Wees niet de úítzondering op de regel maar máák de regel

Als we ten prooi vallen aan mensen die ons als nummer zien, kunnen we daar iets aan doen. We kunnen hen van de automatische piloot halen of, nog beter, zorgen dat ze ons zien als het speciale geval dat we zijn.

Ik reed op de linkerbaan van de Houtribweg in de Flevopolder. Voor de mensen die de Houtribweg niet kennen, hij heeft twee banen in beide richtingen en tussen de twee rijrichtingen ligt een brede grasstrook. Verder is er niet iets te zien wat de speciale aandacht trekt: vlakke polderweiden, verdwaalde stilstaande treinen, nietsende bouwmachines en relatief nieuwe bomen die her en der op een kluitje staan.

Ik vroeg me net af: is dit nou een autoweg of niet? toen een man met een opvallend gele horizontale streep op zijn jas de weg opliep. Het duurde even, eigenlijk tot het moment dat hij naar mij wees, tot ik doorhad dat deze man een politieagent was.

De man wees naar rechts, naar een straat. Ik remde af, ging naar de rechterbaan en sloeg af. Niet veel verderop stonden twee auto’s waarvan de bestuurders duidelijk geverbaliseerd werden. Naast beide auto’s stond een agent licht voorovergebogen te praten door het bijrijdersraam.

‘Ik vroeg me net af: is dit nou een autoweg of niet? toen een man de weg opliep.’

Mijn voorgangers keerden om de Houtribweg weer op te draaien, waarna ik met een handgebaar gesommeerd werd naar voren te rijden. Ik deed mijn rechter voorraam open en een mannelijke agent begon, schouders en hoofd een beetje naar voren en beneden, digitaal bonnenboekje in de hand: ‘U bent zojuist staande gehouden omdat u een gemeten snelheid had van 102 kilometer per uur.’ Ik loog niet toen ik antwoordde met: ‘Ik vroeg me net af of dit nu een autoweg was.’ De beambte legde uit dat dat niet zo was. We raakten in een gesprekje over de kenmerken van een autoweg en het feit dat ik het nog netjes had gedaan omdat anderen hier met 140 langs raasden, terwijl hij wat administratiefs deed op z’n politiepalmtop.

‘Respect, trouwens, voor uw collega die de weg oploopt om ons aan te houden. Dat doet-ie ook niet zonder gevaar voor eigen leven,’ zei ik nadat het even stil was geweest tussen ons. ‘Ja, en dat is nu precies waar het fout gaat: wandelaars denken dat mensen hier 80 kilometer per uur rijden en schatten het verkeerd in. Met alle gevolgen van dien…’ reageerde de politieman onheilspellend.

Nog even vroeg ik wat de schade ging worden. De vriendelijke verkeersagent noemde het boetebedrag en zei, niet zonder medeleven in zijn stem: ‘Tja, dat is een dure les voor u.’ Vervolgens mocht ook ik gaan. Inmiddels waren er drie wachtenden achter me aangesloten.

‘Als mensen lopendebandwerk doen, gebeuren er twee dingen.’

Ik vond het een vriendelijke man, deze diender. En hij vond mij ook geen onprettige overtreder, denk ik. Dankzij het gekeuvel over en weer werd de sfeer bijna gemoedelijk. Inmiddels weet ik wel dat het geen zin heeft om in de weerstand te gaan. Het beste effect krijg je als je je fout meteen toegeeft of je tenminste van de domme houdt. Bovendien is het tegenwoordig voor mij een gewoonte om een praatje te maken met iedereen met wie ik noodgedwongen een paar minuten van mijn leven moet delen – een agent, een winkelbediende, iemand bij de koffieautomaat. Het maakt die paar minuten leuker én het zorgt ervoor dat mijn tijdelijke relatie beter wordt.

Ik dénk dus dat mijn relatie met deze agent beter werd door mijn opstelling. Het had alleen nul effect. Waarom? Ik was nummer zoveel in de rij. In vijf minuten had dit team gerechtsdienaren zes bestuurders aangehouden en beboet. In een uur zijn dat er zo’n zeventig. Dit was lopendebandwerk. En als mensen lopendebandwerk doen, gebeuren er twee dingen: (1) ze gaan op de automatische piloot en (2) ze dulden geen uitzonderingen.

Aan dat eerste heb ik iets kunnen doen, denk ik, door mijn gebabbel. De man leek oprecht in gesprek met mij. Dat tweede was echter de motherfucker. Was ik deze diender in z’n uppie tegengekomen tijdens een toevallige staandehouding, dan had hij me vrijwel zeker laten gaan met een waarschuwing – dat is me vaker wel dan niet gelukt. Maar nu ik de uitzondering zou worden op de regel die in real time werd bevestigd door alle auto’s vóór mij, draaide het rechtvaardigheidsgevoel van oom agent op volle toeren.

‘Zorg dat je ’s ochtends als eerste te hard rijdt, of anders vlak na de lunchpauze.’

Helaas. In dit geval was ik kansloos. En misschien wel terecht. Ik reed immers te hard. Ik had beter op moeten letten.

Besef dat je in veel gevallen, bijvoorbeeld voor ambtenaren achter loketjes, ook lopendebandwerk bent. Doorbreek dan in ieder geval hun automatische piloot als je gezien wilt worden voor wie je bent: een individueel geval. En probeer net iets alerter te zijn dan ik. Bedenk waarom je anders bent dan al die anderen en zorg dat je terecht als de uitzondering op de regel gezien wordt.

En als je geen goede reden kunt bedenken, zorg dan dat je ’s ochtends als eerste voor dat loket staat (of te hard rijdt), of anders vlak na de lunchpauze. Dan ben jij de eerste in de rij en dus degene die de toon zet en daarmee de regel máákt.


Wil je meer tips om meer contact te krijgen met ambtenaren en andere mensen? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn vertel ik je over nog meer van onze automatismen.


Gelijkheidszin zorgt ervoor dat iedereen minder heeft

Als groepen slecht presteren geven we vaak de schuld aan onze instinctieve drang om de beste te zijn. We moeten niet haantje de voorste willen zijn als we als groep ons doel willen bereiken, is de gedachte. Maar onze competitiedrift is niet per se de schuldige. Vaak is het onze drang naar gelijkheid die de groep naar beneden haalt.

Het moet er stom uit hebben gezien: ik met een grote koptelefoon op, harde, verbaasde kreten slakend en wild gebarend naar de tv. Ik zat de veiling tijdens aflevering 4 van Wie is de Mol te kijken en mijn verbazing groeide met de minuut. Ik ben al lang fan maar deze keer vond ik dat de bedenkers zich hadden overtroffen. In een kwartiertje verspeelden zes kandidaten en één mol bijna zevenduizend van de achtduizend euro in de pot. (Als je het wilt zien, kijk dan van minuut 35 tot minuut 48.)

Wat er gebeurde.

Ze konden drie jokers kopen. Met een joker maak je meer kans om de volgende ronde van het spel te halen. Zo’n ding konden de individuele kandidaten voor zichzelf kopen door tegen elkaar op te bieden tijdens elk van drie rondes van een typisch Amerikaanse veeveiling – met zo’n snel pratend mannetje waarbij je met koele, bijna onzichtbare gebaren kunt laten zien dat je biedt. Van tevoren was er een bedrag berekend, 1.300 euro. Daarvoor konden ze zonder kosten voor de pot jokers kopen. Gingen ze er overheen, dan ging het surplus uit de pot. Penningmeester Jeroen, die de pot beheerde, had vooraf een verzekering afgesloten voor het risico dat ze er overheen gingen. Hij had dat voor 200 euro gedaan. Daardoor kon men niet 1.300 uitgeven maar 1.500 euro. Uiteindelijk gaf men geen 1.500 maar 8.200 euro uit. Voor drie jokers. De duurste van de drie ging voor 3.500 euro over de veilingtoonbank.

‘Mensen die voor drie jokers gemiddeld minder dan anderhalf duizend euro zeiden te willen betalen, legden uiteindelijk bijna twee keer zoveel neer voor maar één joker.’

Voorafgaand aan de veiling had men elke kandidaat gevraagd hoeveel ze over zouden hebben voor drie jokers. Meerdere mensen gaven als antwoord niks, sommigen een paar honderd euro, een enkeling zei zonder aarzelen dat hij er wel 3.500 euro voor zou willen betalen. Het gemiddelde van alle zeven antwoorden was die 1.300 euro.

Met andere woorden: mensen die voor drie jokers gemiddeld minder dan anderhalf duizend euro zeiden te willen betalen met een penningmeester die dat nog eens bevestigde middels een verzekering, legden uiteindelijk bijna twee keer zoveel neer voor maar één joker.

Watskebeurd?!

Een hele hoop dingen speelden hier een rol, zoals het feit dat het niet drie jokers in één keer waren maar telkens één in drie rondes en dat zo’n veiling een opgefokte sfeer creëert waardoor je je realiteitszin verliest. Sommige mensen zullen zeggen dat het vooral lag aan de competitiedrift van mensen. Kan. Maar ik denk het vooral ligt aan één element: de gelijkheidszin van mensen.

‘Gelijkheidszin kan meer ellende veroorzaken dan competitiedrift.’

Gelijkheidszin is het idee dat groepsleden in wezen gelijk zijn en recht hebben op gelijke kansen en middelen. En het is een heel normaal verschijnsel bij mensen en andere dieren.

Twee biologen deden een experiment met kapucijneraapjes om aan te tonen dat die ook gelijkheidszin kennen. Ze zetten twee aapjes naast elkaar in hokjes waar ze elkaar konden zien en lieten ze een taak uitvoeren in ruil voor een stukje komkommer. Dat ging prima, totdat een ervan een druif kreeg als beloning. De aap die nog altijd beloond werd met komkommer leek opeens te ontdekken dat zijn vergoeding niet meer was dan een stuk water met een groen schilletje en pruimde het plots niet meer. De onderzoekers noemden het verschijnsel ‘afkeer van ongelijkheid’. En, uit later onderzoek met honden blijkt dat een hond zonder beloning bij herhaling een kunstje doet, maar dat ook hij dat vertikt op het moment dat een andere hond er stukjes worst voor krijgt.

Gelijkheidszin is algemeen verspreid in de dierenwereld. Het heeft dan ook een functie: zonder dit instinct zouden leden van een groep zich kunnen verrijken ten koste van de rest van de groep. Als daar niet tegen opgetreden wordt, wordt het ieder voor zich. En dat kan een groep in het wild niet hebben. Die moet eensgezind en sterk blijven.

Het is dus een nuttig mechanisme. Maar het kan ook doorslaan.

Wat namelijk interessant is aan het experiment met de aapjes en hun komkommers en druiven, is dat de komkommerkapucijneraap zich enorm opwindt over het onrecht. Blijkbaar zorgt de afkeer van ongelijkheid niet alleen voor een afkeer van de mindere beloning, maar ook voor een emotionele reactie.

‘Verongelijking kan het teken zijn voor je emotie om ongeremd de hele groep te gronde te richten, inclusief jezelf.’

En dat is volgens mij vooral wat er gebeurde tijdens de WIDM-veiling: de kandidaten kregen een emotioneel ongelijkheidswaas voor de ogen. Ze gunden het anderen niet als zij er met een joker vandoor dreigden te gaan ten koste van de pot. Als íémand hier de groep naar de verdoemenis helpt in het eigen belang, dan ben ik het wel, moeten ze gedacht hebben. Beter gezegd, ze dáchten het niet, ze vóélden het. En dat gevoel, dat haalde het slechtste in hen naar boven waarmee ze de hele groep in hun val naar beneden trokken.

Net als aapjes en honden pikken wij mensen het niet als een ander er met meer vandoor gaat. Liever dan dat we cool blijven, laten we ons gaan. En dat gebeurt WIDM-kandidaten net zoals dat bijvoorbeeld cao-onderhandelaars, ruziënde echtelieden en familieleden bij de erfenis overkomt. Eigenlijk iedereen die zich oneerlijk bejegend voelt, laat zich vroeg of laat gaan.

Denk de volgende keer daarom eens een keer langer na als je je verongelijkt voelt, of het nou tijdens een discussie, een onderhandeling of de werkverdeling is. Verongelijking is hét teken dat je gelijkheidszin opspeelt. Het kán heel nuttig zijn om dat ene groepslid terug in z’n hok te krijgen ten faveure van de rest. Maar het kan ook het teken zijn voor je emotie om ongeremd de hele groep te gronde te richten, inclusief jezelf.


Wil je meer weten over hoe je jezelf in toom houdt? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn open ik je ogen voor nog meer van onze dierlijke valkuilen.


Facebookfelicitaties: echt iets voor perfectionisten

Laatdunkend praten over het gemak van mensen feliciteren via Facebook en WhatsApp, iedereen doet het wel ’s. Maar wat nou als die mensen juist te moeilijk omgaan met hun digitale sociale contacten?

Ik was gisteren jarig. Dat heb ik niet gevierd. Wel vulden Facebook- en WhatsApp-berichten de hele dag mijn telefoon. Dankzij die berichten (en natuurlijk het zelfgemaakte kunstwerk van mijn vriendin en dochter) voelde ik me best wel jarig. Wat mensen ook zeggen over de correlatie tussen de moeite van een felicitatie en de waarde ervan, ik vind het fijn. En dat verkondig ik al jaren. Dan is het maar gemakzucht die regeert. Ik word er wel blij van.

‘Tussen al die facebookende en whatsappende bekenden zaten mensen die me in eerdere instanties digitaal hadden genegeerd.’

Maar… dit fenomeen legt ook iets anders bloot. Tussen al die facebookende en whatsappende bekenden zaten mensen die me in eerdere instanties digitaal hadden genegeerd. Zo facebookfeliciteerde iemand mij met allerlei plaatjes erbij terwijl ze mij eerder geen gehoor gaf. Ze had mij ooit zelf uitgenodigd Facebook-vriend te worden. Ik ken haar van lang geleden dus ik had het verzoek geaccepteerd. Meteen daarop had ik een berichtje gestuurd om te vragen hoe het met haar ging na al die jaren. Geen reactie. Ook iemand die vorig jaar meerdere zakelijke telefoontjes, whatsappjes en e-mails van mij wist te niet-beantwoorden feliciteerde mij gisteren vrolijk via WhatsApp. Met een leuk emojietje erbij.

Ten enenmale: ik waardeer hun felicitaties. Ook al is het voor hen amper een moeite geweest, toch dachten ze gisteren blijkbaar even aan me en vonden ze het leuk om dat aan me te laten weten. Dat ís toch aardig?

Mijn ervaring gister doet me denken aan andere mensen. Zo is er iemand die ik voor elke editie van mijn jaarlijkse seminar Making Business Human heb uitgenodigd, die nooit op mijn vragen reageert naar hoe het met haar gaat. Ze laat altijd enkel weten dat ze komt. Ook andere berichten van mij negeert ze. En dat terwijl zij en ik het vroeger echt goed konden vinden.

‘Dit is geen zure observatie, het is verwondering.’

En zo zijn er nog meer mensen die ik ooit eens of meerdere keren via stem- of tekstbericht iets heb gevraagd die dáárop niet reageerden die enkel iets van zich lieten horen als er voor hén een aanleiding was.

Dit is geen zure observatie van mij, het is verwondering. Hoe werkt dat voor deze mensen?

Ik hoor wel eens de verklaring dat mensen zo veel mail krijgen tegenwoordig, dat ze het niet meer bij kunnen benen of bewuste keuzes maken in wat ze wel en niet beantwoorden. Voor de mensen die ik in gedachten heb, lijkt me dat geen excuus. Ik ken andere mensen die meer in de spotlight staan. Die krijgen honderden berichten per dag van onbekenden in hun mailbox. Dan snap ik dat je kritisch wordt. Maar als je er tientallen krijgt en ook nog van bekenden, dan snap ik dat minder goed.

Een andere verklaring zou kunnen zijn dat ‘dit soort mensen’ hun digitale berichten als niet meer ziet dan dat: digitale berichten. Het gevoel dat het hier om een mens gaat dat hen aanspreekt is er niet meer, of is althans zo onopvallend aanwezig dat het te negeren valt. Er zal in dit geval dan ook geen of veel minder sprake zijn van schuldgevoel of gêne. Ik denk sowieso dat dit eigenlijk bij ons allemaal speelt als we niet diréct met mensen te maken hebben. (Zie ook hier.) Maar dit zou niet verklaren waarom ze dan ineens wel op een verjaardag paraat staan.

‘Waarom zou je iemand blij feliciteren met z’n verjaardag als je hem stom vindt?’

Die felicitaties maken trouwens ook meteen het idee onklaar dat ze niets van zich laten horen omdat ze me niet aardig vinden. Waarom zou je iemand blij feliciteren met z’n verjaardag als je hem stom vindt?

Ik mag graag denken dat ‘dit soort mensen’ het té goed wil doen. Ze zien een bericht met een vraag en denken: o jee, daar heb ik nu geen tijd voor. Ze willen er goed voor gaan zitten of moeten er nog iets voor uitzoeken. Ze laten het bericht staan en gaan over tot de orde van de dag. Aan het eind van de werkdag zien ze het bericht weer staan en denken: shit, vergeten, en beloven zichzelf het de volgende dag te doen. Zo gaan dagen voorbij waarin het goed willen doen steeds verder vermengd wordt met schuldgevoel en de last alleen maar groter wordt. Tot het moment dat ze denken: tja, nu is het te laat, en het bericht met een laatste vlaag schuldgevoel deleten.

Als dan opeens de verjaardag of een simpele vraag van de genegeerde voorbij komt, zien ze – ik denk onbewust – hun kans schoon en feliciteren of antwoorden ze meteen. Dat dit bij de ontvanger tot verwarring leidt, snappen ze niet. Zij hadden toch immers al die tijd het beste met hem voor? Het kwam er gewoon niet van.

‘Sorry, ik geef je geen antwoord op je vraag want ik wil het te goed doen.’

Hoe het ook zij, precies weten hoe het werkt voor deze mensen doe ik niet. Het weinige wat ik weet is dat ze het niet onaardig bedoelen. Anders zouden ze geen felicitaties sturen of op sociale events komen. En ik weet ook dat een belegen spreekwoord kan zorgen voor minder verwarring en meer verbinding: stel niet uit tot morgen wat je vandaag ook kunt doen.

Werk dus elke dag je inbox weg en wees daarbij eens niet perfectionistisch. Wees menselijk, voor jezelf én de persoon achter de digitale berichten. Stuur desnoods iedereen het bericht: ‘Sorry, ik geef je geen antwoord op je vraag want ik wil het te goed doen.’


Can’t get enough? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn heb ik nog veel meer verklaringen voor ons moderne sociale gedrag gevonden.


Je instinct heeft bijna nooit gelijk

Gisteren liep ik hard langs een typische N-weg in de bossen op een van de twee ventwegen die langs beide zijden lopen van de hoofdweg. Op de ventweg aan de andere kant zag ik uit mijn ooghoek een zwart Mercedes-busje staan. Het had geblindeerde ramen. Toen ik ernaar keek, zag ik net de arm van de bestuurder omhoog gaan. Een onbestemd maar duidelijk negatief gevoel bekroop me bijna ongemerkt.

‘Een onbestemd maar duidelijk negatief gevoel bekroop me bijna ongemerkt.’

Toen ik beter keek, zag ik dat langs de bovenkant van het busje de rand van een ingeschoven luifel zat. Ik weet dat vlakbij de plek des onbestemdes onheils een camping was. Ik begreep dat het hier om een camper ging. Ik voelde me een klein beetje ontspannen. Ook zag ik een ANWB-busje op de hoofdweg rijden, die ik even eerder de weg vanaf de ventweg had zien op draaien. Toen begreep ik ook: de arm van de bestuurder die ik net daarvoor omhoog had zien gaan was als groet bedoeld voor de ANWB-monteur die hem net had geholpen met het weer aan de praat krijgen van zijn camper. Gerustgesteld rende ik door.

How tricky the mind works. Zwart busje, geblindeerde ramen… onwillekeurig maken mijn hersenen hiervan iets obscuurs. Niks om echt bang van te worden. Gewoon onbestemde gevoelens. Extra alertheid. Dat soort dingen. Dat het woord ‘obscuur’ ook donker betekent, zegt al veel. Als iets donker is, is het dubieus, geheimzinnig, louche, op z’n minst twijfelachtig.

En bij twijfel over de goede bedoelingen van een onbekende gaan mijn hersenen voor het gemak maar uit van de slechte bedoelingen. Mensen en andere dieren geven onbekenden nou eenmaal instinctief het nadeel van de twijfel. Dat is evolutionair gezien wel zo handig gebleken.

‘We geven onbekenden instinctief het nadeel van de twijfel.’

Nou ging dit om een camper met panne aan de overkant van een drukke straat. Niks bijzonders en geen kans dat ik door mijn wantrouwende hersenen deze situatie de verkeerde kant op kon sturen. Maar hoe vaak gebeurt dat wel? Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat zowaar námen die we verbinden aan mensen met een donkere huidskleur zorgen voor een negatieve associatie, zélfs bij mensen die zelf een donkere huidskleur hebben. Dat betekent dat mensen met dat soort namen vaak onterecht met een achterstand beginnen.

Daarnaast zijn er tal van andere cues waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat ze ons brein in een stand zetten die onrecht kan doen aan wat er echt aan de hand is. Als iemand iets doet wat niet past bij onze verwachtingen of er anders uitziet dan de mensen met wie we op dagbasis omgaan, wantrouwen we die persoon. Als we een potlood tussen onze neus en bovenlip knellen, vinden we alles wat we zien minder leuk dan wanneer we dat potlood tussen onze tanden klemmen (probeer het eens). Als iemand van het vrouwelijk geslacht is, denkt iedereen, ook de vrouw zelf, dat ze minder goed is in exacte vakken. Als we woorden lezen die we associëren met bejaarden, gaan we langzamer lopen. En ik zou nog heel lang door kunnen gaan met deze lijst.

‘Vertrouw wat minder snel je eigen wantrouwen en wat sneller een onbekende.’

Wat ik maar wil zeggen: we dénken misschien dat we niet bevooroordeeld zijn maar we zijn het, per definitie. Als we niet instinctief een aantal vuistregels mee hadden gekregen van onze voorouders en niet de aanleg hadden gehad om culturele vooroordelen op te slaan, hadden we het waarschijnlijk als diersoort gedurende de evolutie niet overleefd. Dan waren we fluitend donkere grotten met gevaarlijke dieren ingelopen en hadden we mensen uit andere stammen die onze vrouwen wilden meenemen maar zéíden dat ze alleen maar even kwamen kijken op hun blauwe ogen vertrouwd (wat lang geleden héél verdacht zou zijn, blauwe ogen, want die kregen we pas toen we ook Europa waren binnengetrokken).

Vuistregels, vooroordelen: goed dat ze er zijn, dus. Het is alleen jammer dat veel ervan ontstaan zijn in een tijd waarin de situaties nooit voorkwamen waarin we ons nu dagelijks bevinden. Ons leven is veel afwisselender, ingewikkelder en vooral minder gevaarlijk geworden. Vertrouw dus wat minder snel je eigen wantrouwen en wat sneller een onbekende. In 99 van de 100 gevallen heeft je instinctieve wantrouwen namelijk ongelijk.


Nog meer vuistregels van de mens ontdekken? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn staan er nog véél meer, inclusief wetenswaardigheden die aantonen dat ze inderdaad hun beste tijd hebben gehad.


 

Neem geen grote beslissingen met mensen die je niet kent

Niet zo lang geleden had ik een kennismakingsgesprek. Mijn gesprekspartner vertelde dat hij officier was geweest bij de brandweer maar ontdekt had dat dat toch niet echt iets voor hem was. Om te laten zien dat ik met hem sympathiseerde, vertelde ik dat ik eens mee was gelopen met een 24-uursdienst van een brandweerofficier. Die had mij verteld dat ze wist dat ze het vak aankon toen ze tijdens haar opleiding een vrouwenlichaam opgerold onder een metro had zien liggen en dacht: Oké. Daar kan ik dus tegen. ‘Oké. Daar kan ik dus niet tegen, dacht ik toen,’ vertelde ik de oud-officier lachend, ‘ik wist meteen dat het vak van brandweer ook niks voor mij is.’ Ik keek hem aan met een blik van verstandhouding.

‘Toen ze tijdens haar opleiding een vrouwenlichaam opgerold onder een metro had zien liggen, dacht ze: Oké. Daar kan ik dus tegen.’

‘O. Maar ik kan prima tegen lijken, hoor,’ antwoordde hij droogjes, ‘dat was het probleem niet. Als je aan het werk bent, is een lijk gewoon onderdeel van de casus, zal ik maar zeggen. Ik ben gewoon niet zo’n doener. Meer een denker.’ Ik zei snel dat ik eigenlijk nog nooit een lijk had gezien, los dan van die van familieleden en vrienden die een natuurlijke dood waren gestorven. ‘Ik kan dat dus eigenlijk helemaal niet zeggen. Misschien zou ik er ook zo mee omgaan als jij als het m’n werk was…’

Hier ging ik dus binnen een halve minuut van iemand die zeker weet dat-ie niet tegen de aanblik van onbekende lijken kan naar iemand die ze misschien wel kan zien als een interessante casus. Who cares, zou je zeggen. En inderdaad, het gaat amper ergens over, maar in deze dertig onbelangrijke seconden speelde zich iets af wat typisch menselijk is en zorgt voor een ontelbaar aantal slechte beslissingen.

Wij mensen zijn namelijk steevast geneigd om ons aan te passen aan anderen. Vooral in situaties waar we de ander(en) niet kennen of het onderwerp ons onbekend is. Dan zoeken we naar clous voor normen (hoe doen we de dingen hier) of informatie (wat is hier aan de hand).

‘In deze dertig onbelangrijke seconden speelde zich iets af wat typisch menselijk is en zorgt voor een ontelbaar aantal slechte beslissingen.’

Het bekendste experiment om dit te illustreren is van Solomon Asch uit de jaren vijftig. Daarin lieten proefpersonen zien dat ze een heel simpele opdracht (lijntjes vergelijken) fout doen als zeven andere mensen in de ruimte – die stiekem handlangers zijn van de onderzoekers – het vóór hen ook fout doen. Lang dacht men dat de proefpersonen dat deden om een lastige situatie, tegen de groep ingaan, te ontwijken.

Een experiment van Gregory Berns van zo’n tien jaar geleden laat zien dat dat waarschijnlijk helemaal niet zo is. Berns deed min of meer hetzelfde als Asch (figuren vergelijken), alleen hij maakte functionele MRI’s van de hersenen van de proefpersonen. Wat bleek? Mensen gaven niet alleen de foute antwoorden als de rest dat ook deed, hun hersenen vertelden hun ook dat het foute antwoord het goede was!

Uit de MRI’s bleek namelijk dat hun perceptie van de figuren veranderde. Dat bewees dat deelnemers bewust noch onbewust het goede antwoord onderdrukten om zich aan het oordeel van de groep aan te passen. Ze deden dus niet alsof ze het zagen zoals de anderen, nee, ze zagen het echt zoals de rest.

Dat zegt iets over hoe we conformeren. Want kun je überhaupt nog van conformeren spreken als daar in je oprechte waarneming helemaal geen sprake van is?

‘Kun je überhaupt nog van conformeren spreken als daar in je oprechte waarneming helemaal geen sprake van is?’

Hier zat ik dan, in een situatie met een onbekend iemand te praten over iets waar ik geen verstand van had. Op zich geen reden om het beeld dat ik van mezelf neerzette over iets irrelevants als tegen-de-aanblik-van-lijken-kunnen te vervalsen, of tenminste te vervagen. En toch deed ik het. Omdat het onverwachte feit, dat mijn gesprekspartner wél tegen lijken kon, mijn hersenen aanzette om zichzelf te herprogrammeren.

En dat deden ze niet voor niks. Als mijn hersenen niet zo in elkaar zaten, dan zouden we namelijk bij elke nieuwe kennismaking heel hard moeten nadenken over welk deel we van onszelf op welke manier laten zien om aardig gevonden te worden of de informatie te krijgen die we nodig hebben. In plaats daarvan zorgen onze hersenen ervoor dat we ons daar niet druk over hoeven te maken. Ze kiezen voor ons. Zonder dat we dat weten.

Dat is mooi. En dat is fnuikend. Want in mijn situatie ging het nergens om maar er zijn tal van gevallen waarin het wel echt ergens om gaat. Hoe vaak zitten mensen niet in vergaderingen met anderen die ze amper tot niet kennen te praten over een onderwerp waarvan ze onvoldoende weten? Dan doen ze maar wat, eigenlijk. Hun hersenen zorgen ervoor dat ze hun mening of beeld van de situatie bijstellen zonder dat ze het weten.

Herken je jezelf misschien hierin? Dan kun je verschillende dingen doen. Eén ding is iemand aanwijzen die advocaat van de duivel speelt. Laat hem of haar de kant belichten waar niemand in de groep vanzelf aan lijkt te denken. (Als je vaker met dezelfde groep zit, laat die rol dan rouleren. Anders wordt die ene collega op een gegeven moment uitgekotst.)

‘Neem geen grote beslissingen meer met mensen die je amper tot niet kent.’

Een ander idee is om geen grote beslissingen meer te nemen met mensen die je amper tot niet kent. Leer die mensen eerst beter kennen. Want dat is de overeenkomst tussen de experimenten van Asch en Berns: proefpersonen werden als eenling tussen een stel onbekenden gedropt. Zorg ervoor dat iedereen zich veilig en op z’n gemak voelt. Dan gaan de hersenen wat minder in de overleefstand. Stel je tenminste uitgebreid voor.

Misschien kun je beginnen met een rondje ‘wie kan er tegen de aanblik van lijken?’


Wil je meer weten over hoe het sociale dier de mens functioneert? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn staan nog véél meer anekdotes en biologische, psychologische en historische wetenswaardigheden.


E-mails negeren is menselijk

Ik had een afspraak bij de tandarts, op een maandag. Op vrijdag kreeg ik een e-mail: ‘Herinnering aan uw afspraak bij de preventieassistente. Deze afspraak vindt plaats op de Huppeldepupweg 9 Baarn en NIET op de Zusenmezolaan 21. Dit in verband met dat er op de Zusenmezolaan geen tandarts die dag aanwezig is.’ Ik wist dat de afspraak niet op mijn eigen locatie was, dus ik deletete het bericht.

Op maandag werd ik gebeld. De assistente van de tandarts. Of ik wist dat mijn afspraak op de Huppeldepupweg was en niet op de Zusenmezolaan, zei ik. ‘Ja, precies!’ zei de tandartsassistente lachend. We hingen snel maar plezierig weer op.

‘De assistente werd wat schichtig en kreeg rode vlekken in haar nek.’

Op de praktijk op de Huppeldepupweg meldde ik me bij de assistente achter de balie. ‘Meneer de Maat…’ zei ze, zoekend in het systeem, ‘u komt voor de preventieassistente.’ Ik keek haar vragend aan. ‘De mondhygiëniste,’ verduidelijkte ze. ‘Eh, nee,’ zei ik, ‘ik kom om een vulling te laten vervangen.’ De assistente werd wat schichtig en kreeg rode vlekken in haar nek.

De preventieassistente van dienst kwam er net aan lopen. ‘Deze meneer heeft een afspraak met jou maar hij zegt dat dat niet klopt,’ zei de tandartsassistente op gedempte toon. Kordaat zei haar collega: ‘Ik kijk er wel even naar,’ en ze beende terug naar haar kamer.

Even later riep dezelfde mondhygiëniste mijn naam. Toen ik haar kamer binnen liep, zeiden we gedag, waarna ik haar de situatie nog een keer uitlegde. Alsof ze me niet gehoord had, wees ze naar de behandelstoel: ‘Ga zitten.’ ‘Ik ben pas geleden nog naar de mondhygiëniste geweest. Is het niet slimmer als ik een nieuwe afspraak maak voor mijn vullingen? Dan besparen we elkaar de tijd,’ stelde ik voor zonder haar instructie te volgen.

‘Alsof ze me niet gehoord had, wees ze naar de behandelstoel: “Ga zitten.”’

De preventiemevrouw leek nu pas door te hebben wat er aan de hand was en zei: ‘Ja, dat is zo.’ Ze keek in haar pc en stelde vast dat ik inderdaad een afspraak voor het repareren van een vulling had moeten krijgen. Ze verontschuldigde zich voor de stommiteit en escorteerde mij naar terug naar de receptie. Daar kreeg ik met de hulp van een verontschuldigende en nog altijd wat schichtige tandartsassistente een nieuwe afspraak, deze keer met de tandarts.

Nu zou dit verhaal kunnen gaan over de werking van een systeem: hoe tandarts- en preventieassistentes zich laten leiden door het afsprakensysteem en zich geen raad weten met een patiënt die duidelijk probeert te maken dat wat in de digitale agenda staat niet klopt en pas gerust zijn als ze in de pc zien dat de patiënt gelijk heeft. Dat is óók boeiende materie. Maar daar gaat mij dit verhaal niet over.

Voor mij gaat dit verhaal over de werking van e-mail- versus menselijk contact. Ik had in de eerste zin van de herinneringsmail op vrijdag kunnen lezen dat ik een afspraak had met de zogenaamde preventieassistente. Ik hád dat ook gelezen. Ik weet zelfs nog dat ik even een unheimisch gevoel kreeg. Zo van: irgendwo klappt hier etwas nicht. Maar ik weet ook dat ik dat heel snel negeerde en weer doorging met m’n dag.

‘Een recept voor sociale slordigheid.’

Pas toen ik de tandartsassistente voor me had en ik het haar hoorde zeggen, drong het tot me door en sprak ik het ook uit: ik moet helemaal geen afspraak hebben met de preventieassistente! Hoe simpel en suf het ook klinkt, pas toen ik een echt mens live voor me had, verbond ik een consequentie aan de term ‘preventieassistente’. (Inmiddels kan ik de term niet meer horen, schrijven of lezen, maar da’s wéér een ander verhaal.)

En zo gaat het heel vaak met e-mail- versus menselijk contact. Denk bijvoorbeeld aan een digitaal bericht in je inbox waar je geen antwoord op geeft. Dat heb je vast wel ’s. Vergelijk dat eens met iemand die jou op straat begroet. Beantwoord je die ook niet? Het zou gek zijn als je dat niet doet, toch? Desalniettemin is het niet gek als we iemand negeren die ons schriftelijk begroet.

Onze sociale hersenen zijn geprogrammeerd voor face-to-face contact, niet voor schriftelijke correspondentie. Ze gaan pas aan als we iemand anders tegenover ons hebben. Gooi daar de massa aan mail overheen die we dagelijks in onze inbox krijgen en je hebt een recept voor sociale slordigheid.

Door deze praktijkles ben ik weer wat meer bij de les. Maar ik ben benieuwd wanneer mijn hersenen weer werken zoals ze bedoeld zijn en opnieuw iemand virtueel negeren.


Wil je meer van dit soort verhalen, maar dan met een kaft eromheen? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn staan er nog véél meer, plus een hoop biologische, psychologische en historische wetenswaardigheden over de mens.


 

Laat onbekenden er niet gemakkelijk vanaf komen

Vorig weekend was ik bij het concert van Maria Mena in TivoliVredenburg. We waren laat. Het voorprogramma hadden we al gemist. Het was uitverkocht. Dus de zaal zat vol.

Toch vonden we een prima plekje op het balkon. Ik hoefde maar tussen twee mensen door te kijken en als ze niet te veel zouden bewegen, zou ik Maria de hele tijd ten voeten uit kunnen zien.

Vóór Maria opkwam, ontdekte ik dat de jassen van de twee mensen voor mij op de grond lagen en dat ik er onwillekeurig af en toe met mijn schoen tegenaan kwam. Ik zei zulks tegen de dame van het tweetal en dat het me slim leek om hun jassen achter de paal te leggen die naast mij stond. Daar zouden ze veilig liggen. Ze maakte een geluid – ik kon in het rumoer niet goed vaststellen welke woorden het geluid moest vormen – draaide zich naar de mannelijke helft van het tweetal, besprak iets en zei vervolgens: ‘We houden ze wel vast. Geen énkel probleem.’ Het tweetal draaide zich weer naar het podium, met in hun armen hun jassen tegen zich aan geklemd.

‘Hier gebeurde twee rare dingen.’

Hier gebeurde twee rare dingen. Ten eerste hadden ze gewoon mijn idee kunnen opvolgen. Wat was het ergste dat er kon gebeuren? Een onbezorgd concert? Misschien vertrouwden ze me niet of dachten ze dat het achter die paal vies was. In ieder geval bewees het voorval eens te meer dat de gemiddelde mens liever zo kort mogelijk met onbekenden praat dan een buitenkansje krijgt. De angst voor gezichtsverlies, de behoefte om niet moeilijk te doen of een vorm van xenofobie zit ons geregeld in de weg. (Ik moet opeens aan verdwaalde boswandelaars denken…)

Ten tweede had ik ook gewoon kunnen denken: Oké. Jullie keus. Je had ze ook gewoon, net als iedereen, bij de garderobe kunnen achterlaten voor een euro per stuk. Of tóch achter die paal kunnen leggen. Maar ik kon het niet laten me ongemakkelijk te voelen. Ik had het idee dat ik ze van de regen in drup had geholpen: in een toch al warme zaal gingen ze nu dankzij mijn suggestie minstens anderhalf uur awkward staan met hun armen over elkaar en een lap stof ertussen.

‘Beide partijen verloren een beetje omdat ze allebei de ander niet tot last wilden zijn.’

Beide partijen verloren hier dus een beetje. Zij met hun ongemakkelijke houding en ik met m’n goeie gedrag. En waarschijnlijk omdat we allebei de ander niet tot last wilden zijn. Ik stel voor dat we vanaf nu onbekenden er iets minder gemakkelijk vanaf laten komen. Als je dus iets aangeboden wordt door een vreemde: neem het aan. En als je zelf iets aanbiedt aan iemand die je niet kent en het wordt afgeslagen: dring nog ’s aan.