Een eed afleggen zorgt voor minder integer gedrag

Sinds 1 april 2016 moeten veel medewerkers van financiële instellingen de zogenaamde bankierseed afleggen. Dat zou hen moeten aanzetten tot integer gedrag. Maar onderzoek wijst uit dat dit juist averechts werkt.

Een paar van mijn voormalig opdrachtgevers zijn financiële instellingen. Dankzij de poep die in 2008 in de financiële ventilator kwam, wordt van dit soort bedrijven verwacht dat ze de bankierseed afleggen. In de woorden van de Autoriteit Financiële Markten (AFM): de eed is ‘een moreel-ethische verklaring die moet worden afgelegd door beleidsbepalers en (een bepaalde groep) werknemers van een financiële onderneming. De eed bevat verklaringen op het gebied van onder meer het centraal stellen van het klantbelang, geen misbruik maken van kennis, geheimhouding van hetgeen is toevertrouwd en het maken van een zorgvuldige belangenafweging’.

De tekst van de eed is voorgekauwd door de wetgever. Mensen die hem willen afleggen, hoeven hem, na te hebben gekozen voor eed of belofte en het invullen van de naam van de onderneming, alleen maar uit te spreken en te ondertekenen. In de bedrijven die ik ken zweert en belooft men tijdens speciaal daarvoor georganiseerde ceremonies met getuigen en bescheiden feestelijkheden.

Mooi. Fijn. Goed dat-ie er is, hoor ik je denken. Op deze manier kunnen we die onbetrouwbare financiële mensen in het gareel krijgen!

‘Mensen die hun intenties publiek maken voelen zich juist mínder gehouden voelen aan hun intenties.’

Of denk je dat niet? Mooi, want dat denk ik met je mee. En niet alleen omdat de meeste financiële mensen betrouwbaar zijn.

Uit onderzoek van NYU-psycholoog Peter Gollwitzer blijkt namelijk dat mensen die hun intenties publiek maken zich juist mínder gehouden voelen aan hun intenties. De reden is dat door publiekelijk uit te spreken dat zij bepaalde ethische principes aanhangen mensen zich een identiteit aanmeten van iemand die die principes aanhangt. Het is precies die overtuiging die maakt dat mensen zich in hun gedrag minder houden aan die ethische principes. Ze zijn toch al principieel? Dat hebben ze immers net verklaard. Waarom zouden ze daar dan extra hun best voor gaan doen?

Dit effect ontstaat zelfs als mensen het voor zichzelf houden dat ze lovenswaardige principes hooghouden. Proefpersonen van een onderzoek van Northwestern University moesten bijvoorbeeld iets over zichzelf schrijven in termen als zorgend, gul en vriendelijk. Zij waren minder bereid om geld te doneren voor een goed doel dan mensen die in neutrale woorden iets over zichzelf schreven.

‘Voor veel mensen is een reputatie van ethisch zijn belangrijker dan het ethisch zijn zelf.’

Een cynische reactie die ik wel eens hoor op iets als de bankierseed is: denk je echt dat mensen hun gedrag aanpassen omdat ze iets hebben ondertekend op een stukje papier? Tegen deze cynici zou ik willen zeggen: ja, ze passen hun gedrag écht aan! Ze gaan zich namelijk hoogstwaarschijnlijk slechter gedragen na het afleggen van de eed.

Organisatiepsycholoog Adam Grant, schrijver van het boek Give and Take (aanrader), adviseert om mensen niet te laten zéggen dat ze bepaalde principes huldigen maar om ze te overtuigen zich te gaan gedrágen alsof ze die principes huldigen. Als mensen bij herhaling constateren dat ze in het klantbelang handelen, dan zullen ze van zichzelf gaan denken dat ze het klantbelang centraal stellen. En dát geeft een fijn gevoel dat ze willen onderhouden door het nog vaker te doen. Fake it ’til you make it, zoals ik eerder al zei.

Dus, een oproep aan de zojuist aangetreden wetgevers in de Tweede Kamer: laat bankiers en verzekeraars alsjeblieft niet meer zweren of beloven dat ze integer, afgewogen, klantgericht, open en vertrouwenwekkend zijn. Overtuig ze ervan dat ze zich zo moeten gedragen. Hoe, vraag je je af?

Voor veel mensen is een reputatie van ethisch zijn belangrijker dan het ethisch zijn zelf. Maak daarom gedrag van financiële medewerkers openbaar. Laat klanten hen openbaar beoordelen. En laat de AFM niet toezicht houden op het naleven van het afleggen van een eed. Laat haar de meest integere, afgewogen, klantgerichte, open en vertrouwenwekkende bankiers en verzekeraars belonen, met goede publiciteit. Organiseer geen ceremonies voor mensen die iets beloven, maar voor mensen die iets presteren.


Krijg je niet genoeg van dit soort inzichten? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn staan er nog veel meer.


Nawoord
Uiteraard had ik het hier net zo goed kunnen hebben over de eed die advocaten, artsen, notarissen en andere eedafleggende beroepsgroepen afleggen. De bankierseed is simpelweg de meest actuele. Maar: ja, je kunt je inderdaad afvragen of we bijvoorbeeld na 2.400 jaar de Eed van Hippocrates niet eens moeten afschaffen…

Denk maar niet dat anderen je goede bedoelingen zien

We zijn vaak verbaasd als andere mensen niet enthousiast reageren als we iets positiefs doen of zeggen. Het voelt ondankbaar als mensen onze goede bedoelingen niet inzien. Maar we maken er vaak meer van dan het is. De meeste mensen zijn namelijk niet helderziend.

Vorige maand zat ik in een skilift in Oostenrijk. Naast mij zaten twee Zwitserse meisjes van eind twintig met elkaar te kletsen. Vlak vóór het uitstappen probeerde ik de beugel omhoog te doen zodat we eruit konden. Ik voelde weerstand en keek naar rechts. Ik zag dat het meest rechts zittende meisje haar arm had laten liggen op het deel van de beugel dat als leuning dienst doet. ‘Warten wir noch ein Bisschen?’ vroeg ik met een glimlach op mijn hoofd. De vriendin van de leunster reageerde met een koel en langzaam uitgesproken: ‘Kein Problem…’ Mijn glimlach bleef onbeantwoord.

Ik probeerde het weer. De beugel ging omhoog. Ik gleed met m’n snowboard naar links, de meisjes skieden naar rechts. De afstand tussen ons werd groter. Maar hij kon eigenlijk al niet groter worden dan hij was geworden op het moment dat we ons korte gesprekje hadden.

‘Had het rechter meisje een lichamelijke conditie waar ik geen weet van had?’

Wat had ik fout gedaan? Zag ik eruit als een viezerik die meisjes lastigviel in skiliften? Ik had m’n snowboardbril omhoog gedaan, dus daar kon het niet aan liggen. Had ik eerder hardop scheten gelaten waar ik me nu niet meer bewust van was? Had het rechter meisje een lichamelijke conditie waar ik geen weet van had? Eentje waardoor ze haar rechter arm alleen met heel veel pijn en moeite kon bewegen? Of was dit gewoon een stelletje ijskonijnen?

Het simpele antwoord is: mijn eerste en enige zin was een vriendelijk bedoeld grapje. En da’s tricky. Humor is cultureel bepaald. Sterker nog, humor is heel persoonlijk. Deze jongedames kwamen uit Zwitserland. Nu weet ik uit ervaring dat Zwitsers niet ons Hollandse gevoel voor humor hebben. Bovendien heb ik meermalen gehoord dat best wat mensen, waaronder veel Nederlanders, moeite hebben met inschatten wanneer ik een gebbetje maak en wanneer ik serieus ben. Ik ben lastig te peilen.

‘We denken vaak dat de ander ons maar moet begrijpen.’

We denken vaak dat de ander ons maar moet begrijpen. Die snapt toch wel wat we bedoelen? Als we met brede gebaren duidelijk proberen te maken dat iemand voor ons mag invoegen, waarom kijkt-ie dan zo gepikeerd? Als we iemand die lijkt te zoeken naar straatnaambordjes vragen of we hem kunnen helpen, waarom zegt-ie dan zo verschrikt en kortaf: ‘Nee, hoor, bedankt.’ En waarom doen mensen boos als we per ongeluk tegen ze op botsen? We doen het toch niet expres?

Feit is dat ze ons niet kennen en ons daarom enkel zien als het gedrag dat we vertonen. Er is zoiets als de actor-oberserver asymmetry. Die houdt onder andere in dat mensen als ze iets doen – als ze actor zijn – zichzelf beoordelen op hun intenties (ik bedoel het toch goed?) en als observator anderen beoordelen op hun gedrag (als je dat doet, móét je wel een lul zijn). Er zit dus een asymmetrie in hoe mensen oordelen. (En dit geldt niet alleen voor de mensen die ons gepikeerd aankijken, verschrikt en kortaf reageren of boos doen. Wijzelf hebben ook meteen een oordeel over die mensen op basis van hun gepikeerde, verschrikte of boze gedrag.)

‘Mensen beoordelen zichzelf op hun intenties en anderen op hun gedrag.’

Daarnaast hebben we een positievere indruk van mensen die we kennen, simpelweg omdat we ze kennen. Het mere exposure effect wordt dat wel genoemd. Door enkel blootstelling aan iets of iemand gaan we het of hem of haar in een gunstiger daglicht zien. Je zou dus kunnen zeggen dat we bij mensen die we nog nooit eerder hebben gezien last hebben van het no exposure effect: van hen hebben we per definitie geen positief beeld.

Kortom, het is eigenlijk gek dat ik de reactie van de Zwitserse skiester gek vond. Ze had enkel mijn ambigue vraag om op af te gaan. Verder niks. What was I thinking? De volgende keer ga ik gewoon nog een rondje met ze met de lift naar beneden en weer naar boven, tot we lang genoeg aan elkaar blootgesteld zijn. Dan kunnen ze mijn grappige vraag vast op waarde schatten en vind ik haar nuffige reactie aandoenlijk.


Nog meer weetjes over awkard situaties? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn vertel ik je hoe ze ontstaan en wat je eraan kunt doen.

Lakse mensen manage je door ze niet te managen

Ik word een ander mens als ik met mijn gezin op vakantie ga. Bedenk, beslis en doe ik in mijn werk eigenlijk alles zelf, als we op vakantie gaan verander ik in een onkundig en onwillig sujet. Wat er dan met mij gebeurt, staat symbool voor hoe vaardige, enthousiaste medewerkers veranderen in onhandige zeurpieten.

Het begint allemaal met het feit dat ik me een stuk minder druk maak om wat er allemaal geregeld kan worden voor een buitenlandtrip dan mijn vriendin. Bovendien begin ik me later druk te maken.

Als ik nog midden in het alledaagse leven zit, is zij al bezig met het feit dat we weken later een week weg gaan. Naarmate de dagen vorderen, beginnen de lijstjes met niet-te-vergeten-dingen in het huis te verschijnen. Ze verzamelt alvast spullen voor onze dochter, zichzelf en mij, denkt na over de etenswaren die we onderweg nodig hebben en boekt een hotelletje waar we halverwege kunnen overnachten. Had het aan mij gelegen, dan had ik (een paar van) dit soort voorbereidingen een dag of wat van tevoren getroffen en had ik gedacht: zolang we maar onze portemonnee en paspoort bij ons hebben, kan er eigenlijk nooit iets echt fout gaan.

‘Mijn ego krijgt er een andere zorg bij. Dat wordt namelijk niet gezien.’

Omdat het al jaren zo gaat en we al jaren – tot grote irritatie van de ander – aan de ander proberen te bewijzen dat onze eigen instelling de beste is, hebben we het de laatste keren anders geregeld: zij doet haar ding en ik volg haar orders op. En dat werkt goed. Zij kan haar voorbereidingen treffen en ik hoef me nergens druk over te maken. Precies zoals we het allebei willen.

Nou ja… bijna precies.

Vroeger, toen ik nog vrijgezel was, ging ik ook op vakantie. En dat waren leuke tripjes waar ik zelf alles voor regelde. Met andere woorden, ik kan best m’n eigen boontjes doppen. En ik heb ook een eigen wil. Mijn trots en wil krijgen door de gezinsvakantieaanpak een deuk te verwerken. Ja, ik heb geen zorgen over de reis, maar mijn ego krijgt er een andere zorg bij. Dat wordt namelijk niet gezien. Om gezien te worden, laat het van zich horen. En vooral met scepsis: ‘Gaat het allemaal lukken zo?’ ‘Dat past toch nooit allemaal in de auto?’ ‘Heb je hier wel goed over nagedacht?’ En het wordt lui. Ik doe echt níks meer tot ik een order krijg. Want dat was toch de afspraak? ‘Wat moet ik nu doen, baas?’ hoor ik mezelf nu soms zeggen.

Wat bij dat laatste ook meespeelt is dat ik mijn vriendin niet voor de voeten wil lopen. Ik wil haar de ruimte geven om de verantwoordelijkheid te nemen. Dat maakt mijn passiviteit en afwachtendheid alleen maar groter.

‘Mijn vakantierecalcitrantie is niks anders dan de wisselwerking tussen managers en medewerkers.’

Mijn vakantierecalcitrantie is in wezen exact hetzelfde als het effect van de wisselwerking tussen managers en medewerkers. Managers zijn vaak in een managementpositie gekomen omdat ze zich drukker en eerder druk maakten om de dingen die eraan zaten te komen. Initiatief en verantwoordelijkheid nemen, noemen ze dat op het werk. Dat wordt gewaardeerd.

De mensen die op een gegeven moment hun medewerkers werden hadden dat net ietsje minder. Die maakten zich net iets minder en later druk dan hun opgeklommen collega. En toen werd diezelfde collega ook opeens hun manager. Die stelde zich al van nature net iets verantwoordelijker op, en sindsdien werd er ook nog van hem vanwege zijn functie verwacht dat-ie meer verantwoordelijkheid nam.

‘De truc om zelfstandige mensen uit hun laksheid te krijgen is ze niet managen.’

Mensen die prima hun eigen boontjes kunnen doppen en een eigen wil hebben veranderen zo in sceptische luie donders. De truc om ze uit hun terughoudende laksheid te krijgen is simpel om te zeggen maar voor geboren managers niet gemakkelijk te doen: manage ze niet. Als je mensen die prima hun eigen boontjes kunnen doppen en een eigen wil hebben gewoon hun boontjes laat doppen op hun eigen manier, doen ze fantastische dingen.

Zo heb ik laatst een topwintersport gehad. En die had ik met veel plezier helemaal zelf geregeld, tot aan het  kopen van eten voor onderweg en het inpakken van m’n koffer aan toe. Hoe dat kon? Ik ging niet met m’n gezin maar met een paar vrienden.


Disclaimer
Natuurlijk heb ik de anekdotes over mijn vriendin (een beetje) aangedikt voor het effect. Wat ik over mezelf heb geschreven is daarentegen helemaal waar.

Wees niet de úítzondering op de regel maar máák de regel

Als we ten prooi vallen aan mensen die ons als nummer zien, kunnen we daar iets aan doen. We kunnen hen van de automatische piloot halen of, nog beter, zorgen dat ze ons zien als het speciale geval dat we zijn.

Ik reed op de linkerbaan van de Houtribweg in de Flevopolder. Voor de mensen die de Houtribweg niet kennen, hij heeft twee banen in beide richtingen en tussen de twee rijrichtingen ligt een brede grasstrook. Verder is er niet iets te zien wat de speciale aandacht trekt: vlakke polderweiden, verdwaalde stilstaande treinen, nietsende bouwmachines en relatief nieuwe bomen die her en der op een kluitje staan.

Ik vroeg me net af: is dit nou een autoweg of niet? toen een man met een opvallend gele horizontale streep op zijn jas de weg opliep. Het duurde even, eigenlijk tot het moment dat hij naar mij wees, tot ik doorhad dat deze man een politieagent was.

De man wees naar rechts, naar een straat. Ik remde af, ging naar de rechterbaan en sloeg af. Niet veel verderop stonden twee auto’s waarvan de bestuurders duidelijk geverbaliseerd werden. Naast beide auto’s stond een agent licht voorovergebogen te praten door het bijrijdersraam.

‘Ik vroeg me net af: is dit nou een autoweg of niet? toen een man de weg opliep.’

Mijn voorgangers keerden om de Houtribweg weer op te draaien, waarna ik met een handgebaar gesommeerd werd naar voren te rijden. Ik deed mijn rechter voorraam open en een mannelijke agent begon, schouders en hoofd een beetje naar voren en beneden, digitaal bonnenboekje in de hand: ‘U bent zojuist staande gehouden omdat u een gemeten snelheid had van 102 kilometer per uur.’ Ik loog niet toen ik antwoordde met: ‘Ik vroeg me net af of dit nu een autoweg was.’ De beambte legde uit dat dat niet zo was. We raakten in een gesprekje over de kenmerken van een autoweg en het feit dat ik het nog netjes had gedaan omdat anderen hier met 140 langs raasden, terwijl hij wat administratiefs deed op z’n politiepalmtop.

‘Respect, trouwens, voor uw collega die de weg oploopt om ons aan te houden. Dat doet-ie ook niet zonder gevaar voor eigen leven,’ zei ik nadat het even stil was geweest tussen ons. ‘Ja, en dat is nu precies waar het fout gaat: wandelaars denken dat mensen hier 80 kilometer per uur rijden en schatten het verkeerd in. Met alle gevolgen van dien…’ reageerde de politieman onheilspellend.

Nog even vroeg ik wat de schade ging worden. De vriendelijke verkeersagent noemde het boetebedrag en zei, niet zonder medeleven in zijn stem: ‘Tja, dat is een dure les voor u.’ Vervolgens mocht ook ik gaan. Inmiddels waren er drie wachtenden achter me aangesloten.

‘Als mensen lopendebandwerk doen, gebeuren er twee dingen.’

Ik vond het een vriendelijke man, deze diender. En hij vond mij ook geen onprettige overtreder, denk ik. Dankzij het gekeuvel over en weer werd de sfeer bijna gemoedelijk. Inmiddels weet ik wel dat het geen zin heeft om in de weerstand te gaan. Het beste effect krijg je als je je fout meteen toegeeft of je tenminste van de domme houdt. Bovendien is het tegenwoordig voor mij een gewoonte om een praatje te maken met iedereen met wie ik noodgedwongen een paar minuten van mijn leven moet delen – een agent, een winkelbediende, iemand bij de koffieautomaat. Het maakt die paar minuten leuker én het zorgt ervoor dat mijn tijdelijke relatie beter wordt.

Ik dénk dus dat mijn relatie met deze agent beter werd door mijn opstelling. Het had alleen nul effect. Waarom? Ik was nummer zoveel in de rij. In vijf minuten had dit team gerechtsdienaren zes bestuurders aangehouden en beboet. In een uur zijn dat er zo’n zeventig. Dit was lopendebandwerk. En als mensen lopendebandwerk doen, gebeuren er twee dingen: (1) ze gaan op de automatische piloot en (2) ze dulden geen uitzonderingen.

Aan dat eerste heb ik iets kunnen doen, denk ik, door mijn gebabbel. De man leek oprecht in gesprek met mij. Dat tweede was echter de motherfucker. Was ik deze diender in z’n uppie tegengekomen tijdens een toevallige staandehouding, dan had hij me vrijwel zeker laten gaan met een waarschuwing – dat is me vaker wel dan niet gelukt. Maar nu ik de uitzondering zou worden op de regel die in real time werd bevestigd door alle auto’s vóór mij, draaide het rechtvaardigheidsgevoel van oom agent op volle toeren.

‘Zorg dat je ’s ochtends als eerste te hard rijdt, of anders vlak na de lunchpauze.’

Helaas. In dit geval was ik kansloos. En misschien wel terecht. Ik reed immers te hard. Ik had beter op moeten letten.

Besef dat je in veel gevallen, bijvoorbeeld voor ambtenaren achter loketjes, ook lopendebandwerk bent. Doorbreek dan in ieder geval hun automatische piloot als je gezien wilt worden voor wie je bent: een individueel geval. En probeer net iets alerter te zijn dan ik. Bedenk waarom je anders bent dan al die anderen en zorg dat je terecht als de uitzondering op de regel gezien wordt.

En als je geen goede reden kunt bedenken, zorg dan dat je ’s ochtends als eerste voor dat loket staat (of te hard rijdt), of anders vlak na de lunchpauze. Dan ben jij de eerste in de rij en dus degene die de toon zet en daarmee de regel máákt.


Wil je meer tips om meer contact te krijgen met ambtenaren en andere mensen? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn vertel ik je over nog meer van onze automatismen.


Gelijkheidszin zorgt ervoor dat iedereen minder heeft

Als groepen slecht presteren geven we vaak de schuld aan onze instinctieve drang om de beste te zijn. We moeten niet haantje de voorste willen zijn als we als groep ons doel willen bereiken, is de gedachte. Maar onze competitiedrift is niet per se de schuldige. Vaak is het onze drang naar gelijkheid die de groep naar beneden haalt.

Het moet er stom uit hebben gezien: ik met een grote koptelefoon op, harde, verbaasde kreten slakend en wild gebarend naar de tv. Ik zat de veiling tijdens aflevering 4 van Wie is de Mol te kijken en mijn verbazing groeide met de minuut. Ik ben al lang fan maar deze keer vond ik dat de bedenkers zich hadden overtroffen. In een kwartiertje verspeelden zes kandidaten en één mol bijna zevenduizend van de achtduizend euro in de pot. (Als je het wilt zien, kijk dan van minuut 35 tot minuut 48.)

Wat er gebeurde.

Ze konden drie jokers kopen. Met een joker maak je meer kans om de volgende ronde van het spel te halen. Zo’n ding konden de individuele kandidaten voor zichzelf kopen door tegen elkaar op te bieden tijdens elk van drie rondes van een typisch Amerikaanse veeveiling – met zo’n snel pratend mannetje waarbij je met koele, bijna onzichtbare gebaren kunt laten zien dat je biedt. Van tevoren was er een bedrag berekend, 1.300 euro. Daarvoor konden ze zonder kosten voor de pot jokers kopen. Gingen ze er overheen, dan ging het surplus uit de pot. Penningmeester Jeroen, die de pot beheerde, had vooraf een verzekering afgesloten voor het risico dat ze er overheen gingen. Hij had dat voor 200 euro gedaan. Daardoor kon men niet 1.300 uitgeven maar 1.500 euro. Uiteindelijk gaf men geen 1.500 maar 8.200 euro uit. Voor drie jokers. De duurste van de drie ging voor 3.500 euro over de veilingtoonbank.

‘Mensen die voor drie jokers gemiddeld minder dan anderhalf duizend euro zeiden te willen betalen, legden uiteindelijk bijna twee keer zoveel neer voor maar één joker.’

Voorafgaand aan de veiling had men elke kandidaat gevraagd hoeveel ze over zouden hebben voor drie jokers. Meerdere mensen gaven als antwoord niks, sommigen een paar honderd euro, een enkeling zei zonder aarzelen dat hij er wel 3.500 euro voor zou willen betalen. Het gemiddelde van alle zeven antwoorden was die 1.300 euro.

Met andere woorden: mensen die voor drie jokers gemiddeld minder dan anderhalf duizend euro zeiden te willen betalen met een penningmeester die dat nog eens bevestigde middels een verzekering, legden uiteindelijk bijna twee keer zoveel neer voor maar één joker.

Watskebeurd?!

Een hele hoop dingen speelden hier een rol, zoals het feit dat het niet drie jokers in één keer waren maar telkens één in drie rondes en dat zo’n veiling een opgefokte sfeer creëert waardoor je je realiteitszin verliest. Sommige mensen zullen zeggen dat het vooral lag aan de competitiedrift van mensen. Kan. Maar ik denk het vooral ligt aan één element: de gelijkheidszin van mensen.

‘Gelijkheidszin kan meer ellende veroorzaken dan competitiedrift.’

Gelijkheidszin is het idee dat groepsleden in wezen gelijk zijn en recht hebben op gelijke kansen en middelen. En het is een heel normaal verschijnsel bij mensen en andere dieren.

Twee biologen deden een experiment met kapucijneraapjes om aan te tonen dat die ook gelijkheidszin kennen. Ze zetten twee aapjes naast elkaar in hokjes waar ze elkaar konden zien en lieten ze een taak uitvoeren in ruil voor een stukje komkommer. Dat ging prima, totdat een ervan een druif kreeg als beloning. De aap die nog altijd beloond werd met komkommer leek opeens te ontdekken dat zijn vergoeding niet meer was dan een stuk water met een groen schilletje en pruimde het plots niet meer. De onderzoekers noemden het verschijnsel ‘afkeer van ongelijkheid’. En, uit later onderzoek met honden blijkt dat een hond zonder beloning bij herhaling een kunstje doet, maar dat ook hij dat vertikt op het moment dat een andere hond er stukjes worst voor krijgt.

Gelijkheidszin is algemeen verspreid in de dierenwereld. Het heeft dan ook een functie: zonder dit instinct zouden leden van een groep zich kunnen verrijken ten koste van de rest van de groep. Als daar niet tegen opgetreden wordt, wordt het ieder voor zich. En dat kan een groep in het wild niet hebben. Die moet eensgezind en sterk blijven.

Het is dus een nuttig mechanisme. Maar het kan ook doorslaan.

Wat namelijk interessant is aan het experiment met de aapjes en hun komkommers en druiven, is dat de komkommerkapucijneraap zich enorm opwindt over het onrecht. Blijkbaar zorgt de afkeer van ongelijkheid niet alleen voor een afkeer van de mindere beloning, maar ook voor een emotionele reactie.

‘Verongelijking kan het teken zijn voor je emotie om ongeremd de hele groep te gronde te richten, inclusief jezelf.’

En dat is volgens mij vooral wat er gebeurde tijdens de WIDM-veiling: de kandidaten kregen een emotioneel ongelijkheidswaas voor de ogen. Ze gunden het anderen niet als zij er met een joker vandoor dreigden te gaan ten koste van de pot. Als íémand hier de groep naar de verdoemenis helpt in het eigen belang, dan ben ik het wel, moeten ze gedacht hebben. Beter gezegd, ze dáchten het niet, ze vóélden het. En dat gevoel, dat haalde het slechtste in hen naar boven waarmee ze de hele groep in hun val naar beneden trokken.

Net als aapjes en honden pikken wij mensen het niet als een ander er met meer vandoor gaat. Liever dan dat we cool blijven, laten we ons gaan. En dat gebeurt WIDM-kandidaten net zoals dat bijvoorbeeld cao-onderhandelaars, ruziënde echtelieden en familieleden bij de erfenis overkomt. Eigenlijk iedereen die zich oneerlijk bejegend voelt, laat zich vroeg of laat gaan.

Denk de volgende keer daarom eens een keer langer na als je je verongelijkt voelt, of het nou tijdens een discussie, een onderhandeling of de werkverdeling is. Verongelijking is hét teken dat je gelijkheidszin opspeelt. Het kán heel nuttig zijn om dat ene groepslid terug in z’n hok te krijgen ten faveure van de rest. Maar het kan ook het teken zijn voor je emotie om ongeremd de hele groep te gronde te richten, inclusief jezelf.


Wil je meer weten over hoe je jezelf in toom houdt? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn open ik je ogen voor nog meer van onze dierlijke valkuilen.


Facebookfelicitaties: echt iets voor perfectionisten

Laatdunkend praten over het gemak van mensen feliciteren via Facebook en WhatsApp, iedereen doet het wel ’s. Maar wat nou als die mensen juist te moeilijk omgaan met hun digitale sociale contacten?

Ik was gisteren jarig. Dat heb ik niet gevierd. Wel vulden Facebook- en WhatsApp-berichten de hele dag mijn telefoon. Dankzij die berichten (en natuurlijk het zelfgemaakte kunstwerk van mijn vriendin en dochter) voelde ik me best wel jarig. Wat mensen ook zeggen over de correlatie tussen de moeite van een felicitatie en de waarde ervan, ik vind het fijn. En dat verkondig ik al jaren. Dan is het maar gemakzucht die regeert. Ik word er wel blij van.

‘Tussen al die facebookende en whatsappende bekenden zaten mensen die me in eerdere instanties digitaal hadden genegeerd.’

Maar… dit fenomeen legt ook iets anders bloot. Tussen al die facebookende en whatsappende bekenden zaten mensen die me in eerdere instanties digitaal hadden genegeerd. Zo facebookfeliciteerde iemand mij met allerlei plaatjes erbij terwijl ze mij eerder geen gehoor gaf. Ze had mij ooit zelf uitgenodigd Facebook-vriend te worden. Ik ken haar van lang geleden dus ik had het verzoek geaccepteerd. Meteen daarop had ik een berichtje gestuurd om te vragen hoe het met haar ging na al die jaren. Geen reactie. Ook iemand die vorig jaar meerdere zakelijke telefoontjes, whatsappjes en e-mails van mij wist te niet-beantwoorden feliciteerde mij gisteren vrolijk via WhatsApp. Met een leuk emojietje erbij.

Ten enenmale: ik waardeer hun felicitaties. Ook al is het voor hen amper een moeite geweest, toch dachten ze gisteren blijkbaar even aan me en vonden ze het leuk om dat aan me te laten weten. Dat ís toch aardig?

Mijn ervaring gister doet me denken aan andere mensen. Zo is er iemand die ik voor elke editie van mijn jaarlijkse seminar Making Business Human heb uitgenodigd, die nooit op mijn vragen reageert naar hoe het met haar gaat. Ze laat altijd enkel weten dat ze komt. Ook andere berichten van mij negeert ze. En dat terwijl zij en ik het vroeger echt goed konden vinden.

‘Dit is geen zure observatie, het is verwondering.’

En zo zijn er nog meer mensen die ik ooit eens of meerdere keren via stem- of tekstbericht iets heb gevraagd die dáárop niet reageerden die enkel iets van zich lieten horen als er voor hén een aanleiding was.

Dit is geen zure observatie van mij, het is verwondering. Hoe werkt dat voor deze mensen?

Ik hoor wel eens de verklaring dat mensen zo veel mail krijgen tegenwoordig, dat ze het niet meer bij kunnen benen of bewuste keuzes maken in wat ze wel en niet beantwoorden. Voor de mensen die ik in gedachten heb, lijkt me dat geen excuus. Ik ken andere mensen die meer in de spotlight staan. Die krijgen honderden berichten per dag van onbekenden in hun mailbox. Dan snap ik dat je kritisch wordt. Maar als je er tientallen krijgt en ook nog van bekenden, dan snap ik dat minder goed.

Een andere verklaring zou kunnen zijn dat ‘dit soort mensen’ hun digitale berichten als niet meer ziet dan dat: digitale berichten. Het gevoel dat het hier om een mens gaat dat hen aanspreekt is er niet meer, of is althans zo onopvallend aanwezig dat het te negeren valt. Er zal in dit geval dan ook geen of veel minder sprake zijn van schuldgevoel of gêne. Ik denk sowieso dat dit eigenlijk bij ons allemaal speelt als we niet diréct met mensen te maken hebben. (Zie ook hier.) Maar dit zou niet verklaren waarom ze dan ineens wel op een verjaardag paraat staan.

‘Waarom zou je iemand blij feliciteren met z’n verjaardag als je hem stom vindt?’

Die felicitaties maken trouwens ook meteen het idee onklaar dat ze niets van zich laten horen omdat ze me niet aardig vinden. Waarom zou je iemand blij feliciteren met z’n verjaardag als je hem stom vindt?

Ik mag graag denken dat ‘dit soort mensen’ het té goed wil doen. Ze zien een bericht met een vraag en denken: o jee, daar heb ik nu geen tijd voor. Ze willen er goed voor gaan zitten of moeten er nog iets voor uitzoeken. Ze laten het bericht staan en gaan over tot de orde van de dag. Aan het eind van de werkdag zien ze het bericht weer staan en denken: shit, vergeten, en beloven zichzelf het de volgende dag te doen. Zo gaan dagen voorbij waarin het goed willen doen steeds verder vermengd wordt met schuldgevoel en de last alleen maar groter wordt. Tot het moment dat ze denken: tja, nu is het te laat, en het bericht met een laatste vlaag schuldgevoel deleten.

Als dan opeens de verjaardag of een simpele vraag van de genegeerde voorbij komt, zien ze – ik denk onbewust – hun kans schoon en feliciteren of antwoorden ze meteen. Dat dit bij de ontvanger tot verwarring leidt, snappen ze niet. Zij hadden toch immers al die tijd het beste met hem voor? Het kwam er gewoon niet van.

‘Sorry, ik geef je geen antwoord op je vraag want ik wil het te goed doen.’

Hoe het ook zij, precies weten hoe het werkt voor deze mensen doe ik niet. Het weinige wat ik weet is dat ze het niet onaardig bedoelen. Anders zouden ze geen felicitaties sturen of op sociale events komen. En ik weet ook dat een belegen spreekwoord kan zorgen voor minder verwarring en meer verbinding: stel niet uit tot morgen wat je vandaag ook kunt doen.

Werk dus elke dag je inbox weg en wees daarbij eens niet perfectionistisch. Wees menselijk, voor jezelf én de persoon achter de digitale berichten. Stuur desnoods iedereen het bericht: ‘Sorry, ik geef je geen antwoord op je vraag want ik wil het te goed doen.’


Can’t get enough? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn heb ik nog veel meer verklaringen voor ons moderne sociale gedrag gevonden.


Je instinct heeft bijna nooit gelijk

Gisteren liep ik hard langs een typische N-weg in de bossen op een van de twee ventwegen die langs beide zijden lopen van de hoofdweg. Op de ventweg aan de andere kant zag ik uit mijn ooghoek een zwart Mercedes-busje staan. Het had geblindeerde ramen. Toen ik ernaar keek, zag ik net de arm van de bestuurder omhoog gaan. Een onbestemd maar duidelijk negatief gevoel bekroop me bijna ongemerkt.

‘Een onbestemd maar duidelijk negatief gevoel bekroop me bijna ongemerkt.’

Toen ik beter keek, zag ik dat langs de bovenkant van het busje de rand van een ingeschoven luifel zat. Ik weet dat vlakbij de plek des onbestemdes onheils een camping was. Ik begreep dat het hier om een camper ging. Ik voelde me een klein beetje ontspannen. Ook zag ik een ANWB-busje op de hoofdweg rijden, die ik even eerder de weg vanaf de ventweg had zien op draaien. Toen begreep ik ook: de arm van de bestuurder die ik net daarvoor omhoog had zien gaan was als groet bedoeld voor de ANWB-monteur die hem net had geholpen met het weer aan de praat krijgen van zijn camper. Gerustgesteld rende ik door.

How tricky the mind works. Zwart busje, geblindeerde ramen… onwillekeurig maken mijn hersenen hiervan iets obscuurs. Niks om echt bang van te worden. Gewoon onbestemde gevoelens. Extra alertheid. Dat soort dingen. Dat het woord ‘obscuur’ ook donker betekent, zegt al veel. Als iets donker is, is het dubieus, geheimzinnig, louche, op z’n minst twijfelachtig.

En bij twijfel over de goede bedoelingen van een onbekende gaan mijn hersenen voor het gemak maar uit van de slechte bedoelingen. Mensen en andere dieren geven onbekenden nou eenmaal instinctief het nadeel van de twijfel. Dat is evolutionair gezien wel zo handig gebleken.

‘We geven onbekenden instinctief het nadeel van de twijfel.’

Nou ging dit om een camper met panne aan de overkant van een drukke straat. Niks bijzonders en geen kans dat ik door mijn wantrouwende hersenen deze situatie de verkeerde kant op kon sturen. Maar hoe vaak gebeurt dat wel? Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat zowaar námen die we verbinden aan mensen met een donkere huidskleur zorgen voor een negatieve associatie, zélfs bij mensen die zelf een donkere huidskleur hebben. Dat betekent dat mensen met dat soort namen vaak onterecht met een achterstand beginnen.

Daarnaast zijn er tal van andere cues waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat ze ons brein in een stand zetten die onrecht kan doen aan wat er echt aan de hand is. Als iemand iets doet wat niet past bij onze verwachtingen of er anders uitziet dan de mensen met wie we op dagbasis omgaan, wantrouwen we die persoon. Als we een potlood tussen onze neus en bovenlip knellen, vinden we alles wat we zien minder leuk dan wanneer we dat potlood tussen onze tanden klemmen (probeer het eens). Als iemand van het vrouwelijk geslacht is, denkt iedereen, ook de vrouw zelf, dat ze minder goed is in exacte vakken. Als we woorden lezen die we associëren met bejaarden, gaan we langzamer lopen. En ik zou nog heel lang door kunnen gaan met deze lijst.

‘Vertrouw wat minder snel je eigen wantrouwen en wat sneller een onbekende.’

Wat ik maar wil zeggen: we dénken misschien dat we niet bevooroordeeld zijn maar we zijn het, per definitie. Als we niet instinctief een aantal vuistregels mee hadden gekregen van onze voorouders en niet de aanleg hadden gehad om culturele vooroordelen op te slaan, hadden we het waarschijnlijk als diersoort gedurende de evolutie niet overleefd. Dan waren we fluitend donkere grotten met gevaarlijke dieren ingelopen en hadden we mensen uit andere stammen die onze vrouwen wilden meenemen maar zéíden dat ze alleen maar even kwamen kijken op hun blauwe ogen vertrouwd (wat lang geleden héél verdacht zou zijn, blauwe ogen, want die kregen we pas toen we ook Europa waren binnengetrokken).

Vuistregels, vooroordelen: goed dat ze er zijn, dus. Het is alleen jammer dat veel ervan ontstaan zijn in een tijd waarin de situaties nooit voorkwamen waarin we ons nu dagelijks bevinden. Ons leven is veel afwisselender, ingewikkelder en vooral minder gevaarlijk geworden. Vertrouw dus wat minder snel je eigen wantrouwen en wat sneller een onbekende. In 99 van de 100 gevallen heeft je instinctieve wantrouwen namelijk ongelijk.


Nog meer vuistregels van de mens ontdekken? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn staan er nog véél meer, inclusief wetenswaardigheden die aantonen dat ze inderdaad hun beste tijd hebben gehad.