Ik rijd vaak naar Gouda de laatste tijd. De plek waar ik in Gouda moet zijn, bereik ik het snelst via Reeuwijk. Ik rijd dan langs een kanaal over een straat met veel stoplichten en geen mogelijkheid om in te halen. Er is vooral ’s ochtends veel verkeer. De stoplichten zorgen er dan voor dat je ook weg van de snelweg nog een beetje file kunt rijden. Mét uitzicht op de Reeuwijkse Plassen. Dat wel.

Laatst zat ik weer in een sliert auto’s op die weg. Vóór mij reden drie auto’s. Direct achter mij zat een streekbus en daarachter zaten een stuk of acht andere auto’s. Op zeker moment wachtten we weer met z’n allen voor een stoplicht. Bij dat specifieke stoplicht is een bushalte. Daar stond een man te wachten op de bus. De bus die achter mij stond. De bus die toen twintig meter van de man verwijderd was.

De man keek niet naar de bus, de man bleef staan waar ie stond. De bus bleef ook staan, aangezien er vier auto’s voor stonden, die voor een rood stoplicht wachtten. Het stoplicht stond een minuut op rood. Een minuut waarin de man naar de bus had kunnen lopen en in had kunnen stappen.

Toen het stoplicht op groen sprong, reden de drie auto’s vóór mij en ik weg. In mijn binnenspiegel zag ik dat de bus optrok en stopte bij de halte. De man stapte in en de bus reed vijf meter verder, om te stoppen voor het stoplicht dat inmiddels weer op rood was gesprongen. De auto’s achter de bus wachtten ook weer lijdzaam op het volgende groene sein. Terwijl de bus kleiner werd in mijn binnenspiegel, groeide mijn verbazing. Waarom was deze beste man niet eerder naar de bus gelopen? Waarom moest hij zo nodig de bus naar hém laten komen? Waarom moesten al die mensen in de bus en de auto’s daarachter extra lang wachten tot ze door konden rijden naar Gouda?

Thuisgekomen die avond vertelde ik dit verhaal aan mijn vriendin, met verontwaardiging in mijn stem. Ze reageerde alert en zei: ‘Bussen mogen mensen alleen in en uit laten stappen bij bushaltes. Dat wist die man waarschijnlijk.’ ‘Dat is ook zo!,’ bedacht ik me. In Ja, maar wat als alles lukt, een geinig boekje van Berthold Gunster, had ik ooit gelezen over iemand die niet op tijd kwam voor zijn examen. Zijn bus had vast gestaan in de file in de stad en de buschauffeur had de jongen niet uit laten stappen om de laatste meters naar school te lopen. Dat mocht niet. Het is procedure.

Wat is toch die magische wereld van procedures waarin busdeuren gesloten blijven, terwijl de buschauffeur gewoon op elk moment op de knop kan drukken waardoor de deuren wél open gaan? Waar komen die onzichtbare handen vandaan die de man bij de bushalte ervan weerhouden om naar de bus te lopen die twintig meter verderop stil staat? Wat is het dat volledig wils- en handelingsbekwame mensen verandert in willoze en bewegingloze wezens? Hoe kan het dat mensen vaker doen wat hen verteld is dan wat goed is?

Ik kan allerlei antwoorden bedenken op deze vragen, maar ze voelen allemaal niet bevredigend. De volgende keer laat ik de man gewoon bij mij instappen en breng ik hem naar waar ie maar heen wil. Dat zal ze leren!

Advertisements

One thought on “Wachten op een stilstaande bus

  1. Ha Olav! Ik vroeg me af waarom maar weinig mensen wachten tot het stoplicht groen wordt (en dan doel ik vooral op wandelaars en fietsers – inclusief mijzelf), en ik vroeg me af of jij daar al eens een blog over had geschreven. Toen kwam ik via de zoekmachine terecht bij dit verhaal. Leuk weer! Nou ja, wie weet inspireert het rode stoplicht je nog eens voor een nieuw verhaal. Groetjes en een mooi einde en begin gewenst, x

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s