Vorige maand werd bekend dat Gerard Bouman, oud-korpschef van de Nationale Politie, tot het eind van 2017 zijn jaarsalaris van 185.000 behoudt. In ruil daarvoor doet hij ‘tijdelijke klussen’. Verantwoordelijk minister Ard van der Steur verdedigde de regeling door te zeggen dat het om normale afspraken gaat die gelden voor topfunctionarissen in de zogenaamde Topmanagementgroep.

Toen ik het nieuws over Bouman hoorde, hield het me wel even bezig. Die man durft, dacht ik, in een korps waar door de ‘werkvloer’ oorlog gevoerd is voor salarisverhoging gaat iemand lachend ‘advieswerk’ doen tegen vier jaarsalarissen van een normale agent. Maar al snel verdween het onderwerp voor mij ook weer naar de achtergrond. Want wat valt er nou eigenlijk over te zeggen? We kunnen allemaal ruiken dat hier iets stinkt. En niet alleen hier. Rond veel vertrekkende topmanagers blijft een luchtje hangen. Al langer is bijvoorbeeld bekend dat oud-hoofdcommissaris van de politie Amsterdam-Amstelland Bernard Welten na zijn aftreden zijn salaris van 259.000 euro doorbetaald krijgt tot aan zijn pensioen. Ten tijde van zijn aftreden had Welten nog tien jaar te gaan tot zijn pensioen. De gemeente Amsterdam is bovendien nog steeds voor de helft eigenaar van zijn woonhuis in Warmond. Ook hij speelt adviseur bij de Nationale Politie maar wat hij precies doet in die rol is onbekend.

Elke keer als zoiets opkomt, ontstaat er kortstondig publiek rumoer, de verantwoordelijke bestuurder verdedigt de keus, de vertrekker behoudt zijn regeling, en we gaan weer over tot de orde van de dag.

Ook al verdwijnt het ook voor mij snel naar de achtergrond, het laat me niet los. Ik vind het fascinerend. Het is een klassiek geval van het klopt wel maar het deugt niet. Van der Steur kan prima uitleggen dat het klopt. Bouman en Welten hebben alle recht om te claimen wat ze krijgen. Maar je zou denken dat ook zij aan hun water voelen dat al hun verklaringen in de oren van ‘het volk’ waardeloos zijn omdat ze niet deugen. Wat maakt dat zulke mensen kunnen blijven vasthouden aan ondeugdelijke verhalen?

Hebzucht. Dat zal het eerste antwoord zijn van mensen die een pessimistisch mensbeeld hebben. Graaiers zijn het, hoor je ze denken. Ik heb geen pessimistisch mensbeeld. Dus mij hoor je dat niet denken. Het is bovendien kortzichtig om zo te denken. Mensen wíllen niet overkomen als hebberige egoïsten. Mensen zien zichzelf graag als moreel. De theorie van cognitieve dissonantiereductie zegt dat als je iets doet wat niet past bij je zelfbeeld, er kortsluiting ontstaat in je hersenen: dissonantie tussen het beeld van wie je denkt te zijn en het beeld van wat je doet. Deze dissonantie is onprettig en die moet je dus reduceren om weer met jezelf in het reine te komen. In plaats van dat de gemiddelde mens zijn zelfbeeld aanpast, past hij zijn beeld van de werkelijkheid aan.

Dus ergens moeten Ard, Bernard en Gerard het voor zichzelf zo kunnen uitleggen dat het weer klopt in hun hoofd. Een verhaaltje over normale afspraken die gelden voor topfunctionarissen, zoals Ard voor Gerard vertelt, lijkt daarvoor nauwelijks afdoende. Helemaal als je bedenkt dat er meteen een heel leger journalisten om Van der Steur heen staat dat met allerlei retorische vragen (‘Snapt u dat de agent op straat hier weinig van zal begrijpen?’) zijn verhaaltje door probeert te prikken. De uitleg die heren zoals deze voor zichzelf bedenken moet dus sterker zijn. Het moet een uitleg zijn waar niemand aan kan komen zodat er ook geen vragen over gesteld kunnen worden die de theorie aan het wankelen kunnen brengen.

Ik moet onwillekeurig denken aan een op het eerste gezicht nogal draconische parallel: Adolf Eichmann. Deze meneer was zo’n 75 jaar geleden verantwoordelijk voor de logistiek van de vernietiging van de Joden. Toen hem tijdens de Nürnberg-processen werd gevraagd waarom hij had gedaan wat hij had gedaan, verklaarde hij op een gegeven moment dat hij een slecht geweten zou hebben gehad als hij níét had gedaan wat hem opgedragen was. Hij vond zichzelf een goed mens en goede mensen doen wat hun taak is. (FYI: een half dozijn psychiaters hadden hem ‘normaal’ verklaard.)

Waarom ik deze parallel trek? Om twee redenen. Eén: ik geloof dat Van der Steur, Bouman en Welten zichzelf ook goede mensen vinden, en slim bovendien. Anders zouden ze niet doen wat ze doen, zo denken zij. Ze zijn, in hun ogen, niet zomaar minister, korpschef en hoofdcommissaris geworden. En slimme, goede mensen maken slimme, goede afspraken. Zo’n afspraak als die over hun beloning is daar gewoon een voorbeeld van. Als andere mensen daar iets van vinden, dan zien die andere mensen het niet goed. Die hebben er immers niet slim en goed over nagedacht. Die hebben bovendien niet de zware functie die zij hebben.

Reden twee: het voordeel van zo’n redenatie is dat je die niet zomaar uit hoeft te spreken. Een leger journalisten is geen militaire rechtbank die je dag na dag ondervraagt tot je je echte beweegredenen openbaart. Je kunt je voor een kluitje journalisten verschuilen achter de formele afspraken en voor jezelf houden dat je denkt dat anderen het niet begrijpen, dat ze niet begrijpen wat het is om jou te zijn.

Het punt is, zegt journaliste Kathryn Schulz, ‘dat we wel in onze eigen geest kunnen kijken, maar niet in die van anderen.’ We kennen niemand zo goed als onszelf. Er is niemand anders met wie we dag in dag uit doorbrengen, door wiens ogen we meekijken en wiens gedachten en gevoelens we meemaken. We hebben een rijk beeld van onszelf en in vergelijking daarmee een nogal pover beeld van anderen. Dat geeft ons de illusie dat we het allemaal goed hebben doordacht en doorleefd en dat anderen er nog geen millimeter van begrijpen. Stiekem zullen de drie heren die illusie dus vast ook koesteren. En dat geeft ze een goed alibi voor ondeugdelijke salarisregelingen.

Het is ook zo: wat weten wij nou van het leven van Ard, Bernard en Gerard? Hoe kunnen wij inschatten welke afwegingen zij maken? Maar, de andere kant is ook waar: wat weten zij nou van het leven van mensen die geen salaris hebben dat anderhalve ton of meer is? Weten de heren (nog) wat het is om je best te doen om rond te komen? Het zou daarom mooi zijn als we allemaal eens in de zoveel tijd in andermans schoenen zouden kunnen lopen. Dan zou alles een stuk beter verdeeld zijn, denk ik.


Als je dit blog waardeert, laat dat dan zien: volg dit blog of like Fellow Man op Facebook. Dank je!

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s