-hoor of dan tenminste een verontschuldigende glimlach?

Maar ík had beter moeten weten. Ik had kunnen bedenken dat het kansloos was om hier op deze manier iets van te zeggen, dat ik niet op applaus, omhelzingen of het-spijt-me-bloemen had kunnen rekenen.

Want als je iemand aanspreekt om moreel besef te implanteren, werkt dat alleen maar als die persoon zich veilig bij je voelt. Er moet vertrouwen zijn.

Als je er de tijd of het geduld niet voor hebt, laat het zitten.

Helaas gebeurt dat te weinig.

Managers lijken te denken dat hun medewerkers ‘het eindelijk snappen’ als ze hen aanspreken, terwijl zij verder geen oprechte interesse in hen tonen. Agenten verwachten dat burgers zich opeens verantwoordelijk gaan gedragen als ze hen bekeuren, terwijl de politie onvoldoende doet aan criminaliteit waar diezelfde burger zich al jaren aan stoort. (‘Ga toch boeven vangen!’) En automobilisten denken dat ze hun morele verontwaardiging effectief overbrengen door te toeteren naar een medeweggebruiker die niet oplet, terwijl bijna iedereen in het verkeer anoniem is.

Stap niet in dezelfde valkuil. Maak eerst een connectie met de ander, zorg ervoor dat hij doorheeft dat je het beste met hem voorhebt en maak pas dan je punt. En als je daar de tijd of het geduld niet voor hebt, laat het zitten. Dan vind je het vast niet belangrijk genoeg.


Olav de Maat is organisatieadviseur, sociaalgedragscoach en schrijver (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een bedrijf, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Wie het eerste ruikt moet het zeggen tegen degene die z’n kontje heeft gebruikt

Uit onderzoek blijkt dat schaamte afneemt wanneer de schamers zichzelf kunnen verplaatsen in de waarnemers van de situatie. Als je dus getuige bent van een gênante situatie, laat weten hoe je die ervaart. Dan doe je de daders van gênante acties een plezier.

Ik neem dit jaar geen vakantie. Te veel dingen die ik wil doen. Als gevolg hiervan zit ik veelal alleen op kantoor, een kantoor dat ik – buiten vakantietijd – deel met andere ondernemers.

Nu hebben niet al te lang geleden een paar dames zich bij ons groepje huurders gevoegd. Tot die tijd waren we met vier à vijf mannen. En tot die tijd maakten we geen onderscheid tussen het heren-, invaliden- en damestoilet.

Daardoor mag ik nog altijd graag ook eens in de zoveel tijd gebruik maken van het damestoilet om een grote boodschap te doen. Niet om een bijzondere reden. Gewoon, om niet elke dag op dezelfde wc te zitten (en omdat de mannen-wc gewoon veel vaker gebruikt wordt en daarom niet zo schoon is – oké, daarom ook).

Ik ga natuurlijk wel alleen als er geen dames aanwezig zijn die dag.

Toen ik net vijf minuten weer op m’n plek zat, kwam Sara voorbij.

Zo ook vandaag. Ik had in het eerste uur dat ik op kantoor was niemand gezien dus ik waande mij alleen voor de rest van de dag. Daarom durfde ik het ervan te nemen.

Toen ik net vijf minuten weer op m’n plek zat, kwam ‘Sara’ voorbij. ‘Goeiemorgen!’ zei ze opgewekt. ‘Goeiemorgen!’ zei ik, in een poging ook opgewekt te klinken. Ik hoopte dat ze niet merkte dat ik het wat warm kreeg en van binnen een klein beetje in elkaar kroop.

Want wat als Sara snel naar het toilet moet? Dan merkt ze geheid dat er iemand voor haar was geweest. En dan kan ze alleen maar concluderen dat ik op ‘haar wc’ moet hebben zitten…

En het lijkt erop dat ze binnen ‘afruikbare tijd’ na mij is gegaan.

Nu wens ik al de hele dag dat het gesprek op een of andere manier komt op mijn damestoiletbezoek.

Nu wens ik al de hele dag dat het gesprek op een of andere manier komt op mijn damestoiletbezoek. Dan kan ik Sara mijn excuses aanbieden en vertellen dat ik niet wist dat ze er zou zijn vandaag, dat ik het toilet altijd netjes achterlaat en dat ik haar toilet gebruikt heb omdat de mannen nou eenmaal niet zo fris is als de vrouwen.

En dan zou zij niet van me kunnen denken dat ik een vieze man ben en zou ik me niet zo opgelaten voelen.

Maar dat is natuurlijk een onmogelijke wens. Zo werkt het niet.

Want hoe vaak confronteren we elkaar met een gênante situatie die iedereen stiekem allang kent? Als de adem van je buurman stinkt, je gesprekspartner een scheetje laat of je baas niemand kan boeien met zijn presentaties, doe je daar dan wat mee?

Uit onderzoek blijkt dat schaamte afneemt wanneer de schamers zichzelf kunnen verplaatsen in de waarnemers van de situatie.

Als je maar een beetje op een mens lijkt zal je antwoord ‘nee’ of tenminste ‘bijna nooit’ moeten zijn. En dat is jammer.

Want uit onderzoek blijkt dat schaamte afneemt wanneer de schamers zichzelf kunnen verplaatsen in de waarnemers van de situatie. Als je als waarnemer laat weten hoe je de situatie ziet dan doe je de daders van gênante acties dus een plezier.

Plus, als je benoemt wat de ander deed krijg je meestal een verklaring voor het gedrag. Die verklaring zorgt ervoor dat jij meer begrip krijgt voor de schamer.

Zo breng je dader en waarnemer, schamer en oordeler of gewoon mens en mens – weer wat dichter bij elkaar. En dat is, behalve in een toilet, altíjd een goede zaak.


Olav de Maat is schrijver, sociaalgedragscoach en organisatieadviseur (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.


 

Leidinggevenden zorgen voor onveilige werksituaties, dankzij compromitment

Er zit een wetmatigheid in hoe mensen omgaan met het falen van anderen: het compromitmenteffect. En dit effect bepaalt sterk hoe we vooruitkomen (of niet) in ons werk.

In ons werk worden we vaak beoordeeld op en beloond voor gedrag. Dit gaat ervan uit dat leidinggevenden voldoende in staat zijn om het gedrag van hun medewerkers op waarde te schatten. Bovendien weten veel leidinggevenden tegenwoordig dat mensen vrijheid nodig hebben en leren van fouten. Dus is zelfstandigheid het devies en het motto: fouten maken mag.

Maar de beoordeling van fouten wordt bepaald door de mate van compromitment: de mate waarin iemand zich gecommitteerd heeft aan een ander, gecombineerd met de mate waarin iemand gecompromitteerd wordt door die ander. Als er van beide veel sprake is, dan zit je in een awkward situatie aan elkaar vast. Maar als er laag commitment is, kan een gecompromitteerd iemand de ander zomaar laten vallen als een baksteen.

De vrijheid in ons moderne werk maakt beoordelen en belonen daarom vaak onbetrouwbaar en psychologisch onveilig. Vandaar dat medewerkers en leidinggevenden elkaar juist méér moeten opzoeken naarmate ze mínder met elkaar te maken hebben.

Medewerkers en leidinggevenden moeten elkaar meer opzoeken naarmate ze minder met elkaar te maken hebben.

Ik mocht ter viering van het dertigjarig bestaan van een bedrijf een groep van ongeveer negentig mensen iets vertellen naar aanleiding van mijn boek. Dat doe ik vaker. Deze keer ging ik echter faliekant de mist in. Het was pijnlijk. En het was leerzaam te zien hoe verschillende mensen daar verschillend mee omgingen.

Ik had bedacht dat ik mijn optreden zou beginnen met een experiment. Vier vrijwilligers zouden op het podium met behulp van een online pollprogramma vragen beantwoorden.

Dat kwam er alleen amper van.

De internetverbinding was langzaam. En een van de vrijwilligers kwam met haar telefoon niet op de juiste pagina. Als gevolg daarvan stonden we met z’n vijven wat te prutsen en te mompelen terwijl negentig mensen eerst geïntrigeerd toen geamuseerd en toen onrustig werden. En sommigen raakten tenslotte geïrriteerd.

Degenen die ik het meest geïrriteerd zag worden waren de twee organisatoren van het event. Op de voorste rij spraken ze met elkaar met handen voor de mond en steelse blikken mijn kant op.

Zonder me aan te kijken klopte hij me afwezig op de schouder en liep naar de borrellocatie.

Na een half uur – waarin ik het met humor gered heb, zoals iemand later zei – plofte ik neer op de stoel naast een van de twee organisatoren, ‘Frits’. Frits keek me niet aan en zei niets. Hij bleef met zijn rug van me afgewend zitten terwijl hij naar zijn collega luisterde die het woord van me over had genomen. (Die laatste begon overigens zijn verhaal met de woorden: ‘Gaaf, gaaf…’ waarmee hij leek te doelen op mijn optreden.)

Toen het plenaire gedeelte afgelopen was en het tijd was op te staan, wist Frits een ‘dankjewel’ te mompelen. Zonder me aan te kijken klopte hij me afwezig op de schouder en liep naar de borrellocatie.

Op de borrel sprak ik ook de tweede organisator, ‘Philip’ – die van ‘gaaf, gaaf…’ Hij leek een stuk minder moeite te hebben met mij. Hij bedankte me voor mijn bijdrage en zei lachend dat hij eerst dacht dat mijn blunder bij de act hoorde. ‘Klote,’ zei Philip, ‘maar dat kan nou eenmaal gebeuren.’

Thuis aangekomen vertelde ik het verhaal van mijn optreden. Mijn vriendin zei dat ze voor me baalde maar ervan overtuigd was dat ik het goed had gedaan. Ze had het verhaal eerder van me gehoord en ze zei te weten dat het echt een mooie boodschap was. Ze twijfelde niet aan mijn kunnen.

Compromitment is de mate waarin iemand zich gecommitteerd heeft aan een ander, gecombineerd met de mate waarin iemand gecompromitteerd wordt door die ander.

Drie mensen, drie reacties. Natuurlijk is het verschil in reactie voor een deel te verklaren door het verschil in persoonlijkheid: Frits leek me al een wat stiller type, Philip is in mijn ogen de wat meer positief ingestelde man en mijn vriendin Kim heeft altijd een pleister op de wonde klaar.

Maar persoonlijkheid is maar een déél van de verklaring. Compromitment is een even zo belangrijk of misschien wel het belangrijkste deel.

Compromitment is de mate waarin iemand zich gecommitteerd heeft aan een ander, gecombineerd met de mate waarin iemand gecompromitteerd wordt door die ander.

Hoe meer gecommitteerd, hoe meer ondersteunend. Neem Kim. Haar ken ik al zeventien jaar en ze helpt me altijd met mijn presentaties. Dat zij me blijft steunen mag geen wonder heten.

Interessanter is het verschil tussen Frits en Philip.

Ik was de dronken neef die op het familiefeestje op tafel klimt.

Ik kende Frits en Philip allebei niet vóór dit avontuur. De kennismaking en de intake voor het praatje had ik eind maart met hen beiden gedaan. Tot half juni, tijdens de verdere voorbereidingen, had ik alleen contact gehad met Philip. Met hem was er daardoor een soort gelegenheidsverbond ontstaan. We gingen dit samen regelen. Toen het uiteindelijk op het moment suprême fout ging, was dat commitment niet meteen verdwenen.

Met Frits had ik echter amper een relatie. Was voor Philip mijn optreden vermoedelijk in eerste instantie een gezamenlijke onderneming die fout ging, voor Frits was ik vooral een gênante vertoning op zíjn feestje.

Want dat was het compromitterende deel: met mijn mislukte experiment creëerde ik een ongemakkelijke situatie voor Frits en Philip. Ik was de dronken neef die op tafel klimt op het familiefeestje waar je net je vriend(innet)je voor het eerst mee naartoe neemt.

Voor beiden was het awkward. Maar voor Frits was ik een vaag bekende achterneef, terwijl Philip als het ware daags daarvoor nog met neef Olav de kroeg in was geweest.

Het vreemde aan compromitment: je zou verwachten dat mensen zich meer schamen voor iemand met wie ze nauwer verbonden zijn. Je schaamt je immers meer voor je moeder die gek staat de dansen op je zestiende verjaardag dan voor een wildvreemde die dat doet. Maar de grap is dat je hersenen je schaamte corrigeren voor de mate waarin je je verbonden hébt – vs. de mate waarin je verbonden bént.

Het is een kwestie van commitment.

Is het commitment laag, dan laat iemand de ander voor het minste of geringste vallen als een baksteen.

Speaking of dronken op tafels staan: op een hockeyfeestje waar ik ooit, lang geleden, was klom een jolige en dronken hockeyer op een statafel. Zijn ploeggenoten moedigden hem juichend en springend aan. Tot hij zijn sport- én onderbroek uittrok.

Wat hij (hopelijk) niet wist was dat hij in z’n broek gepoept had. Zijn vrienden wisten het tot op dat moment ook niet. Toen ze de over zijn billen geveegde diarreesporen zagen verstomde hun gejuich, verstilde hun springen en keerden ze zich van hem af.

De gêne en het risico om gecompromitteerd te worden waren te groot. En het commitment met hun teamgenoot was, na een bier of twintig, niet groot genoeg meer.

En dus is het compromitmenteffect: de mate waarin iemand zich afkeert van een ander is afhankelijk van de mate waarin iemand gecommitteerd is aan en de mate waarin hij gecompromitteerd wordt door die ander.

Is iemand meer gecommitteerd dan is er een grotere mate van ‘compromise’ nodig voordat hij zich afkeert van de ander die faalt. Is het commitment laag, dan laat iemand de ander voor het minste of geringste vallen als een baksteen.

De kans op compromitment is grillig en wordt steeds groter. Dit zorgt soort voor onveilige werksituaties. En een paradox.

En het is precies die afhankelijkheid van de mate van compromitment die beoordelingen van en beloningen voor ons werk onbetrouwbaar maakt.

Want wat als je als medewerker zelfstandig werkt? Dan is je leidinggevende weinig betrokken bij wat je doet, dus in de regel minder gecommitteerd. En wat als je dan ook nog iets doet waardoor je leidinggevende zich geneert? Dan voelt hij of zij zich gecompromitteerd.

Maar wat de een oké vindt, vindt de ander gênant. Dacht jij bijvoorbeeld dat je best mag zeggen tegen een klant dat jullie een deadline niet gaan halen? Het kan best zijn dat je baas dat he-le-maal geen goed idee vindt. Of vind jij het oké om tijdens een vergadering je meerdere tegen te spreken? Wie weet is dat iets waar zijn tenen net iets te lang voor zijn.

Medewerkers en leidinggevenden moeten elkaar meer opzoeken naarmate ze minder met elkaar te maken hebben.

De kans op compromitment is dus onvoorspelbaar door persoonlijke verschillen. Daar komt bij dat steeds meer mensen in zelfstandige functies werken. Dat is nou eenmaal de trend: medewerkers verdienen vrijheid, is de gedachte.

Dus de kans op compromitment wás al grillig en wordt óók nog eens steeds groter door de neiging naar vrijheid. Dit zorgt soort voor onveilige werksituaties. En een paradox.

De paradox is namelijk dat medewerkers en leidinggevenden elkaar meer moeten opzoeken naarmate ze minder met elkaar te maken hebben. Op die manier blijft het commitment hoog en weet je van elkaar wat de ander oké vindt en wat gênant.

Want iemand zelfstandig laten werken is één ding, iemand laten vallen iets heel anders.


Olav de Maat is schrijver en consultant (en soms spreker). Hij heeft een boek, een Facebookpagina, een website, een dochter, een hond en een vriendin.


 

What to do when friends don’t pay up

Last Thursday, the finale took place of two and a half years of fuss about a twelve-thousand-euro loan. At least, I hope so. Because it seems that the end was already in sight two and a half years ago.

Share your opinion on how I handled this with the poll at the bottom of this post. 

Meanwhile, it’s been twenty months. I still don’t have my money back.

At the beginning of September 2016, ‘Oz’, an acquaintance who was up to his neck in a huge construction project, asked if my girlfriend and I knew someone who could temporarily help him out. With twelve thousand euros he would get the biggest creditors off his back. And he expected he needed three months to get things sorted out with the bank for a multimillion-euro deal for the project. So the loan would be repaid before the end of the year.

At that moment, I could do without such an amount for a few months. And I supported Oz’s initiative. Moreover, I trusted him. So I told him he could count on me.

At the insistence of Oz, we had a contract drawn up. Among other things, it stated: ‘Repayment of the loan is made by full repayment, the first and only term of which expires on 31 December 2016.’

Meanwhile, it’s been twenty months. I still don’t have my money back. And since we are renovating a house we just bought, we now need it ourselves.

Since January 2017, we’ve tried to reach Oz regularly. Sometimes, after months of insisting, we got a result. At moments like these, he would tell us that the money would shortly come. Then, this wouldn’t happen. So, after some time, we tried to reach him again in vain. After which he would let us know very briefly that everything would almost be finished. And then he would disappear from the radar, again.

We thought that we would take a different approach. We were going to turn to the people around him.

It was March the last time I spoke to him.

Since his promises turned out to be empty again and again, and especially because we could not elicit a response via email, WhatsApp and telephone, a week ago, we thought we would take a different approach. We were going to turn to the people around him.

First, my girlfriend called his company. He turned out not to be there at that moment. So she asked for his business partner. She was there. She had an appointment with Oz that day, she said. My girlfriend asked her to ask him to call us. She also explained why she wanted to reach him. His business partner promised to tell him.

After a few days Oz still had not contacted us. In the end, we decided to approach his girlfriend.

He was mad. At us.

I called her and got her voicemail. I left a message with explanations and apologies. Assuming that she would be surprised by this news, I also emailed her with our predicament. That way, she could read it, in case she couldn’t believe her ears.

My girlfriend sent a last, desperate WhatsApp in which she almost begged Oz for contact. This time, we got a reaction. Oz wrote that he had understood that we had approached his business partner and girlfriend. That was all he wrote. No excuses. No promises.

He did put six dots between the name of his business partner and that of his girlfriend.

He was mad. At us.

My girlfriend decided to call him. She actually got him on the phone right away. After she had briefly tried to make it clear to him that she was baffled by his response, he took over the conversation. How could I involve his girlfriend in this? Approaching his business partner was one thing. But his romantic partner? That really went too far, he said.

After my girlfriend hung up, she asked me for the number of my business account and the amount that Oz owed me by now. He had said he would transfer it as soon as he had that information. (BTW: it’s been two business days since then, and the money still isn’t in my account.)

He doesn’t have to face his own lack of decency. He is not wrong. I am the bad guy here, if you ask him.

I felt a bit ashamed when Oz turned out to be angry with me. Had I indeed gone too far?

We had decided to approach the people who see him the most and who have the most influence on him, because, time and time again, he turned out not to be approachable or influenced by us.

What’s more, if I had not told her about the situation, his girlfriend had gone and asked him if he wanted to call a certain Olav de Maat. That would elicit the same response as always: nothing.

And we wanted to elicit something. Because, it wasn’t even the fact he wouldn’t pay up, it was the fact he would categorically ignore us for months at a time that had bothered us most.

Moreover, on principle and out of respect for the friendship with him, we did not want to make this a legal issue. Of course we could have sent formal letters and threatened him with bailiffs. But that’s not in our nature. We wanted to avoid stuff like that for as long as possible.

If a human sees a chance to keep his self-image clean, he must be strong-willed not to grab it.

What I hate the most about this whole episode is that Oz is angry with me. In his eyes I am the a-hole who has his girlfriend involved in this. And with that, he does not have to face his own lack of decency. He is not wrong. I am the bad guy here, if you ask him.

And why would he not think so? He’s only human. And if a human sees a chance to keep his self-image clean, he must be strong-willed not to grab it. Especially when it comes to something that simply has no good reason. For what good reason is there to go mute when someone who loaned you a considerable sum is trying to reach you with all his might?

But maybe now I’m also polishing my self-image. Who knows.

Eventually we sent Oz a final WhatsApp before we went to bed Thursday night: “The only thing we wanted with the loan to you was to make the world a little better and let the good guys win. We think it’s a real (really real) pity that we have now given each other the feeling that the other person is the bad guy and the world has not gotten better for it.”


I’m curious: what do you think of this? Am I also suffering from self-deception in this case? Give your opinion in the poll below.

Makelaars zijn gebaat bij onmenselijke relaties

Twee weken geleden zegde ik de huur op van ons huis. Eerst telefonisch, in een gesprek met de eigenaar. Daarna, op zijn verzoek, nog een keertje via een kort e-mailtje. Vorige week kreeg ik het verzoek om het nogmaals te doen via een brief. Onzin natuurlijk, maar ik heb het wel gedaan. Want mensen worden nou eenmaal gedreven door het in stand houden van relaties, niet door het maximaliseren van nut.

We gaan verhuizen. Over een maand of twee, drie. Naar een huis dat we hebben gekocht, zoals ik eerder schreef. Het wordt flink verbouwd dus we kunnen er pas per 1 juli in.

Ik vertelde de eigenaar dat telefonisch. Die vroeg me om het nog even kort op de mail te zetten want ‘dat gaat het verhuurbureau ons natuurlijk vragen’. De eigenaars verhuren hun huis namelijk via een makelaar. Na mijn mail mailde de eigenaresse me vorige week of ik dus nogmaals de huur schriftelijk wilde opzeggen.

‘Wij adviseren een verhuurder altijd om van een huurder te verlangen dat deze de huurovereenkomst officieel en schriftelijk per brief opzeggen.’

In de berichtgeschiedenis stond een e-mail van het verhuurbureau die verklaarde waarom ze dat deed.

Wij adviseren een verhuurder altijd om van een huurder te verlangen dat deze de huurovereenkomst officieel en schriftelijk per brief opzeggen. Een en ander volgens onder meer artikel 3.1 van de huurovereenkomst […]. Een kopie van de brief stuurt de huurder i de meeste gevallen eveneens naar onze postbus, zoals gevraagd in 3.1. Verhuurders sturen ons zo wie zo een kopie als pdf. Aan de hand van de ontvangen opzegging controleren wij altijd of de juiste opzegtermijn etc. is gehanteerd. Ook starten wij dan de verdere communicatie m.b.t. de eindinspectie op.

Een paar dingen gingen hier mis – los van de grappige combinatie van formeel taalgebruik en schrijffouten.

Ten eerste hadden wij onze huurovereenkomst al schriftelijk opgezegd. Ik heb het even opgezocht en vond dat een e-mail rechtsgeldig en net zo hard als een papieren document is zolang er niet wordt ontkend dat hij is ontvangen of dat de inhoud echt is. Op mijn eerste opzeggingse-mail had ik een bevestiging gekregen van de verhuurder. Dus van ontkenning van ontvangst of de echtheid van de inhoud was geen sprake.

Dat er tussen begin april en 1 juli meer dan een maand zit kan iedereen uit het hoofd uitrekenen.

Juridisch was er dus geen reden voor deze dubbele bevestiging van opzegging. Maar dat boeit me eigenlijk nog het minst.

Het tweede en veel belangrijkere dat hier fout ging is dat onze relatie met de verhuurders gedevalueerd werd. Die relatie is namelijk erg goed. Door te ‘verlangen’ dat wij de huurovereenkomst ‘officieel en schriftelijk per brief’ opzeggen vermaakte het verhuurbureau onze relatie tot een van huurder-verhuurder. Terwijl we elkaar al jaren bij de voornaam noemen.

En, fout nummer 3, waar onze onderlinge relatie werd gedevalueerd, promoveerde het verhuurbureau onterecht zijn eigen rol juist. Want wat had dat nog te doen?

De opzegtermijn controleren? Die is een maand. Dat wisten wij en de eigenaars vast ook. En dat er tussen begin april en 1 juli meer dan een maand zit kan iedereen uit het hoofd uitrekenen.

Loos papierwerk, devaluatie van onze relatie met de eigenaars en zelfpromotie van de makelaar.

Of is de eindinspectie dan echt een makelaarsding? Neen. Want gisteren is de eigenaresse zelf met mijn vriendin door het huis gegaan en hebben ze vastgesteld wat er aan het huis verbeterd moet worden. Niet om die ‘schade’ in te houden van onze borgsom, maar om een en ander te laten verbouwen voor de volgende huurders.

Tenslotte, en daarmee is ook meteen het laatste wat je van een verhuurbureau zou kúnnen verwachten om zeep: wij hebben zelf de volgende huurders aangedragen. Die liepen gisteren mee door het huis met de eigenaresse en mijn vriendin. En die gaan zelf de verbouwing doen.

Kortom, loos papierwerk, devaluatie van onze relatie met de eigenaars en onterechte zelfpromotie van de makelaar. Drie onnodige gevolgen van één mailtje. Maar er zat nog een staartje aan dit verhaal dat me misschien nog wel het meest aan het hart gaat.

Wat hierboven staat heb ik in (veel) minder woorden ook aan de eigenaars gezegd. Ik schreef dat we een briefje op zouden stellen maar dat het me wel tegenstond. Hierop reageerden zij dat ze me gelijk gaven. Én dat ze het heel fijn vonden dat we onze huur per brief zouden opzeggen.

Mensen worden veel meer gedreven door het in stand houden van een relatie dan door het maximaliseren van nut.

De reden die ze daarvoor gaven was eigenlijk vooral dat ze de relatie met het bureau in stand wilden houden. Met nut of logica had het weinig te maken.

En daarin zit wat mij betreft de les van deze ervaring: mensen worden veel meer gedreven door het in stand houden van een relatie dan door het maximaliseren van nut.

En laat dat ook helder zijn: ik ben ook een mens. Ook ik ben overstag gegaan. Onder loos protest – en de melding dat ik hoopte dat hij zijn procedures zou aanpassen voor de volgende huurder die opzegt – heb ik een brief opgesteld, ondertekend, ingescand en als pdf verstuurd naar de makelaar. Ook ik wilde niet mijn relatie met de verhuurders op het spel zetten om een punt te maken.

Toch hoop ik dat we allemaal scherper zijn op die kleine kansen om de núttige menselijke relatie weer bovenaan te zetten. Er is altijd wel iets wat je minder of niet kunt doen om daarvoor te zorgen.

Want juist door op de korte termijn te kiezen voor het behouden van een relatief onbelangrijke relatie kunnen we op de langere termijn echt waardevolle relaties devalueren.


Meer? Dan heb ik nog de rest van dit blog, een boek, een Facebookpagina en een site.


 

Economen kennen geen win-winsituatie, mensen wel

We hebben een huis gekocht. Van een dame van 87. Voor een prijs die lager lag dan wat zij haar man op zijn sterfbed had beloofd. En dat voelt goed.

Vorig jaar hadden we ons oog laten vallen op het huis in het bos. Een bungalow uit de jaren zeventig waar sinds de verbouwing van 1986 niks meer aan gedaan was. En waar het echtpaar dat er eigenaar van was al meer dan vijf jaar niet meer was geweest. Te oud. En sinds een jaar was de mannelijke helft er niet meer.

Insiders hadden ons verteld dat we het voor een redelijke prijs zouden kunnen kopen. Op die manier zouden we een flink bedrag overhouden om het huis te verbouwen naar de maatstaven van de eenentwintigste eeuw.

Desalniettemin wilden we een poging wagen. We besloten mevrouw Vis een brief te schrijven.

Ons eerste bod was daarom tachtigduizend onder de vraagprijs. Het tegenbod van de eigenaresse kwam snel: dertigduizend boven het onze. Binnen twee slagen waren we dus al een eind gezakt. Maar dat was ons niet genoeg. Als je flink wilt verbouwen, is elke paar duizend euro immers meegenomen.

Haar makelaar vertelde ons dat de eigenaresse, mevrouw Vis, al meerdere potentiële kopers zich stuk had laten bijten op het bedrag waar ze nu, met haar tegenbod, mee was gekomen. Ze wilde nooit lager zakken. Dit was blijkbaar een heilige grens waar ze niet onder wilde. ‘Het is een nogal principieel type, weet je,’ zei de makelaar, ‘niet de gemakkelijkste.’

Desalniettemin wilden we een poging wagen. We besloten mevrouw Vis een brief te schrijven.

We vertelden dat we in haar huis de mogelijkheid zagen om een grote wens in vervulling te laten gaan.

We begonnen: ‘Graag willen wij u persoonlijk uitleggen waarom wij uw bungalow zo graag willen kopen. En waarom we daar het bod van [zoveel] euro op hebben gedaan.’

We legden uit dat we waren gaan houden van het bos waar de bungalow in ligt toen we twee en een half jaar geleden in datzelfde bos in een huurhuis woonden. We vertelden dat we in haar huis de mogelijkheid zagen om een grote wens in vervulling te laten gaan. Dat we ons heel goed konden voorstellen hoe onze dochter daar kan opgroeien in een heerlijke omgeving; en hoe wij daar zelf ook kunnen genieten van het bos en de grote tuin.

Bovendien zagen we de potentie van het huis, schreven we: ‘In de basis een solide huis waar u, naar het zich laat aanzien, iets heel eigens van heeft gemaakt destijds. Maar het is ook zo dat er het een en ander moet gebeuren om het huis weer geschikt te maken voor bewoning.’ We legden uit dat op alle vlakken achterstallig onderhoud was. En dat we daarvoor een flink budget nodig hadden. En dat dat de achtergrond van ons bod was.

We sloten af: ‘We snappen dat u anders naar uw huis kijkt dan wij. Maar wij hopen ook dat u begrip heeft voor onze situatie en inschatting en dat u ons tegemoet wilt komen. Wij zijn in ieder geval bereid ons eerste bod te verhogen met 10.000 euro.’

We verstuurden de brief naar de makelaar. En wachtten.

We vielen even stil. Schaamrood kwam op onze kaken.

Anderhalve week later kregen we reactie. In een lange brief liet mevrouw Vis ons weten dat ze de onze erg had gewaardeerd. En dat ze haar vorige bod wilde handhaven.

Ze vertelde ook waarom. Ze had haar man beloofd niet minder dan dat bedrag voor het huis te krijgen. Ooit hadden ze het huis namelijk gekocht als zomerhuis. In de winters wilden ze in Californië wonen, waar hun zoon had gestudeerd en werk had gevonden.

Niet lang na dat besluit werd hij echter ziek. Een jaar later overleed hij.

Het huis in Nederland stond dus voor hun overleden zoon. En, omdat ze hadden ervaren hoe belangrijk het was om bij je zieke kind te zijn, hadden ze zich voorgenomen de inkomsten van de verkoop van het huis aan het Ronald McDonald Kinderfonds te doneren. En die donatie moest de hoogte van haar laatste bod hebben.

We vielen even stil. Schaamrood kwam op onze kaken.

Mevrouw Vis ging tóch over haar magische grens.

Een paar dagen later hadden we onze gedachten weer op een rijtje. We besloten de laatste wens van meneer Vis te respecteren. En om er een win-winsituatie van te proberen te maken: wij aanvaardden haar bod maar wilden het huis pas in eigendom krijgen als het geheel verbouwd was.

Daarmee zouden we dubbele woonlasten vermijden en dat zou duizenden euro’s schelen. En mevrouw Vis zou er geen last van hebben want ze woonde er toch niet meer en de hypotheek was afbetaald.

We zetten ons voorstel in een brief, verstuurden die en wachtten weer.

Weer een week later. Weer een reactie. Dit keer via een telefoontje van de makelaar. Mevrouw Vis ging niet akkoord met ons voorstel. Ze verlaagde haar prijs wel met tienduizend euro. Daarmee ging mevrouw Vis over haar magische grens.

Waarom maken mensen geen contact van mens tot mens in situaties waarin ze afhankelijk zijn van onbekenden?

Een paar weken later stond de makelaar bij ons voor de deur. Hij had het koopcontract onder zijn arm. En een knuffelbeertje. Hij was bij mevrouw Vis geweest om haar het contract te laten tekenen. Bij het afscheid had ze hem het beertje gegeven. Of hij het aan onze dochter wilde geven.

Hoe kan het toch dat anderen stuk waren gelopen op de magische grens van mevrouw Vis en wij niet? En waarom geeft iemand die getypeerd wordt als principieel en niet de gemakkelijkste een beertje als bezegeling van de onderhandeling?

Mijn simpele, wellicht voor de hand liggende verklaring: we hadden contact gemaakt, van mens tot mens.

Maar als het zo simpel is, waarom zijn anderen dan toch stuk gelopen? Waarom hebben zij niet contact gemaakt van mens tot mens? En waarom doen mensen dat in allerlei andere onderhandelingssituatie dat niet? Of überhaupt in situaties waarin ze afhankelijk zijn van onbekenden?

Laat je brein, economen en je trots een poepie ruiken.

Mijn (misschien niet zo simpele, voor de hand liggende) verklaringen: (1) omdat mensen onbekenden niet zien als mensen (ons brein kán ze daadwerkelijk niet zo zien), (2) omdat de meeste mensen ervan overtuigd zijn dat je onbekenden niet moet vertrouwen als je afhankelijk van ze bent (economen hebben ons geleerd dat mensen berekenend en op eigen belang gericht door het leven gaan) en (3) omdat mensen te trots zijn om zich afhankelijk op te stellen (de meeste sociale zoogdieren zijn belast met iets wat biologen gelijkheidszin noemen, dat zegt dat anderen niet zomaar hoger in rang mogen staan).

Ik stel voor dat je je brein, economen en je trots een poepie laat ruiken: maak contact van mens tot mens in situaties waarin je afhankelijk bent van iemand. Of je die ander nu kent of niet. De win-winsituatie ligt dan veel meer voor de hand dan je nu zult denken.


Want more? Check dit blog, m’n boek, m’n Facebookpagina of m’n site. Of stel me gewoon een vraag.