Concessies doen

Afgelopen vrijdag zorgde een ongeval op de Afsluitdijk voor problemen voor vakantiegangers. Aan het begin van de avond botsten twee auto’s op elkaar op de A7 richting Friesland. Het achteropkomende verkeer kwam vervolgens enkele uren muurvast te staan. Even voor half negen werd de weg weer vrijgegeven. Maar op dat moment was de laatste veerboot naar Terschelling al vertrokken. De pech voor de vakantiegangers was dubbel, want de hotels in Harlingen zaten allemaal vol.

Via Twitter vroegen sommige vakantiegangers Rederij Doeksen de afvaart van de laatste boot van 19:55 uur uit te stellen. (Saillant detail: op nos.nl staat een gesprek via Twitter van 10 juli tussen de rederij en een van de ongelukkige filerijders, maar nu, een paar dagen later, is er geen enkel bericht van afgelopen vrijdag te zien op de Twitter-pagina van Doeksen.) Maar dat gebeurde niet. ‘Ik weet niet hoe veel mensen vanavond de boot hebben gemist,’ zei directeur Paul Melles van Rederij Doeksen, ‘maar wij moeten nu eenmaal onze concessieverplichting nakomen: de mensen die wel aan boord zijn moeten op een bepaalde tijd aankomen. Daarom moeten onze boten op tijd vertrekken. Onze kapiteins weten dat en handelen daar ook naar.’

PR-technish en menselijk maakt meneer Melles een paar foutjes. Natuurlijk is fout nummer 1 dat ie niets uit dat op verontschuldigingen of medelijden lijkt. Medeleven tonen is gratis. Je kunt meeleven zonder iets te doen aan je gekozen oplossing. Bovendien houden mensen van openbare spijtbetuigingen. Dat vinden ze vaak zelfs chique. Fout 2 is niet-logisch redeneren. Ik weet ook niet hoe veel mensen die avond de boot hebben gemist. Hadden Paul en ik het wel geweten, dan hadden we misschien een afweging kunnen maken: zo veel mensen die in de file staan en met de boot mee willen vs. zo veel mensen die al op de boot zitten en later aankomen als ze moeten wachten op de filerijders.* Zeggen dat je niet weet hoe veel mensen de boot hebben gemist en verder niks, is impliceren dat je je niet interesseert voor het welzijn van je klanten, of ze nou aan of van boord zijn. Ik ben geen utilitarist (iemand die de kwaliteit van leven in een maatschappij afmeet door de hoeveelheid pijn van de hoeveelheid plezier af te trekken), maar rekening houden met hoe veel mensen je een plezier doet en hoe veel je er verdrietig maakt, is toch het minste dat je kunt doen als dienstverlener bij het maken van lastige keuzes.

Fout 3 is wel de grootste – en bij dienstverleners in het algemeen de meest voorkomende, trouwens. Wat Paul Melles namelijk doet is voorbij gaan aan medeleven en logica en direct kiezen voor het bureaucratistische antwoord: ‘…wij moeten nu eenmaal onze concessieverplichting nakomen.’ Een concessieverplichting is iets tussen twee organisaties; business-to-business noemen ze dat ook wel. Daar hebben individuele klanten (a.k.a. mensen) geen boodschap aan. Als je dit human-to-human beschouwt, is het heel raar om te horen van iemand die mensen van de ene kaai naar de andere brengt. Net zo raar als dat Paul zei: ‘…de mensen die wel aan boord zijn moeten op een bepaalde tijd aankomen.’ Van wie? Die mensen zelf? Heeft iemand van Rederij Doeksen een enquête gehouden onder de mensen die wel aan boord waren met de vraag: ‘Klopt het dat u om ca. 21:55 aan móet komen op Terschelling?’** De kans is groot dat de meeste mensen dan hadden gezegd: ‘Moeten niet, maar het zou wel fijn zijn.’ Als in de enquête ook de vraag: ‘Vindt u het erg om anderhalf uur later te vertrekken, en dus om ca. 23:25 aan te komen, zodat een aantal andere mensen, die nu in de file staan, nog mee kan en niet in zijn auto hoeft te overnachten?’ zou worden gesteld, zou ik helemaal benieuwd zijn naar de antwoorden. En trouwens, moeten de mensen die niet aan boord zijn, maar dat wel hadden willen zijn, dan niet ook op een “bepaalde tijd” aankomen? Blijkbaar voelt meneer Melles zich enkel verantwoordelijk voor klanten die aan boord zijn.***

Nu kan ik nog een heel stuk schrijven over waar concessieverplichtingen eigenlijk voor zijn (om het niveau van dienstverlening op peil te houden), maar dan kom je in een oninteressante discussie over wat je dan moet verstaan onder “goede dienstverlening”. Bovendien, daar gaat het helemaal niet om. Waar het wel om gaat is dat een bedrijf dat bestaat om mensen van van A naar B te verplaatsen als reden geeft dat hij dat met sommigen niet kan doen, omdat hij een stuk papier heeft dat hem en zijn kapiteins dicteert dat de boot op een “bepaalde tijd” aan moet komen op Terschelling. Het stuk papier schakelt hun denken uit. En dat niet alleen, het geeft hun schijnbaar daar ook een alibi voor, dat je zonder schaamte in de nationale media kunt verkondigen.

En nogmaals, als meneer Melles of de dienstdoende kaptein wel had nagedacht, was hij misschien tot dezelfde conclusie gekomen en waren er nog steeds een paar vakantiegangers gestrand op het vasteland. Maar, hij had zich dan tenminste een weldenkend mens getoond, dat handelt naar de situatie en niet naar de letter.


Als je mijn blog waardeert, laat dat dan zien: meld je aan als e-mail-volger of like Fellow Man op Facebook. En/of koop m’n boek Ik vind u een eikel – waarom we supersociaal zijn op bol.comDank je! 


*   Waarom noemen we trouwens de mensen die in de file staan ‘filerijders’?
**  De laatste boot vertrok op vrijdag om 19:55 en Doeksen geeft aan dat de veerdienst er ca. twee uur over doet.
*** Bij Doeksen moet je doorgaans van tevoren boeken en betalen, omdat de boot vaak vol zit.

Advertisements

Tank you very much

Uitgepraat kan ik er niet over raken: anonimiteit, en vooral het effect van het wegvallen ervan. Daarom, om het af te leren, een anekdote over precies dat.

Ik moest tanken. Het was echt hoog tijd, dus toen ik bij een tankstation kwam, liet ik me niet afleiden door het feit dat ik aan de telefoon was. Ik reed mijn auto ter hoogte van de tankdop tot aan de pomp, doofde de motor, maar stapte nog niet uit. Ik wilde eerst mijn gesprek, dat het einde naderde, rustig afmaken. Er was nog één andere pomp vrij, dus ik had niet het idee dat ik anderen van het tanken afhield.

Vrij snel na mijn aankomst stopte een auto achter mij. Ik legde de persoon aan de andere kant van de lijn de situatie uit en stapte uit om de man te laten weten dat er nog een andere pomp vrij was. Voordat ik goed en wel mijn auto had verlaten, zag ik de man in de auto achter mij een wegwerpgebaar maken met zijn hand. Als wilde hij zeggen: ‘Wat maak je me nou?! Ik dacht dat je weg zou gaan!’ Ik zei tegen mijn belgenoot: ‘Wacht even. Ik moet geloof ik even wat goed maken. Ik bel je zo terug,’ en hing op.

Voordat ik verder ga, is het goed om te vertellen dat het tankstation drie doe-het-zelf-pompen heeft, waarvan er twee links en één rechts staan. Voor mensen als ik, wiens auto de tankdop aan de rechterkant heeft, is het handig om de rechter te nemen.

Ik stapte op de auto af en zei door het inmiddels geopende autoraam: ‘Voor dat busje is er nog een vrij,’ terwijl ik naar de voorste linker pomp wees. ‘Maar mijn tankdop zit rechts,’ reageerde de man. ‘Oké,’ zei ik, ‘dan neem ik die wel.’ Ik reed mijn auto naar linksvoor en vervolgens linksachter, deed wat je moet doen om een doe-het-zelf-pomp te activeren, trok de slang zo ver mogelijk uit en achter mijn auto langs, propte het tankpistool in de brandstoftank en tankte mijn auto vol.

Voordat ik klaar was, kwam de man met rechter-pomp-behoefte naar me toe. ‘Dank je wel. En sorry, hoor,’ zei hij, ‘ik wist niet dat de slang dat haalt.’ ‘Geen probleem, hoor,’ zei ik. Na een korte pauze, waarin hij volgens mij zocht naar iets om de boel netjes mee af te ronden, zei de man: ‘Dan weet ik dat voor de volgende keer.’ Ik zei: ‘Zo is ’t.’ ‘Fijne dag,’ zei hij. Ik: ‘Ook zo.’

Ik reageerde vrij neutraal. Maar dat was alleen maar om street credibility te hebben. Ik wilde cool overkomen. Van binnen juichte ik. En toen ik eenmaal weer in de auto zat, juichte ik hardop. Verrast was ik door deze ommezwaai. Deze meneer en ik hadden het samen gemaakt van wegwerpgebaar tot spontane dankbetuiging!

Ik wil mezelf hier niet als sociale held neerzetten, met m’n op-de-onbekende-man-afstappen en m’n bereidwilligheid-om-de-andere-pomp-te-nemen. Ik denk dat ik gewoon door eerdere ervaringen heb geleerd dat het helpt om om het blik op de weg, dat ons omhult en anoniem maakt, heen te stappen. Het heeft me vermoedelijk de moed gegeven om me niets aan te trekken van de wegwerpgebaren, omdat ik inmiddels wéét dat die zelfde meneer die mij wegwerpt een meneer is die aardig wil zijn. Het punt is, hij wil aardig zijn voor de medemensen die hij als medemens (h)erkent. Door iets tegen hem te zeggen (en vast ook door hem zijn favoriete pompje te geven) werd ik opeens zo iemand.

Nu maar hopen dat ik hiermee niet alleen zijn en mijn wereld een beetje gezelliger heb gemaakt, maar ook de wachttijd bij de pomp met een derde heb verminderd…


Als je mijn blog waardeert, laat dat dan zien: meld je aan als e-mail-volger of like Fellow Man op Facebook. En/of koop m’n boek Ik vind u een eikel – waarom we supersociaal zijn op bol.comDank je! 

Blik op de weggebruiker

Niet zo lang geleden voegde ik in in een rij auto’s die op een voorsorteervak voor een stoplicht reed. Dat doe ik wel vaker. Deze keer zag ik in mijn achteruitkijkspiegel dat de bestuurder achter mij zich daar druk over maakte. Hij maakte gebaren met zijn rechterhand, geen obscene, maar het was wel duidelijk dat ie het niet eens was met het feit dat ik vóór hem invoegde. Om precies te zijn, hij bewoog z’n hand voor z’n gezicht omhoog met de handpalm naar het gezicht gekeerd, de duim naar rechts omhoog en de andere vingers haaks daarop schuin naar links omhoog wijzend (probeer het thuis eens). Op z’n gezicht had hij een licht verongelijkte uitdrukking. Hij herhaalde het gebaar een paar keer, terwijl we het stoplicht naderden.

Toen we tot stilstand waren gekomen voor het stoplicht, besloot ik achterom te kijken. Met een neutrale glimlach keek ik naar de man, deze keer dus direct, zonder hulp van de binnenspiegel. De man veranderde zijn gebaren plots in ritmisch getik op zijn stuur, alsof ie mee drumde met een nummer dat uit zijn autoradio kwam.

Geinig, vind ik dat. Tot het moment dat de bestuurder mijn gelaat zag, was ik schijnbaar niet een echt iemand. Ik was waarschijnlijk slechts een karikatuur van mensen die hem eerder hadden mishaagd in zijn leven, al dan niet met voorsorteren en invoegen. Bovendien was mijn identiteit niet verder te definiëren dan iemand die rijdt in een zwarte Renault Mégane Estate. Ik was een stuk blik en dan ook nog een stuk blik dat het stukje asfalt voor z’n neus wegkaapte. En daar kon hij zich ongestraft over opwinden. Er was, in zijn hoofd, toch geen levend wezen dat dat opmerkte.

Pas toen ik een mens met een (letterlijk) gezicht werd, voelde hij zich betrapt. Nog steeds had ik het asfalt vóór hem afgepakt, nog steeds reed ik in een zwarte auto. Dat was niet veranderd. Er was iets bij gekomen. Iets dat hem deed beseffen dat ie iets deed waarvan andere mensen zouden kunnen denken dat het raar was.

Dit zegt mij twee dingen. Eén: we denken allemaal mensen te zijn als we in een auto zitten, maar voor onze medeweggebruikers zijn we dat helemaal niet. We zijn gewoon een stuk blik dat in het beste geval hun niet in de weg zit. Twee: als die medeweggebruikers beseffen dat we wél mensen zijn, gaan opeens gedragsnormen gelden, die ook in ander regulier sociaal verkeer gelden. Weggebruikers worden dan opeens van geïsoleerd individu weer groepsdier.

Laat dus vaker je gezicht zien aan je medeweggebruikers. Lach naar je buurman voor het stoplicht. Bedank mensen zichtbaar als je vóór hen invoegt. Kijk iemand aan als je voorrang neemt op een kruispunt. Doe het niet alleen voor jezelf, maar voor al die andere acht miljoen autobezitters. Zodat we alle acht miljoen ons niet alleen voelen en daarom ons onder wat gezonde sociale druk een beetje normaal gedragen op de weg.


Als je mijn blog waardeert, laat dat dan zien: volg dit blog of like Fellow Man op Facebook. Dank je!

Een briefje achterlaten voor jezelf

Afgelopen voorjaar parkeerde ik achteruit in op een parkeerplaats bij het ziekenhuis in Blaricum in de Citroën C1 van mijn vriendin Kim. Althans, ik probeerde in te parkeren. Mijn lease-auto, die ik net had ingeleverd omdat ik voor mezelf was begonnen, had park assist en de C1 niet. Voordat ik doorhad dat ik bij dit autootje moest kijken en niet luisteren of ik nergens tegen aanreed, hoorde ik het geluid van indeukend blik.

Ik reed weer een stukje vooruit en stapte uit om te kijken wat ik had aangericht. De Mercedes A-klasse naast me had overduidelijk krassen op zijn linker voordeur en -bumper. De C1 was er wonderbaarlijk ongeschonden vanaf gekomen. Na het overduidelijke tweemaal te hebben onderzocht en geconstateerd, namelijk dat ík de schade aan de Mercedes had veroorzaakt, schreef ik een briefje dat ik achter de ruitenwisser van de andere auto klemde: ‘Beste, Ik ben tegen uw auto aan gereden. Duizendmaal excuus. U kunt me bereiken op [e-mail-adres] en [telefoonnummer]. Hartelijke groet, Olav de Maat.’ Met een mengeling van schaamte en trots liep ik samen met Kim het ziekenhuis in; schaamte voor m’n knullige parkeerwerk en trots voor het feit dat ik had gekozen voor de high road van het briefje achter de ruitenwisser.

Pas geleden liep ik de Albert Heijn in Soest uit. Bij mijn, inmiddels met eigen geld aangeschafte, auto aangekomen ontdekte ik dat iemand te trots was geweest om de schaamte voor z’n rijgedrag te bekennen. Er zaten een paar forse schrammen op de linker achterkant en geen briefje achter de ruitenwisser. Ik keek meer voor de vorm dan dat ik er iets van verwachtte rond of er niet iemand zich met piepende banden of schaamrode kaken uit de voeten maakte. Geen verdachte bewegingen. Met mijn gehavende Renault verliet ik het parkeerterrein, wetende dat ik de papierwinkel van verzekeraar en Waarborgfonds tegemoet kon zien.

Dit voorval deed me beseffen dat niet iedereen briefjes achter voorruiten achterlaat en vooral dat het goed is dat ik dat wel heb gedaan. Voor de duidelijkheid, ik ben niet zo naïef dat ik niet begrijp waarom mensen hun gegevens niet achterlaten na schade te hebben veroorzaakt bij een ander. Ik snap wat de consequenties zijn voor de dader: sociaal ongemak, gedoe en extra kosten. Je moet immers met een onbekende in contact komen. Dat is voor veel mensen al een fikse drempel. Bovendien moet je die onbekende ook nog eens vertellen dat je je auto zo slecht onder controle hebt, dat het je niet gelukt is de zijne te ontwijken. Dat vereist nederigheid. En als stank voor dank krijg je dan een setje formulieren in te vullen met als klap op de vuurpijl minstens een jaar lang extra premie betalen dankzij het bonus-malus-systeem. Daar sta je dan met je goeie gedrag. En dat terwijl doorrijden heel simpel is en de pakkans zeer laag. Zo’n parkeerplaats van een grote supermarkt of een ziekenhuis is immers lekker anoniem.

Ik snap het wel. Ik geef toe, het duiveltje op mijn schouder heeft me ook heel even doen twijfelen. Toch vind ik het goed dat ik wel een briefje heb achtergelaten. En niet eens per se voor de vanzelfsprekende reden, namelijk dat ik die ander niet met onnodig gedoe en eventueel zelfs kosten opzadel. Ik ben ook blij dat ik het heb gedaan voor mezélf, in ieder geval om een van de redenen dat anderen het niet doen. Het sociaal ongemak is namelijk erg beperkt. Sterker, er is zelfs sociale winst te behalen.

De dame tegen wiens Mercedesje ik was aangereden, belde me vrij snel na het gebeurde op. Over het feit dat ik zo klunzig haar auto had geschampt zei ze alleen maar dat dat iedereen kan overkomen. Ze was vooral blij en dankbaar dat ik mijn naam en nummer had gegeven. De manier waarop ze erover sprak leek er eerder op te duiden dat ze mij iets schuldig was dan andersom. Niks nederigheid van mijn kant. Het was juist goed voor m’n ego. Zij was míj erkentelijk.

Ook moet je de sociale winst van het “de-anonimiseren” van anonieme plekken als grote parkeerplaatsen niet onderschatten. Door jezelf kenbaar te maken via een briefje achter een ruitenwisser ga je het idee tegen dat er alleen maar gezicht- en identiteitsloze wezens ronddolen in de publieke ruimte. Dat klinkt wereldverbeteraarachtiger dan het is. Ook dat is iets dat je niet alleen doet voor de ander met de beschadigde auto. Dat doe je ook voor jezelf. Als de wezens met wie je de publieke ruimte deelt opeens mensen met een gezicht worden, voelt dat prettiger, veiliger, minder alleen. Daar komt geen geitenwollen sok bij kijken. Dat is gewoon hoe wij mensen werken. We zijn sociale dieren, geen eenlingen. Samen zijn voelt nou eenmaal prettiger in onze sociale hersenen.

Als het gaat om dat gedoe, dat is een lichtzure appel waar je doorheen moet bijten. Die papierwinkel valt best mee. Als je één keer een aanrijdingsformulier hebt ingevuld, doe je die andere binnen tien minuten. En ook daar geldt de kracht van onze sociale kant: als je moeite doet voor een ander, krijg je daar een beloning voor in je hersenen (meer zelfs dan voor een egoïstische daad, zo blijkt uit onderzoek). Sociaal doen, doe je voor jezelf. Laat dus wat vaker een briefje achter. Voor jezelf.


P.S.

Voor wat betreft die kosten, tja, daar moet je inderdaad je hogere sociale vaardigheden voor aanspreken. Het systeem dat daarachter zit spreekt ons primair-dierlijke brein niet aan.

Het Waarborgfonds (WBF) vergoedt nu zo’n 6% van alle geclaimde schades (tussen de vijftig en zestig miljoen van ca. negenhonderd miljoen). De financiering van het WBF komt voor de helft van de verzekeraars. De andere helft wordt bijgelegd door de overheid. Indirect betalen we daar dus allemaal aan mee. Financieel zijn de anonieme doorrijders daarom altijd beter af. Zij betalen misschien via verzekeringspremies en belasting wel mee aan het WBF, maar ze behouden hun no claim-korting. Misschien denken ze zelfs wel: ‘Als ik er dan toch aan meebetaal, dan wil ik er ook de vruchten van plukken.’ Terugvallen op de zogenaamde no claim-ladder kan tussen één euro en tientallen euro’s per maand premie kosten. Op de lange termijn hebben helaas alleen de mensen die ook echt (dus niet alleen voor de verzekering) schadevrij rijden voordeel bij briefjes achterlaten. Want als schades gedurende langere tijd altijd netjes op de juiste personen verhaald worden, betalen vooral die juiste personen voor de reparatie. Het WBF hoeft dan steeds minder uit te keren en dus steeds minder bij de verzekeraars en overheid op te halen en die zullen hun premies respectievelijk belasting verlagen.

Ook hier kan ik dus alleen maar een beroep op de sociale kant van de potentiële doorrijder. Die zal zijn financiële behoeften ondergeschikt moeten maken aan zijn sociale. Die zal moeten willen leven in een vertrouwde en eerlijke wereld, waar mensen elkaar kennen en een ieder de lasten draagt waar hij voor verantwoordelijk is en zich niet hoeft te schamen voor z’n (door)rijgedrag. Ík ben ervan overtuigd dat bevrediging van die sociale behoeften op termijn meer oplevert. Maar ja, ik heb het geld dan ook niet uitgevonden.


Als je mijn blog waardeert, laat dat dan zien: volg dit blog of like Fellow Man op Facebook. Dank je!

Ban barse bevelen

Vorige week liet ik de hond uit. Cisco, heet ie. Maar we noemen hem vaak Sissy, omdat ie geen held is. Hij is bang voor paraplu’s, wapperende jassen, mannen met zware stemmen, zware motoren, de slinger van geboortekaartjes die aan het plafond hangt en ga zo maar door. Dus, toen er over de bosweg een four wheel drive met tien kilometer per uur aan kwam rijden met een aanhanger waarvan de lading hard rammelde door het gehots en gebots in de kuilen van het pad, rende onze Cis angstig weg.

De auto reed niet hard, dus ik had de tijd om de bestuurder te vragen zachter te rijden. Ik bewoog m’n hand op en neer, ten teken dat hij moest remmen en riep: ‘Kunt u even stoppen?’ Zonder af te remmen of op mijn verzoek in te gaan, riep de bestuurder uit zijn raam: ‘Honden aan de lijn!’ Omdat Cisco nog altijd aan het weg rennen was, herhaalde ik mijn verzoek: ‘Zou u willen stoppen, alstublieft?’ ‘Honden aan de lijn!!,’ was de onveranderde boodschap van de bestuurder.

Inmiddels was de auto tot stilstand gekomen en stond ik bij het raampje van de bestuurder. Ik zei: ‘Ik woon hier,’ terwijl ik naar het hek wees waarachter het park ligt waar onze bungalow staat. ‘Ik laat hem hier altijd loslopen. Dat doet iedereen.’ ‘Maakt me niet uit. Honden aan de lijn. Zeker met al dat wild nu,’ was de consequente reactie van de man.

Ik keek naar de zijkant van zijn terreinwagen. In de gauwigheid kon ik alleen het woord ‘gibbon’ lezen. Blijkbaar een voertuig dat ooit in een wildpark voor apen had gereden – of die schijn moest het wekken. Er stond in ieder geval niet ‘staatsbosbeheer’ of iets dergelijks. Ik besefte dat ik de autoriteit van de man aan het onderzoeken was. Doordat ik die niet kon ontdekken, voelde ik de verongelijking in mij stijgen, maar ik vroeg de man er niet naar. Totaal ongevoelig voor mijn argumenten of verongelijking, ging hij ondertussen door met eisen dat ik mijn hond aanlijnde. ‘Wilt u wel even wachten, voor u weer gaat rijden?,’ zei ik ten slotte, ‘anders rent mijn hond echt weg.’ De man wachtte. Ik lijnde Cisco aan.

Terwijl de auto met aanhanger weer rammelend op gang kwam – en Cisco achter me weg kroop van angst – maakte de verongelijking plaats voor boosheid. Ik kan daar niet tegen, tegen mensen die wildvreemden op respectloze toon toespreken en hen hun eigen regels opleggen. Áls de man oprecht begaan was met het wild in het bos, dan had hij dat ook gewoon, op rustige en respectvolle toon tegen mij kunnen zeggen. Hij had niet met een bars bevel hoeven te beginnen.

Ik realiseerde me, dat de boosheid die ik voelde kwam van de frustratie dat deze man gewoon door kon met z’n zelfgenoegzame zelf, zonder te weten dat ie – in mijn ogen, althans – zich als een ploert had gedragen. Ik wilde hem dát laten weten. Het interesseerde me eigenlijk niet dat hij vond dat mijn hond aan de lijn moest. Dat dat officieel niet hoeft, weet ik zeker. Daar laat ik me door hem niet van van de wijs brengen. Ik had hem willen zeggen: ‘Kunt u dat ook vriendelijker zeggen? U bent me gewoon bevelen aan het geven. En u kent me niet eens. Bovendien, wat geeft u het recht om zo bevelen uit te delen?’ (Ik wil namelijk ook wel weten wat een man met ‘gibbon’ op zijn auto te vertellen heeft over de herten en konijnen in mijn bos.)

Dat besef maakte het allemaal ineens een stuk simpeler voor me. Ik ging in discussie met een man wiens punt me helemaal niet interesseert, maar wiens manieren me storen. Doen we dat niet veel te vaak? We laten ons afleiden door wat iemand zegt en gaan dáár op in, met als gevolg ellenlange, frustrerende discussies, terwijl de omgang, en als gevolg de persoon ons niet aanstaan. Het is normaal om over de inhoud te praten en veel minder over hoe we met elkaar praten. Zeker met onbekenden. Het is zelfs normaler om onbekenden een bars bevel te geven, dan iemand er op te wijzen dat onbekenden barse bevelen geven helemaal niet prettig is.

Ik nodig je daarom uit om de volgende keer dat je, naar jouw idee, onbehoorlijk aangesproken wordt op iets wat je doet, niet in discussie te gaan over datgene waar je op aangesproken wordt. Geef de ander aan dat het ook anders kan. En begin opnieuw.


Als je mijn blog waardeert, laat dat dan zien: volg dit blog of like Fellow Man op Facebook. Dank je!

Brothers in diapers

Na mijn eerste bezoek aan de Albert Heijn sinds ik vader was geworden, draaide ik met de auto mijn parkeerplek af. Een onoplettende, luie AH-bezoeker had zijn auto naast de glascontainer neergezet, en wel op zo’n manier dat ik er bij het uitrijden nog nét, maar erg onhandig langs kon draaien. Daarvoor moest ik heel krap langs de auto die op de plek naast me geparkeerd stond, maar het paste. Door de regen, die hard op m’n auto roffelde, kon ik mijn omgeving niet helemaal goed zien, maar ik kwam ongeschonden de parkeerplaats af. Blij dat ik weer naar kersverse moeder en kersvers kind kon, gaf ik gas en reed de straat op.

Direct na mij draaide een auto ook de straat op. Het leek erop dat hij haast had, want hij was heel snel vlak achter me. Tot mijn verbazing bleef hij niet achter me rijden, maar haalde hij me in. Mijn verbazing was nog groter toen hij plots hard remde en tot stilstand kwam, vlak voor m’n neus. Noodgedwongen stopte ik achter hem. Een Turkse jongeman stapte uit en beende naar mijn auto. Wild zwaaide hij zijn armen omhoog. ‘Daar zul je het hebben,’ dacht ik, zonder te weten wat ‘het’ was. Adrenaline pompte door m’n lichaam. M’n hart bonsde tien keer harder.

Terwijl mijn autoraampje nog naar beneden bewoog, hoorde ik hem al roepen: ‘Hoorde je me niet toeteren, of zo?! Je hebt me geraakt, man! Hoorde je me niet toeteren!?’ Ik zocht terug in mijn van slaapgebrek dof geworden hoofd. Ik bedacht me dat ik bij het uitrijden inderdaad in de verte een auto had horen toeteren. Nooit geweten dat het van de auto naast me was gekomen. De regen en m’n jonge vader-dufheid hadden de registratie ervan vertroebeld. Mijn achtervolger liep naar de voorkant van zijn auto om die te inspecteren.

Ik zette mijn auto op de stoep en stapte uit. De jongen liep terug en vroeg me nog een keer of ik hem niet had gehoord en niet had gemerkt dat ik hem raakte. Z’n auto had ervan heen en weer geschud, zei hij. ‘Sorry, man,’ zei ik. ‘Het enige dat ik kan zeggen is dat het me ontzettend spijt. Ik had het echt niet door. Ik ben net vader geworden, weet je…’ Wijzend naar de achterbank van zijn auto, waar een jonge vrouw met een hoofddoek over een bundeltje textiel gebogen zat, zei hij met een stem die weerstand leek te willen bieden aan sympathie voor een collega-vader: ‘Ja, ik ook, man.’

Er viel een korte pauze. ‘Ik haalde je maar in. Ik wist niet hoe ik je anders kon tegenhouden,’ vervolgde hij ons gesprek, terwijl hij weer naar de rechter voorbumper van zijn auto liep. Er zaten een paar krasjes op. ‘Shit,’ dacht ik. In weerwil van mezelf wees ik hem erop. ‘Nee, die zaten er al,’ zei hij. We liepen naar de plek waar mijn auto de zijne had moeten raken. We bekeken de portier van de ene en van de andere kant. Niks te zien. ‘M’n auto ging helemaal heen en weer,’ zei hij nogmaals, ‘maar blijkbaar is er niks te zien.’ ‘Vreemd,’ zei ik. ‘Nogmaals sorry. Ik had het echt niet door. Wil je m’n telefoonnummer, zodat je me kan bellen als er toch iets is?’ Hij haalde zijn schouders op en zei alsof ie een besluit had genomen: ‘Oké.’ Ik vroeg zijn nummer en belde hem ter plekke, zodat hij zeker wist dat ik hem geen vals nummer gaf.

We gaven elkaar een hand ter afscheid. ‘Olav,’ zei ik. ‘Mehmet,’ zei hij. ‘Gefeliciteerd met je vaderschap, hè?,’ voegde Mehmet eraan toe. ‘Dank je. Jij ook,’ antwoordde ik. We stapten in onze auto’s en reden weg.

Een paar uur later kreeg ik een sms: ‘Hoi. Ik ben de eigenaar van die grijze renault. Ik heb niks gezien op de bumper. Alleen hele kleine krasjes maar daar ga ik niet moeilijk over doen…’

Je kunt uit dit verhaal veel lessen halen en ze zijn allemaal de moeite waard. Zo kun je er uit halen dat je niet zomaar af moet gaan op je eerste indruk, ook al haalt iemand je in de bebouwde kom in met tachtig kilometer per uur en zet ie je klem. Sommige mensen geven zich nu eenmaal niet zomaar gewonnen. Je kunt ervan leren dat mensen assertief-op-het-agressieve-af en tegelijk redelijk kunnen zijn. De meeste mensen laten immers dit soort buitenkansjes om oude schades op kosten van een ander te laten repareren niet schieten. Dat Mehmet meteen toegaf dat het om een oude schade ging, siert hem. Je kunt er uit afleiden dat het nutteloos is om in een verhaal te wijzen op het feit dat het om een Turkse moslimjongen ging. Het enige wat dat misschien bij lezers doet, is een stiekeme gedachte doen opkomen, die ze snel weer verstoppen. Maar iets toevoegen doet het eigenlijk niet. Helemaal niet als deze Turkse moslim redelijker blijkt te zijn dan de meeste Hollandse agnosten.

De bottom line is: anders is eng. Ik ben nog nooit klem gezet door een Turkse jongen die wild gebarend op me af komt lopen. Ik schrok van die grote veranderingen in mijn dagelijkse beslommeringen. En mijn onderbewuste had niet verwacht dat dit zo zou aflopen. Dat Mehmet een redelijke vent bleek te zijn die genoegen nam met mijn verontschuldigingen, had ik van tevoren nooit geraden.

En, vooral, de andere kant van die bottom line is: hetzelfde is fijn. Toen bleek dat we in hetzelfde schuitje zitten, ontdooide er iets. Ik was niet meer die Hollandse kaaskop die Mehmets auto had geschuurd en Mehmet was niet meer die Turkse druktemaker die me klem had gezet. We bleken brothers in diapers te zijn. Samenleven kost nou eenmaal veel minder moeite als we de overeenkomsten zien.


Als je mijn blog waardeert, laat dat dan zien: volg dit blog of like Fellow Man op Facebook. Dank je!

Laf of vertederd

Waarom groeten totaal onbekenden mijn hond, terwijl ze mij links laten liggen? Volgens velen is het lafheid van de hedendaagse mens. Ik geloof daar niet in. Een mysterie in twee voorbeelden.

Een maand of wat geleden liet ik onze hond uit in ons park. Een dame die ik niet kende had net haar bezoek uitgezwaaid op de parkeerplaats en liep het pad op waar ik ook net in was geslagen. We liepen dus ongewild min of meer met elkaar op, zij een meter of twee achter mij en Cisco. ‘Hallo,’ zei ze op een toon die te lief was voor een vrouw die ik niet kende. Ik draaide me om en zag dat ze naar de hond keek. ‘Wat een mooie hond,’ ging ze verder, deze keer wel tegen mij. ‘Dank je,’ antwoordde ik namens Cisco. ‘Wat een fijne plek, hè?! Ik woon sinds kort hier op de hoek,’ zei ze, terwijl ze naar een bungalow verderop wees. Dit was het begin van een koetjes-en-kalfjes-gesprek, waarvan de transcriptie niet interessant genoeg is voor het doel van deze column.

Voorbeeld twee. Vorige week stond ik op de Biltstraat in Utrecht met Cisco, te wachten tot mijn vriendin de Jumbo uit kwam, waar ze een paar boodschappen aan het halen was. In de tien minuten die we daar stonden telde ik drie momenten waarop voorbijgangers dingen tegen m’n hond zeiden: ‘Wat ben jij een lieverd!,’ ‘Hai, hai,’ en: ‘Hallo, hondje.’ De laatste opmerking was afkomstig van een man die ik niet anders kan typeren dan een zwerver (vieze kleding, een zompig shaggie in de mondhoek, de verweerde gelaatstrekken van een ongezond leven, een alcoholwalm). Het was grappig te zien hoe zijn norse, afwezige gezicht kortstondig veranderde door een glimlach en een bijna liefdevolle blik naar mijn hond. Verder keken tientallen mensen met een afwezige glimlach in de richting van Cisco.

Mij werd geen blik waardig gegund.

Begrijp me niet verkeerd, mijn ego is niet zo klein (of zo groot) dat ik moeite heb met het feit dat mensen mij niet aankijken op straat. Wat ik niet begrijp, is dat mensen een onbekende hond aanspreken alsof ie om een compliment verlegen zit, terwijl ze het mens dat er naast staat (die van een meer gelijke diersoort is en best wel ’s om een compliment verlegen zit) negeren. Waarom niet beiden, hond en mens, tegelijkertijd als eenheid aanspreken, of negeren? Of waarom niet het mens aanspreken en de hond negeren? De hond spreekt geen mensentaal, het mens wel. Waarom is de hond de focus van de interactie?

Een populaire hypothese over dit fenomeen is dat mensen te laf zijn om een ander direct aan te spreken. Via een hond communiceren is gemakkelijker. Die praat niet terug en de kans dat ie riposteert met een lullige opmerking is dus nogal klein. Bovendien heb je zo een laagdrempelige ingang naar de eigenaar te pakken. Het voorbeeld met de dame in ons park zou die hypothese kunnen onderbouwen. Uiteindelijk heeft ze me vijf minuten aan de praat gehouden, terwijl alleen de eerste zin die ze uitte aan Cisco gericht was. Maar de voorbijgangers op de Biltstraat wilden mij echt niet via mijn hond laten weten dat ik een lieverd was. Ook wilden ze niet een gesprek met me aangaan of zelfs maar een positief gebaar naar mij maken. Nee, ze hadden het echt tegen de hond. Ze liepen meteen door en gunden mij, zoals gezegd, geen blik waardig. Ik denk dan ook niet dat de lafheidshypothese klopt. Wat op zich fijn is, want daarmee hebben de cynischen onder ons (weer) eens een keer geen gelijk over de maatschappij.

Nee, ikzelf ben een aanhanger van de vertederingshypothese: mensen spreken honden (en baby’s) gemakkelijker en zelfs met graagte aan, omdat ze vertederd zijn door het diertje. Honden (en baby’s) zijn daarvoor gemaakt. Ze zijn geprogrammeerd om de (volwassen) mens tot zorgend gedrag aan te zetten.

In een Russisch experiment, dat rond 1950 is gestart, worden vossen generatie op generatie gedomesticeerd. Het uiterlijk en gedrag van deze tamme vossen zijn zo veranderd dat ze kunnen overleven onder mensen. Ze hebben een pluizige vacht met witte, grijze en zwarte vlekken, hun ogen zijn groter en opvallender van kleur, hun staarten staan meer rechtop, ze zoeken actief contact met mensen, ze janken om aandacht te krijgen, ze likken mensen en ze kwispelen met hun staart. En dat terwijl hun voorouders egaal donkergrijs, onopvallend en schuw zijn. De rode draad door al deze veranderde kenmerken: aaibaarheid. Aaibaarheid an sich zegt nog niet zo veel. Het gaat om wat aaibaarheid oproept, namelijk de behoefte om te zorgen. Die aaibaarheid lokt een schuwe buurvrouw uit haar tent en tovert een glimlach op een norse zwerver.

Het feit dus, dat ik het moet doen met de kille aandacht van mijn mobiel als ik op straat sta te wachten en Cisco van alle kanten bestookt wordt met liefde, ligt aan de vertederende aanblik van het braaf wachtende hondje met zijn grijs-bruin-wit-zwarte pluizige vachtje dat de voorbijgangers met zijn drie-kwart-bruine en een-kwart-blauwe ogen onderdanig en licht smekend aankijkt. Aan mij ligt het niet. Ik zie er gewoon te zelfstandig en zelfverzekerd uit. Jammer voor mij.

Dat zo’n schattig dierenbeestje mij uiteindelijk meer benaderbaar maakt, da’s pure winst. Zo kan Cisco mijn kwetsbare kant laten zien, terwijl ik stoer en zelfverzekerd in mijn mobiel sta te turen.