Niet zo lang geleden voegde ik in in een rij auto’s die op een voorsorteervak voor een stoplicht reed. Dat doe ik wel vaker. Deze keer zag ik in mijn achteruitkijkspiegel dat de bestuurder achter mij zich daar druk over maakte. Hij maakte gebaren met zijn rechterhand, geen obscene, maar het was wel duidelijk dat ie het niet eens was met het feit dat ik vóór hem invoegde. Om precies te zijn, hij bewoog z’n hand voor z’n gezicht omhoog met de handpalm naar het gezicht gekeerd, de duim naar rechts omhoog en de andere vingers haaks daarop schuin naar links omhoog wijzend (probeer het thuis eens). Op z’n gezicht had hij een licht verongelijkte uitdrukking. Hij herhaalde het gebaar een paar keer, terwijl we het stoplicht naderden.

Toen we tot stilstand waren gekomen voor het stoplicht, besloot ik achterom te kijken. Met een neutrale glimlach keek ik naar de man, deze keer dus direct, zonder hulp van de binnenspiegel. De man veranderde zijn gebaren plots in ritmisch getik op zijn stuur, alsof ie mee drumde met een nummer dat uit zijn autoradio kwam.

Geinig, vind ik dat. Tot het moment dat de bestuurder mijn gelaat zag, was ik schijnbaar niet een echt iemand. Ik was waarschijnlijk slechts een karikatuur van mensen die hem eerder hadden mishaagd in zijn leven, al dan niet met voorsorteren en invoegen. Bovendien was mijn identiteit niet verder te definiëren dan iemand die rijdt in een zwarte Renault Mégane Estate. Ik was een stuk blik en dan ook nog een stuk blik dat het stukje asfalt voor z’n neus wegkaapte. En daar kon hij zich ongestraft over opwinden. Er was, in zijn hoofd, toch geen levend wezen dat dat opmerkte.

Pas toen ik een mens met een (letterlijk) gezicht werd, voelde hij zich betrapt. Nog steeds had ik het asfalt vóór hem afgepakt, nog steeds reed ik in een zwarte auto. Dat was niet veranderd. Er was iets bij gekomen. Iets dat hem deed beseffen dat ie iets deed waarvan andere mensen zouden kunnen denken dat het raar was.

Dit zegt mij twee dingen. Eén: we denken allemaal mensen te zijn als we in een auto zitten, maar voor onze medeweggebruikers zijn we dat helemaal niet. We zijn gewoon een stuk blik dat in het beste geval hun niet in de weg zit. Twee: als die medeweggebruikers beseffen dat we wél mensen zijn, gaan opeens gedragsnormen gelden, die ook in ander regulier sociaal verkeer gelden. Weggebruikers worden dan opeens van geïsoleerd individu weer groepsdier.

Laat dus vaker je gezicht zien aan je medeweggebruikers. Lach naar je buurman voor het stoplicht. Bedank mensen zichtbaar als je vóór hen invoegt. Kijk iemand aan als je voorrang neemt op een kruispunt. Doe het niet alleen voor jezelf, maar voor al die andere acht miljoen autobezitters. Zodat we alle acht miljoen ons niet alleen voelen en daarom ons onder wat gezonde sociale druk een beetje normaal gedragen op de weg.


Als je mijn blog waardeert, laat dat dan zien: volg dit blog of like Fellow Man op Facebook. Dank je!

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s