Als we ten prooi vallen aan mensen die ons als nummer zien, kunnen we daar iets aan doen. We kunnen hen van de automatische piloot halen of, nog beter, zorgen dat ze ons zien als het speciale geval dat we zijn.

Ik reed op de linkerbaan van de Houtribweg in de Flevopolder. Voor de mensen die de Houtribweg niet kennen, hij heeft twee banen in beide richtingen en tussen de twee rijrichtingen ligt een brede grasstrook. Verder is er niet iets te zien wat de speciale aandacht trekt: vlakke polderweiden, verdwaalde stilstaande treinen, nietsende bouwmachines en relatief nieuwe bomen die her en der op een kluitje staan.

Ik vroeg me net af: is dit nou een autoweg of niet? toen een man met een opvallend gele horizontale streep op zijn jas de weg opliep. Het duurde even, eigenlijk tot het moment dat hij naar mij wees, tot ik doorhad dat deze man een politieagent was.

De man wees naar rechts, naar een straat. Ik remde af, ging naar de rechterbaan en sloeg af. Niet veel verderop stonden twee auto’s waarvan de bestuurders duidelijk geverbaliseerd werden. Naast beide auto’s stond een agent licht voorovergebogen te praten door het bijrijdersraam.

‘Ik vroeg me net af: is dit nou een autoweg of niet? toen een man de weg opliep.’

Mijn voorgangers keerden om de Houtribweg weer op te draaien, waarna ik met een handgebaar gesommeerd werd naar voren te rijden. Ik deed mijn rechter voorraam open en een mannelijke agent begon, schouders en hoofd een beetje naar voren en beneden, digitaal bonnenboekje in de hand: ‘U bent zojuist staande gehouden omdat u een gemeten snelheid had van 102 kilometer per uur.’ Ik loog niet toen ik antwoordde met: ‘Ik vroeg me net af of dit nu een autoweg was.’ De beambte legde uit dat dat niet zo was. We raakten in een gesprekje over de kenmerken van een autoweg en het feit dat ik het nog netjes had gedaan omdat anderen hier met 140 langs raasden, terwijl hij wat administratiefs deed op z’n politiepalmtop.

‘Respect, trouwens, voor uw collega die de weg oploopt om ons aan te houden. Dat doet-ie ook niet zonder gevaar voor eigen leven,’ zei ik nadat het even stil was geweest tussen ons. ‘Ja, en dat is nu precies waar het fout gaat: wandelaars denken dat mensen hier 80 kilometer per uur rijden en schatten het verkeerd in. Met alle gevolgen van dien…’ reageerde de politieman onheilspellend.

Nog even vroeg ik wat de schade ging worden. De vriendelijke verkeersagent noemde het boetebedrag en zei, niet zonder medeleven in zijn stem: ‘Tja, dat is een dure les voor u.’ Vervolgens mocht ook ik gaan. Inmiddels waren er drie wachtenden achter me aangesloten.

‘Als mensen lopendebandwerk doen, gebeuren er twee dingen.’

Ik vond het een vriendelijke man, deze diender. En hij vond mij ook geen onprettige overtreder, denk ik. Dankzij het gekeuvel over en weer werd de sfeer bijna gemoedelijk. Inmiddels weet ik wel dat het geen zin heeft om in de weerstand te gaan. Het beste effect krijg je als je je fout meteen toegeeft of je tenminste van de domme houdt. Bovendien is het tegenwoordig voor mij een gewoonte om een praatje te maken met iedereen met wie ik noodgedwongen een paar minuten van mijn leven moet delen – een agent, een winkelbediende, iemand bij de koffieautomaat. Het maakt die paar minuten leuker én het zorgt ervoor dat mijn tijdelijke relatie beter wordt.

Ik dénk dus dat mijn relatie met deze agent beter werd door mijn opstelling. Het had alleen nul effect. Waarom? Ik was nummer zoveel in de rij. In vijf minuten had dit team gerechtsdienaren zes bestuurders aangehouden en beboet. In een uur zijn dat er zo’n zeventig. Dit was lopendebandwerk. En als mensen lopendebandwerk doen, gebeuren er twee dingen: (1) ze gaan op de automatische piloot en (2) ze dulden geen uitzonderingen.

Aan dat eerste heb ik iets kunnen doen, denk ik, door mijn gebabbel. De man leek oprecht in gesprek met mij. Dat tweede was echter de motherfucker. Was ik deze diender in z’n uppie tegengekomen tijdens een toevallige staandehouding, dan had hij me vrijwel zeker laten gaan met een waarschuwing – dat is me vaker wel dan niet gelukt. Maar nu ik de uitzondering zou worden op de regel die in real time werd bevestigd door alle auto’s vóór mij, draaide het rechtvaardigheidsgevoel van oom agent op volle toeren.

‘Zorg dat je ’s ochtends als eerste te hard rijdt, of anders vlak na de lunchpauze.’

Helaas. In dit geval was ik kansloos. En misschien wel terecht. Ik reed immers te hard. Ik had beter op moeten letten.

Besef dat je in veel gevallen, bijvoorbeeld voor ambtenaren achter loketjes, ook lopendebandwerk bent. Doorbreek dan in ieder geval hun automatische piloot als je gezien wilt worden voor wie je bent: een individueel geval. En probeer net iets alerter te zijn dan ik. Bedenk waarom je anders bent dan al die anderen en zorg dat je terecht als de uitzondering op de regel gezien wordt.

En als je geen goede reden kunt bedenken, zorg dan dat je ’s ochtends als eerste voor dat loket staat (of te hard rijdt), of anders vlak na de lunchpauze. Dan ben jij de eerste in de rij en dus degene die de toon zet en daarmee de regel máákt.


Wil je meer tips om meer contact te krijgen met ambtenaren en andere mensen? In m’n boek Hufters & helden. Waarom we allemaal een beetje aardiger moeten zijn vertel ik je over nog meer van onze automatismen.


Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s